Skip to main content

Full text of "Geschiedenis eener Hollandsche stad"

See other formats





00 




o co 




z in 


ë CD 


e CD 


u. LO 






C— r-. 


en 






è CD 


-'==r- 


= ■«— 




en 



1 




PURCHASED FOR THE 

UNIVERSITY OF TORONTO LJBRARY 

FROM THE 

CANADA COUNCIL SPECIAL GRANT 

FOR 



ECONOMIC HISTORY 



GESCHIEDENIS EENER HOLLANDSCHE STAD 



Digitized by the Internet Archive 

in 2010 with funding from 

University of Toronto 



http://www.archive.org/details/geschiedeniseen01blok 



GESCHIEDENIS 



EENER 



HOLLflNDSCHESTflD 



DOOR 



P. J. BLOK 



EENE HOLLANDSCHE STAD IN DE MIDDELEEUWEN 



MET TWEE KAARTEN. 




'S-GRAVENHA6E 
MARTINUS NIJHOFF 

1910 



L5Br 

heli- 




^\BR^-x.( 



^ 



i::A.H2V.1967 






Aan de nagedachtenis van 
ROBERT FRUIN 



VOORREDE VOOR DEN EERSTEN DRUK (1883). 

Onlangs herlas ik de woorden, die de Duitsche dichter Von Scheffel 
aan zijn Ekkehard liet voorafgaan; de dichter kon zich daar niet weer- 
houden om op eenigszins sarcastischen toon den Duitschen geleerden 
de les te lezen over de dorheid, waarmede zij de resultaten hunner 
historische studiën bekend maken; Von Scheffel verdedigt de stelling, 
dat de historische roman de voorkeur verdient, wanneer men zoekt naar 
den besten vorm om aan tijdgenooten het leven van vroeger dagen 
voor den geest te brengen. 

Ik denk er niet aan, de verdiensten van den historischen roman te 
willen verkleinen, maar tegen die stelling heb ik toch een zeer ernstig 
bezwaar, en wel uit een historisch oogpunt. 

Wat wil de geschiedenis? Wil zij eenvoudig het leven onzer voor- 
vaderen schetsen ten spiegel voor den tijdgenoot of om hem aangenaam 
bezig te houden? Maar dat is immers een standpunt, dat wij sedert 
lang verlaten hebben! Wie Macaulay's arbeid heeft vergeleken met de 
bronnen, die aan den voet zijner bladzijden worden aangegeven, weet, 
hoe gevaarlijk het is, wanneer een historicus zich een hoog letterkundig 
doel stelt en tevens historicus wil blijven: aan menig dor bericht, dat 
de archieven opleverden, heeft Macaulay een en ander toegevoegd, 
waardoor het bericht .... verdraaid, verhaspeld, overdreven, onjuist werd. 
De arbeid van den Engelschen geschiedschrijver mocht zoo winnen aan 
glans en schittering, de historische kritiek heeft er veel op aan te mer- 
ken, want het schoone beeld is valsch en verschilt dikwijls veel van de 
werkelijkheid. Dat was het gevolg van Macaulay's zucht om populair 
te schrijven. 

De beoefenaar der geschiedenis stelt zich een ander doel: hij wil 
weten, hoe de tegenwoordige toestanden zijn ontstaan en hoe zij zich 
ontwikkeld hebben van den tijd af, toen zij in windselen lagen en de 
maatschappij ze om- en weder omkeerde, ze wijzigde en assimileerde, 
tot nu toe; hij weet, dat men iets eerst volkomen begrepen heeft, 
wanneer men de ontwikkeling ervan aandachtig heeft nagegaan. Als 



VIII 

voorbeeld van den tegenwoordigen historicus kunnen wij Ranke be- 
schouwen. Niemand zal zijne werken ter hand nemen ten einde eenige 
oogenblikken de aandacht te boeien door een romantisch verhaal, maar 
hij, die de ontwikkeling der tegenwoordige maatschappij wil gadeslaan, 
kan zijn arbeid niet ongelezen laten. 

Moet men daarom echter het vroegere beginsel geheel loslaten en 
zich niet bekommeren om den stijl en de inkleeding? Ranke zal de 
laatste zijn dit toe te geven, maar hij beoogt in de eerste plaats een 
historisch, daarna een letterkundig doel, terwijl Macaulay de zaak scheen 
om te keeren. 

Geschiedenis is ontwikkeling. Hij, die de tegenwoordige maatschappij 
wil begrijpen, moet hare kindsheid kennen. 

Wat was de kindsheid onzer maatschappij? Het was niet de tijd der 
Revolutie, toen het den tijdgenoot toescheen, dat al het bestaande werd 
omgekeerd en vernietigd en dat een nieuw gebouw werd opgetrokken 
op de puinhoopen van het vernielde: de storm ging liggen, de baren 
keerden terug tot rust — een rust, die nu en dan nog door windstooten 
en orkanen werd gestoord, maar de zee des menschelijken levens was 
de zee gebleven, het water was niet van samenstelling veranderd: de 
mensch na de revolutie was de zoon zijner vaderen en zijn geest het 
resultaat van eene ontwikkeling, die ook de omwenteling had voortge- 
bracht — de Nederlander van 1880 is nog altijd de nakomeling van 
den Hollander, den Zeeuw, den Fries van vóór 1795. Het is dus om 
de tegenwoordige maatschappij te begrijpen niet genoeg, dat men tot 
1795 terugkeert: men moet hare kindsheid vroeger zoeken. Gaat men 
nu steeds terug, dan stuit men eindelijk op eene duisternis, waarin slechts 
enkele lichtpunten eenige helderheid verspreiden; die duisternis valt 
voor ons land in de 13^^^ eeuw. Daarom heb ik de 14*^^ eeuw tot uit- 
gangspunt gekozen, omdat het dan eerst mogelijk is den toestand onzer 
toenmalige maatschappij na te gaan, zooals het behoort. 

De weg, dien ik daartoe insloeg, was de volgende: ik meende, dat 
een onderzoek naar de geschiedenis der Hollandsche steden voor mijn 
doel het meest gewenscht was, want de geschiedenis der provincie Hol- 
land heeft op onze latere toestanden den meesten invloed uitgeoefend, 
zij was de machtigste der zeven Provinciën. Het eigenlijke middelpunt 
van het leven onzer vaderen was niet de Staat der Vereenigde Neder- 
landen; in veel meerdere mate was dit de provincie, waarin zij leefden. 
Maar ook deze — ofschoon een staatkundig geheel — was niet het 
vaderland der Nederlanders van vóór 1795; i^ ^^^ verder kunnen gaan 
en met eenige overdrijving kunnen beweren, dat de Nederlander vóór 
1795 geen vader/and kende maar alleen eene vaderstad. Zoo erg was 
het nu juist wel niet, maar zeker is het, dat de stad toen ook de maat- 
schappij onzer vaderen was. Om derhalve die maatschappij goed te leeren 
kennen, moet men zich tot de steden wenden. 

Hoe nu dit onderzoek in te stellen? De hoogleeraar R. Fruin heeft 



IX 

deze vraag reeds beantwoord in het begin zijner studie over Leiden '): 
het geeft een beter geheel, wanneer men ééne stad volledig beschrijft 
en de wijzigingen in de andere steden telkens binnen den kring zijner 
beschouwingen trekt, dan wanneer men van stad tot stad gaat en eene 
opsomming geeft van de feiten, die onze aandacht tot zich trekken; 
daarom ook heb ik ééne stad en wel de plaats mijner inwoning, waar 
de bronnen voor mij zoo toegankelijk waren, tot uitgangspunt gekozen. 
Mijn hooggeachte leermeester, de heer Fruin, maakte mij op den rijkdom 
van het Leidsche archief opmerkzaam. 

Zoo ontstond dit boek, waarvan ik het eerste gedeelte hier aan de 
beoefenaars onzer geschiedenis mag aanbieden; het vormt op zichzelf 
een geheel en behandelt de i4'^« eeuw benevens het begin der i5«^e tot 
omstreeks 1434. 

Leiden heeft voor bijna drie eeuwen reeds zijne historici gehad. De 
eerste, die over Leiden's geschiedenis een omvangrijk werk schreef, was 
de oud-burgemeester dier stad, Jan Jansz. Orlers: de neef van Jan van 
Hout, den beroemden secretaris tijdens het beleg, had zeker wel aan- 
leiding om belangstelling te koesteren voor de stad zijner geboorte. Jan 
van Hout zelf had de geschiedenis van Leiden met den grootsten ijver 
nagespoord en zijne aanteekeningen strekten voor een groot deel ten 
grondslag aan het boek van Orlers; die aanteekeningen waren van zeer 
veel waarde, want de ijverige secretaris had bij al zijne bemoeiingen 
nog den tijd gevonden het stedelijk archief te ordenen en door te wer- 
ken. Van zijne vlijt vindt ieder, die met het Leidsch archief kennis 
maakt, elk oogenblik de sporen; hij schiep orde in den chaos van pa- 
pieren, die daar bewaard werden. Het is dan ook niet te verwonderen, 
dat zijn neef onder den indruk van den roem, waarmede zijne geboorte- 
stad zich in 1574 had overdekt, het plan opvatte om hare geschiedenis te 
schrijven en dat hij daarmede een plicht der dankbaarheid jegens haar 
meende te vervullen : de faam der stad Leiden legde haren burger dezen 
plicht op. Wél erkende de bescheiden man, dat anderen hem in geleerd- 
heid overtroffen en zeker beter werk hadden kunnen leveren, maar zij 
deden het niet en daarom voelde hij zich geroepen den arbeid op te 
vatten. Als zijne voorgangers noemt hij Dr. Hadrianus Junius, Guicciardini 
en Boxhornius, die in het kort de geschiedenis der stad hadden her- 
dacht; maar, zegt Orlers, „daer inne ontbreecken seer veele nootsaecke- 
licke dinghen, omme die volcomentlicken naer haere waerde ende behoren 
haer verdienden lof te geven". Hij wenscht door zijn arbeid, „dewelcke 
ick als een rouw ongevijlt yser int licht brenge", anderen na hem op te 
wekken de geschiedenis der stad te beschrijven op eene wijze, harer 
waardig. Zijn oom, Jan van Hout, had „airede van eenige saecken een 



i) Gids van Nov. 1873. Eene Holl. stad in de Middeleeuwen (Verspr. Geschr. I, blz, 
49 vlg.). 



ruych bewerp ghemaeckt ende op de persse gebracht", maar de dood 
had hem overvallen en Orlers besloot het werk voort te zetten. Behalve 
de aanteekeningen van den beroemden secretaris gebruikte hij die van 
andere zijner vrienden en tijdgenooten. 

Het werk verscheen in 1614 i), maar na 27 jaren gaf hij een betere 
en veel vermeerderde uitgave, die van 1641 2). Deze laatste is verdeeld 
in drie deelen : het eerste behandelt de topographie, de kerken, conven- 
ten en godshuizen, de oprichting van de Academie en van de Theologische 
collegiën; vervolgens wijdt hij een belangrijk aantal bladzijden aan de 
lakennering en in het algemeen aan de nijverheid. Het tweede deel 
bevat de geschiedenis der belegeringen, aanslagen en overrompelingen, 
waarbij natuurlijk het beleg van 1574 eene eerste plaats inneemt; in 
deze beide deelen mocht Orlers op de hulp van den geleerden Petrus 
Scriverius rekenen. Het derde handelt over het bestuur der stad en geeft 
lijsten van de overheden, voorzoover Orlers die kon opsporen. 

Over het geheel had de eerzame burgemeester zijne berichten dus uit 
de tweede hand ; het archief zelf werd door hem zeer weinig geraad- 
pleegd en zijn werk werd voornamelijk uit aanteekeningen van anderen 
opgebouwd. Menige bijzonderheid echter kennen wij door hem alleen, 
daar vele oorspronkelijke stukken verdwenen zijn : vooral voor de kennis 
van zijn eigen tijd zijn zijne berichten soms van veel belang ^). 

Ongeveer 50 jaren na de tweede uitgave van Orlers gaven burge- 
meesteren van Leiden aan den Raad Mr. Simon van Leeuwen de opdracht 
een bijschrift te maken onder eene grondkaart der stad : daarin moesten 
de hoofdfeiten uit de geschiedenis van Leiden herinnerd worden. Mr. 
Simon meende, dat het beter zou zijn, wanneer hij de zaak wat breeder 
opzette, ten einde reden te kunnen geven van zijn verschil in meening 
met anderen, ofschoon hij er pessimistisch bijvoegde, „daar in ik het 
nog kwaat genoug sal hebben, het vooroordeel uit de oud-wijvs-spinrok- 
kenpraatjens, in sommiger hersenen soo vast ingedrongen, uyt de gedagten 
te helpen". Zoo ontstond zijne „Korte Besgrijving van het Lugdunura 
Batavorum, nu Leyden : Vervattende een Verhaal van haar Grondstand, 
Oudheid, Opkomst, Voortgang ende Stadsbestier. Sampt het graven van 
den Ouden en Nieuwen Rijn, met de Oude ende Niewe Slijkwateringen 
van de selve. Tot Leyden voor Johannes van Gelder, 1672". Achter dit 
werk, in 12°, volgde een „Naader Bewijs ende Omstandige Bevestiging 
op de Korte Besgrijving der stad Leyden" en dit laatste gedeelte is 
voor de geschiedenis der stad zeer gewichtig wegens de veelomvattende 
kennis van den schrijver, die vooral op het gebied van topographie en 



i) Twee 4" deelen in één band. 

2) Het derde deel werd er toen bijgevoegd. Het boek werd in 4° uitgegeven „voor 
Andries Jansz. Cloeting tot Delf ende Abraham Commelijn tot Leyden." Herdruk z.j. in 4'. 

3) Zijn werk beleefde een derden druk (in 2 4° deelen), Amsterdam, 1760, herdrukt 
te Leiden (in 3 deelen) in 1781; het is een eenvoudige herdruk van dien van 1641. 



XI 

jurisdictie zoo goed thuis was i) ; voor die onderwerpen zijn de opmer- 
kingen van den geleerden jurist zeer belangrijk en het is niet vreemd, 
dat zij voor hem de hoofdzaak van zijn arbeid waren. 

Eene derde beschrijving der stad Leiden werd in 1762 geschreven 
door den schilder Frans van Mieris, den Jonge. Had hij reeds in 1759 
de Privilegiën der stad Leyden (fol.) uitgegeven volgens de oorspronkelijke 
handschriften — hij voelde zich evenals Orlers geroepen om de geschie- 
denis zijner beroemde geboortestad te beschrijven. Hij kreeg de vergun- 
ning — in dien tijd van geheimhouding eene zaak van belang — om 
de archieven der stad en van de provincie na te zien ; bovendien stonden 
verschillende familiën hem toe ook hunne archieven te onderzoeken. 
Van Mieris was dus in staat eene veel vollediger geschiedenis der stad 
te schrijven dan zijne voorgangers hadden kunnen doen. Het behoeft 
echter geen betoog, dat de schrijver dikwijls door al die verplichtingen 
aan anderen gebonden was en niet alles mocht uitgeven, wat hij zag; 
hij erkent dit zelf in zijn voorbericht en op het Leidsche archief bestaat 
dan ook een bundel stukken, die hij niet heeft mogen publiceeren 2). 
Midden in zijn arbeid voor de uitgave van het tweede deel stierf de 
werkzame man op 22 Oct. 1763. Zijn werk werd door Mr. Daniel van 
Alphen, vroeger raad en schepen, toen griffier der stad, voortgezet; 
deze voegde tevens daarbij verschillende stukken, die aan de aandacht 
van Van Mieris ontsnapt waren. Het zoo vermeerderde tweede deel ver- 
scheen in 1770, voorafgegaan door eene uitvoerige beschouwing over 
het leven van den eersten uitgever. In 1784 kon het derde en laatste 
deel verschijnen. 

Met bewondering moet men zien op de nauwkeurigheid, waarmede de 
uitgevers van dit boek zijn te werk gegaan: het is een schatkamer van 
bijzonderheden uit de geschiedenis van de stad Leiden en, heeft ook 
de moderne kritiek hier en daar een vraagteeken te plaatsen, zij moet 
den ijver en de nauwkeurigheid waardeeren, waarmede hier is gewerkt. 

Ook dit werk voldoet echter niet meer aan de behoeften van onzen 
tijd : niet alleen omdat de wetenschap der geschiedenis sedert eene eeuw 
reuzenschreden heeft gedaan, maar ook — de tegenwoordige tijd eischt 
iets anders. 

Mijns inziens moet de geschiedenis van de ontwikkeling der steden 
meer eene voortgaande beschouwing zijn van de ontwikkeling der ste- 
delijke instellingen; terwijl Van Mieris en Van Alphen hun werk afdeelden 
in verschillende hoofdstukken, waarin iedere instelling tot op hunnen tijd 



i) Hij is de schrijver van de bekende rechtsgeleerde werken. Vgl. over hem Fruin 
in Verspr. Geschr. VIII, blz. 95 vlg. 

2) F. van Mieris, Beschryving der Stad Leyden, haare gelegenheid, oorsprong, ver- 
grootinge, oude en hedendaagsche gedaante ; stigtingen van kerken, kloosters, godshuizen 
en andere aanmerkelijke gebouwen, zoo geestlijke als waereldlijke, derzelver bijzondere toe- 
stand en bestieringe. Leyden, 1762 (fol.). 



XII 

werd behandeld, komt het mij voor, dat men liever de geschiedenis der 
stad in een aantal tijdvakken moet verdeelen en dan nagaan, hoe alle 
instellingen in die tijdvakken gewijzigd zijn. Dan eerst zal men een 
helderen blik kunnen slaan in de ontwikkeling van het stedelijk leven, 
en dat is het leven onzer voorvaderen geweest. 

Om daartoe thans te komen heb ik mij voorgesteld de geschiedenis 
van de ontwikkeling der stad Leiden in de volgende tijdvakken te verdeelen. 

Eerste tijdvak. Leiden omstreeks 1400: daarin zal worden gehandeld 
over de opkomst en ontwikkeling der stad, totdat zij zich bevrijd heeft 
van de macht der burggraven en de aristocratie voor goed de regeering 
in handen kreeg (1434). 

Tweede tijdvak. Leiden omstreeks 1550: hierin denk ik den voortgang 
der ontwikkeling te schetsen tot op den vooravond van den opstand tegen 
Spanje, toen de strijd tegen het despotisme begon (1434 — 1568). 

Derde tijdvak. Leiden omstreeks 1650: onder het aristocratisch-repu- 
blikeinsch bestuur (1568— 1672). 

Vierde tijdvak. Leiden omstreeks 1795: de ontaarding en val der 
aristocratie (1672 — 1815) '). 

Het komt mij voor, dat deze verdeeling voor alle Hollandsche steden 
te maken zou zijn, daar dezelfde oorzaken in ongeveer denzelfden tijd 
in Holland dezelfde gevolgen hebben gehad ; daarom ook zal reeds eene 
beschrijving der stad Leiden en van hare ontwikkeling een vrij getrouw 
beeld der Hollandsche maatschappij kunnen opleveren 2). 

Omtrent de hier door mij gebruikte bronnen kan ik betrekkelijk kort 
zijn. Al wat het Leidsche archief mij kon aanbieden — en dat was zeer 
veel — heb ik gebruikt, dank zij de welwillendheid van het Leidsch 
bestuur, dat nu geen opzettelijk besluit meer noodig keurt voor eene 
vergunning om de historische bescheiden der stad in te zien. Verder heb 
ik ook het Rijksarchief — voornamelijk daar aanwezige rekeningen 
en registers — kunnen raadplegen. Bij ieder hoofdstuk heb ik verderde 
gebruikte werken genoemd, zoodat het niet noodig zal zijn ze hier nog 
eens op te geven. 

Een enkel woord nog over de beschrijvingen van Leiden, die in manu- 
script op het archief bewaard worden; zij zijn meestal door anonymi in 
de iS'^^ eeuw geschreven en alle door Van Mieris en Van Alphen gebruikt, 
wier aanteekeningen en bouwstoffen zelve ook nog aanwezig zijn. Onder 
deze alle noem ik eene beschrijving van den regeeringsvorm van Leiden, 
in 1655 — 1683 geschreven door Mr. Hendrik Brouwer en in de iS^^ 
eeuw met aanteekeningen verrijkt, benevens het beroemde werk van 
Pieter de la Court, Het welvaren der stad Leyden 3). 

Met voorbijgaan van het onkritische geschrift over de Leidsche burg- 
ij Het fs mijn plan thans tot 1848 te gaan (1910). 

2) Ik hoop in de gelegenheid te zijn in den loop van vijf of zes jaren het geheele 
werk het licht te doen zien. 

3) Zie den Inventaris van het archief, II, blz. 173. 



XIII 

graven door den vroegeren stadsarchitect Van der Paauw, dat ook in ms. 
op het archief aanwezig is en waarde heeft door de nette afbeelding der 
Leidsche wapens, kom ik tot de nieuwere uitgaven over Leiden. 

Hierbij noem ik vooreerst de studie van prof. R. Fruin in de Gids 
van 1873: „Eene Hollandsche stad in de Middeleeuwen" '); deze studie 
behandelt in het kort de geschiedenis van Leiden in den eersten tijd naar 
aanleiding van de uitgave der Leidsche Keurboeken door Dr. Hamaker 2). 
Het laatste werk heeft gedurende de bewerking van dit boek mijne 
schrijftafel niet verlaten, evenmin als de uitvoerige aankondiging van 
prof. Fruin in de Gids. 

In 1874 verscheen de merkwaardige dissertatie van Mr. A. Nortier: 
„Bijdrage tot de kennis van het burgerlijk proces in de 1 5 ''^ eeuw"; met 
zekeren weemoed gebruikte ik voor de rechtspleging dit helder geschreven 
boekje van den vroeggestorven beoefenaar van het oud-vaderlandsche 
recht, dien de dood verhinderde zijn plan tot het uitgeven der Kenning- 
boeken uit te voeren. 

Eindelijk heeft voor de topographie het werk van Dr. Pleyte: „Leiden 
vóór 300 jaren en thans" (1875), "^'Ü uitstekende diensten bewezen. 

Sedert het jaar 1851 gaf de ijverige archivaris der stad, jhr. Rammelman 
Elsevier, in de ELronijk van het Historisch Genootschap te Utrecht, den 
Navorscher, den Spectator, de Leidsche Courant en elders allerlei stukken 
over Leiden uit: een grooten dienst deed hij zeker aan alle beoefenaars 
dej geschiedenis door zijn „Inventaris van het archief der gemeente 
Leyden (1240 — 1644)" 3), uitgegeven op last der Leidsche regeering. 

Behalve de straks behandelde groote beschrijvingen der stad Leiden 
bestaan er nog korte uittreksels van hare geschiedenis, die echter niets 
nieuws opleveren. 

Van kleinere studiën over Leiden wensch ik er nog eenige te noemen, 
daar zij mij bij de bewerking van het onderwerp van veel nut zijn geweest. 

Vooreerst vind ik dan de bekende „Rijnlandsche Oudheden", in 17 19 
door H. v(an) H(eussen) bewerkt naar de Latijnsche uitgave der ,,His- 
toria Episcopatuum". Dit boek is vooral van veel gewicht voor de ker- 
kelijke geschiedenis der stad, daar de bewerker de oorspronkelijke stukken 
getrouw heeft geraadpleegd en zelfs gedeeltelijk gecopieerd. In tijdsorde 
volgen daarop de aanteekeningen over Leiden, door den uitgever der 
„Vaderlandsche Kronijk" bij zijn werk gevoegd: de bouwstoffen voor 
die Kronijk zijn voor een groot deel op het archief van Leiden aan- 
wezig en stellen bijna zeker in het licht, dat Van Alphen de eigenlijke 
bewerker is geweest. Ongeveer gelijktijdig met deze boeken schreef 
de bekende geschiedkundige C. van Alkemade (1654 — 1737) eene 
geschiedenis van den Burg en de Burggraven; de correspondentie over 



i) Thans in Verspreide Geschriften, I, blz. 49 vlg. 

2) Leiden, 1873. 

3) 2 deelen z. j. 



XIV 

de uitgave van dit manuscript wordt met het handschrift zelf bewaard; 
het is echter nooit tot eene uitgave gekomen '). Ik heb daaruit enkele 
bijzonderheden over de burggraven kunnen aanteekenen, die mij van 
elders niet bekend waren. 

Ik kan en wil mijn werk niet de wereld inzenden, voordat ik mijn 
innigen dank heb uitgesproken vooreerst aan mijn hooggeschatten leer- 
meester, den hoogleeraar R. J. Fruin te Leiden; hem kan ik noemen 
met den naam, dien Philips van Leyden aan Willem V toekende, „motor 
huius opusculi". En hij was voor mij meer dan dat : hij schonk mij niet 
alleen de vergunning om een deel zijner belangrijke aanteekeningen, op 
het Rijksarchief en elders gemaakt, te gebruiken en bespaarde mij zoo 
veel lastigen arbeid, maar stelde ook zijn tijd dikwijls voor mij beschik- 
baar om mij met zijn raad en kennis te steunen; moge dit eerste deel 
van mijn werk hem toonen, dat die leerzame uren in zijn studeervertrek 
voor de geschiedenis des Vaderlands niet verloren waren ! 

Ook den archivaris van Leiden, Jhr. Rammelman Elsevier, kan ik 
niet genoeg dankzeggen voor de welwillende wijze, waarop hij mij steeds 
hielp bij mijne onderzoekingen op het Leidsche archief. Hoe menigmaal 
heeft hij mij niet vergezeld op de trappen van den ouden stadhuistoren, 
wanneer wij ons begaven naar de ongezellige bewaarplaats der schatten 
van Leidens verleden ! Hoe dikwijls hebben wij niet samen menig voorval 
uit dat verleden besproken en wat heb ik niet te danken aan zijne 
onvermoeide zorgen, waar het gold de bronnen voor de kennis der in 
dit deel besproken zaken bijeen te brengen ! 

Niet het minst ben ik op het gebied der topographie en van het arm- 
wezen aan Dr. Pleyte verplicht; met eene belangeloosheid en welwil- 
lendheid, waaraan gelukkig onze Nederlandsche geleerden geen gebrek 
hebben, heeft hij mij zijne aanmerkingen op mijn arbeid medegedeeld, 
vooral wat de topographie betreft; ja, de stof voor het laatste hoofdstuk — 
dat over het armwezen — is door mij ontleend aan bouwstoffen, reeds 
vóór jaren door Dr. Pleyte bijeen gebracht: hij stond mij zijne aan- 
teekeningen ten gebruike af en stelde mij in de gelegenheid dikwijls 
met hem van gedachte te wisselen over menig duister punt; daardoor 
hebben wij veel tot klaarheid kunnen brengen, wat mij alleen niet zoo 
duidelijk ware geworden. 

Ook de hoogleeraar J. G. R. Acquoy is zoo goed geweest enkele punten 
uit onze kerkgeschiedenis met mij te bespreken, waarvoor ik hem hier 
mijn dank betuig. 

Dank ben ik ook verschuldigd voor de welwillende wijze, waarop het 
bestuur te Alkmaar mij den catalogus van het archief aldaar toezond, 
terwijl ik van verschillende zijden, vooral van Mr. Soutendam te Delft, de 
levendigste blijken van sympathie met mijn arbeid mocht ontmoeten. 



i) De regeering der stad vereerde aan Alkeraade een zilver vergulden bokaal, nog op 
het Sted. Mus. van Leiden aanwezig. 



XV 



Heb ik zoo kunnen rekenen op de medewerking van geschiedkundigen, 
ook in de Universiteitsbibliotheek en het Rijksarchief heb ik groote hulp- 
vaardigheid mogen ondervinden ; ook daarvoor ben ik ten hoogste dankbaar. 

Mijn innige wensch is, dat de welwillende hulp, die mij van alle 
zijden gewerd, blijken zal goede vruchten gedragen te hebben. 



VOORREDE VOOR DEN TWEEDEN DRUK. 

Lange jaren zijn voorbijgegaan, sedert ik de hier voorafgaande woor- 
den schreef: 30 jaren is het geleden, sedert ik in overleg met Fruin het 
plan opvatte om dit boek te schrijven. Al degenen, tot wie ik in de 
voorrede der eerste uitgave als levenden een woord van dank richtte, 
zijn heengegaan en de wederwaardigheden des levens hebben ook den 
schrijver zelven niet ongemoeid gelaten; het Leidsche archief en het 
Rijksarchief, waar ik de bronnen voor mijn verhaal grootendeels vond, 
hebben hun bestuur en verder personeel herhaaldelijk zien wijzigen, zijn 
verplaatst naar andere, naar gloednieuwe gebouwen, ingericht volgens de 
eischen des tijds; zij zijn in vele opzichten geheel gereorganiseerd, bij welke 
werkzaamheid nieuwe gegevens aan den dag zijn gekomen, ook voor de 
geschiedenis van Leiden, welks latere wetenschappelijk gevormde archiva- 
rissen, eerst mr. Ch. M. Dozy, daarna mr. dr. J. C. Overvoorde, hunne taak 
met ernst aanvaardden. 

Reeds deze laatste omstandigheid alleen had aanleiding kunnen geven 
tot het ondernemen eener nieuwe uitgave. Maar er is meer. Sedert dit 
boek geschreven werd, is van alle kanten licht opgegaan over de geschiedenis 
der steden in het algemeen, over die der Nederlandsche, der Hollandsche 
steden in het bijzonder. In Duitschland, in Frankrijk, in België zijn 
tallooze gegevens ontdekt en bekend gemaakt, tal van stedengeschiedenissen 
uitgegeven en in Nederland is men in dit opzicht niet achtergebleven. 
Met name de inzichten in de geschiedenis der middeleeuw se he steden 
hebben een algeheele wijziging ondergaan; dagelijks nog vloeien nieuwe 
gegevens ons toe en wordt de wetenschappelijke strijd over den oorsprong 
en de ontwikkeling der middeleeuwsche steden gestreden. 

Wat in het bijzonder Leiden betreft, heeft de meesterlijke eerstelings- 
arbeid van mr. N. W. Posthumus: „De geschiedenis van de Leidsche 
Lakenindustrie, I (de Middeleeuwen), 's Gravenhage, 1908", de kennis van 
dit hoogst belangrijke onderdeel zeer verruimd; het verdienstelijke boek 
van mej. dr. C. Ligtenberg: „De Armezorg te Leiden tot het einde van 
de i6de eeuw ('s Gravenhage, 1908)", heeft over dezen kant van het stads- 



XVII 



leven nieuw licht verspreid; dat van prof. dr. L. Knappert: „De opkomst 
van het Protestantisme in eene Noord-Nederlandsche stad (Leiden, 1908)", 
gaf een breed overzicht van de groote verandering in het geestesleven 
der i6de eeuw te Leiden; tal van bijdragen in het sedert 1904 verschij- 
nende Leidsch Jaarboekje en in andere periodieken behandelden onder- 
deelen der geschiedenis van het oude Leiden. 

De schrijver zelf zag bij dat alles zijn eigen inzichten en denkbeelden 
allengs zich wijzigen, ja geheel veranderen, zooals dat gaat in een be- 
trekkelijk lange periode van wetenschappelijke werkzaamheid, waarin te 
midden van allerlei andere bezigheden nooit zijn oude liefde voor de 
geschiedenis onzer steden verminderde. 

Er was dientengevolge reeds lang gedacht aan een nieuwe uitgave 
van het boek, aan een geheel nieuwe bewerking der stof. Maar allerlei 
omstandigheden vertraagden de uitvoering van het plan, ook nadat de 
verplaatsing van den schrijver uit Groningen naar Leiden in 1894 haar 
nader tot de mogelijkheid had gebracht. Toen nu in 1908 de arbeid van 
nationale beteekenis, waaraan de schrijver zich sedert 188S gewijd had, 
voltooid was, ging zijn eerste gedachte in de richting eener nieuwe 
uitgave van het oudere werk, van zijnen eersteling. De reeds lang met 
klimmend ongeduld wachtende uitgever — de zoon van hem, die in 1883 
niet zonder aarzeling tot de uitgave overging — greep het voorstel met 
beide handen aan en zoo werd het plan dezer nieuwe uitgave geboren. 
Toen de schrijver er zich toe zette, begon hij natuurlijk het oude boek 
nog eens te herlezen. Hij ondervond daarbij allerlei gewaarwordingen, in 
het bijzonder van ontevredenheid op zichzelven bij zooveel wat hem 
thans onjuist, verkeerd opgevat, onbeholpen uitgedrukt toescheen. Hij 
vroeg zich ten slotte af, wat toch wel de oorzaak mocht geweest zijn, 
dat deze eersteling door de geschiedkundigen, zelfs door het groote 
lezende publiek zoo gunstig was ontvangen. Het antwoord op deze vraag 
gaf hem de herlezing der voorrede : het denkbeeld, het plan van het 
boek v/as goed, al liet de uitvoering veel te wenschen over. In dat plan 
behoefde ook thans, bij al wat veranderd en gewijzigd was, geen ver- 
andering te komen. Het was duidelijk: het goede plan had het fortuin 
van het boek gemaakt. 

Maar de uitvoering moest algeheele wijziging ondergaan, niet zoozeer 
in de indeeling van ieder der beide vroeger verschenen deelen, maar des 
te meer in de bewerking van ieder der hoofdstukken. Bij het ondernemen 
der nieuwe uitgave bleek dit zoo waar te zijn, dat ieder hoofdstuk opnieuw 
moest geschreven worden met behulp der oude, in den loop der jaren 
zeer vermeerderde aanteekeningen. Een aantal kaarten bleek thans ge- 
wenscht ter verduidelijking van den tekst. Zoo is het boek een geheel nieuw 
boek geworden. Moge het een even goed onthaal vinden als zijn voor- 
ganger. 

Ik mag het de wereld niet inzenden zonder een woord van dank ook 
thans voor de velerlei hulp, die mij gewerd. In het bijzonder richt ik 



XVIII 

dien dank tot mr. dr. J. C. Overvoerde en zijn personeel, onder wie ik 
met name den heer W. J. J. C. Byleveld en den heer W. P. van 
Rhijn heb te noemen; ook mr. Meerkamp van Emden en mej. S. C. 
Drossaers, litt. neerl. cand., die zoo goed waren mij aan kopieën van 
eenige belangrijke stukken voor de Bijlagen te helpen; aan mijn vriend 
prof. Verdam voor menige inlichting op taalkundig gebied; eindelijk aan 
mijne dochter, die het Register vervaardigde. 

De Bijlagen zijn voor een deel dezelfde, voor een deel andere dan 
in de eerste uitgave werden gedrukt. Sommige Bijlagen van den eersten 
druk schenen met het oog op den gewijzigden tekst van het boek zelf 
overbodig; bovendien achtte de schrijver thans de opneming van nog 
andere stukken wenschelijk. Voor de volgorde werd die van de nummers 
der bladzijden van het boek, waarop de Bijlagen betrekking hadden, 
gekozen. Het register is zuiver alfabetisch ingericht, wat voor den ge- 
bruiker het gemakkelijkst schijnt te zijn. 

Het tweetal kaartjes, bij dezen druk gevoegd, is ontleend aan de 
oudste bekende authentieke kaart van Leiden, die van den beroemden 
kaartenteekenaar mr. Jacob van Deventer, die in 1558 een aanvang 
maakte met het bereizen van de steden en dorpen der Nederlanden om 
ze op te meten en af te beelden te zamen met de wateren des lands. 
Dit werk was bij zijn dood in 1575 nog onvoltooid gebleven en werd 
naar Madrid opgezonden. Van de in het bezit zijner vrouw gebleven 
teekeningen kwam een deel na allerlei lotswisselingen in het bezit van 
onze archieven en andere instellingen, waardoor het mogelijk werd voor 
elk der steden kopieën te vervaardigen. Bijgaande kaartjes werden daar- 
naar vervaardigd (vgl. n". 33 van den Catal. dei Prentverzameling van 
Leiden). Het eerste moet voornamelijk dienen tot verduidelijking van 
de beschrijving van „Oud-Leiden in de 14''^ eeuw" (Hoofdstuk III); 
door cijfers zijn daarop de voornaamste daar genoemde gebouwen enz. 
aangewezen, bovendien is de parochieverdeeling aangegeven. Het tweede 
is bestemd tot aanwijzing der oudste vergrootingen en als kaartje van de 
onmiddellijke omgeving der stad. De oorspronkelijke teekening moet 
vervaardigd zijn tusschen 1560 en 1572. 

Een blijkbaar nog iets ouder kaartje, dat van Pieter Sluyter van 
omstreeks 1560 (vgl. n°. 34 van genoemden Catalogus), hoe aardig ook, 
scheen beter voor het tweede deel bestemd. 

En hiermede eindig ik deze tweede voorrede in de hoop, dat het mij 
gegeven moge zijn dezen arbeid ten einde te brengen en daardoor den 
tol der dankbaarheid te betalen aan de stad, die mij zooveel goeds en 
liefs geboden heeft. 

Leiden, 14 Maart 1910. ?• J- BLOK. 



INHOUD. 



Blz. 

Voorrede voor den eersten druk vu 

Voorrede voor den tweeden druk xvi 

Hoofdstuk I. Ontstaan en oudste geschiedenis van Leiden. . i 

„ II. De stadsprivileges 24 

III. Oud-Leiden in de 14e eeuw 48 

„ IV. De stad en haar burggraaf 80 

„ V. Stad en landsheer 105 

„ VI. De stedelijke regeering 132 

„ VII. Rechten en plichten der poorters 157 

„ VIII. Het gildewezen en de nijverheid i75 

„ IX. Marktverkeer en handel i97 

„ X. Recht en rechtspraak 222 

„ XI. De stedelijke geldmiddelen 239 

„ XII. Welvaart, armoede en armenzorg 256 

XIII. Geestelijke belangen 270 

Bijlagen 299 

Register 333 

Errata . 344 



HOOFDSTUK I. 

Ontstaan en oudste geschiedenis van Leiden. 

Vóór eeuwen en nog eens eeuwen moet de Rijndelta, het mon- 
dingsgebied van den grooten west-Europeeschen stroom, volgens 
de onderzoekingen der geologen een beeld hebben getoond, dat 
wij ook van elders kennen i). Achter een smalle zandige landtong, 
€en „schoorwal", met duinen al of niet bezet, moet een uitge- 
strekte watervlakte, een it 4 M. diep „haf" hebben gelegen, 
een lagune, waaruit zich, hetzij door aanslibbing, hetzij door ver- 
heffing van den bodem allengs stukken grond boven het water 
begonnen te vertoonen, zandbanken en geestgronden, eilanden en 
eilandjes; daartusschen bewoog zich het water van de zee en van 
den Rijn min of meer vrijelijk, hier een breeden plas vormend, daar 
in smalle of breede wateringen grillig zich verdeelend. Op den duur 
kwam een groot deel boven water van wat wij in de Friesche „lage 
landen bi der zee", zooals men in de Middeleeuwen zeide, met een 
-eerst uit de ii^^eeuw bekenden naam „Holland" plegen te noemen. 
Daarvan maakt Rijnland 2) een belangrijk deel uit. 

Op die drassige gronden moet al spoedig een primitieve moeras- 
flora en moerasfauna zich hebben ontwikkeld, een overoude 
planten- en dierenwereld, welker sporen men terug vindt in de 
formatie van den na rijzing en daling van den bodem ontstanen 
veen- en kleigrond der streek om Leiden. Later vond men hier 
■een boschwereld, waarvan de overlevering, misschien voortgekomen 



i) Vgl. over deze toestanden: Lorié, in Tijdschr. Kon. Aardr. Gen., X, blz. 753 en 939 vlg. 

2) In de latere Middeleeuwen vormde dit een groot deel van het toenmalige Noord- 
Holland; Zuid-Holland heette toen de streek, waarvan Dordrecht het middelpunt was; 
het tegenwoordige Noord-Holland is gevormd uit Kennemerland, W^aterland, West-Fries- 
land en Gooi. 

I 



uit het veelvuldig vinden van woudreuzen in den grond, de herin- 
nering heeft bewaard in romantische verhalen over het woeste, 
door roovers bewoonde „woud zonder genade" ^), dat eenmaal een 
groot deel van Holland zou hebben overdekt en waarvan onze 
laat-middeleeuwsche kronieken huiverend spreken. 

De omstandigheid, dat de overblijfselen van bosschen, die men 
ook thans nog zonder al te diep graven in den bodem van Rijnland 
terug vindt, dikwijls in een zelfde richting, de van het noordwesten 
afgekeerde, omvergeworpen schijnen, doet denken aan machtige 
watervloeden, die eenmaal deze voor wind en zee openliggende 
streken hebben geteisterd en waarvan de overoude volksoverleve- 
ring, gelijk in andere streken der aarde, spreekt als van den ,,Cim- 
brischen vloed", die dan een paar eeuwen vóór onze jaartelling- 
gesteld wordt. 2). Het is waarschijnlijk te achten, dat toen reeds 
deze onherbergzame streken door een dun verspreide visschers- 
bevolking van Keltischen of Germaanschen oorsprong werdea 
bewoond, waarvan evenwel totnogtoe geen sporen tot ons zijn 
gekomen dan alleen het bericht van den ouden reiziger Pytheas 
uit Massilia, die meldt, dat — „aan de Rijnmonding", zegt hij zeer 
in het algemeen — Kelten en Germanen aan elkander grensden 3). 

Iets meer weten wij uit de eerste eeuwen na Christus, sedert de 
Romeinen na Caesar's noordelijke expeditiën in Gallië tegen het 
midden der eerste eeuw vóór Christus' geboorte deze deltalanden 
kwamen bezoeken en ze onder Drusus weldra aan hun gezag 
onderwierpen. Hunne geschiedschrijvers en aardrijkskundigen spreken 
van de klei- en veenrijke eilanden in de Rijnmonding, meer water 
dan land te achten, van welke het voornaamste was dat der 
Germaansche Bataven, dichter aan zee door de hun verwante 
Caninefaten bewoond, welke laatsten dus misschien wel in Rijnland en 
Kennemerland te zoeken zijn. 4) Romeinsche militaire wegen, met 
militaire posten van afstand tot afstand bezet, liepen weldra ook 
over dit afgelegen gebied, in welks bodem op sommige plaatsen 
van Rijnland aanzienlijke, op andere geringe overblijfselen van 
Romeinsche beschaving worden aangetroffen. Op de plek, waar 
thans Leiden staat, is slechts zeer weinig van dien aard gevonden, 
voorzoover tenminste men dit in den loop der tijden heeft opge- 
teekend : enkele potscherven en een viertal bij den Leidschen Burcht 



i) Vgl. daarover Van den Bergh in zijne Middelnederl. Geographie, 2de druk, blz. 63. 

2) Vgl. daarover in het algemeen Müllenhoff, Deutsche Altertumskunde, II, S. 162 AF.. 

3) Vgl. mijne Gesch. van het Nederl. Volk, I, blr. 16 vlg. 

4) ib. blz. 28 vlg., 51/2. Vgl. Krom, De populis Germanis, p. 51 sq. 



gevonden munten uit den tijd van keizer Hadrianus (120 v. C.) ^). 

Aan de Romeinen, met hun regelende werkzaamheid en hun 
sterke overmacht, mag men ook de eerste grootere dijkwerken en 
waterkeeringen toeschrijven, die het lage land meer en meer voor 
vaste bewoning geschikt maakten, den eersten aanleg misschien 
van den hier en daar vrij hoogen Rijndijk, die nog duidelijk merk- 
baar ook midden door het tegenwoordige Leiden — Hoogewoerd, 
Breestraat, Noordeinde — loopt aan den linker oever der rivier. 
Het is zelfs niet onwaarschijnlijk, dat reeds toen op de plek, waar 
later Leiden lag, eenige bewoning geweest is : als ten minste de 
oudste ophooging van den grond tot 4 M., bij boringen in den 
Burchtheuvel te Leiden in 1889 daar vastgesteld 2), in dien tijd 
geplaatst mag worden, ook in verband met de genoemde munt- 
vondst in die omgeving. 

Dat de vette kleigronden, eenmaal aan het water ontrukt, spoedig 
vaste bewoners hebben gevonden, is niet te verwonderen, al zullen 
dezen zich nog voorshands behalve op de geest-eilanden bij Voor- 
schoten, Oestgeest, Rijnsburg, Noordwijk, Sassenheim enz. op 
kunstmatige ophoogingen, dijken, terpen of vluchtheuvels, dikwijls 
voor het wassende water in veiligheid hebben moeten stellen. 
Het moeten dan Bataven of Caninefaten, later ook misschien 
al sedert de 3^^^ eeuw indringende Friezen of Franken geweest zijn, 
die zich met de overblijfselen der oorspronkelijke bewoners ver- 
mengden. De ontdekkingen van Dr. Holwerda in de zandgronden 
bij Katwijk 3) spreken van den moeilijken strijd tegen het water, door 
die bevolking gevoerd. 

In den tijd van de opkomst der Frankische heerschappij in deze 
streken, in de 7'^^ en S^te eeuw dus, ja nog tot in de 1 1^^ toe werd 
de geheele streek, die in deze eeuw als het graafschap ,, circa 
oras Rheni" 4j, minstens sedert de 13de eeuw als „Rijnland" bekend 
staat, tot jjFresia", Friesland, gerekend 5). Zij zal dus naast Bataafsch- 
Frankische zeker ook in sterke mate Friesche bevolkings-elementen 
hebben opgenomen, die in dien tijd langzaam aan en onder Frankischen 
dwang gekerstend zijn en een z waren strijd hebben moeten voeren 
zoowel tegen de wateren in hun laag gelegen en door tallooze water- 

i) Catal. Mus. Leiden, no. 2474 vlg. 

2) Van Bemmelen, Beschouwing over het tegenwoordig standpunt onzer kennis van de 
Nederl. terpen (in Oudheidk. Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden. Deel II, 
Leiden, 1908), blz. 153 vlg. 

3) Mededeelingen Museum van Oudheden, I, blz. 23 vlg. 

4) Fruin, Verspreide Geschriften, VI, blz. 200. 

5) Gesch. V. h. Ned. Volk, I, blz. 67 vlg., 129. 



loopen doorsneden, met tal van meren, poelen en plassen bedekt veen- 
en kleiland als tegen de overwinnende Franken en de wilde Noren, 
van wier invallen in deze streek in het midden der g'^^ eeuw de legende 
van den Noordwijkschen martelaar Jeroen spreekt ^). In sommige 
dialectvormen van deze streek zijn nog duidelijk Friesche invloeden 
te herkennen. 

Zoo ongeveer moet het verloop geweest zijn der oude geschie- 
denis van deze streek in den uithoek van het Frankische rijk, 
waar het aan den voet der duinen gelegen terrein van Wassenaar 
tot Voorhout, tusschen Noordwijk-binnen en Zuidwijk bij Wassenaar, 
op goede gronden door Fruin geacht wordt te zijn 2) ,,een der 
oudste streken van Holland, waar de beschaving het eerst haar 
zetel zal hebben gevestigd". Aan de noordzijde worden hier de wil- 
dernis van den Haarlemmerhout en het water der tallooze plassen, 
aan de zuidzijde de Wassenaarsche duinbosschen en de plassen en 
meren aan den linker Rijnoever steeds verder teruggedrongen. 

Lang heeft het geduurd, eerdat het geheele land van Rijnland 
onder behoorlijke goed geregelde waterbouwkundige leiding van een 
door de duinen onvoldoend tegen de zee beschermd gebied vol 
poelen en plassen in een goed bedijkt en met behoorlijke afwate- 
ringen voorzien polderland veranderd is. Dat tijdstip wordt door 
sommigen gesteld eerst na het midden der 12de eeuw, toen keizer 
Frederik Barbarossa voor de belangen der oostelijk gelegen landen 
tusschenbeiden trad en aan graaf Floris III van Holland verbood het 
Rijnlandsche gebied door een dam bij Swadenburg (Zwammerdam) te 
beschermen tegen het Rijnwater 3) — een krachtige poging des graven 
tot drooglegging van dit land in die eeuw van verwoestende water- 
vloeden 4). De zware Wendeldijk met zijn zeven afwateringssluizen 
moet echter reeds lang te voren, blijkens het voorkomen van 
een aantal kerkdorpen in deze waterstreek in de 11^^ eeuw, om- 
streeks 1000 s) een beteren toestand geschapen hebben. Deze is 
eerst onder graaf Willem II in het midden der 13de eeuw en 
later onder zijn zoon Floris V voorgoed geregeld door de 
verdere ontwikkeling van het bewonderenswaardige waterschap, 
het hoogheemraadschap Rijnland, dat belangrijk gedenkteeken van 
den energieken strijd der vaderen tegen het woelende water, dat nog 

i) Zie daarover mijne studie in NijhofTs Bijdr. voor vaderl. gesch. 4e Reeks, III, blz. i vlg. 

2) Verspreide Geschr. VI, blz. 198. 

3) ib., blz. 180 vlg. 

4) Vgl. mijne Gesch. van het Nederl. Volk, I, blz. 304, 316. 

5) Ramaer, De omvang van het Haarlemmermeer (Amst. 1892), blz. 153, 180 vlg., 
vooral blz. 184. 



5 

altijd zijn ouden roem handhaaft en met voorbeeldige zorg sedert 
meer dan zes eeuwen waakt voor het behoud van het thans rijk 
bebouwde en dicht bewoonde polderland. 

In deze streek nu, met hare omgeving in ieder geval ^) sedert het 
einde der 9^^^ eeuw een afzonderlijke gouw tusschen Maas- en 
Kennemerland onder het bestuur van een graaf, ambtenaar van 
den Frankischen, later van den Duitschen koning, een graaf uit het 
geslacht, dat later geheel Holland zou bestieren, lag omstreeks 
800 2), dus in de dagen van Karel den Groote, een plaatsje of liever 
lagen toen een drietal plaatsjes, gehuchten, kleine dorpen misschien 
van eenige beteekenis, die den naam „Leithen" droegen. 

Het is de eerste maal, dat deze naam in de geschiedenis optreedt. 
In welk verband komt die naam voor ? Wat beteekent hij ? Waar- 
aan heeft men daarbij te denken? 

De Utrechtsche St. Maartenskerk bezat onder zijne oudste docu- 
menten een goederenlijst 3), die voor hare oudste deelen moet 
dagteekenen van tusschen 777 en 866 4). Daarin komt voor de 
aanwijzing van bezittingen der Utrechtsche kerk in deze buurt: 
,In prima Leithon II (mansa), in secunda I, in tertia I. In Rodan- 
burg quinque mansa. In Legihan V. In Loppishem duo. In Lip- 
pinge similiter. In Uuatdinchem tres. In Fore similiter. In Fore- 
burg II. In Forschate tres" .... 5), 

Dat wij in „Leithon" met ons Leiden te doen hebben, is niet 
aan redelijken twijfel onderhevig. Suetan, Zwieten, aan den Rijn 
beoosten de stad ; Rodanburg, Roomburg, aan den Rijn tegenover 
Leiderdorp ; 6) Loppishem, Lopsen, vlak bij het oude Leiden, later 
een bekend klooster, op de tegenwoordige Beestenmarkt in de 
stad te plaatsen; Lippinge, het oude Ter Lips aan de Voorwete- 
ring bij Voorschoten; Uuatdinchem, Ter Wadding bij De Vink; 
Fore (Veur) ; Foreburg (Voorburg) ; Forschote (Voorschoten) wor- 
den alle in dezelfde of de volgende posten op de lijst genoemd, 7) 
terwijl plaatsen als Ualcanaburg (Valkenburg) ; Polgest (Poelgeest), 
Taglingi (Teylingen), Northgo (Noordwijk), Rinasburg (Rijnsburg), 



1) Gesch. V. h. Nederl. Volk, I, blz. 126; Oorkdb. van Holland en Zeeland, i.no. 121, 

2) Over dezen datum aanstonds. 

3) S. Muller, Het oudste cartularium van den Dom, blz. 38 vlg. 

4) ib. Inleiding, blz. XXI vlg. 

5) ib. blz. 40. 

6) Vgl. daarover De Jong van Rodenburgh in Alg. Ned. Familieblad 1885, blz. 268; 
Navorscher, 1897, blz. 261. 

7) Vgl. over die plaatsen Dozy, Leiden's omgeving in vroeger dagen (Leiden, 1900). 



Alfna (Alfen), verder in de lijst duidelijk herkenbaar zijn, zoodat 
het blijkt, dat St. Maarten in deze streek vele bezittingen had ^). 

Maar wat heeft men nu precies te verstaan onder de drü „Lei- 
then"? Dat is niet meer te zeggen; alleen vermeldt een aantee- 
kening uit 1429 ^), een „oude hove" te Leiden gelegen in de 
„derde streeck," die niet nader schijnt aan te wijzen's). 

Wij hebben ons de zaak wellicht aldus voor te stellen. In het 
lage polderland aan den linker Rijnoever, in een streek, waar ver- 
schillende namen — Hazerswoude, Zoeterwoude, Boshuizen — nog 
herinneren aan vroegere wildernis 4), lag in de eerste helft der 
9"^s eeuw bij elkander een drietal „villae" of wel drie deelen eener 
grootere „villa," d. i. voor dien tijd een complex van boerenhoeven, 
„mansi", of „mansae" 5), waarvan een viertal toen in het bezit was 
der Utrechtsche Domkerk ; aan die „villa" of „villae" werd de naam 
Leithen gegeven. 

In vroegeren tijd meende men wel, dat niet Leithen ■ — later 
Leiden geschreven — de oude naam der stad was, maar veeleer 
het overoude Lugdunum Batavorum, dat in de eerste eeuwen na 
Christus genoemd wordt als een belangrijke Romeinsche vestiging 6). 
Die naam, waarvan het eerst de Nederlandsche humanisten der 
16^^ eeuw, met name Hadrianus Junius in zijn Batavia 7), melding 
maken als die, waaruit de naam Leiden langs een zonderlingen 
etymologischen weg — Lugdunum, Luycdunum, Luycdun, Leyg- 
dum, Leydum, Leyden ^) — zou ontstaan zijn, scheen den be- 



i) Wat daarvan later overgebleven is, schijnt in het archief te Utrecht zeer moeilijk na 
te gaan. Zou in den Norentijd alles verloren gegaan zijn? 

2) Schuldboek van Leiden (Leidsch archief): „den raem wil men vercopen, die Jacop 
Morync staende heeft op die oude hove in derde streeck." 

3) Van Mieris, Beschr. van Leiden, blz. 7, zoekt het eerste langs den Rijndijk, het 
tweede aan den Marendijk, het derde op het Rijneiland. Van den Bergh in zijne Middel- 
nederl. Geographie, 2de druk, blz. 63 neemt aan, dat drie eilanden in de rivier den Rijn 
bedoeld zijn, waarvan echter slechts één met zekerheid is aan te wijzen, n.l. dat, waarop 
de Burcht van Leiden ligt. Alles vage hypothese. 

4) De polder „'sGravenwildert" bij Hazerswoude, genoemd bij Van den Bergh, Middeln. 
Geogr. 2de druk, blz. 63. 

5) „Mansus id est hove", in Oorkdb. no. 180 (1199). De naam villa, in den tijd van 
Karel den Groote nog = groote landhoeve, min of meer naar Romeinschen aard, krijgt in 
lateren tijd de beteekenis van dorp, nog later van stad. Ook de naam mansus is uit den 
Romeinschen Keizertijd overgegaan op de Germaansche hoeven. 

6) Vgl. over deze zaak mijne studie in Leidsch Jaarboekje 1904, blz. i vlg., tegenover 
de meening van kolonel Ort in zijn Lugdunum (den Haag, 1903) ; daartegenover weder 
dr. Holwerda in Bijdr. voor vaderl. gesch., 4de Reeks, VII, blz. i vlg. en 341 vlg. 

7) Pag. 263 sq. 

8) Hij vertaalt het woord Lugdunum door „Lege Dynen", dialectisch voor „Lage Duinen" ! 



roemden Janus Dousa een prachtige naam voor de jonge Aca- 
demiestad, die hij met trots „nova academia nostra Lugdu- 
nensis" doopte ^). De vindingrijke Geldenhauer (Noviomagus), 
de bekende humanist uit de omgeving van Philips van Bourgondië, 
den bisschop van Utrecht omstreeks 1520, dacht er vóór hem nog 
anders over. Hij meende, dat de naam „Leida", dien hij kende 
als den toen gewonen Latijnschen vorm van het Nederlandsche 
Leiden, zou ontstaan zijn uit „Legia", „quam a legionibus quae 
ibi castra habuerunt, denominatum verisimilis(!) conjectura est" ^). 
Joannes a Leydis, de Haarlemsche Karmeliet, die zijn Chronicon Bel- 
gicum na 1480 schreef, denkt nog 3) aan „leiden" van kooplieden 
langs den Rijn door den burggraaf van het Leidsche kasteel, 
gesticht voor de bewaking van de „Sylva Immitis", het fabelachtige 
„woud zonder genade", het „nemus sine misericordia", waarvan 
men melding gemaakt vindt in de kronieken der 15de en ló^eeeuw, 
ja reeds bij Hildegaersberch in de 14de 4), die ook al spreekt van 
dat „gheleide optie zee of in den Ryn" 5). 

De klassieke uitvinding van Junius en Dousa, door Boxhorn opge- 
warmd, vond sedert algemeene instemming, totdat eerst door Wage- 
naar ^) in het midden der 18'^^ eeuw twijfel, weldra door Van Mieris 
ontkenning werd geuit en later De Vries in 1869, evenals reeds 
Van Mieris in 1762, den naam Leiden nader verklaarde uit het oude 
Nederlandsch ?). Volgens Van Mieris en De Vries, door Fruin 
gevolgd ^), beteekent de naam niets anders dan „aan de Lee'' of 
„Lede", d. i. aan de Wetering. Leithon, Leithen zou dan de datief 
singularis zijn van een nominatief Leitha, die „wetering", „aquae- 
ductus", „watergang" zou betee kenen. Werkelijk is er in deze streek 
vol poelen en plassen eene wetering, die nog thans den naam van 
Lee draagt, de voortzetting van het oude water „Mare of Maerne", 
dat geheel dezelfde beteekenis kan hebben. 9) Deze waterloop ver- 
ij Fruin, Verspr. Geschr. I, blz. 53. 

2) Noviomagus, Hist. Bat., p. 9. Het „Legihan" van de Utrechtschegoederenlijst heeft hij 
gelukkig niet gekend. 

3) Chron. Belg. I, io.„Leyden, id est ductio". Vgl. Galvete d'Estrella, Felicissimo viaje, p.283. 

4) Gedichten, uitg. Verwijs en Bisschop, blz. 102, vs. 50. 

5) ib. blz. 167, VS. 313 vlg. 

6) Amsterdam X, blz. 271 ; Tegenw. Staat, IV, blz. 499 vlg. 

7) Meded. Maatsch. der Ned. Letterkunde 1869, blz. 35 vlg.; Van Mieris, Beschr. van 
Leiden, I, blz. 7; Meerman ad Grotii Parallelon, III, 166; Musketier Vergenst, De burg- 
graviatu Leidensi (Lugd. Bat. 1809), p. 19. 

8) Verspr. Geschr. 1.1. 

9) Verdam, Middeln. Wdbk. i. v. Lede en Mare. Leimuiden, Leithenmuden, dat ook met dit 
Lee in verbinding wordt gebracht ontleent zijn naam echter waarschijnlijk aan de oostelijk 
gelegen „oude" wetering. Vlg. Beekman, Dijk- en Waterschapsrecht. Dl. II (1907), blz. 1075. 



8 

bindt den Rijn bij Leiden met de wateren van de oude Kager, Leidsche 
en Haarlemmer meren en heeft dit al van ouds gedaan. Het zou niet 
vreemd zijn, als daaraan een plaatsje „aan de Lee" zou zijn ontstaan, 
waarvan de naam dus zooveel zou geweest zijn als „Ter Lede." ^) 

Latere onderzoekingen op taalkundig gebied leiden tot een kleine 
wijziging in deze verklaring. De naam 2) is waarschijnlijk geen 
datief singularis van het waarschijnlijk sterke naamwoord leitha (= 
mnl. leede) maar een datief pluralis van dit verbaalnomen bij 
mnl. ,liden" (goth. leithan, lithan), zoodat het woord dan veeleer 
zou moeten beteekenen: „aan de weteringen", „aan de waterloo- 
pen", „aan de wateren". 

Dit laatste nu past voortreffelijk, want het oude Leiden ligt 
eigenlijk juist niet aan de Lee maar aan den linkeroever van den 
Rijn, tegenover de plaats, waar de Mare uitmondt in den Rijn, die 
van oost naar west vloeit, terwijl de Mare den waterweg naar het 
Noorden vormt. 3) Dat juist hier al vroeg een plaatsje, een complex 
van hoeven en huisjes ontstond, behoeft ons niet te verwonderen, 
zelfs niet voor den tijd omstreeks 800, toen in ieder geval de streek 
aan den duinvoet reeds plaatsen als Kerkwerve 4) (Oestgeest), 
Northgo (Noord wijk) enz. 5) kende. 



i) Vgl. de plaatsnamen Ter Aar, Ter Gouw, Ter Wadding, Ter Lips enz., alle in 
de buurt. 

2) Zoo schrijft mij mijn ambtgenoot Uhlenbeck, d.d. 15 Jan. 1908: — De vorm Leython, 
Leythan, Leithen, Leythem komt in de lode tot het midden der 13de eeuw voor in 
oorkonden en de Annales Egmundani, ook in den Latijnschen vorm Leda (zeker omstreeks 
1206), Leydis (tegen het midden der eeuw), vgl. Ann. Egm. p. 92 sq. ; Oorkdb. I, no. 68, 
89, 99, 105, 124, 147, 188 enz. Of Letthem in de Utrechtsche goederenlijst, blz. 42, Litte 
in Oorkdb. I, no. 87, Lede in Oorkdb. I, no. 180 ook op Leiden betrekking hebben, is 
niet zeker, al liggen Letthem en Litte zeker in de buurt. Te letten ook op Liethenmuthon, 
Leytherebroeke, Leydemude, Leyderdorpe, Leythorpe, Leytheremude in Oorkdb. I, no. 85, 
loS) 133) 134, 140, 293, 379 (later vidimus) enz. 

3) Fruin, Verspr. Geschr. VI, blz. 109, vlg. Fruin neemt hier met oude topografen 
aan, dat de Vliet de oude „fossa Corbulonis" geweest zou zijn, maar dit strijdt met het 
feit, dat de Vliet niet uitmondt in den Rijn maar in de oude stadsvest van Leiden, het 
Rapenburg, dat als gracht waarschijnlijk dagteekent van omstreeks 1200, zoodat de Vliet 
wel van na dien tijd zal moeten zijn; de naam in de 14de eeuw voor dezen waterloop: 
„Leidsche vaart'', schijnt ook te wijzen op een ten behoeve van de opkomende stad naar 
Delft gegraven kanaal, dat dan wel uit de 13de eeuw zal moeten dagteekenen, aangezien 
wij uit de 14de wel eenig bericht aangaande een zoo belangrijk werk zouden gekregen 
hebben, gelet op de groote reeks van documenten, die uit dien tijd tot ons zijn gekomen. 
De naam van het plaatsje Delf (Delft) komt het eerst in 1205 voor (Oorkdb. I, no. 202); 
het verhaal van de stichting van een kasteel aldaar, reeds door hertog Godfried om- 
streeks 1070, is zeer verdacht. 

4) Een der oude kerken in het bezit van Willibrord's klooster Echternach en uit zijn 
tijd; Oorkdb. I, no. 85. 

5) Vgl. bovengenoemde lijst. 



Ook al was, wat zeer waarschijnlijk mag heeten, de oude Rijn- 
mond, die eenmaal volgens de oude berichten niet ver van 
Lugdunum Batavorum, „caput Germaniae", in zee liep, toen reeds 
door de verspreiding van het water in de Hollandsche plassen, 
meren en waterloopen verzwakt, of zelfs door de werking van zee 
en zand aan de kust geheel verstopt ^), de rivierbedding was in 
ieder geval tot bij Katwijk toe nog genoeg van beteekenis om als 
waterweg voor de kleine binnenvaartuigen van dien tijd te dienen, 
vooral als de aangewezen waterweg van de omstreeks 800 reeds aanzien- 
lijke handelsplaats Dorestad (Wijk bij Duurstede) en het bisschoppe- 
lijke Utrecht naar Kennemerland en Rijnland. Die ligging moest ook 
aanleiding geven tot ontwikkeling van het plaatsje als marktplaats 
voor den omtrek, voor geheel westelijk Rijnland. 

Op die plek nu vinden wij reeds vóór het einde der lO"^^ eeuw 
ook hoeven van den graaf zelven der streek „circa oras Rheni" 2). 
Graaf Arnulf en zijn gemalin n.1. schonken, dus vóór 993, 's graven 
sterfjaar, aan het toen nog jonge klooster Egmond een manse en 
^/e van een andere, die samen 3 schell. 10 penningen 3) jaarlijks 
rente opbrachten, „in villa que vocatur Leythem", benevens negen 
mansen in het nabijgelegen Lopsen, van welke laatste er twee in onmid- 
dellijk beheer van het klooster waren genomen en de overige blijkbaar 
in huur waren gegeven. De abdij Rijnsburg 4) bezat er in de 1 2de 
eeuw, door schenking van gravin Petronella, zes mansen ; de abdij 
Egmond, 5) vermoedelijk ook door grafelijke schenking, terzelfder 
plaatse omstreeks iioo 3| mansen, opbrengend 5 pd., 5 schellingen, 
en allerlei hoeven en landerijen in de buurt, te Lopsen ^), Roden- 
burg, Leiderbroek, Zwieten enz. 

Dat reeds vóór het einde der tiende eeuw de graven van 
deze streek, de graven van het latere Holland, vrijwat grondbezit 
op de plek van Leiden gehad hebben, is dus niet twijfelachtig. 7) 
Later zullen wij zien, dat die graven er nog lang een aanzienlijke 



i) Vgl. mijne Geschiedenis, I, blz. 316. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de rware wa- 
tervloeden der 12de eeuw, die tot een merkwaardige uitwijking uit deze onveilige streken 
naar Noord-Duitschland aanleiding gaven, hierbij, gelijk bij bet ontstaan van Zuiderzee, 
Lauwers en DoUart een rol hebben gespeeld. Zie aldaar, blz. 304/5. 

2) Oorkdb. I, no. 86. 

3) Oorkdb. I, no. 68; vermeld ook in de verdachte oorkonde no. 89, in ieder geval 
uit de eerste oorkonde of uit haar origineel overgenomen. 

4) ib. no. 180. 

5) ib. no. 105. 

6) Tusschen den Rijn en de Mare (Oorkdb. I, no. 68). 

7) Vgl. Van Mieris, 1.1. blz. 8. 



lO 

hoeve hebben bezeten, met een vrij uitgestrekt stuk, eenige morgens 
grond, waarop verscheiden hoeven, erom heen ; dat zij er een kasteel 
met eenig terrein als eigendom, waarvan later sprake zal zijn, op het 
Rijneiland hebben gehad ; dat zij nog in de 1 4*^^ eeuw steenen en andere 
huizen en zekere rechten op den grond van sommige woningen in 
de hoofdstraat der toenmalige stad hebben bezeten. Een en ander 
leidt tot de reeds niet gewaagde onderstelling, dat verreweg het 
grootste deel van het grondgebied van het oude Leiden, „aan de 
weteringen", grafelijk bezit is geweest. En dit is op zich zelf weder 
niet onwaarschijnlijk, als men denkt aan den oorspronkelijk zeer moe- 
rassigen toestand van dit waterland, waar uitteraard veel terrein 
geweest moet zijn, dat men oudtijds „wildernis" noemde, onder welken 
naam poelen, bosschen, meren, duinen plegen begrepen te worden en 
dat volgens middeleeuwsch rechtsbegrip den landsheer toekwam ^). 
De voorstelling, die men zich heeft te maken is dus als volgt. Een- 
maal is de gansche of bijna de gansche grond van het oude Leiden 
— n.1. het deel tusschen Rapenburg en Rijn, zooals wij zullen zien, 
mèt het kasteel op het eiland — een aan den landsheer, den Koning, 
toekomende wildernis geweest; uit dit landsheerlijk bezit, door den 
graaf als ambtenaar beheerd, is op den duur, met den overgang 
van dit bezit in het algemeen uit de handen van den landsheer, 
het grondbezit gesproten van den graaf, die sedert de lo^^^eeuw allengs 
's Konings macht aan zich trok ^) en uit zijn nieuw verkregen en 
misschien ook door koop of ruiling nog vergroot eigendom schen- 
kingen aan Egmond en andere geestelijke lichamen deed. 

In dezelfde oorkonde nu, waarin dit Egmonder bezit vermeld 
wordt, is ook sprake van een weide „in Leytherebroeke 3) juxta 
Mernam", d.i. in het drassige land noordoostwaarts van Leiden aan de 
Mare, die van het klooster Egmond verheven wordt door twee 
personen : „Dodo et caste/Zanus." 

Wie de eerste dezer twee is, zal moeilijk zijn na te gaan, maar iets 
later (i 108) vinden wij onder de voornaamste edelen van Holland als 
getuigen in oorkonden een „Adelwinus de Ledene cum filiis suis" 4), 



i) Inama-Sternegg, Deutsche Wirtschaftsgeschichte, I, S. 114 ff., II, S.115; ders., Die 
Ausbildung der grossen Grundherrschaften (Leipzig 1878), S. 26. 

2) Vgl. mijne Geschiedenis, I, blz. 127. 

3) Oorkdb. I, no. 105. Tegenover het kasteel Poelgeest ligt nog de Broekpolder. 

4) Oorkdb. I, no. 99. Zijn „Walpertus et Florentinus de Leda" van 1207 (Oorkdb. no. 214), 
„Volpertus de Leda" van 1212 (ib. no, 228) die zonen? 

Ik zwijg hier met opzet van den gelijknaraigen „Adalwin castellanus" in het zeer ernstig 
verdachte charter van 1083 (Oorkdb. I, no. 89). Deze zou anders vermoedelijk de eerste 



II 

in 1 143 een „Alwinus castellanus de Leithen," ^) in 1 168 een„Elinand 
castellanus de Leythen." 2). Het zal wel niet te bout zijn om te onder- 
stellen, dat de „castellanus" van omstreeks 1 100, die vlak in de buurt 
van Leiden zonder meer met dien naam genoemd wordt, daar 
thuis behoorde en dat er vlak bij Leiden dus omstreeks 1 100 een 
kastelein geweest is, derhalve een kasteel gestaan moet hebben. 3) 
Dit nu is ook om een andere reden moeilijk te betwijfelen. Nog 
verheft zich, thans binnen Leiden, de ruïne van een middeleeuwsch 
kasteel, de zoogenaamde ,, Burcht", welks bouworde geheel past in 
dienzelfden tijd. Op een herhaaldelijk met klei opgehoogden 4) 
heuvel verheft zich een rond, nog met binnenomgang en kanteelen, met 
een kleine oude poort en oude schietgaten voorzien bouwwerk, 
oorspronkelijk van Midden-Rijnschen tufsteen opgetrokken ; het is de 
voortzetting misschien van oudere, wellicht Romeinsche 5) vestigingen 
op den vroeger lager opgeworpen heuvel, die echter ook eenvoudig 
als terp, als vluchtheuvel voor de omwonende bevolking tegenover het 
water van de poelen en stroomen in de buurt gediend kan hebben. 
Zulke heuvels, met rond muurwerk bekroond, van onderen beschermd 
door een gracht met wal, zooals zij nog in de 14^'^ en 15^0 
eeuw bestonden, vindt men bij menigte in Engeland en Norman- 
dië, ook op het Friesche eiland Sylt als versterkingen („keeps") uit 
den tijd der Noreninvallen en der Normandische verovering, dus 
uit de ic^s en ii^e eeuw. Men mag daarom aannemen, dat het 
vroeger voor oud-Romeinsch, ja voor het oude Lugdunum Bata- 
vorum zelf of voor oud-Saksisch gehouden Leidsche bouwwerk in 
de II de eeuw door de graven dezer streek is opgericht, ^) mis- 
schien reeds vroeger in den tijd, toen de Noreninvallen de oprich- 
ting van versterkingen op goed gelegen punten noodig maakten. 



bekende kastelein wezen. Ook spreek ik niet over de fantastische lijst van Van Alkemade, 
overgenomen in zijn ms. uit Joannes a Leidis, Chron. Belg. 
i) Oorkdb. no. 124. 

2) Oorkdb. no. 147. 

3) Vgl. daarover in het algemeen Musketier Vergenst, De burggraviatu Leidensi. 

4) Van Bemmelen (1.1. blz. 71) bevond bij zijne boring, dat boven de onderste terplaag 
nog vier ophoogingen hebben plaats gehad, gezamenlijk tot een hoogte van iiJ M., waarop 
dan de muur is opgetrokken. Vgl. Van Mieris, Beschryving van Leyden, II, blz. 395. 

5) Zie boven over de muntvondst, blz. 3, boven. Vgl. Musketier Vergenst, p. 8. 

6) Reeds Scaliger (Scaligerana, p. 425) was van deze meening. Vgl. Knuttel in Bouwk. 
Tijdschr. X, 4, van 1889, een studie, gegrond op onderzoekingen van grond- en muurwerk 
in verband met de toen uitgevoerde herstellingen. Afbeeldingen bij Jahns, Atlas zur Gesch. 
der Kriegswissenschaft. Gegevens nog in Engl. Hist. Review, 1907. Vlg. Muller, in Bulletin 
Oudheidk. Bond, Ser. II, I, blz. 166. 



12 

dus in de 9de of lo^^ eeuw ^), al is daarvan niets schriftelijks tot 
ons gekomen. 

Dat het kasteel er in het begin der 12'^^ eeuw stond, is, 
wegens het noemen van den kastelein, boven allen twijfel ver- 
heven. En de plek was voor de militaire doeleinden van dien 
tijd bijzonder geschikt. De ligging op de punt van het Rijneiland, 
zoodat slechts een overdwarse „burggracht" tusschen de beide 
Rijnarmen behoefde gegraven te worden om het kasteel geheel 
door water te doen omringen, juist daar, waar de viersprong 
der waterwegen was, scheen als aangewezen. Het behoeft ons ook 
niet te verwonderen, dat de kastelein, later burggraaf genoemd, 
die er in ieder geval binnen den benedenwal gewoond zal hebben, 
behalve met de verdediging van het punt van wege den graaf, 
zijn meester en leenheer, en behalve met bestuursrechten over 
de plaats, ook met het heffen van een tol ^) werd belast ; evenmin, 
dat er weldra een houten brug, vermoedelijk volgend op een ouder 
veer, aan de voorzijde werd ingericht, die naast het verkeer te 
water ook dat te voet, te paard en te wagen vergemakkelijkte. 
De omstandigheid, dat nog in de 14*^^ eeuw en later de 24 am- 
bachten van Rijnland „van ouds" deze voor hen zoo belangrijke 
brug, de „groete brugge", 3) hadden te onderhouden, 4) wijst zoo- 
wel op het ontluikende marktverkeer voor den omtrek als op de 
daarmede samenhangende beteekenis van Leiden als middelpunt 
van het omringende polderterrein. 

Dat de plaats Leiden al in de I2^« eeuw van eenige beteekenis 
begon te worden, blijkt ook uit de opteekening 5), dat de oude 
romaansche Pieterskerk, de eerste en ook later nog de hoofdkerk 
van Leiden, Zondag na O. L. V. geboorte, 11 Sept. 1121 onder 
bisschop Godebald van Utrecht gewijd is „in de eere Goidts ende 
der Heiligher Apostelen Sincten Pieter ende Pouwels." Die oude 

i) Pleyte, Leiden vóór 300 jaren, blz. 38 vlg. De fantastische verhalen van Joh. a 
Leydis, Chron. Belg. I, 10, VI en VII, 2, over de aanstelling van een burggraaf tot be- 
waking van het „wilde woud" al ± 400, enz. laat ik voor wat zij zijn: fantasie, op losse 
gegevens geborduurd, zooals middeleeuwsche kroniekschrijvers deden. 

2) Daarvan is in de 13de en 14de eeuw herhaaldelijk sprake. 

3) De latere Vischbrug, op de plaats van de tegenwoordige Hoogstraat. 

4) Privilegieboek A A, fol. 343. Van Mieris, Handv. v. Leyden, blz. 503 vlg. (1324). 
Op de brug heerschte Rijnlandsch en niet Leidsch recht en behoorde het rechtsgebied onder 
Rijnland, niet onder Leiden. 

5) Orlers, blz. 93 van den 2den druk. Hij vermeldt daar, dat deze aanteekening stond 
in een „out geschrifte", dat in het begin der i6de eeuw in de kerk placht te hangen. Vgl. 
de aanteekening in het oude Memorieboek der Pieterskerk (stedelijk archief), schutblad. 
Deze aanteekening dagteekent van omstreeks 1500. 



13 

romaansche kerk kan echter onmogelijk iets als het monumentale 
gebouw uit de 14de eeuw zijn, dat wij thans bezitten. Het 
moet een kleine parochie-kerk geweest zijn ^), zooals zij vol- 
deed aan de behoeften der kleine bevolking van landlieden 
en marskramers, wonend in hunne hoeven en huisjes aan of bij 
den Rijn en op den Rijndijk of bij den overgang over de rivier. Dat 
zij in de 13de eeuw onder het patronaat stond =) van den graaf, die 
vlak daarbij toen zijn „hof en zijn „steen" had, te midden van een 
groot terrein, zijn eigendom 3), ongeveer tusschen het tegenwoordige 
Rapenburg en de tegenwoordige Breestraat, maakt het waarschijn- 
lijk, dat de graaf, eigenaar van den grond, ook de bouwheer was van 
dat oude kerkje bij zijn woning. Dat kerkje was oorspronkelijk 
misschien weinig meer dan een kapel, maar zeker op verre na niet 
zoo oud als de kerk van Kerkwerve (Oestgeest), de moederkerk van 
eenige kapellen in de buurt — te Warmond, Rijnsburg, Leimuiden, 
Rijnsaterwoude — die reeds omstreeks 700 door Karel Martel of wien 
ook aan Willibrord geschonken werd en in het midden der 
12de eeuw voorgoed aan den graaf van Holland gekomen is 4). 

Dat is dan het Leiden, dat wij kennen uit den burgerkrijg 
tusschen de ongelukkige gravin Ada van Holland en haar energieken 
oom, graaf Willem I, in het begin der 13^^ eeuw. 

De Leidsche burcht, waar toen Jacobus als „castellanus" 5) 
namens de grafelijkheid het bevel voerde, in 1204 ^) het eerst ge- 
noemd met den titel „burggravius", die in dezen tijd ook elders in 
plaatsen als Utrecht, Nijmegen, Groningen, Coevorden, wordt ge- 
geven 7) aan personen van zijn soort — beambten, belast met de ver- 
dediging van een kasteel — speelt in dezen krijg een belangrijke rol 8). 

Als graaf Willem, door een groot deel der bevolking en vele 
edelen, onder wie ook onzen kastelein, als rechtmatig heer erkend, 



i) Mulder, in Bulletin Oudheidk. Bond, V, blz. 55. 

2) Oorkdb. II, no. 151: „cum jus patronatus ecclasiae de Leyden and me partineat plano jure". 

3) Zie hierboven, blz. 9. 

4) Oorkdb. I, no. 85, 133, 134. 

5) Wij weten niet, of hij tot Alwinus en Elinand, van wie alleen de naam bekend is, 
in eenige familiebetrekking stond noch uit welk geslacht hij zelf was. Het eerst wordt hij 
genoemd in Oorkdb. I, no. 188 (1202). 

6) ib. no. 200. 

7) Vgl. over den naam en zijn beteekenis: Rietschel, Das Burggrafenamt und die hohe 
Gerichtsbarkeit in den deutschen Bischofsstadten (Leipzig, 1905), S. 6 fF., waar de oudere 
voorstellingen bij Waitz, enz. besproken worden. De naam komt het eerst in 11 23 voor en 
daarna veel in de 12de eeuw (Rietschel, S. 6). De titel „graaf" in burggraaf heeft met 
rechterlijke of bestuursfunctiën in deze verbinding niets te maken, maar beteekent in het 
algemeen: iemand, die macht uitoefent (ib. S. 319). 

8) Ann. Egm. p. 88 sq. Vgl. Stoke, uitg. Brill, I, blz. 132 vig. 



14 

op het einde van 1203 de overhand krijgt, vlucht zijn nicht, de 
jonge Ada, zegt de Egmonder tijdgenoot, die ons dit alles uitvoe- 
rig verhaalt, met een paar van de vreemde ridders, die haar man, 
Lodewijk van Loon, uit Brabant had medegebracht, en eenige 
andere gewapenden, onder welke enkele Loonsche boogschutters 
(„armborstieren"), van Kennemerland uit „ad urbis praesidium quod est 
in Leydis" ; „want Leyden stont in Lodewics hant", voegt Stoke 
erbij. Daar wordt zij al spoedig door Willem's aanhangers — Kenne- 
mers en Rijnlanders onder leiding van Wouter van Egmond, Albrecht 
Banjaert, Philips van Wassenaer, Willem van Teylingen e. a. — inge- 
sloten en moet zich uit gebrek aan levensmiddelen „na korten tijd" 
overgeven. Gevangengenomen, wordt zij naar Texel en van 
daar naar Engeland overgevoerd, waar zij eenige jaren vertoefde. 

Maar „ten nien grase" (April) 1204 komt de graaf van 
Loon, die naar Utrecht gevlucht was, met een aanzienlijk leger 
van vrienden, bondgenooten en huurlingen opzetten en vindt in 
Holland werkelijk wederom steun bij een deel van den adel. Een 
ander deel, ook van den Rijnlandschen adel, onder wien Philips 
van Wassenaer en Willem van Teylingen genoemd worden en 
waartoe ook onze „Jacobus castellanus" behoorde, blijft Willem 
ter zijde staan. De graaf van Loon, gesteund door den bisschop 
van Utrecht, Dirk van der Are, die, voor het eerst na al zijne voor- 
gangers, brandend en plunderend tot Leiden doordringt (eind Juni 
1204) ^), vereenigt zich, uit het Zuiden oprukkend, daar ter plaatse 
met den bisschop en ontvangt er de hulde zijner aanhangers. 
Willem, hoezeer in het nauw gebracht, daar ook Zeeland, waarheen 
hij aanvankelijk geweken was, hem grootendeels door de zijn geslacht 
vijandige Vlamingen ontweldigd was, gaf den moed niet op 
en vond als altijd steun bij Zeeuwen, Kennemers en Rijnlanders. 

De Kennemers, die zich te scheep, wel over het meer langs 
de Mare aangekomen, van den Leidschen burcht meester 
gemaakt hadden, terwijl het Loonsche legerkamp reeds bij Voor- 
schoten was gevestigd, waren echter niet in staat, ongeordende 
benden als zij waren, de vesting te houden. De in den oorlog 
geoefende Loonschen slaagden erin zich van Voorschoten uit 
van de plaats Leiden zelve meester te maken en haar te ver- 
overen, de pas door de Kennemers gegraven grachten met puin 
(„ruwaren") en groen koren opvullend 2). De Kennemers, „de boven 

i) Beka, ed. Buchelius, p. 64. 

2) Ann. Egm., p. 94: „fossas ruderibus aut segete praescisa complentes"; vgl. Stoke, 
blz. 146. 



15 

in der vesten waren", zegt Stoke, uit den burcht uitvallend ^), 
zijn niet tegen hunne geoefende ridderlijke tegenstanders bestand, 
worden omsingeld en zien geen ander heil dan in de vlucht. Zij kunnen 
hunne schepen niet meer bereiken, trachten zich over de versterkte 
Rijnbrug, de ons bekende „groote brug", noordwaarts te redden ; 
maar de smalle zwakke houten brug kan de wild aanstormende 
menigte niet houden en breekt, zoodat een groot deel der in paniek 
vluchtenden te water raakt en verdrinkt, een ander deel door den 
zegepralenden vijand wordt doodgeslagen, nog anderen gevangen 
genomen worden, onder wie Teylingen ; slechts een deel hunner 
slaagt erin met Egmond en Banjaert te vluchten naar hun eigen 
gebied Kennemerland, met verlies van schepen en eigendommen. 
Lodewijk keert met zijn buit naar Voorschoten terug. 

Daar verschijnt echter kort daarna ook graaf Willem bij den tol 
»tote Ryswyc ander Geest," zeer teleurgesteld over de zware neder- 
laag der Kennemers, maar met een aanzienlijke macht Zeeuwen en 
Zuid-Hollanders. Hij rukt moedig op het kamp van den vijand aan, die 
door vrees bevangen wordt en wijkt; bij Schakenburg, even zuidelijk 
van Voorschoten, wordt men handgemeen en Willem jaagt het reeds 
vluchtende leger van zijn vijand uit elkander, verovert het wei- 
voorziene ridderkamp „op dat velt" bij Voorschoten en zet de langs den 
Rijn naar Utrecht vluchtende ridders na, van wie een groot getal, door 
de boeren en hunne vrouwen vervolgd, in de slooten en „int water 
heet de Zile" (Zijl) den dood vindt. Lodewijk zelf slaagt erin, 
hoewel van dichtbij vervolgd, met een deel der zijnen Utrecht te 
bereiken, zelfs nog met een aantal gevangenen, die hij den bisschop 
in bewaring gaf. Sedert was graaf Willem heer en meester in Holland, 
al duurde de strijd jaren voort en wel met allerlei, bij gebrek aan 
verdere uitvoerige beschrijving nog moeilijk te verklaren afwisseling 2). 

In dit verhaal is een en ander wat ons bijzonder treffen moet. 

In de eerste plaats valt te wijzen op de militaire beteekenis der 
„munitio" 3), der ons bekende sterkte aan de groote brug; maar 
nog merkwaardiger is het misschien, dat de Egmonder tijdgenoot 
haar „urbis prsesidium", stadsvesting, noemt en dat er sprake is 
van „fossae", bij Melis Stoke, die drie vierde eeuw later schreef en 
Leiden kende, van een „nie gracht", die door de Kennemers tegen 
Loon gegraven zou zijn. 



1) „e munitione prosilientes". 

2) Gesch. V. h. Ned. Volk, I, blz. 222 vlg. 

3) Misschien is een aanlal der thans in den burchtmuur nog te vinden baksteenen 
reuzenmoppen uit dezen tijd, naast den ouden tufsteen uit den vroegeren bouw. 



i6 

Wat beteekent nu in dien tijd de grandiose naam „urbs ?" Men zal 
niet te ver gaan met hier te denken aan een klassieke herinnering van 
den Egmonder monnik, die er vele in zijn stijl toont, en daaronder 
eenvoudig te verstaan wat men gewoonlijk in die tijden een 
„oppidum" noemt: i) een versterkte, met een gracht omgeven plaats, 
of wel een „villa", een naam, die in dezen tijd in onze oorkonden 
nu eens voor dorpen dan weder voor steden ^) gebruikt wordt. 
In ieder geval iets meer dan het landelijk dorp, dat wij tot nog toe 
ontmoetten. Onder die „nieuwe gracht" is dan niets anders te verstaan 
dan het Rapenburg, de stadsgracht naar de zijde van Voorschoten, 
later welbekend. 

De beteekenis der jonge stad — zoo mogen wij haar nu wel 
noemen, al weten wij van eigenlijke stadsrechten in dezen tijd nog 
niets — blijkt uit de gelijkstelling van de „villa Leda" in 1206 3), bij 
het sluiten van een vredesverdrag te Brugge door bemiddeling van 
den regent van Vlaanderen 4) tusschen Lodewijk en Willem, met 
Dordrecht, hoofdplaats van Zuidholland, met Vlaardingen, die van 
Maasland, met Haarlem, die van Kennemerland. Zij is de plaats, die als 
hoofdplaats van Rijnland beschouwd wordt, waar de daarheen opge- 
roepen bevolking van het omliggende gebied volgens het verdrag moet 
aangemaand worden tot gehoorzaamheid aan den aangewezen lands- 
heer — de plek, waar de huldiging voor dit omliggende gebied 
plaats heeft s). 

En wat den burcht aangaat, de vesting („castellum de Leda") 
wordt in datzelfde verdrag als bijzonder van belang aangemerkt ; 
de „castellanus" zelf verschijnt te Brugge, op de plaats, waar de be- 



i) Alpertus, De divers, temp., ed. Dederich, p. 3, 13, 26, 36, 41, 42, 51 ; Ann. Egm. 
p. 35 (urbes), 36 (urbs), 62 (urbs). Alkmaar heet een forum, oppidulum, vicus ; 
grootere plaatsen ei vitas (36, 44, 61, 65). Oppidum en oppidani (burgenses) worden in de 
13de eeuw hier in Holland en Zeeland als vaste term gebruikt van plaatsen, die stadrecht 
krijgen of gekregen hebben : Oorkdb. I, no. 235, 261, 270, 279, 284, 343, 412, 413, 418, 
419) 55°! 578, 595, 596; Middelburg heet (1250), no. 514, een „villa francha". De vertaling 
van „oppidum" (Kiliaen i. v. : „locus vallo fossave munitus") is dan „port" of „stede". 
„Urbs" beteekent blijkbaar Ann. Egm. p. 36, in een plaats uit het einde der 12de eeuw, 
zooveel als versterkte plaats: Lakesmunde, Lexmond, kan, als „urbs Episcopi" tegenover 
de „civitas" Utrecht geplaatst, wel niet anders zijn dan dit. Voor port, lat. portus, vgl. 
Verdam i. v. ; Alpertus, De div. temp. I, 8, lo. Over al deze namen: Hegel, Die 
Entstehung des deutschen Stadtewesens (Leipzig, 1898), S. 18 ff; Rietschel, Die civitas 
aufdeutschem Boden (Leipzig, 1894), S. 40 ff.; Pirenne, Villes, marchés et marchands au 
moyen ige (Rev. Hist. LXVII, p. 62 suiv.). 

2) Vgl, het Fransche „ville" naast „village", „villain". Voor het door elkander gebrui- 
ken ook hier, vgl. Oorkdb. I, no. 206. 

3) Oorkdb. I, no. 206, §11. 

4) Pirenne, Geschichte Belgiens, I, S. 242. 

5) Vgl. Früin, Verspr. Geschr. VIII, blz. 144 vig. 



17 

middeling door graaf Philips van Namen, regent van vlaanderen, 
geschiedt, om met andere „homines de HoUandia" de leenhulde 
aan graaf Lodevvijk te doen en te beloven het kasteel namens 
graaf Willem aan dezen over te leveren ^). Dit grafelijke kasteel, 
„domus de Leyden," met de kasteleinij, „castellaria", bij die be- 
middeling in waarborg voor de nakoming van het verdrag als 
leen aan Vlaanderen toegezegd, wordt door den graaf van Loon 
uitdrukkelijk voor zich en zijne gemalin uit het grafelijke 
„allodium" van Holland voorbehouden, als hij spoedig daarna het 
geheele gebied opdraagt aan den hertog van Brabant ^). 

Het mag niet onwaarschijnlijk heeten, dat ook dit Leidsche burg- 
graafschap, deze kasteleinij, welker beteekenis en omvang wegens 
gebrek aan gegevens voor dezen tijd niet vaststaat 3), moet 
beschouwd worden als een in oorsprong gewoon ambt, opgedragen 
aan een „ministerialis" des graven, gelijk dat van Voorne in Zee- 
land en de Vlaamsche, Utrechtsche, Nijmeegsche en Drentsche 
kasteleinijen der I2<^^eeuw 4); zekere hem door den graaf geschonken 
rechten worden in de stad en het omliggende land namens den 
graaf uitgeoefend, waarvan wij later in de eeuw de sporen zullen 
terug vinden en waaruit de burggraaf de kosten van het bewaren 
der vesting, benevens zijne belooning voor zijn dienst, zijn „mi- 
nisterium", bestrijdt. 

Volgens de gewone ontwikkeling worden nu deze rechten en 
inkomsten — wanneer, weten wij niet — mèt het ambt in leen 
gegeven; het burggraafschap in zijn geheel, met al zijn toebehooren, 
wordt een grafelijk leen, als hoedanig het omstreeks 1280 uit- 
drukkelijk in de oudste grafelijke registers van Holland voorkomt. 
De omstandigheid, dat de Leidsche burcht nog in 120Ó als grafe- 
lijk „allodium" genoemd wordt, geeft recht om te besluiten, dat 
omzetting van het oude ambt in een leen eerst na dat jaar is 
geschied. 

Meer is er niet van te zeggen, want ook van den toenmaligen 
burggraaf, kastelein Jacob, kennen wij, behalve het reeds gezegde, 
weinig anders dan zijn naam, die in 1241 voor het laatst onder 

1) § 8, 17. 

2) ib. no. 208. Misschien in verband met de borgstelling in § 17 van no. 206. 

3) Zie boven. 

4) Vgl. over het ambt en zijne ontwikkeling in het algemeen in het Duitsche Rijk: 
Rietschel 1,1. Over de Vlaamsche kasteleinijen: Warnkönig, Flandr. Rechtsgesch. I, S. 284 ff.; 
Pirenne, Gesch. Belgiens, I, S. 129 ff. Over het Utrechtsche burggraafschap : Muller, 
Inleiding blz. 12, vlg. ; De Geer, De opkomst der steden, in N. Bijdr. voor Rechtsgel., Nieuwe 
Reeks, I, blz. 14 vlg.; De Geer, Het Oude Trecht, blz. 159 vlg.; Pijnacker Hordijk, 
I)e Utr. castellani, in Nijh. Bijdr. 4de R. II, blz. i. 

2 



I8 

die van Holland's aanzienlijke edelen voorkomt ï). In I2i3hadhij 
een twist 2) met de abdis van Rijnsburg over een stuk gronds, genaamd 
„Ord" (Oord), gelegen bij den Rijn tusschen het aan den kastelein 
toebehoorende land „Werdh" • — d. i. het eiland (waard) tus- 
schen de beide Rijnarmen, waarop de burcht ligt en dat ook 
later nog Waard heet — en een ander stuk van Rijnsburg's 
kloosterbezit. Als zijn broeder wordt in 1223 Theodericus ge- 
noemd 3), waarschijnlijk zijn opvolger, die in 1243 kastelein is 4) 
en tweemaal voorkomt s) als voornaam ridder, onderscheiden door 
den titel „dominus". 

Dan vinden wij in 1251 6) eene vrouw, Christina, genoemd 
„castellana de Leyden", die goederen in leen krijgt van heer 
Hendrik van Kuik. Deze Christina nu was, blijkens een getuigenis 
van familieverhoudingen van haren kleinzoon uit 1343 7), gehuwd 
met heer Dirk, jongste zoon van heer Albrecht of Albert van 
Kuik 8), welke Dirk in 1253 9) zelf naast zijn vrouw als kastelein 
van Leiden genoemd wordt. Nu is het zeer goed mogelijk, dat 
deze Theodericus (Dirk) van 1253, die „miles" genoemd wordt, 
dezelfde is als de Theodericus van 1223 en de „dominus" 
van 1241 en 1245; dan zou deze uit den huize van Kuik ge- 
weest moeten zijn en derhalve ook zijn broeder Jacob. Het is 
evenwel ook mogelijk, dat deze vroegere Theoderici (Dirken) van 
1223, 1241, 1245 en die van 1253 twee verschillende personen 
waren; maar dan zou de „castellana'' Christina, zuster of dochter 
van den eerste of van Jacob, een vrouwelijke burggraaf en niet 
eenvoudig de vrouw van den burggraaf geweest moeten zijn, wat 
voor dien tijd niet zeer waarschijnlijk te achten is en verder door 
niets wordt bevestigd. 

Het is dus ook wel aan te nemen, dat Jacob en Dirk beiden werke- 
lijk uit den huize Kuik geweest zijn — wij kennen hunne zegels, 
helaas, niet — en evenals de latere burggraaf Dirk uit dit geslacht, 
hebben moeten zegelen met het Kuiksche wapen, acht merels, en 
dat der oude burggraven : in blauw een gouden dwarsbalk. Maar 

i) Oorkdb. I, no. 227, 234, 237, 247, 270, 276, 279, 283, 298, 309, 333, 351, 353, 382. 

2) Ib. I, no. 234. 

3) Ib. no. 283. 

4) Ib. no. 399. 

5) Ib. no. 412. 413. 

6) Ib. no. 546. 

7) Matthaeus, Dedicatio Chron. Duc. Brab., p. C, 2; Van Mieris, Charterb. II, blz. 680^ 

8) Butkens, Trophées de Brabant, II, p. 56. Hij is de graaf van Utrecht van 1220,,. 
vgl. Muller, Inl. op de Rechtsbr. r. Utr., blz. 13. 

9) Oorkdb. I, no. 584. 



19 

dan zou heer Albrecht, volgens Butkens in 1233 gestorven, behalve 
de drie door dezen aan hem toegeschreven zoons nog een zoon 
Jacob gehad moeten hebben, ouderen broeder van dezen Theodericus, 
den jongsten zoon. De zaak blijft dus nog onzeker, behalve dat de 
Dirk van 1253 buiten twijfel een Kuik is geweest. De Kuiks bezaten 
reeds omstreeks 1200 ook het graafschap in de stad Utrecht, 
blijkbaar erfelijk bezit ^). 

Met dezen burggraaf uit het oude geslacht Kuik, opvolger 
van voorgangers, naar wier afkomst wij zelfs niet kunnen gissen 2), 
komen wij eindelijk op meer bekend terrein. 

Van de stad Leiden zelve, die, zooals wij zien zullen, in de 
eerste helft der 13de eeuw reeds zekere stadsrechten moet bezeten 
hebben, weten wij voor dien tijd, waaruit geen oorkonden 
betreffende haar tot ons zijn gekomen, overigens niets anders dan 
dat de graven Willem I 3) en Floris IV 4), diens broeder, voogd 
Vv^illem van Holland s), een bloedverwant van het grafelijk huis : 
Boudewijn van Bentheim 6) en graaf Willem II 7) er herhaaldelijk 
verblijf hielden; waarschijnlijk in het grafelijke „hof", het latere 
huis Lokhorst, dat bij de Pieterskerk stond, met een gracht 
omringd was en waar Floris V evenals zijn vader volgens een 
latere overlevering gezegd wordt geboren en gedoopt te zijn. De 
stad zou toen zelfs als „Camera HoUandiae" bekend gestaan hebben 
om hare nauwe betrekking tot de landsheeren 8). 

Dat is ons van Leiden bekend, voordat de groote privilegebrief 
der stad ons beter over haar inlicht en de gegevens omtrent haar 
ook in oorkonden iets ruimer beginnen te vloeien. 

Wij hebben haar ons voor het midden der 13^^ eeuw voor te 
stellen als een marktstadje op grafelijken grond, door boeren, 

1) De Geer, Het Oude Trecht, blz. 154. Vgl. over het Utrechtsche graaf- en burg- 
graafschap : Muller, 11.; Wap, Geschiedenis van het land ende heeren van Cuijck, blz. 44 
vlg. (zeer onkritisch). 

2) Dat zij uit het geslacht Wassenaer zouden stammen, zooals m.en vroeger meende, 
is niet aan te nemen (vgl. Obreen, Het geslacht van Wassenaar, Leiden, 1903, blz. 8 vlg.). 
Het geslacht van Wassenaer zelf is vóór 1200 niet bekend. 

3) Oorkdb. no. 234 (1213). 

4) Ib. Ne. 315 (1229). Er wordt hem ten minste hier door Dirk van Wassenaer een schen- 
king gedaan : no. 333 (1231), 342 (1233). 

5) Ib. No. 361 (1237). 

6) Ib. No. 367 (1238). 

7) Ib. No. 392 (1242); no. 397 (1243); no. 406 (1244); no. 583 (1253); no. 595 (1254); 
no. 621 (1255); Böhmer-Ficker, Reg. Imperii, no. 5197 (30 Juli 1254). 

8) Joannis a Leydis, Chron. Belg., bij Sweertius, Annales, p. 196; Obreen, Floris V, blz. 
3 vlg. De hof Lokhorst is lang verdwenen en de naam nog alleen over in dien van de 
Lokhorststraat. 



20 

marskramers en kooplieden bevolkt. Wij kunnen ons, ook op grond 
van analogie met andere plaatsen en van wat wij in de 14de eeuw 
nog als overblijfselen van oude toestanden terugvinden, een vrij 
duidelijk begrip van dat plaatsje en zijn bewoners maken. 

Hunne misschien hier en daar reeds aangesloten huizen waren 
hoogstwaarschijnlijk geheel van leem of met houtwerk als ge- 
raamte, zooals nog in Duitsche dorpen gevonden wordt, en met 
plaggen of riet gedekt. Een enkele aanzienlijkere woning, zooals 
's graven hof bij de Pieterskerk, moet van beter maaksel geweest 
zijn ; bij hooge uitzondering slechts waren die woningen van steen, 
zooals 's graven eigen steenhuis daar vlakbij en zooals wellicht 
de burggrafelijke woning zelf binnen de burchtomwalling, of boven 
binnen den ringmuur of beneden aan het kleine bruggetje over de 
gracht. Verder hoeven met grooter of kleiner erf eromheen en 
alle bijkomstigheden van het landelijk bedrijf; geen bestrating op 
de enkele gebaande tusschenwegen tusschen huizen en hoeven, 
waarvan het pad tusschen de „groote brug" en de kerk, den 
Rijndijk kruisend, een soort van middelpunt voor het nog weinig 
krachtige stadsleven moet gevormd hebben; huisdieren en vee vrijelijk 
rondwandelend op die wegen en voedsel zoekend in den overal 
neergeworpen afval — zoo moet, gerekend naar wat wij in de 
14^^^ eeuw nog als overblijfselen van den ouden toestand kunnen 
opmerken, het Leiden van omstreeks 1250 er hebben uitgezien. 

De omvang van dat alles moet vrij gering geweest zijn. Hoofdzaak 
was wat er ingesloten wordt door den Rijn, tusschen de tegen- 
woordige Karnemelksbrug en de Borstelbrug bij het Galgewater, 
en de toenmalige stadsgracht aan de zuidzijde : het Rapenburg 
met Steenschuur. Van dat stuk was een zeer aanzienlijk deel tus- 
schen Rapenburg (Steenschuur) en de tegenwoordige Breestraat 
nog in de 14^^ eeuw onbebouwd of zeer weinig bebouwd, zoodat 
de Breestraat toen met de oude Maarsmansteeg en Pieters- 
kerk-koorsteeg wel de eigenlijke stad zal hebben uitgemaakt. 
Onder den burggraaf stonden nog enkele woningen om en bij 
het burchtkasteel en misschien een enkele hoeve op het 
daaraangrenzende Hoogeland en in de Waard. Alles gezamenlijk 
nauwelijks genoeg om eenige honderden bewoners te bevatten. 
Middelpunt van het economisch leven in het plaatsje was dan wel de 
grafelijke hof, „curtis" of ,,curia" zelf, waaronder de omliggende 
hoeven op de gewone wijze oorspronkelijk haar aandeel in de 
bearbeiding van den grafelijken grond hadden gehad maar thans 
misschien voor een goed deel reeds uit die volslagen afhankelijk- 



21 

heid van den hoofdhoeve losgemaakt waren, zoodat hare bewoners, 
naast de enkele bij en om hen wonende marskramers, als vrije boe- 
ren den grond bebouwden. 

Toch was dit onaanzienlijke stadje reeds hoofdplaats van Rijn- 
land en zetelde er de burggraaf, leenman des graven en diens 
vertegenwoordiger in de stad en het omliggend gebied. 

Hij was in ieder geval als ambtenaar minder aanzienlijk dan, zoo 
niet ondergeschikt aan den „ballivus totius Hollandiae," ^) onder 
wien ten m.inste Zuid-Holland in 1252 een „subballivus" bezat, 
misschien ook toen reeds Rijnland, dat kort daarna (1266) zeker 
een eigen baljuw, „ballivus" had, 2) vermoedelijk met Leiden, de 
hoofdplaats, als zijn zetel, waar men hem ook in de 14de eeuw 
gevestigd vindt. Neemt men nu in aanmerking, dat Leiden later 
steeds geldt als de vierde stad van Holland, na Dordrecht, ontegen- 
zeggelijk de oudste, ook na Haarlem en Delft, dan is het duidelijk, 
dat men zich van den omvang, de bevolking, de beteekenis der 
later zoo belangrijke Hollandsche steden in het midden der 13"^^ 
eeuw niet te veel mag voorstellen. 

De altijd netelige vraag van den eersten oorsprong der stad 
dient in verband met al het voorgaande aldus te worden beantwoord. 

Leiden dankt zijn ontstaan aan de gunstige ligging, waarvan wij 
boven spraken. Het is waarschijnlijk, dat ook hier naast de verspreide 
goederen, die allengs in kerkelijke handen gekomen waren, de grafe- 
lijke hof of „curtis," middelpunt was van een betrekkelijk groot allodi- 
aal bezit; oorspronkelijk koninklijk eigendom in een nog ont- 
gonnen wildernis heeft zij gelijk te Haarlem 3) met de bijbehoo- 
rende hoeven een groote rol bij de ontwikkeling van het plaatsje 
gespeeld, naast het eveneens met zijn grond aan den graaf behoorende 
maar in leen uitgegeven kasteel op het Rijneiland. Ook hier, gelijk 
te Haarlem, te Dordrecht, te Delft, te Amsterdam, te Schoonhoven, 
te Schiedam, te Medemblik en misschien nog in andere Hollandsche 
steden, zou dan de gunstige ligging en het daarmede samenhangend 
verkeer, gepaard aan een hier aanwezig en betrekkelijk groot grond- 
bezit des graven en een in verband daarmede, dus tot bescherming 



i) Oorkdb. I, no. 555. 

2) Fruin, Staatsinstellingen, uitg. Colenbrander, blz. 64. Vgl. Oorkdb. II, no. 152. 
leder baljuwschap is onderverdeeld in ambachten, bestuurd door schout en schepenen. 
Een en ander is hoogstwaarschijnlijk de voortzetting der overoude verdeeling in gouwen 
en honderdschappen van den oud-Germaanschen tijd. 

3) Vgl. Huizinga, Opkomst van Haarlem, in Nijh. Bijdr., 4de Reeks, IV, blz.446 vlg. en 
V, blz. 16, vlg. 



22 

ook daarvan, opgericht kasteel, de voorwaarden hebben geschapen 
eener vestiging, die zich door haren aard en hare beteekenis voor 
de omgeving weldra zou gaan onderscheiden van de gewone dorps- 
vestigingen. Zoodra dit in eenigszins belangrijke mate gebeurde, was 
het oogenblik gekomen om die vestiging ook „staatsrechtelijk," 
zooals men tegenwoordig zou zeggen, een bijzonder karakter te doen 
dragen, haar staatsrechtelijk, altijd volgens de weinig juridisch- 
dogmatische middeleeuwsche opvatting, een eigen bestaan te ver- 
zekeren. 

Dit nu is te Leiden geschied, gelijk in de andere Hollandsche 
steden, met de toekenning door den landsheer van eigen rechten, 
afgezonderd van die, welke toekomen aan het gansche gebied, 
waarin de betrokken plaats ligt; rechten, die aan het plaatsje 
een afzonderlijk karakter verzekerden, dat men bij uitstek als 
„stedelijk" karakter mag aanmerken, zoodat men het, om een vast- 
staanden term uit de 13^^ eeuw te gebruiken, als een „port'' ^) 
mag beschouwen. 

Die naam wijst in de 13^^ eeuw aan wat men vroeger meer 
algemeen een „oppidum," een min of meer versterkte plaats placht 
te noemen, die dergelijke afzonderlijke rechten van den landsheer 
verkregen heeft en zich daardoor onderscheidt van het „gemeene 
land", welks „ambachten," meestal onder een afzonderlijken ambachts- 
heer gesteld, niet anders dan dorpen van meer of minder beteekenis 
zagen opkomen, die zich nooit tot steden konden verheffen of ten 
minste slechts bij uitzondering zoover kwamen. 

Let men op den kleinen omvang van dit slechts 24 '/a Rijnlandsche 
morgens (= 21 's H.A.) 2) omvattende gebied, dan is het 
nauwelijks mogelijk te onderstellen, dat wij hier te doen hebben met 
een der overoude, uit de eerste bewoning door Kelten of Germanen 
dagteekenende, ten minste met een oud-Keltischen of Germaanschen 
naam („ambactus") 3) aangeduide ambachten-onderverdeelingen 
van de gouw, waarin het plaatsje lag. De omvang van het ter- 
rein is daarvoor werkelijk te gering, wanneer men hem vergelijkt 
met dien der andere ambachten van Rijnland. Men moet daarom 
aannemen, dat het grondbezit van den graaf om zijn hof heen, 
evenals het kasteel, al vroeg moet losgemaakt zijn uit een 



i) Latijn „portus". Vgl. Verdam i. v. port, waar blijkt, dat dit en niet „porte" 
„poerte", „poirte" de oorspronkelijke vorm moet zijn. Vgl. het gebruik van portus bij 
Alpertus, De diversitate temporum, I, 8, lo. 

2) Orlers, Beschrijving van Leiden, blz. 29. 

3) Caesar, De Bello Gallico, VI, 15 : daar van personen gebruikt. 



23 

bestaand ambachtsverband : het grondbezit aan den zuidelijken, 
den linkeroever van den Rijn uit het verband van het ambacht Zoeter- 
woude i) waaraan het zuidwaarts geheel grensde en dat vroeger een- 
maal, zooals gewoonlijk het geval is, begrensd moet geweest zijn, 
ook hier gelijk verder oostwaarts, door een natuurlijke grens, de 
rivier zelve ; het kasteel daarentegen uit het verband van het 
ambacht Leiderdorp, waartoe het Rijneiland nog in de 13^^^ eeuw 
kerkelijk, en dus waarschijnlijk in ouden tijd ook v/ereldlijk 2) be- 
hoord heeft. 

En wat is dan meer aannemelijk dan dat deze losmaking 
moet zijn samengevallen met de vorming van dit aan de noord- 
zijde van het ambacht Zoetervvoude gelegen huizen- en hóeven- 
complex tot een „port", een „stad" ? 



i) Fruin, Verspreide Geschriften, I, biz. 52. 

2) Het is een bekend feit, dat de kerkelijke indeeling des lands zich in het algemeen 
bij de wereldlijke heeft aangesloten. Vgl. S. Muller Hz., De indeeling van het bisdom 
Utrecht, in Bronnen voor de geschiedenis der kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht, 
II, I, blz. 48. 



HOOFDSTUK II. 
De stadsprivileges. 

De vraag rijst nu: wanneer is Leiden door het toekennen van 
een afzonderlijk stedelijk privilege een „port" geworden, van het 
gebied van Rijnland afgezonderd, „geëximeerd", zooals men pleegt 
te zeggen ? 

Het is volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat wij dit tijdstip reeds 
vroeg in de i$^^ eeuw hebben te stellen. De tijdgenoot uit Egmond, 
die aan de plaats omstreeks 1205 den naam „urbs" toekende ^), 
benevens de oorkonde van 1206 2)^ die haar als hoofdplaats van 
het omliggende gebied aanmerkt op denzelfden rang als Dordrecht, 
hoofdplaats van Zuid-Holland, dat reeds in 1200 als „oppidum" 
met eigen „scabini" optreedt 3), kenden Leiden als een van het 
overige Rijnland onderscheiden plaats. De eerste ons bekende 
voorrechtsbrief 4), dien Floris V den I9den December 1266 op 
Teylingen aan zijn „dilecti et fideles opidani in Leyden" geeft, 
zegt dan ook niet, dat hij hun voor het eerst voorrechten schenkt ; 
integendeel, hij doet dit in hoofdzaak met vernieuwing der reeds 
door zijn voorvaderen verstrekte rechten, „antiquas eorum ipsis 
a meis progenitoribus concessas et renovans et ratificansX'iOQxX.2X&s\ 
ze slechts vermeerderend („superaddens") met „speciales aliquas"- 
Nu is het in een niet methodisch geordend, middeleeuwsch 
stuk als dit niet mogelijk de oude van de nieuwe rechten dui- 
delijk te onderscheiden, maar dat er rechten gegeven zijn door 



i) Zie boven, blz. 14. 

2) Zie boven, blz. 16. 

3) Oorkdb. I, no. 181. Ann. Egm. p. 86 no2men het weder „villa" evenals de oorkonde 
van i2o5; in 1203 weder „oppidum" (Oorkdb. I, no. 183). 

4) Oorkdb. II, no. 151. 



25 

's graven voorgangers, valt op grond van het gezegde niet te ont- 
kennen. In verband met het in het vorige hoofdstuk opgemerkte 
is het waarschijnUjk te achten, dat reeds omstreeks 1200 graaf 
Dirk Vil of zijn opvolger Willem I tot die „progenitores" gerekend 
mogen worden, al kunnen wij niet precies zeggen, wat zij dan 
hebben toegekend of geschonken. 

Wat de burgers van Leiden in ieder geval sedert 1266 bezitten, 
is in de eerste plaats vrijdom van alle geldelijke lasten („talgiae, 
tributa vel exactiones") ^) behalve de „bottinghe", de overoude be- 
lasting, die om de drie jaar „ab anno tercio in tercium", door den 
graaf van ouds mag geheven worden ; hij deed dit in verband met 
zijne plichten als rechter op het vroegere Friesche „bodthing", 
het „geboden ding", en met zijn aanspraak op vervoer, verblijf en 
onderhoud van wege de berechte bevolking ^) ; de Leidenaars zouden 
nooit meer daarvoor te betalen hebben dan in het geheel 3 pond 
5 schellingen 3). Bovendien werden van den vrijdom uitgezonderd 
de zoogenaamde „casus feodales," 4) d. z. de gevallen, waarin 
volgens de oude leengebruiken de bevolking der gouw tot opbrengst 
verplicht was : als de graaf het keizerlijk hof, de „curia imperialis," op 
keizerlijk bevel moest bezoeken; als hij zelf, zijn zoon of zijn broeder 
het ridderzwaard aangordde, ridder geslagen werd; als hij, zijn 
zoon of zijn broeder huwde; als hij zijne dochter of zijne zuster ten 
huwelijk gaf — in al die gevallen zou Leiden den graaf telkens 
10 pond hebben op te brengen. In geval van een krijgstocht („ad 
bellum et expeditionem") zoowel voor de belangen van den 
graaf zelven als voor die des gemeenen lands („universalis 
terrae, cum ipsa iverit)" zou Leiden voor eigen rekening 25 man 
moeten zenden, die na hunne komst in het leger en voor den duur 



i) Zij zijn dus vrij van het overigens door de onderdanen te betalen schot, waarover 
later. "Vgl. Jan Matthijssen, Rechtsboek van Den Briel (uitg. Vaderl. Rechtsbronnen), 
blz. 29. 

2) Vgl. FockemaAndreae, inRechtsgel. Magaz. 1883, blz. 430 vlg. Zij was in dezen tijd 
reeds een gewone belasting geworden, waarvan men den naam en den oorsprong nauwelijks 
meer begreep, vermoedelijk oorspronkelijk geheven tweemaal in de zeven jaren, hier reeds 
ieder derde jaar, dus telkens met twee jaren vrijstelling. Rijnland betaalde haar in de 14de eeuw 
om het jaar; Kennemerland in de 13de eeuw als Leiden (vgl. Oorkdb. II, no. 816); Water- 
land tweemaal in de 7 jaar. Ook Leiden gaf, evenals Rijnland, in de 14de eeuw ieder 
„oneffen" jaar 40 sch. (Graf. rek. uitg. Hamaker, I, blz. 162, vgl. I, 16; II, 11 en 119) 
en kocht ze eerst in 1583 voorgoed af. 

3) Het pond (HoUandsch), verdeeld in 20 schellingen en deze in 12 penningen, is de 
reeds in de 12de eeuw voor deze streek gebruikelijke rekenmunt ; de gewone in omloop 
zijnde munt waren de HoUandsche (zilveren) penningen, sedert de lode eeuw door de 
graven geslagen. 



26 

van den krijgstocht verder op kosten des graven zouden leven 
(„in meis expensis erunt") en nachtwaakdienst zouden moeten doen 
om zijn tent, ^) zooals zij nog deden in het laatst der 14de eeuw. 
Van groot belang voor alle burgers was de volkomen tolvrijheid 
van de grafelijke tollen in het geheele gebied van Holland en 
Zeeland, „in omnibus suis negociationibus," wat met de bepalingen 
omtrent geldelijke en persoonlijke lasten behoort onder de eerste 
rechten, die iedere stad verkreeg. Zoowel Leiden als Haarlem 
bezaten reeds dezen vrijdom onder graaf Floris IV ^), dus omstreeks 
1230, en zagen hunne tolvrijheid ook later door Willem III en 
door gravin Margaretha herhaaldelijk bevestigd 3). 

Op die bepalingen nu volgen — evenals het bij andere stede- 
lijke rechten en keuren uit deze en vorige eeuwen in deze streken 
het geval is — een aantal bepalingen omtrent de rechtspraak, 
te Leiden uitgeoefend door acht gezworenen of schepenen {„octo 
jurati") en den grafelijken of den burggrafelijken rechter („nun- 
tius comitis vel 4) judex castellani"). Van de eerste instelling dezer 
schepenen of gezworenen voor de stad wordt in het stuk niet ge- 
rept; zij moeten er dus reeds vroeger geweest zijn, maar het is 
niet uit te maken, wanneer zij zijn ingesteld ; daar juist die instel- 
ling van afzonderlijk bestuur aan de stad een eigen bestaan gaf, 
afgezonderd van het in zijn ambachten ten deele door schout en 
schepenen, ten deele op overoude Friesche wijze nog tot 15 77 
door „asinghe en gheburen" s) berechte Rijnland, moet Leiden reeds 
in het begin der 13^^ eeuw in het bezit van schepenen geweest zijn. 

Niemand mag voorts, op straffe van 10 pond boete, 's graven 
„bode" 6) en den rechter van den kastelein weigeren „vrede" te geven, 



1) Deze nauwere betrekking tot den graaf hangt misschien samen met zijne beweerde 
geboorte te Leiden en met het door zijn vader en grootvader daar gehouden verblijf 
(zie boven, blz. 19). Ook Willem van Hildegaersberch wijst daarop in zijn gedicht „Van 
den Sloetel", uitg. Verwijs, blz. 164. 

2) Vlg. Oorkdb. II, no. 696 en 698 : „bi ons vaders tilden ende bi ons ouders vaders tiden" 

3) Van Mieris, Handv. van Leiden, blz. 338; Charterb. II, blz. 55, 148,716: „voer alle 
haire coepmanscepe ende goede". 

4) De onzekerheid, of men dit middeleeuwsch-latijnsche voegwoord door „of" dan wel 
door „en" moet vertalen, geeft hier eenigen twijfel. 

5) Vgl. daarover Fockema Andreae, Bijdragen tot de Nederl. rechtsgeschiedenis, IV, 
blz. 55 vlg„ tegenover Heek, Altfriesische Gerichtsverfassung, S. 47 ff. De „asega" is de 
vaste ordelwijzer, wiens vonnis door de „corona" der „geburen", als vertegenwoordigers 
van de bevolking zelve, moet worden goedgekeurd. 

6) Wie is hier bedoeld met „nuntius comitis". Uit de vertaling in het charter van 
Willem III van 1306, waar „'s Graven bode" staat, blijkt niets naders. Blijkens de baljuw- 
rekeningen van Rijnland uit de 14de eeuw (Rijksarchief) had deze vier boden onder zich, 
van welke die aan de „westzide" van den Rijn ook voor Leiden dienst gedaan zal hebben 
als handhaver van rust en orde namens den baljuw, den ambtenaar van den graaf. 



27 

zoo hem die ten overstaan van twee der acht schepenen wordt op- 
gelegd, d. i. zich te verbinden gedurende zekeren tijd met zijn tegen- 
partij in vrede te leven, totdat getracht is het verschil langs den weg 
van rechten of van verzoening te beslechten, waartoe immers de 
vrede gelegenheid moet schenken ^). 

Dan volgt een aantal bepalingen, die, evenals de overeenkomstige in 
andere Hollandsche stadsprivileges der 1 3de eeuw, getuigenis geven van 
ruwheid in het maatschappelijk leven. Wie een ander bij de haren 
trekt, kan, na voor twee schepenen gebracht te zijn, tot 10 schel- 
linsren boete veroordeeld worden ; wie een ander met een knods 
of stok slaat, tot 2 pond en een vergoeding aan den beleedigde 
volgens zeggen van schepenen, wier meerderheid daartoe kan 
besluiten, of, zoo zij niet tot eensgezindheid kunnen komen (d. i, 
bij staking van stemmen), volgens uitspraak van den graaf zelven. 
Wie een ander een „matewonde" toebrengt, d. i. een wonde, die zoo 
diep of lang is, dat zij gemeten kan worden met den nagel, 
met een of meer vingerleden of wel met een vaste maat, „met 
vingerspan of ellemaat", ^) wordt gestraft; als hij op heeterdaad 
betrapt wordt, met afkapping van de hand, anders met een boete 
van 2 pond en 2 schellingen en een vergoeding van 20 schellin- 
gen aan den gewonde, tenzij hij zijn onschuld 3) voor den rechter 
op wettige wijze kan bezweren. Is de wond grooter, dan moet zij 
geboet worden naar recht en rede, „prout justum fuerit". 
Wie een ander een vinger afslaat, zal gestraft worden met 2 pond 
en 2 schellingen ; een vreemdeling, d. i. een niet-poorter, zal in 
dit geval beboet worden volgens het gemeene recht (van Rijnland). 
De stedeling, die zich in de stad aan vechten heeft schuldig ge- 
maakt, zal niet tegen zijn wil voor een rechter buiten de stad 
gebracht kunnen worden en ook zelfs in de stad niet tegen 
zijn wil mogen vastgehouden worden („ponetur") 4), als hij in 
de stad bezit heeft of de voor het den beleedigde en den graaf 
verschuldigde borgstelling („fïdejussoriam vel aliam sufficientem 
cautionem") kan verschaffen. Wie een ander hand, voet of arm 
afkapt of een oog uitslaat, zal met 10 pond boete gestraft 



i) Vgl. Fruin, Verspr. Geschr. YI, blz. 283 vlg. 

2) His, Das Strafrecht der Friesen, S. 301 ff. Vgl. Verdam, Mnd. Wdbk. i. v. en op 
„coerbaar"; Fockema Andreae, Aant. op de Groofs Inleydinge, blz. 168. 

3) Van den Bergh drukt „tinskure", wat in zijn tekst blijkbaar verkeerdelijk voor 
„tonskoude" {= te onschoude) gelezen wordt. 

4) Vgl. de vertaling van 1306 bij Van Mieris, II, blz. 56: „binnen der poerte leggen 
of houden." 



28 

worden, terwijl de graaf hem bovendien langs den weg van 
rechten schadeloosstelling zal doen geven aan den getroffene ^). 

Als de acht gezworenen („octo qui jurati fuerint") wegens hunne 
rechtspraak in het algemeen of een naar rechten tegen iemand 
geveld vonnis in eenige vijandelijke verhouding geraken, zullen de 
graaf en de kastelein hen beschermen, met trouwe hulp hierin van 
den baljuw van Holland, den heer van Teylingen. Wie den 
huisvrede breekt door het aanvallen van iemands huis, zal gestraft 
worden met 5 pond. Niemand, van welken staat („condicio"), 
van welken graad van vrijheid of onvrijheid ook, voornamelijk wie 
tot geldelijke lasten („tributa et talgiae") verplicht is, zal de stad 
mogen binnenkomen om er te wonen en de stadsvrijheid te ge- 
nieten, tenzij vooraf de uitdrukkelijke toestemming is verkregen 
van den graaf of zijn rechter 2) benevens van de acht gezworenen 3), 
Negen jaren later 4) (1275) werd het privilege te dezen opzichte 
uitgebreid door ieder toe te laten („quilibet homo abhinc et dein- 
ceps"), die maar het poorterschap begeerde („qui velit et petit in 
oppidanum recipi"), mits hij veertig penningen Holl. betaalde, half 
aan den burggraaf, half aan de schepenen („scabini"), die hem 
samen als poorter konden opnemen. Wie tot een ander smadelijk 
zegt, dat hij liegt, zal een boete van 2 schellingen beloopen en 
den aldus beleedigde met 2 schellingen schadeloos stellen. Als 
iemand der stedelingen van moord, roof of diefstal of eenig ander 
dergelijk zwaar misdrijf beticht wordt, zal hij naar den aard der 
misdaad gestraft worden, wanneer hij door de gezworenen der 
stad schuldig bevonden wordt, of, als hij op heeterdaad betrapt 
wordt, met het doodvonnis; wordt hij niet op heeterdaad 
betrapt, dan zal hij zijn onschuld mogen bezweren en in 
geen geval mogen worden opgeroepen tot een gerechtelijken 



i) Hier zou men kunnen aannemen, dat de oudere bepalingen der handvest eindigen, 
want nieuwe van denzelfden aard volgen na een tusschenbepaling, die moeilijk ouder kan 
zijn dan Floris' eigen tijd, omdat er de heer van Teylingen genoemd wordt, die toen bal- 
juw van Holland was (Oorkdb. II, no. 148). In 1306 wordt hij niet genoemd. 

2) Wie is des graven rechter („judex")? Op grond van de vertaling van 1306, die hier 
den burggraaf alleen noemt, zou men kunnen meenen, dat deze bedoeld is, maar deze 
is in het algemeen geen judex. Eerder is de schout bedoeld, de rechter zonder meer. 

3) Dit wijkt sterk af van de andere HoUandsche stadsprivileges uit deze eeuw, die het 
poortrecht toekennen aan ieder, die een zekeren termijn, meestal „jaar en dag", in de stad 
gewoond heeft (vgl. Oorkdb. II, no. 412, te Haarlem, volkomen vrijheid van vestiging 
voor ieder _de quacunque parte veniens" ; beperkter te Delft, no. 418: hoorigen eerst 
„post annum et diem"; te Dordrecht, no. 550, evenzoo). Ygl. Fockema Andreae, Bijdragen, 
III, blz. 58. 

4) Oorkdb. II, no. 285. 



29 

tweekamp, welks afschaffing ook al behoort onder de oudste be- 
palingen, die ten gunste eener stadsbevolking gemaakt plachten 
te worden ^), ten einde ze te bevrijden van de daaruit ontstaande 
rechtsonzekerheid. 

Als een der gezworenen onnut („inutilis") voor de stad blijkt 
te zijn, zal hij zonder tegenspraak door een ander worden ver- 
vangen. Wat door de acht gezworenen en den rechter („judex") 2) 
wordt vastgesteld tot nut en voordeel van de stad — wat, zooals 
men later zou zeggen, door hen wordt „gekeurd", als stedelijke 
„keur" vastgesteld, — moet door allen stipt nagekomen worden. 
Daarmede wordt aan het stadsbestuur een ruime bevoegdheid ge- 
schonken, ruimer dan wel elders. 

Eindelijk beloofde de graaf, als „pleno jure" eigenaar van het 
patronaat der Leidsche kerk 3), dat bij het heengaan of den dood 
van „magister Gherardus", den pastoor der kerk, hij twee priesters 4) 
daar zou aanstellen om als „veri pastores" de inkomsten uit het 
ambt te deelen. Hij bepaalde verder, dat zijn opvolgers deze 
voorrechten telkens zouden moeten hernieuwen en met hun zegel 
voorzien tegen een geschenk van een geheel vat wijns van wege 
de stedelingen. 

Het privilege werd gegeven te Teylingen op raad en aanmaning 



i) Vgl. mijne Geschiedenis, I, blz. 326. Voor Rijnland, evenals elders, bleef het over- 
oude kamprecht nog tot in de 15de eeuw in zwang: Grafel. rekeningen, passim, en ms. reke- 
ningen van het baljuwschap Rijnland 1367 (Rijksarchief). Voor dit gebied zijn er twee 
„kempen", een voor „edelen", een andere voor „huyslieden" ; de kamp werd in 1322, „als 
men tesen tydt toe ghedaen heeft", gehouden in „onse crythoeve" te Leiden (Van Mieris, 
II, 297); in 1381 noemt de baljuvvrekening van Rijnland (Rijksarchief) „'s graven wel- 
gheboren camp"; in 1400 werd een „kemp" voor Rijnland, Delfland, Woerden en 
Schieland aangesteld (Scheffer, Commissieboek, blz. 61). Wij bezitten uit 1338 een contract 
van den graaf met een „meister scermer", „Dirc die Grille", die op zich neemt „onse 
kempen te leeren" en bereid is zelf als zoodanig op te treden, „soe wanneer wijs begherende 
sien an hem" (Van Mieris, II, blz. 608). Deze „meyster van den keympen" is nog in 1344 
in functie (Grafelijkheidsrek. uitg. Hamaker, II, blz. 82). Vgl. over een en ander : Van 
Alkemade, Kamp-regt (Rotterd. 1740); Molhuysen, in Nijh. Bijdr. Nieuwe Reeks, I, 
blz. 191 vlg. 

2) Hier wel weder 's graven schout. De Holl. vertaling van 1306 heeft „den rechter", 
wat voordien tijd zeker den schout moet aanwijzen, want dan is er geen ander, die zoo 
genoemd kan worden. 

3) Zie boven, blz. 12. Vgl. Oorkdb. II, Nal. no. 41 en 45. 

4) Inde vertaling van 1306 staat nog: „alse alle andere prochipapen in onsen poerten." 
Uit het begin der 13de eeuw is voor Leiden slechts één pastoor bekend, de Oorkdb. I, 
no. 234 (1213) genoemde Theodericus. Deze tweede, „magister Gerardus de Leyden", komt 
nog voor II, no. 122 (1265), 169 (1268), 202 (1270), 657 (1289, als kanunnik van St. Marie 
te Utrecht), 658 (1289, klerk van Floris V), 661 (1289). Hij had drie zoons en een 
dochter. 



30 

(„ex consilio et ammonitione") van voorname Hollandsche edelen : 
heer Symon van Haarlem, heer Dirk van Teylingen, heer Gysbrecht 
van Amstel, ten overstaan ook van de ridders Willem van Egmond 
en Willem van Bentheim, van wie Egmond tegelijk de toestem- 
ming („assensus") van zijn schoonzoon, den kastelein van Leiden, 
gaf; in tegenwoordigheid ook van heer Gerrit van Wateringhen, 
Albrecht van Velsen, Willem van Haarlem, Wouter van Egmond 
en anderen, allen toen op het kasteel van Teylingen vereenigd. 
Dit wijst op een bijzondere gelegenheid, wel meer dan het naderende 
Kerstfeest, maar waarvan wij den aard niet juister kunnen vast- 
stellen. Zouden wij hier te doen hebben met den huldigingstocht 
van den juist in den zomer 12 jaar geworden jongen landsheer, 
thans „tot sinen jaren" gekomen en van eigenlijke voogdij ontsla- 
gen ^) ? De genoemde heeren zullen dan zij wezen, „die hi bi him nam" 
om „siin heerlichede" te „berechtigen'' 2). De toestand der re- 
geering in Holland bij het einde der voogdijschap van graaf Otto 
van Gelre is echter zoo onduidelijk, dat van eenige zekerheid dien- 
aangaande geen sprake kan zijn. De omstandigheid, dat een aantal 
der voornaamste heeren des lands, onder hen de baljuwen van 
Kennemerland en Holland, 3) met den graaf overlegden, mag in 
ieder geval getuigen van het belang der zaak, die in de handvest 
behandeld werd. Gaf bovendien Floris de handvest bij de aanvaarding 
van zijn bestuur, dan zou hij iets gedaan hebben wat zijne opvolgers 
in de 14^^ eeuw ook plachten te doen, namelijk bij zijn optreden 
de voorrechten, door zijn voorgangers gegeven, te bevestigen en 
te vermeerderen. 

Na een paar dagen (24 Dec.) voegde de graaf er nog aan 
toe, 4) dat hij in het belang van vrede en rust in zijne stad Leiden, 
opdat hare poorters niet binnen de grenzen hunner vrijheid door 
vechterij gekweld worden, den kastelein Hendrik (van Kuik) had 
toegestaan — misschien wel om zijne toestemming tot het privilege 
van den ig'^^^ te verkrijgen — dat, als niet-poorters binnen de 
stadsvrijheid op markten door rechten der vrede der stadsvrijheid 
braken, hun de (markt) vrijheid, tot voordeel der stedelingen inge- 
steld (,,pro oppidanorum commodo introducta"), niet zou baten maar 



1) Obreen, Floris v., blz. 3 vlg., 17/9. 

2) Kronyk van den Clerc, uitg. Hist. Gen., blz. 121. 

3) Oorkdb. II, no. 148. 

4) Oorkdb. II, no. 152. Vgl. den Inventaris van Rammelman Elsevier, Charters der 
stad Leiden, no. 2; het in het Oorkdb. uitgegeven exemplaar is afkomstig uit het archief 
der burggraven. 



31 

zij gestraft zouden worden volgens het gemeene landsrecht („secun- 
dum legem patriae") met lo pond boete; als zij „edel'' („nobiles'') 
waren, ten overstaan van twee van gelijken stand uit zijn rechtsgebied ; 
waren zij „onedel" („ignobiles"), zoo moest des kasteleins schout 
hen berechten als schotboortigen, schotbaren („tributarii"), d. i. 
als verplicht om schot („tributum") te betalen, en wel ten overstaan 
van twee schotboortigen buiten de stad uit zijn rechtsgebied ; als 
de graaf zelf of door zijn baljuw den schuldige het grafelijk 
aandeel in de boete (n. 1. ^/^ ) kwijtschold, zou des kasteleins 
aandeel ( V3 ) daarmede niet kwijtgescholden zijn. 

Hier zijn eenige woorden gebruikt, die nadere toelichting ver- 
eischen. Wat is „edel" (nobilis) en „onedel" (ignobilis)? Wat is 
„schot", ,,schotboortig", ,,schotbaar" ? 

Het is in den laatsten tijd duidelijk geworden, ^) dat „edel" 
tweeërlei kan beteekenen : ridder van geboorte of een erfgoed in 
vrijen eigendom bezittend. Ofschoon tusschen beide begrippen zeker 
verband bestaat, behoeven zij echter volstrekt niet volkomen overeen 
te stemmen : men kan in Holland zeer goed een erfgoed in vrijen 
eigendom bezitten zonder van ridderlijke geboorte te zijn, ook in 
den tijd, waarover wij handelen. Men behoefde daartoe niet meer 
dan volkomen vrij te zijn. Dit pleegt men in Rijnlandsche bronnen 
te noemen „welgeboren" of ,,welboren", ^) ook „schildboortig" of 
„van den schilde geboren", waaruit wel de eigenlijke adel of ,,rid- 
derscip, die hem ridderlyck hielden sonder ambachten off lant- 
neeringen te doen", grootendeels was voortgekomen 3) maar die zelf 
niet tot den adel behoorden, omdat zij „him setten tot ambachten 
off tot lantneringhe off anders". Het onderscheid tusschen ridders en 
welgeboren mannen is dus, dat de eersten zich wijden aan den 
krijgsdienst, de laatsten aan ambacht of nering, maar in afkomst 
staan zij gelijk. Op den duur echter moest er een breede kloof ontstaan 
tusschen deze beide deelen van een zelfden stand : in die rumoerige 
tijden was de krijger van beroep zeker een persoon van meer 
gewicht dan de burger of landbouwer; hij verhief zich spoedig 
boven den laatste en vormde een afzonderlijken stand. 

De „welgeboren mannen" hadden bepaalde verplichtingen ten 

1) Vgl. Heek, 1. 1., S. 226 ff., op taalkundig gebied naar Siebs, daar aangehaald. 

2) Kluit, HoU. Staatsregeering, I Y, blz. 54, vlg. ; Fockema Andreae, in Aant. op De Groot'» 
Inleydinge, blz. 43 vlg. 

3) Kluit, V, blz. 340 vlg. Vgl. Heeneman, De precariis Comitum Hollandiae et de 
antiqua Nobilitatis HoUandicae ab illis immunitate (Lugd. Bat. 1781), vertaald in Staatk. 
Akademie-verhandelingen, I (Leiden, 1792), vooral blz. 132 vlg. 



32 

opzichte van den krijgsdienst; zij moesten volledig gewapend en 
uitgerust opkomen, als zij daartoe werden opgeroepen, en konden 
met ambten en leenen ten platten lande worden begiftigd. Hun 
naam werd in het Latijn door „nobilis" weergegeven, wat tot ver- 
warring aanleiding gaf met de uit hen voortgekomen middeleeuwsche 
„militia", den adel, welks leden ook met den naam „nobilis" genoemd 
werden. Tegenover deze beiden stonden de „onedelen", de „huys- 
luyden", die in persoonlijk vrije of onvrije verhouding van allerlei 
aard, in dezen tijd in Holland nog veel in die van ,,keurmedigheid" ^) 
stonden, derhalve in hun bezitrecht min of meer afhankelijk waren. 
De laatsten, de „huysluyden", de „onedelen" nu zijn „tributarii", 
„schotboortig", „schotbaar", terwijl de eersten, de „edelen", vrij 
van schot waren en bij twijfel aan hunne „welgeboren" afkomst 
gehouden waren „edeltuyg", d. i. bewijs van die afkomst, te „doen" 2). 
Het schot is namelijk een oude geldelijke last, in 1342 door graaf 
Willem IV aangemerkt als 's graven „outste recht en outste 
heerlichede", als ontstaan in de eerste tijden der grafelijke lands- 
heerlijkheid en nauw verbonden met den plicht tot heervaart; het 
was door den landsheer opgelegd aan zijne niet met eigen wape- 
nen en uitrusting „ter heervaart" dienende onderdanen, welke last 
werd omgeslagen naar gelang van den grond, door den „onedele" 
bezeten onder welke voorwaarden ook, en bestemd was om het lands- 
heerlijk bestuur financieel mogelijk te maken 3). De naam „jaar- 
bede", 4) die er later ook aan gegeven werd, behoeft volstrekt 
niet aan te wijzen, dat het schot oorspronkelijk min of meer vrij- 
willig als „bede" was toegestaan ; hij is blijkbaar ontstaan, toen 
er nog geene zoo goed als ieder jaar geregeld opgebrachte „beden" 
waren ingesteld, het woord „bede" („petitio"), eenmaal gewoon 
geworden, de algemeene naam voor belasting werd en men den 
ouden last wegens zijn jaarlijkschen terugkeer wilde onderscheiden 

i) D. i. dat de heer recht had op een deel hunner nalatenschap, vgl. Verdam, Mnd. 
Wdb. i. V. coermede, en Fockema Andreae, Bijdr. III, blz. 123. 

2) Kluit, IV, blz. 85 vlg. Men kon ook heelen, halven, vierden, achtsten deel adeldom 
getuigen en op dien grond, dus wegens het hebben van welgeboren ouders of grootouders, 
worden vrijgesteld van schot, ib. blz. 90 vlg. Ignobilis = scota astrictus, in Oorkdb. II, 
no. 507. 

3) Ik sluit mij hier aan bij de onderzoekingen van Zeumer, Die Deutschen Stadte- 
steuern in 12 und 13 Jabrhundert (Leipzig, 1878), en vooral bij Von Below, Die landstandische 
Yerfassung in Jülich und Berg (Düsseldorf, 1890), III, S. 5 ff., waar verdere literatuur is 
aangegeven. Het schot is dus niet als een „grundherrliche" maar als een „rein öffentliche 
Abgabe" te beschouwen. Mijne voorstelling in De Financiën van het graafschap Holland 
(Nijh. Bijdr. 3de Reeks, III, blz. 49 vlg.) dient daarnaar thans gewijzigd te worden. Ygl. 
Van Mieris, II, blz. 678 en III, blz. 81. 

4) Kluit, 1.1. IV, 97. Over de plichten van een „vrijman", vgl. Van Mieris, 1.1. 



33 

van de nieuwere. Het schot werd betaald in twee termijnen op 
de overoude betalingsdagen met Mei en Bamis (St. Bavo, i Oct.), lente- 
en herfstbede, door ieder dorp volgens vaste taxatie van schot- 
zetters I), die de som verdeelden over de boeren van het ambacht. 

Het schot was dus een aanzienlijke vaste bron van inkomsten voor 
den graaf, tegen welker afneming hij ernstig bezwaar moest hebben. Bij 
het oprichten van steden, het aan de inwoners van die plaatsen geven 
van bijzondere voorrechten, waaronder schotvrijheid een eerste rol 
speelde, kwam zijn belang in de knel ; hetzij die vrijheid, zooals 
te Leiden, werd toegekend zonder eenige verdere geldelijke ver- 
goeding, hetzij ze, zooals te Dordrecht, Haarlem, Delft en elders, 
voor een vaste of telkens bij minnelijke schikking vast te stellen 
som werd afgekocht. De oorspronkelijke bepaling in de Leidsche 
handvest, dat geen schotboortige burger mocht worden en de 
stadsvrijheid genieten zonder uitdrukkelijke toestemming van den 
graaf of zijn baljuw, moest blijkbaar ook in die richting dienen, 
al is zij kort daarna afgeschaft ^). 

Maar er was nog een andere kwestie, die zich hier weldra op- 
deed. Als een stedeling schotbaar land kocht, kon hij zich dan 
op zijn burgerschap beroepen en vrij blijven van het schot? Dit 
zou ten gevolge gehad hebben, dat bij de toeneming van den 
rijkdom der burgerijen en van den aankoop door burgers van 
land in den omtrek, de lasten der schotboortigen, die door de 
schotzetters telkens in de schotlijsten („chartae tributi") op- 
nieuw werden getaxeerd voor hun aandeel in het eenmaal vast- 
gestelde „burenschot" of „erfschot" van het ambacht, aanhoudend 
toenamen. Dit moest worden tegengegaan, even goed als de ver- 
mindering van het aantal schotboortigen in een ambacht door 
vertrek naar elders, waartoe zij gerechtigd waren. Reeds in 1234 
verklaart 3) Floris V aan de „gebuyren" van het naburige Hazers- 
woude, dat „alle huysluyden" die er land bezitten, „scot ende 
bede mit hen zullen ghelden" van hunne gronden „acker ackers 
ghelyke", ook al wonen zij buiten het ambacht. 

Was dit nog niet tegen burgers van Leiden gericht, de bepa- 
ling, die graaf Jan I in 1 300 te Hazerswoude maakte 4), dat schot- 
baar goed „eeuwelick" schotbaar zou blijven, aan wien het ook 
komt — „waer hy scotbaer, waer hy onscotbaer" — draagt reeds 



i) Vgl. mijne studie bovengenoemd, blz. 51. 

2) Zie boven, blz. 28. 

3) Oorkdb. II, no. 527. 

4) Van Mieris, II, blz. 10. 



34 

een ander karakter, al worden de poorters van Leiden in 1306 nog uit- 
drukkelijk van dien last ontheven ^). In het midden der 14de eeuw was 
de kwestie, hoewel hier en daar in het belang der landbevolking beslist, 
nog niet voorgoed uitgemaakt, al twijfelde de rechtsgeleerde Philips 
van Leyden niet aan de juistheid dezer beslissing ^). Zoo bepaalde 
dan ook hertog Albrecht in 1368 weder 3), dat „lant, dat scotbair 
was, doe die brieven 4) waren gegeven, scotbair bliven sal" en dit 
was wel degelijk tegen de Leidenaars gericht, die er zich aan 
moesten onderwerpen. De regeling van het omslaan van het schot 
ten platten lande leverde evenwel nog steeds bezwaren voor de 
Leidenaars op en de verantwoording daarvan moest, zoo werd in 
1384 bepaald 5), steeds ten overstaan van door het gerecht te Lei- 
den te zenden afgevaardigden plaats hebben. 

De moeilijkheden bleven hier en elders zeer lang aanhouden : in 
het laatst der 14^^ eeuw zag de landsheer zich genoodzaakt den 
landbouwers herhaaldelijk tegen de stedelingen te hulp te komen. 
Graaf Willem IV bepaalde zelfs in 1342, dat „elc huysman, die 
poirter wort, sal ghelden mijns heren jairbede ende herevairt", 
ter voorkoming van den achteruitgang zijner inkomsten en zijner 
oorlogsmacht, van zijn „outste recht ende outste heerlichede" ^), 
De regel, dat schotbaar land schotbaar blijven moest, werd intus- 
schen van het midden der 14^^ eeuw af tegenover burgers, ja tegen- 
over geestelijken en edelen of welgeborenen gehandhaafd 7^ en in 
de 16^^ en ly^^ algemeen als vaststaande aangenomen. 

In deze handvest zien wij voor het eerst gesproken van een hierbij 
niet ingesteld maar blijkbaar reeds bestaand stadsbestuur, uiter- 
aard een der eerste zaken, waaruit een afzonderlijk stedelijk bestaan 
blijkt, en daarom, in verband met het in het vorige hoofd- 
stuk gezegde, in oorsprong reeds in het begin der 13'^e eeuw te 
plaatsen. Dit stadsbestuur bestaat te Leiden uit den rechter en 8 
schepenen, beiden blijkbaar door den burggraaf aangesteld 8), en 



i) Ib. II, biz. 56. 

2) De cura reipubiicas, uitg. Fruin-Molhuysen, p. 86. 

3) Van Mieris, III, blz. 206. Het jaar is daar verkeerd aangegeven, zonder te letten 
op den Paaschstijl. 

4) D. i. een met Paschen te voren gegeven privilege. 

5) Van Mieris, III, blz. 411. 

6) Van Mieris, II, blz. 678. 

7) Kluit, IV, blz. 93, 100 vlg. 

8) Zeer duidelijk is dit niet in de handvest maar in de i4'i« eeuw heeft de burggraaf 
zonder twijfel dit recht. Van daar wordt Leiden soms oneigenlijk het „ambacht" van den 
burggraaf genoemd, aangezien hij er het „schoutambacht" bezit. 



35 

heeft het recht „keuren" voor de stad te maken, waaraan de 
burgers gehoorzaamheid verschuldigd zijn. 

Behalve dit bestuur vinden wij in de stad als met eenige 
bestuurs- of rechtsmacht bekleed nog den baljuw, die de verte- 
genwoordiger des graven in het „gemeene land" van Rijnland is. 
Eindelijk den burggraaf, die „assensum praebet" in het privilege 
en allerlei rechten heeft bezeten, waarvan wij in de handvest 
niet in het bijzonder hooren maar later de getuigenissen zullen 
ontmoeten ; hij oefent deze rechten uit door zijn eigen rechter of 
schout „judex castellani", „suus scultetus") ; de burggraaf oefent ook 
macht uit „in suo districtu extra oppidum", in zijn gebied, zijn „ghe- 
rechte" ^) buiten de stad, d. i. wel op den burcht en in de onmid- 
dellijke omgeving daarvan. 

De Leidsche handvest onderscheidt zich van die van andere Hol- 
landsche en Zeeuwsche steden uit de 13^^ eeuw: Middelburg, Zierikzee, 
Domburg, Westkapelle, Dordrecht, Geertruidenberg, Haarlem, Delft, 
's-Gravezande, door hare bijzondere beknoptheid op strafrechtelijk 
gebied. Wij kunnen moeilijk verklaren, hoe dat gekomen is, tenzij men 
als oorzaak mag aannemen, dat daar de reeds bestaande rechten van 
den burggraaf, in die andere steden niet aanwezig, moesten worden 
ontzien. Het Leidsche recht werd in 1272 mutatis mutandis als 
bijzonder gunstbetoon voor heer Nicolaas van Cats, toen heer der 
stad geworden, aan Gouda ^), later aan de nieuwe Gooische steden 
Muiden, Naarden en Weesp geschonken, toen deze uit de macht 
van den Utrechtschen bisschop en de abdis van Elten voorgoed 
in die van den Hollandschen graaf waren overgegaan. Leiden werd 
dus, zooals men later zou zeggen, de „moederstad' van deze steden, 
welker schepenen, ingeval zij „beladen sijn mit oirdelen ende mit 
vonnisse", d. i. daarmede verlegen staan, „hoir recht sullen haelen 
ende versoecken" van die van Leiden 3). Zoo was Dordrecht de 
moederstad van Schoonhoven, Delft van 's-Gravezande, Haarlem 
van Alkmaar, Monnikendam, Beverwijk, Edam, Enkhuizen, Hoorn, 
Broek op Langendijk en Texel, Utrecht van Amsterdam 4), enz. 
Men noemde dit halen van recht bij de schepenen eener bepaalde- 
lijk aangewezen stad „hofvaart", d. i. het gaan ten oppersten rechter. 



i) Register van graaf Florens, uitg. Muller, in Bijdr. en Meded. Hist. Gen. XXII, blz. 
185. Kalslagen kan hier moeilijk bedoeld zijn. 

2) Oorkdb. II, no. 237. 

3) Van Leeuwen, Costumen van Rijnland, blz. 270, 272. 

4) Vlg. Telling, in Aant. Prov. Utr. Gen. 1904, blz. 15; Van Hall, Stedelijke hand- 
vesten, in N. Bijdr. voor Rechtsgeleerdheid, 1857, blz. 553. 



Van waar Leiden zelf zijn recht had, is moeilijk te zeggen, daar 
wij de oudste rechten van de stad niet kennen. Waarschijnlijk wel 
van Dordrecht, de oudste der Hollandsche steden. Te Leiden ging 
men in zulke gevallen naar het Hof van Holland ^). 

Zoo nam dan Leiden in de I3<ie eeuw zijne plaats in in de rij 
der Hollandsche steden, die in deze en de volgende eeuw ont- 
stonden in den uithoek van het Duitsche rijk, waar de twee 
groote stroomingen op het gebied der middeleeuwsche stedenvor- 
ming elkander ontmoetten, die langs den Rijn en die over Frankrijk, 
de eerste over Gelre en Utrecht, de laatste over Vlaanderen hier- 
heen geleid. De Hollandsche steden herinneren aan beide typen; 
dat der Duitsche rivier- en landsteden, waarvan het in het Zutphen- 
sche stadrecht van 1190 heet, dat zij alle hetzelfde recht genieten ^), 
en dat der machtige Fransche „gemeenten" en der Vlaamsche 
„villae franchae" 3), met welker inrichting, zij het dan onder krach- 
tiger handhaving van het landsheerlijk gezag, de Zeeuwsche 4) en 
Hollandsche steden der 13^^ g^ 14^^ eeuw eveneens belangrijke 
punten van overeenkomst vertoonen. 

Het is niet vreemd, dat de Hollandsche graven, leenmannen van 
het Duitsche Rijk en als zoodanig met de instellingen van dat Rijk 
van nabij bekend, maar tevens door oude betrekkingen, vooral door 
het Zeeuwsche condominium van 1168 5) met de Vlaamsche toe- 
standen vertrouwd, heerschers in een gebied, dat èn van den Rijn 
èn van de Scheldemonden handelaars tot zich zag komen en in 
beide richtingen zijne inwoners handelsbetrekkingen zag aanknoopen, 
aan beide stroomingen van stedelijke ontwikkeling de stadsinstel- 
lingen in hun graafschap ontleenden. En zij deden dit uit vrijen 
wil, misschien zelfs uit weloverwogen staatkunde, niet zooals in Noord- 
Frankrijk de graven en groote heeren der ii^e en 12^^ eeuw onder 
gewelddadigen revolutionnairen druk der gemeenten zelf of na hevige 
opstanden tegen het landsheerlijk gezag, zooals in vele bisschops- 

ï) Leidsche Rechtsbr., biz. 283, vgl. 252,256, 288; Overvoorde, in Leidsch Jaarb.1909, blz. 49. 

2) Sloet, Oorkdb. van Gelre, I, no. 376: „ut civitas gaudeateadem libertate, qua liberior 
civitas ab illa parte montium usque ad mare fruitur'". Vgl. dat van Staveren van 100 
jaren vroeger. 

3) Vgl. daarover Pirenne, Geschichte Belgiens, I, S. 198 ff. De eigenaardige Noord- 
fransche ontwikkeling het best bij Luchaire, Les Communes Francaises (Paris, 1890); de 
Duitsche in het algemeen bij Hegel, Stadte und Gilden (2 Bde Leipzig, 1891), in populairen 
vorm bij Von Below, Das altere deutsche Stadtewesen und Bürgertum (Bielefeld und 
Leipzig, 1898). 

4) Middelburg wordt in 1250 bepaaldelijk als „villa francha" aangewezen (Oorkdb. 
I, no. 514). 

5) Vlg. mijne Geschiedenis, I, blz. 187. 



1>7 

steden, ook in Utrecht ; meer dus zooals de Vlaamsch-Hollandsche 
Robert de Fries en zijn opvolgers uit het latere gravenhuis in 
Vlaanderen, van wie vooral Philips van den Elzas in de eerste helft 
der I2de eeuw genoemd moet worden, langs den weg der vreed- 
zame verlenging van privileges volgens een soort van overeenkomst. 
Zij deden het echter gelijk de hertog van Brabant in zijn gebied, waar 
ook omstreeks 1200 de eerste steden opkwamen i), vrij laat en toen 
hun grondgebied reeds lang eenige beteekenis had verkregen. Behalve de 
Vlaamsche steden der 1 2^^ eeuw 2) waren in deze streken Tiel, Utrecht, 
Stavoren en plaatsen als Groningen, Deventer, Nijmegen reeds voorge- 
gaan op den weg der stedelijke ontwikkeling. Deze heeft in Holland, 
ditmaal anders dan in Vlaanderen en Brabant, ook verder een over 
het geheel vreedzaam en regelmatig verloop gehad, samengaand 
met de maatschappelijke ontwikkeling van het geheele graafschap, 
dat geroepen was op den duur den toon aan te geven in het gansche 
Noorden. En al kunnen wij niet zoover gaan, dat wij ook in dat 
opzicht de Hollandsche staatsrechtelijke toestanden eenvoudig als 
een zwakke reproductie der Vlaamsche zouden willen beschouwen 3), 
toch ligt invloed van Vlaanderen over Zeeland op Holland bij de 
stedestichting zoo voor de hand, dat wij geen bezwaar mogen 
hebben dezen aan te nemen, zij het dan niet uitsluitend. 

Het is ons in het algemeen niet duidelijk, wat den graaf in 
ieder bijzonder geval bewoog juist op dit of dat tijdstip aan eene 
plaats zekere voorrechten te verkenen, tenzij in gevallen als dat 
van Gouda, waarbij aan heer Nicolaas van Cats „om sonderling 
getrouwen dienst, dien hy ons gedaen heeft ende noch doen mach" 
voor de hem geschonken „vryheyt tot ter Goude" zekere rechten 
door den graaf worden toegestaan. Het is, bij wat ons is over- 
geleverd aangaande de gezindheid van graaf Floris V en zijn 
voorgangers Willem II en Willem I, niet ondenkbaar, dat wij hier 
te doen hebben met een beginsel van staatkunde, dat hun voor- 
schreef steun te zoeken bij de lagere bevolking tegenover den hun 
boven het hoofd groeienden adel, maar dit blijft vooralsnog een 
onderstelling van geschiedschrijvers en staatkundigen uit lateren tijd 4). 

i) Vgl. Pirenne, Geschichte Belgiens, I, S. 220. 

2) Ib. I, S. 213 ff. 

3) Ib. I, S. 134. 

4) Men kan het b.v. van den 12-jarigen Floris voor Leiden moeilijk aannemen, evenmin 
als in vele gevallen ook van Willem II. die evenwel later aan den Rijn blijk gaf van 
inzicht in zijn belang bij het begunstigen van stedelijke ontwikkeling. Van hunne voor- 
gangers weten wij veel te weinig om iets dergelijks te mogen onderstellen. 



38 

Veeleer echter is de onderstelling te verdedigen, dat de 
verheffing tot stad meestal geschiedde op aanvraag der bewoners 
eener plaats zelve, begeerig om bij de toeneming der beteekenis 
hunner buurtschap of van hun dorp zich los te maken van het 
omliggende platteland en eigen economische behoeften naar eigen 
inzichten te kunnen bevredigen, eigen zaken te kunnen besturen. 
De omstandigheid, dat de rechten in het algemeen slechts 
plachten te gelden zoolang de graaf, die ze geschonken had, leefde, 
en dat ze van zijn opvolgers opnieuw moesten bedongen worden 
tegen een in de handvest vooraf bepaalde recognitie — voor Leiden 
een vat wijns — terwijl wij van verdere rechten uit de 14^^ en 
15de eeuw weten, dat zij telkens stuk voor stuk met geld moesten 
betaald worden ^), geeft aanleiding tot de onderstelling, dat zij ook 
oorspronkelijk van de steeds aan geldelijke zorgen lijdende lands- 
heeren niet als eenvoudig gunstbewijs, maar bij koop, door betaling 
zijn verkregen, al had deze koop plaats onder den vorm van een vor- 
stelijk gunstbewijs. 

De bevestiging der stedelijke voorrechten door den opvolger had bij 
of in verband met zijne huldiging plaats, maar in de onzekere tijden der 
14de eeuw soms bovendien ook nog in den loop eener regeering zelve. 

De voorrechten, privileges, handvesten — dit laatste is de gewone 
HoUandsche naam — waren voor de stedelingen van het uiterste 
belang en dezen droegen er dus de noodige zorg voor, dat zij niet 
verloren gingen of schade leden door verlies van het grafelijke of 
de verdere zegels, die er kracht aan moesten geven en zonder welke 
zij niet geldig waren 2). Wel waren er in de grafelijke kanselarij 
in registers overgenomen kopieën aanwezig, maar deze waren niet 
altijd nauwkeurig, noch gemakkelijk te raadplegen 3). Van daar 
groote bezorgdheid der stedelingen voor hunne kostbare origineelen, 
die niet licht uit de handen weerden gegeven. In geval van ver- 

i) Vandaar het in 1351 door Leiden bedongen privilege, dat als handvesten „verout 
ofte verdonkert waeren of by ongevallen verloren worden", de graaf ze den burgers 
„buyten horen costen" zou vernieuwen, als zij met goede getuigen konden bewijzen ze 
gehad te hebben (Van Mieris II, blz. 838). Het Leidsche Stedeboek ;fol. 260) maakt in 1395 
melding van de betaling van 100 Dordr. guldens voor een privilege. Vgl. Ter Gouw, Amster- 
dam, I, blz. 237 over een omslag tot betaling van een in 1344 verkregen privilege; vgl. 
ook de bij Verdam i. v. port aangehaalde plaats uit de Teestye, vs. 1090: „de rade van den 
steden syn al vol behendicheden ende trecken haer stede also voort, datsi een stat maken 
van eenre poort ende copen henselven also vry jeghen den her e, sodat si 
machtich sijn ende vermoghen end hebben den heren ontoghen hare macht also vele, 
dat hen dicke gaet uten spele". 

2) Thans zijn vele zegels niet meer aanwezig. 

3) Soutendam, Keuren en Ordonnantiën van Delft, blz. 232; Van Riemsdijk, De regis- 
ters der grafelijkheid, in Versl. en Meded. Kon. Akad. 3de Reeks, VII, blz. 124 vlg. 



39 

nietiging door brand — zooals in 1338 te Dordrecht plaats had ï) 
— of van ander „ongeval", ook als zij „verout ofte verdonkert" wa- 
ren 2), werden zij aanstonds zoo zorgvuldig mogelijk met behulp van 
genoemde kanselarijkopieën of anders van goede getuigen her- 
steld, hetgeen weder met betaling aan den graaf gepaard moest 
gaan, vooral wanneer die kopieën eenige afwijking van het verloren 
gegane origineel bleken te bevatten. Men mag wel aannemen, dat 
ook te Leiden, waar de origineelen van de handvesten van 1266 
en 1306, gelijk van vroegere, zijn verloren gegaan en deze 
slechts in afschrift in latere „privilegieboeken" bewaard bleven, voor 
het behoud van deze stukken, grondslag van het gansche stedelijk 
bestaan, zorg werd gedragen door ze te bewaren op veilige plaat- 
sen ; en dit hetzij in de Pieterskerk, zeker een der eerste steenen, tegen 
brandgevaar en diefstal eenigszins gewaarborgde gebouwen, nog 
in de 16^^ eeuw bewaarplaats van de oude charters, hetzij elders, 
b. V. ten stadhuize zelf, onder behoorlijk toezicht van het stads- 
bestuur, dat voor de hoogste stadsbelangen had te waken. 

En dat dit bestuur daarvoor waakte, bleek bij het toekennen van 
latere privileges. Als Jan II, de eerste Henegouwer, in December 
1299 van stad tot stad „voer harentaer 3)" om zich te laten hul- 
digen „na 's lands recht als men pleghet" en „na den seden" en 
overal de privileges bevestigt, „die si bescreven hebben ende be- 
segelt van onsen voirsaten", zal hij ook te Leiden dit den 23^*^11 
hebben gedaan, al bezitten wij van dien datum alleen nog maar 
de acte van huldiging en dan nog maar in afschrift 4^. Een jaar later 
moet de regeering der stad zich in bijzondere omstandigheden 
laten welgevallen, dat tegen de privileges namens den graaf door 
zijn rechters een „wairheyt", een gerechtelijk onderzoek, in de stad 
wordt gehouden naar alle misdadigers, die er iets bedreven hadden 
tusschen 1 1 Nov. en Midwinter (Kerstmis), doch met de bepaling, 
dat de stad, „na desen tijt voirsz. in al haren rechten bleven 
sal S)". Als zijn opvolger, graaf Willem III, in October 1304 op 
zijn beurt zijn huldigingstocht doet, erkent ook hij de oude pri- 
vileges der stad, maar wederom „also verre alsi betoghen 
moghen ^V', voorzoover zij die kunnen vertoonen. 



i) Van Mieris II, blz. 603. 

2) Vgl. Van Riemsdijk, Tresorie en kanselarij der graven van H. en Z., blz. 75. 

3) Van Mieris, II, blz. i vlg. ; Melis Stoke, uitg. Brill, II, blz. 135. 

4) Van Mieris, 1. 1. blz. 3. 

5) Oork. Leiden, 11 Nov. 1300 (Van Mieris, II, blz. 17). Zie Fruin in Verspr. Geschriften, 
VI, blz. 307. 

6) Oork. Leiden, 26 Oct. 1304. Vgl. Van Mieris II, blz. 44. 



40 

Anderhalfjaar later (i Mei 1306), als de groote Vlaamsche in- 
val onder leiding van den graaf zelven en zijn bastaardneef Witte 
van Haemstede pas gelukkig is gekeerd, vernieuwt Willem III de 
Leidsche privileges ^), maar nu met het uitdrukkelijke beding, 
„alsoe varre als si hierna bescreven staen", met weglating, „bi 
rade onser edelre luden ende onser huusghenooten", van „enige 
pointe", die „niet oerbaerlic (nuttig of dienstig) en waren" en 
thans door andere, „die hem nutte ende oerbaerlike sijn", worden 
vervangen. De vrijdom van lasten behalve de bottinge blijft; zoo 
ook de afkoop van de lasten in de „casus feodales" met 10 pond; 
ook de 25 man bij heervaart te leveren, met deze beperking, dat 
behalve de heer zelf ook de „maerscalc van den here" — zijn 
plaatsvervanger — hen in het leger kan ontvangen ; ook de vrij- 
dom van grafelijke tollen blijft evenals de vredebepaling, die om- 
trent aan de haren trekken („of mitte vuste sloege"), met stok 
of knods slaan, enz. en de huisvredebreuk. Afwijkend is de be- 
paling, dat ieder inwonend „poerter" — en men kan dit voortaan 
worden zonder 's graven tusschenkomst, tegen 40 schellingen aan 
den burggraaf en de schepenen, ieder de helft — vrij 
zal zijn van schot 2) ; als een vreemdeling een poorter „aneworde 
of anevochte mit ghe welde ofte mit onrechte", mocht ieder poor- 
ter, zoo dit geweld door twee schepenen of twee wettige getuigen 
kon bewezen worden, zijn medepoorter helpen. Dan volgen de oude 
bepalingen omtrent „doetslaghe, roeve, dieften" of andere „swaren 
berofte ofte valscheden", over verbod van gerechtelij ken kamp, over 
„onnutte" schepenen 3^. Verder zou een poorter voortaan alleen 
door zijne schepenen gevonnist mogen worden, in welke zaak ook, 
wat in andere steden reeds lang was toegestaan 4) en van veel ge- 
wicht mocht heeten. Belangrijk was ook de nieuwe bepaling, dat 
bij vervallen schuld, aan een Leidschen poorter te betalen door 
een inwoner van Rijnland, den schuldeischer het „panden" van den 
schuldenaar, d. i. het inbezitnemen van zijn eigendom, gemakke- 
lijk werd gemaakt en de Rijnlander „overdwersnacht'', d. i. binnen 
twee dasren. berecht zou worden van de schuld, met hulp van den 
baljuw en diens boden, als de man binnen Leiden kwam, of van den 
ambachtsheer en diens schout, als hij in zijn eigen ambacht voor 



i) Van Mieris, II, blz. 55. 

2) Zie boven, blz. 32. 

3) De rechtdag, die te Leiden op Zaterdag was, werd in Juli 1303 op Dinsdag ver- 
plaatst (Van Mieris, II, blz. 32). 

4) Vgl. de handvesten van Haarlem, Dordrecht, Middelburg. 



41 

de schuld werd aangesproken. Het recht van keuren maken werd 
bevestigd evenals de belofte van bij den dood van meester 
Gerard ï) twee priesters te zullen aanstellen „te Goeds eren ende 
ter prochien salichede te berechten". 

Eindelijk werden aan Leiden uitdrukkelijk „alsulke vriheden ende 
ghewoonten van marctrechten te houden" gelaten, „als si hier 
voermaels ghehadt hebben ende betoeghen moghen." Dit kan moei- 
lijk slaan op de bijzondere jaarmarkt, die in 1303 2) doorgraaf Jan 
aan Leiden was toegestaan, maar moet betrekking hebben op de 
gewone marktrechten, zonder welke wij ons de opkomst der plaats 
moeilijk kunnen denken, al kunnen wij niet zeggen, wanneer zij 
verkregen zijn; vermoedelijk is dit al lang vóór 1266 het geval 
geweest, daar het toevoegsel op de groote handvest van dat jaar 
reeds op markt verkeer van niet-burgers in de stad wijst, gelijk de 
handvest zelve van het verkeer dezer laatsten in de stad melding 
maakt en dit in 1 306 het geval is met de bepaling omtrent geld- 
schulden van Rijnlanders aan stedelingen. 

Deze weder door 's graven voornaamste raadslieden, „bi welker 
rade wi toe ter tide wrochten en ons berieden", o. a. door den 
burggraaf, bezegelde voorrechten werden in 13 16 3) en na zijn 
dood in 1338 door graaf Willem IV bevestigd 4). Hetzelfde deed 
keizerin Margaretha, als opvolgster van haren broeder, bij hare hul- 
diging einde Mei 1 346 s) ; kort daarna liet zij de bevestiging 
volgen door een kleine vermeerdering met het recht, dat wie zijn 
leven verbeurt, slechts de helft van zijn „eygelic goet" en geen 
leengoed zal verbeuren ^). Hetzelfde deed ook haar zoon, hertog 
Willem, bij zijn huldiging in December 135 1, met erkenning van 
alles, wat de Leidenaars „in recht en in costuymen tot haer toe 
gebracht hebben" 7). Dit laatste was vooral van beteekenis, omdat 
èn Margaretha èn haar zoon in die onrustige tijden van het begin der 
woelingen, die men de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten noemt ^), 



i) Die in 1304 „wylen" genoemd wordt, dus zeker al dood was — weder een 
bewijs van de onnauwkeurigheid der middeleeuwsche bepalingen. 

2) Van Mieris, II, blz. 32. 

3) Van Mieris, II, blz. 148, vergist zich weder met den Paaschstijl. 

4) Ib. blz. 609. 

5) Ib. blz. 716. Algemeene bevestiging door haar gemaal, keizer Lodewijk, 7 Sept. Zij 
erkende in het bijzonder nog den tolvrijdom. 

6) Ib. blz. 717. 

7) Ib. blz. 808. 

8) Vgl. mijne Geschiedenis, II, blz. 86 vlg. Talrijke privilegiën zijn vooral uitgegeven 
in het voorjaar van 1346, tijdens de tijdelijke bewindvoering van Jan van Beaumont : Van 
Mieris, II, blz. 708 vlg. 



42 



hun belang hadden gezien in aanzienlijke vermeerdering der 
rechten van stad en land tegenover de grafelijkheid, hetzij om 
de gunst der onderzaten in het algemeen ieder voor zich en de 
zijnen te winnen, hetzij in verband met aanzienlijke geldleeningen 
en andere diensten, in dezen tijd door de vermogende burgerijen, 
ook te Leiden, gewaarborgd of gegeven ^). Zoo had Margaretha de 
„vryheyt" der stad met 200 Rijnlandsche roeden breedte „alomme 
gaende" vergroot, mits de aangrenzende ambachtsheeren hierin 
toestemden 2^. Zoo reorganiseerde hertog Willem in 135 1 het 
stadsbestuur en stelde de stad in het bezit van allerlei oorspronke- 
lijk den graaf toekomende, maar reeds lang in het feitelijk bezit 
der stad zijnde inkomsten en rechten 3), gelijk hij ook elders had 
gedaan. 

Zoo aanzienlijk waren deze rechten en inkomsten, dat de vorste- 
lijke macht er ernstig door scheen te worden verminderd. Zoodra 
de vorst dan ook door de verzoening met zijne moeder (1354) 
zijne heerschappij buiten gevaar achtte, besloot hij op een en ander 
terug te komen, want er waren rechten, waarvan de vorst in het 
algemeen belang zich niet mocht ontdoen — zoo leerden zijne juri- 
dische raadgevers 4), niet zonder recht of reden, in het bijzonder 
betreffende de stedelijke privileges. En reeds onder Margaretha 
had deze zelve erkend, dat zij „om faute (d. i. ontstentenis) van 
onse register ende omme sommen lude aenebrenghen ende bede 
wille, die ons op die tijt so vaste anslaghen, dat wy se moylic 
wederseghen mochte ende ons oic niemand en zeghede noch en 
maende van onsen voersz. brieven ende hantvesten, een deel over- 
grepen" had 5), hetgeen wijst op groote verwarring in dit op- 
zicht tijdens de moeilijkheden na den dood van Willem IV, 
met name in het privilegerijke voorjaar van 1346. 

In het voorjaar van 1355 reisde hij, in verband blijkbaar met 
het herstel der ernstig geschokte orde van zaken, het graafschap 
rond, bevestigde overal de door graaf Willem IV, „onsen lieven 
oem, die totten Vriesen bleef," en diens voorgangers geschonken 
rechten en vermeerderde deze zelfs. Maar hij deed zich tevens de door 
zijne moeder en hemzelven in den tijd van onrust en gevaar ge- 
schonken brieven en handvesten onder regeling der aangegane 



i) Vgl. Van Mieris, II, blz. 757, 758, 795, 796. 

2) Ib. II, blz. 741. 

3) Ib. blz. 796, 807. Vgl. blz. 804. 

4) Phil. de Leydis, 1.1. cas. I, 9; VI, 10; XVII, 9. Vgl. Fruin, Verspr. Geschr. I, blz. 
'35 vlg. Ook de Consultatio bij Van Mieris, III, blz. 407, van iets later tijd. 

5) Van Mieris, II, blz. 739; Vgl. Van Riemsdijk, 1.1. 



43 

geldelijke verplichtingen teruggeven ; ^) door Leiden werd in het 
bijzonder afstand gedaan van het recht om „landpoerters" te 
hebben, d, i. buitensteeds wonende burgers, die het volle recht 
van burgerschap behielden. 

Deze zaak had reeds onder Willem IV tot bezwaren aanleiding 
gegeven en was door dezen in 1342 voor geheel Holland ver- 
boden met de bepaling '^), „dat elc poerter mit alre woensten 
wone binnen der poerte, dair hi poerter es, jof dat hi sijns poerts- 
rechts quite wese". Nog een halve eeuw later (141 1) hield Willem VI 
de hand 3) aan dit verbod, dat met het betalen van lasten door 
burgers voor hunne eigendommen buiten de stad, in het bijzonder 
met de schotkwestie in nauw verband stond 4), want de praktijk 
was dikwijls anders dan de voorschriften zouden doen vermoeden. 
De aanschrijving van hertog Willem VI aan „menigherhande" 
personen , buten onser steden", die „zich vermeten poirteren te 
wesen", om met de „bueren" ten platten lande de lasten te dee- 
len, staat blijkbaar in verband met de aanteekening in het poor- 
terboek ad 1410, dat de grafelijke Raad „daghelix grote worde" 
had over het feit, dat zoovele poorters „buten souden sitten", 
waarom het gerecht besloot aan 75 met name genoemde personen 
het poortrecht te ontnemen en met St. Margriet (13 Juli) 1410 een keur 
uit te vaardigen, waarbij zy, „die poirter sien ende buten sitten 
up diensten, die sy voeren", verplicht werden met de stedelingen 
de lasten te betalen 5). Willem VI verbood in 141 1 zelfs voor drie 
jaren het opnemen van poorters door de steden van het graaf- 
schap op verbeurte van al het goed van hen, die zich als zoo- 
danig deden inschrijven. Maar veel hielp dit niet, zooals uit de 
poorterboeken der volgende jaren blijkt: men bleef poorters op- 
nemen, afkomstig uit de dorpen, al is het aantal der opgenomenen 
werkelijk in die jaren iets geringer geweest. In 1433 werd we- 
derom het hebben van buitenpoorters verboden. Toch had de 
stad Dordrecht b.v. er in 1365/6 een aanzienlijk getal en 
bleef deze houden ; ook andere steden, die zich intusschen, 
evenals Leiden, na 1355 alleen konden beroepen op het 



i) Voor Leiden: Van Mieris, II, blz. 838, dd. 6 en 7 Mei 1355; blz. 840, dd. 15 Mei, 
schuldregeling. 

2) Van Mieris, II, blz. 671. 

3) Van Mieris, IV, blz. 176. Vgl. Kluit, Holl. Staatsreg. IV, blz. 153/4; Van de Wall, 
Handv. van Dordrecht, blz. 254, 354 vlg., 365, 398, 413, 431, 451. 

4) Zie boven, blz. 33. 

5) Poorterboek A, ingelegd blad. 



44 

reeds in de 13de eeuw hier en daar den stedelingen toegestane 
recht om zich gedurende zes weken in de lente en zes weken in den 
oogsttijd tot het uitoefenen van landbouwbedrijf metterwoon op 
het platteland te vestigen ^). 

Hertog Albrecht, die als ruwaard voor zijn krankzinnigen broe- 
der reeds in 13582) „alle goede costumen ende rechten" erkend 
had, ook te Leiden, de hoofdstad van Rijnland, bevestigde in den 
gewonen vorm de privileges, toen hij zelf rechtens als landsheer 
was opgetreden 3), en vermeerderde ze nu en dan. Zoo deden ook 
telkens bij de huldiging zijn opvolgers uit de huizen van Beieren, 
Bourgondië en Oostenrijk, wier oorkonden te dien einde, meestal 
zeer goed bewaard, nog in het stedelijk archief aanwezig zijn 4). 

Van algeheele intrekking der privileges is te Leiden maar een- 
maal sprake geweest, namelijk in 1393, toen een heftige gilde- 
beweging, gepaard met verzet tegen hertog Albrechts naar de stad 
gezonden raadslieden, daar was ontstaan. De twist eindigde door 
tusschenkomst van de andere steden intusschen reeds na eene 
maand door een schikking, waarbij de volgens hertogelijk vonnis 
rechteloos geworden stad hare rechten terug ontving s). En spoedig 
daarop kreeg zij weder van den hertog het belangrijke privilege, dat 
de door het gerecht uit de stad verbannenen ook uit het geheele 
gebied des hertogen verbannen geacht zou worden 0). Gedeeltelijke 
intrekking had, onder dergelijke omstandigheden als tijdens Willem V, 
ook plaats na de onrustige dagen van Jacoba van Beieren, toen 
wederom allerlei rechten waren geschonken, die haren oom, hertog 
Jan, later niet in het algemeen belang schenen te zijn. 

Met dat al namen in den loop der tijden de privileges der stad aan- 
zienlijk toe. Vooral de groote voorrechtsbrief, dien Philips de Goede den 
24sten Juli 1^24 aan Leiden gaf 7), mag in dit opzicht naast die van 
Floris V en Willem III genoemd worden. Hij vernietigde voor- 
goed de rechtsmacht van den burggraaf, die reeds tijdens Willem V 8) 
maar vooral sedert 1420, toen Jan van Beieren het burggraafschap 

i) Zie o.a. Oorkdb. II, blz. 109 (1273), voor Vlaardingen. 

2) Van Mieris, III, blz. 42/3. 

3) Ib. blz. 581 (1391). Op blz. 567 een blijkbaar verkeerd jaartal voor dezelfde oorkonde. 

4) Ib. IV, blz. 2 (Willem VI, 1405); blz. 384 (Jacoba, 14161 ; blz. 481 (Jan van Brabant, 
1418); blz. 811 en 813 (Philips, ruwaard, 1425); blz. 1048 (Philips graaf, 1434) ; Van Mieris, 
Handvesten, blz. 53, vlg. (Karel, 146S; Maria, 1477; Maximiliaan, 1478 ; Philips de Schoone 
1494; Karel, 1515; Philips III, 1549). 

5) Van Mieris, IV, blz. 595. 

6) Ib. blz. 597. 

7) Van Mieris, IV, blz. 1043 

8) Ib. II. blz. 23. 



45 

met geweld aan de grafelijkheid had getrokken, zijn oude rechten 
en inkomsten zeer had zien besnoeien ; schout en schepenen, voor- 
taan alleen door de grafelijkheid aan te stellen, zullen met burge- 
meesters v^oortaan de overige stadsambten mogen bezetten; de 
schout, in het bezit gesteld der „roede", het teeken der opperste 
rechtsmacht, der „kennesse'', zal niet alleen de civiele maar ook de 
crimineele rechtspraak „van den hoogsten" met schepenen mogen 
uitoefenen, wat een volkomen losmaking beteekent van den band 
met Rijnland, aan welks baljuw — en niet aan den burggraaf der 
stad, die nooit hooge jurisdictie als zoodanig heeft bezeten ^) — tot 
nog toe de hooge jurisdictie ook over de stedelingen was voor- 
behouden ; schout en schepenen zullen het recht hebben van uit- 
banning uit Leiden, Rijnland, Den Haag en Haagambacht. Behalve 
de bevestiging ^) der oude privileges, die de stad „verworven, ge- 
koft of verkregen" mocht hebben van de vroegere graven, van 
Jan van Beieren en hemzelven, verkreeg zij nog in 1449 3) de in- 
stelling eener vroedschap, de „Veertigen", belast met de nominatie 
der schepenen voor de keuze, die de vorst daaruit zou doen. 

Op deze wijze werd de stad steeds scherper afgescheiden van het 
haar omgevende platteland, door de vermeerdering harer privileges 
steeds verder gaande op den weg der zelfstandigheid, dien zij sedert het 
begin der 13 <^e eeuw was ingeslagen. Zij verkreeg meer en meer een 
zoo groote zelfstandigheid, dat deze haar nu en dan moest doen 
voorkomen als een staat in den staat. Mag men haar oorspron- 
kelijk aanmerken als een nieuwen tak aan den boom van het 
middeleeuwsche leenverband, zoodat hare burgers gezamenlijk tot 
den vorst in de verhouding stonden als een leenman, bij de wor- 
ding van de moderne monarchale inrichting in den bourgondischen 
tijd krijgt zij een veel zelfstandiger karakter, dat haar nog meer 
dan vroeger verheft boven het omliggende platteland. 

Die privileges gaven aan Leiden het volle recht op de erken- 
ning als een der vier oude „goede" steden van Holland, naast 
Dordrecht, Haarlem en Delft. En de omstandigheid, dat zij, in 
onderscheiding van die drie, een burggraaf had, bracht 
daarin geen verandering; want die burggraaf was volstrekt geen 



i) Vgl. Rietschel l.l. over deze bevoegdheid van sommige Duitsche burggraven, de hoofd- 
zaak van zijn onderzoek. 

2) Van Mieris, IV, blz. 1048, dd. 27 Juli 1434. 

3) Van Mieris, Handvesten, blz. 126. 



46 

ambachtsheer ^) binnen haar gebied, al had hij er sommige rech- 
ten, die elders den ambachtsheer toekwamen. Zij mocht zich in 
de eerste helft der 14^^^ eeuw tegenover rechtuit „heerlijke" steden, 
als Gouda en Schiedam, beroemen op het feit, dat zij, al had zij 
den burggraaf in sommige opzichten medezeggenschap in haar 
bestuur te gunnen, alleen den graaf, den landsheer, boven zich 
erkende; van dezen alleen verkreeg zij hare privileges, zij het 
dan ook dat haar burggraaf in 1266 om zijne toestemming daarin 
was aangezocht en dat zij bij uitbreiding harer rechten steeds 
op de zijne had te letten. 

Met trots zagen de burgers der stad op hunne privileges, voor 
een goed deel betaald met hun eigen penningen, zij het dan 
dat die rechten niet waren ontstaan door wederzijdsche verdragen, 
integendeel nog altijd afhankelijk waren van „'s graven hoogheid" ; 
zij waren immers gegeven met voorbehoud van 's graven onaan- 
tastbare souvereine rechten ^), waarom het tot het einde der 
grafelijke regeering noodig was, dat zij bij iedere nieuwe huldiging 
werden bevestigd. Intusschen was de erkenning dier privileges in 
het algemeen door den nieuwen landsheer reeds in de 14^^ eeuw 
zoo goed als onafscheidelijk geworden van de daad zijner huldiging 
en werd feitelijk als daarmede samenhangend opgevat; weinig 
juristen twijfelden er ook in de 15^^^ eeuw aan, dat de vorst, ten 
minste in theorie, het recht bezat om ze in het algemeen belang in 
te trekken. V andaar dan ook, dat een nieuwe vorst bij de huldiging 
en de daarmede gepaard gaande erkenning der privilegiën zich bij 
die gelegenheid een aanzienlijke geldsom in verband met deze 
laatste liet betalen. Zoo deed hertog Albrecht in 1389, Willem VI 
bij de huldiging van zijn dochter in 1416 en hertog Philps bij 
zijn huldiging in 1427, toen hij daarvoor niet minder dan 75000 
schilden van de onderdanen bedong 3). 

Doch wat bekommerde zich de 15de eeuwsche burger om die 
juridische opvattingen ! Hadden hij en zijne vaderen niet langer 
dan drie eeuwen geleefd in het genot van die kostbare vrijheden, 
hun geschonken voor hun goede geld of, zooals in menig privilege 
stond uitgedrukt, in ieder geval „om goeder dienst" aan den vorst 
bewezen? Was zijn gansche leven, alles wat hem van den gemin- 
achten boer ten platten lande onderscheidde, niet met die privi- 



i) Zie boven, blz. 34. 

2) Kluit, IV, blz. 163,219, 220, 229, 240, 433, 447. Vgl. Fruin, Staatsinstellingen blz. 38 vlg. 

3) Vgl. de lijst achter mijne studie over de Financiën van het graafschap Holland, in 
Bijdr. voor vaderl. gesch. 3de R., II, blz. 130, Bijl. 



47 

leges als saamgeweven ? Moest hij niet in de verbinding van 
huldiging en erkenning van privileges een oorzakelijk verband zien, 
dat de eerste afhankelijk maakte van de laatste? Had hij niet 
gehoord van de Brabantsche „Blyde Inkomste", waarin zulk een 
verhouding duidelijk stond uitgedrukt, van dien grooten voorrechts- 
brief uit de 14de eeuw, het voorbeeld, het ideaal, waarnaar alle 
de Nederlanden het oog richtten? Hij was er aan gehecht zooals 
hij gehecht was aan zijne stad zelve, aan huis en haard, aan vrouw 
en kind. Zij hoorden hem van rechtswege toe, meende hij, die 
veel beminde privileges. Hij was bereid, gelijk eenmaal de Vlaam- 
sche burgerijen, voor dat erfgoed zijner vaderen te strijden, goed 
en bloed te wagen ^) en hij zou eenmaal en andermaal in de ge- 
legenheid komen om die bereidwilligheid metterdaad te toonen. 



i) Over de beteekenis der privileges bij het ontstaan van den krijg tegen Spanje, vgl. 
Fruin, in Verspr. Geschr. I, blz. 273. 



HOOFDSTUK III. 

OUD-LeIDEN in de 14de EEUW. 

Het stadje, dat in de 1^'^^ eeuw nabij hof en burcht des Graven 
aan den water-driesprong bij de oude Rijnbrug ontstond, kan moei- 
lijk meer dan een honderd of wat inwoners geteld hebben ; vooral 
wanneer men eraan denkt, dat nog diep in de 14^^ eeuw het stads- 
gebied een aantal voor landelijk bedrijf ingerichte erven en vrij 
groote nog onbebouwde stukken gronds omvatte, is dat getal niet 
hooger te schatten. 

De eerzame burgemeester Orlers, die omstreeks 161 o voor zijn 
bekend boek ijverig gebruik maakte van de nagelaten aanteeke- 
ningen van zijn oom, Jan van Hout, den kundigen en in de studie 
van Leiden's oudheid weiervaren stadssecretaris van het einde der 
ló^e eeuw ^), stelt eene eerste vergrooting van het stadje op „om- 
trent'' 12942^. Hij komt hiertoe op grond van mededeelingen ook 
van „eenige oudt burgers", die vertelden, dat door de woelingen 
in Vlaanderen uit hunne woonplaats verdreven bewoners van Yperen 
toen die stad hadden verlaten en zich hier gevestigd hadden. 
Onmogelijk is dit volstrekt niet. Floris V reeds toch trachtte 
„alle deghenen die wullewerck connen wercken j of dies hem onder- 
winden te doen wercken" 3), voornamelijk wel uit het toen reeds 
woelige Vlaanderen, in 1278 naar zijn gebied te lokken, door hun vrij- 
dom van tol voor hunne lakens en van heervaart te beloven. Zoo 
had Dordrecht in 12764) wevers, ververs en andere bij het wolwerk 



i) Vgl. over hem Prinsen, Jan van Hout (Amst. 1908). 

2) Orlers, Beschrijving van Leiden, blz. 42; vgl. Posthumus, Geschiedenis der Le idsche 
lakenindustrie, I, blz. 41 vlg. 

3) Oorkdb. II, no. 355. 

4) Oorkdb. II, no. 317. 



49 

bruikbare handwerkslieden door vrijdom van lasten gelokt. De 
Vlaamsche industrie-steden, toen reeds als zoodanig zeer belangrijk, 
verkeerden werkelijk omstreeks 1280 in een toestand van bedenke- 
lijke gisting, ja zelfs van oproer, met name ook Yperen i), waar 
een vreeselijk straatoproer ontstond 2), de beruchte „Kokerulle". 
De overlevering kan in het algemeen wel als gegrond worden 
aangenomen, al is de zaak niet aan een bepaalde periode te 
binden. Het is zeer goed mogelijk, dat het graven van de „duae 
fossae novae" aan de zuidzijde van het burchtkasteel, tusschen 
welke en den burcht in 13 14 een nieuwe kapel gesticht werd „in 
insulis Reni" 3), werkelijk met die oorzaak van toeneming van be- 
volking in verband staat; wij vinden eerst tegen het midden der 
eeuw (1341) „Weversteghe" 4), „Weversbrugge", maar vroeger (13 16) 
„Volresgraft" 5) en dan nog binnen de grenzen der oude stad 
genoemd ; een sterke achteruitgang van bevolking te Yperen en belang- 
rijke emigratie der arbeiders aldaar valt echter eerst in later tijd 6). 

In de 14^^^ eeuw zien wij de oude stad, welker gebied wij in 
het eerste hoofdstuk tusschen den Rijn en de stadsgracht (Rapen- 
burg) 7) bepaalden, in vier „vierendeelen" 8) verdeeld, die genoemd 
worden naar betrekkelijk voorname gebouwen en samenkomen bij den 
„blawen stien", die, op het kruispunt van de oudste straten gelegen, 
als het middelpunt der stad gold, waar nog vele jaren later plech- 
tige rechtshandelingen 9), als executies en ontpoortering, plaats 
vonden. Daar kruisten elkander de blijkbaar aloude weg op den 
Rijndijk, nu de „Grote straet" ^o) geheeten, de „Brugge- ofMairs- 
manstrate" ") naar de „antiqua pons" ^^) over den Rijn en de 

i) Pirenne, I, S. 422. 

2) Warnkönig, Histoire de la ville d'Ypres, p. 381 suiv.; Vandenpeereboom, Ypriana, 
IV, p. 88 suiv. 

3) Oork. Hoogl. Kerk (1314). 

4) Posthumus, blz. 38, noot 5. 

5) Ib. noot 3. 

6) In 1328 b.v. (Vandenpeereboom, IV, p. 289); maar de ballingen gaan dan naar 
Frankrijk! Van tijdelijke verwijdering van arbeiders is in de 14de eeuw daar telkens sprake, 
maar Leiden wordt daar niet genoemd als plaats Tan uitwijking. Het algeheele verval 
komt eerst einde der 14de eeuw (ib. v. p. 420). 

7) Men houde intusschen in het oog, dat de tegenwoordige gracht Rapenburg niet 
volkomen de oude stadsgracht vertegenwoordigt. 

8) Het eerst worden de vier kwartieren genoemd in 1351 met den naam van „vierendeelen". 

9) Tot 1463, vgl. Van Mieris, II, blz. 383. 

10) Oork. Hoogl. Kerk (1336). 

11) Oork. Hoogl. Kerk (1372), ook Mairsmansteghe, vroeger Bruggenstrate (1347); Van 
Hieris, Hantv., blz. 500. 

12) Oorkdb. IT, no. 842 (1293). 

4 



50 

„Kercsteghe" ^), van „der Groter straeten toter grachten" (d. i. 
Vollersgracht), aan de andere zijde der kerk verlengd door den 
„Coninxwech'' 2) tot naar het „Rapenburch" 3), welks huizen aan 
„der stede vest" 4) paalden. 

Van deze vier kwartieren, misschien in verband met de genoemde 
kruiswegen herinnerend aan overoude indeeling, die in tal van 
steden wordt aangetrofifen s), maar in de 14^^^ eeuw zonder andere 
beteekenis dan voor de buurtverdeeling bij brandgevaar, belasting 
enz., noemen wij het eerst het Gasthuis-vierendeel, zoo geheeten 
naar het St. Katrijnen gasthuis, dat hier reeds in 1276 ^) als 
„hospitalis pauperum" genoemd wordt en waarvan de stichting 7) 
door de op het einde der 13'^^ eeuw het eerst voorkomende familie 
van Steenvoorde niet veel vroeger gesteld zal kunnen worden, al 
stelt de overlevering haar op 1125, kort dus na de stichting der 
oudste Leidsche parochiekerk, waarmede het gasthuis ook later 
nauw verbonden is gebleven. Het bestond, behalve uit het groote 
huis, uit eenige kleinere onregelmatig saamgevoegde huizen en 
een steenen kapel met torentje aan de Breestraat, uit eenige kleinere 



i) Oork. Pieterskerk (1316). 

2) Ms. Privilegeboek AA., p. 2 (Leidsch archief). Wel zoo genoemd naar Roomsch- 
koning Willem II. 

3) Oork. Hoogl. Kerk (1372); dat is wel de „novus vicus super fossam", genoemd in 
Oork. Hoogl. Kerk 1331. 

4) Oork. Pieterskerk (1360). 

5) Von Maurer, Stadteverfassnng S. 20 ff. 

6) Oorkdb. II, no. 309. Het bij Van Mieris, Beschrijving van Leiden, I, 163 genoemde 
stuk schijnt onecht, vooral als men denkt aan de in 1276 nog levende „fundatores". 
(Oorkdb. Nalezing, no. 59). Die „camer van die Regente"' in 1275 is zonderling; evenzoo 
die filiatie der heeren van „Steinvorde''; de kapellaan zou er eerst 150 jaar na de stich- 
ting gekomen zijn, maar de kapel al in 1130. De 13de eeuw is de eeuw dezer gasthuizen. 

7) Vgl. Ligtenberg, blz. 55 vlg. en Moll, Kerkgeschied. II, 4, 249 vlg. Van de in het 
stuk als de stichters reeds in 1125 genoemde „Steinvordes", die nog op het einde der 14de 
eeuw bestonden, heette het toen wel in een echt stuk, dat zij „van ouden haircomen" 
als stichters van het gasthuis er de collatie van de kapel hadden, maar die uitdrukking 
is in de op korte herinnering afgaande Middeleeuwen niet te urgeeren. Genoemd worden 
in 1368 slechts de nog in 1390 levende heer Jan, diens vader Gerrit en diens vader 
heer Jan van Steenvoorde, ridder, die in het begin der 14de eeuw leefde (vgl. Van Mieris,. 
1.1. 1, blz. 165/6). Zij waren verwant met de Boshuizens, een ander geslacht uit den omtrek 
van Leiden. De oudste heer Jan, „miles dictus de StenVoerde'', zooals hij in 1304 genoemd 
wordt (zie Reg. Hannon., blz. 11), was de zoon van magister Gerard of Gerrit van Leyden 
(zie boven blz. 29 en 41), die in 1276 woonde op een huis, dat liij noemt „domus mea 
de Stenvoerde" en dat, tusschen Rijswijk en Voorburg gelegen, later overging op dezen 
jongsten zoon, Jan van Leyden, „dictus de Stenvoerde", blijkbaar den stamvader van het 
geslacht. Zie over een en ander: Handel, van de Waatsch. der Nederl. Letferk. 1907/8, 
blz. 129, ter correctie van de voorstelling van de zaak bij Ligtenberg, Armezorg te- 
Leiden, blz. 22 vlg. 



51 

„cameren" voor en achter aan Groote Straat en Rijn en een ruim 
erf met boomen, van achteren door een muur afgesloten van den 
weg; het werd bestuurd door een „preceptor" als hoofd der „fratres'', 
naast wie ook „sorores" aanwezig waren. Men zal bij een en ander 
te denken hebben niet aan leden eener kloosterorde maar aan die 
eener broederschap, de „confraternitas sanctae Catharinae'', die bij 
de Pieterskerk behoorde ^). 

In dit vierendeel stond, dicht bij de naar de kooplieden genoemde 
Maersmansstrate „onder die bruggen ende neffen die steghe" 2)^ de 
oude kraan tot lossing van schepen, in 1434 door een nieuwe 
vervangen; waarschijnlijk ook een waag, ongeveer op de plaats 
van de tegenwoordige. De brug zelve, het eerst in 1204 en reeds 
in 1293 3) de „oude", ook de „grote bregghe" 4) genoemd, moet 
men zich voorstellen als een houten brug over den Rijn, die in 
1204 niet sterk genoeg bleek om een groote menigte te dragen. 
Aan de noordzijde van dit vierendeel liep van de Groote Straat 
uit, die daar „Noordende" 5) heette, na 1324 ^) een „nuwe brugghe" 
ten behoeve van den toegang naar de landerijen aan den Marendijk, 
welke brug door het bestuur der stad moest worden onderhouden 
gelijk Rijnland de „grote" brug onderhield; opdat zij niet voor 
het gewone verkeer zou worden gebruikt als „ghemene strate", 
moest zij een „open vac" houden, waarover de „joncwiven" kon- 
den gaan melken over een „drayeboem", d. i. een gemakkelijk in 
te halen loopplank; alleen in lente-, oogst- en herfsttijd mochten 
de „luden", die dan hun land wilden bebouwen, de brug als vaste 
brug gebruiken. Deze regeling werd blijkbaar getrofifen, opdat 
niet Rijnland, zich beroepend op het bestaan eener nieuwe brug, 
de oude zou beginnen te verwaarloozen. Later heette die brug 
de Borstel- of Bostelbrug, naar de bostelmarkt, die daar ge- 
hou den werd „an die uterste bregghen, die over den Riin ghe- 
leghen siin'' 7); verder oostwaarts op aan den „Riin" — zoo 
heette de gansche linker Rijnoever binnen het stadsgebied — 



i) Oorkdb. Nalezing, no. 59; Van Heussen, Hist. ep. Ultraj., p. 448. Vgl. Dodt, Archief, 
V, blz. 327. Ligtenberg, Armezorg te Leiden, blz. 19 vlg. 

2) Vgl. Pieyte, Leiden vóór 300 jaren, blz. 15; Martijn Willaemsz., die maerseman, 
woont daar 1377 (Gasthuisrek., fol. 11). 

3) Oorkdb. II, no. 842; Ann. Egm. p. 95, zie boven, blz. 15. 

4) Oork. Hoogl. Kerk (1370) : de „oude nu grote brug". 

5) Oork. Hoogl. Kerk (1363). 

6) Van Mieris, Handv., blz. 503. 

7) Keurb. van Leiden, uitg. Hamaker, blz. 52 Rechtsbronnen van Leiden, blz. 53. 
Bostel is afval, varkensvoeder. 



52 

werden de overige marktartikelen des Zaterdags te koop geboden. 
Het Noordeinde, aan welks grens naar den Rijn toe een molen 
met molenwerf lag ^), werd afgesloten door het „Noertporthuus", 2) 
de Noordpoort, aan welks andere zijde het Vleeschhuis-vierendeel 
begon, zuidwestwaarts loopend tot Kerksteeg en Koningsweg, 

Het Vleeschhuis-vierendeel is voor dezen tijd het belangrijkste 
van de vier. Het ontleende zijn naam aan het Vleeschhuis, de 
Vleeschhal, die in de Koorsteeg bij de Pieterskerk was gelegen. 
Zij was stadseigendom en diende voor den verkoop van vleesch 
onder toezicht der stadsregeering ; na het overbrengen van dien 
verkoop naar het stadhuis, definitief in 141 5, 3) kon zij vervallen; 
twee jaren te voren reeds was zij door de stad verkocht en in 
drie woonhuizen verdeeld. 4) Daar moest ieder vleeschhouwer of 
wie vleesch wilde „bruken" (in het klein verkoopen), de te slachten 
dieren door de stedelijke „vinders" „voert vleyschhuys" laten 
keuren ; daar alleen mocht men, buiten den marktdag en den termijn 
van St. Laurens (10 Aug.) tot St. Lambert (17 Sept), vleesch te 
koop aanbieden op de 7^3 rijnl. voet lange banken, waarop bij het 
lot den vleeschhandelaars hunne „stallen" (staanplaatsen) werden 
aangewezen. 5) Waar Delft in 1295 ^) in het bezit komt van zulk 
een stadsvleeschhal, mag wel ondersteld worden, dat ook Leiden 
haar reeds lang bezat; zeker bestond ze in het midden der 14de 
eeuw, toen het oudste Keurboek gemaakt werd, waarin zij het 
eerst genoemd wordt. 

De voornaamste gebouwen in dit vierendeel waren verder 's Graven- 
hof en de Pieterskerk. 

Het oude hof was vermoedelijk uit de dagen van Willem II of 
Floris V, misschien zelfs van nog veel ouder dagteekening. Het 
was aan alle zijden door grachten omgeven en lag tusschen de 
(„Pieters)kerkgrafte", het („Pieters)kerkhor' en de tegenwoordige 
Lokhorststraat en Muskadelsteeg. Toegang gaf van de noordzijde, 
waar de hoofdingang was, een brug, „die men te hove gaet." 
De grachten zijn reeds in de tweede helft der 14*^^ eeuw grooten- 



i) Pleyte, blz. 109. 

2) Oork. Hoogl. Kerk (1377). Vgl. Van Mieris, Beschrijving, I, blz. 10. Porthuus 
poort : vgl. Verdam i. v. 

3) Stedeboek, ad 1415- 

4) Schuldboek, ad 1413. Vgl. Pleyte, blz. 16. 

5) Keurboeken, blz. 56 vlg., 91/2. 

6) Oorkdb. II, no. 919. 



53 

deels gedempt geweest, terwijl het gebouw zelf van bestemming 
veranderde. Het was, blijkens de nog bestaande teekeningen uit de 
i6de en 17'^^ eeuw ^), een gebouw van twee verdiepingen met 
romaansche boogvensters in de van trapgevels voorziene voor- en 
achtergevels, waarvan de zuidelijke zich tegenover de noorddeur 
der Pieterskerk, de noordelijke tegenover de latere Groote School 
verhief; aan de oost- en westzijde had men vrij hooge muren achter 
de hofgracht, die in 1358 reeds gedeeltelijk gedempt was; met 
een „stoepe" ging men „van den hove op dat kerchof." 2) 

In 1329 was door Willem III „onse huys ende onse boomgaert," 
welke laatste blijkbaar vrij uitgestrekt was 3) en aan het eerste zal ge- 
grensd hebben, „te verwaren" gegeven aan zijn bekenden „meester- 
knaep" (rentmeester) Gheret Heynenzoon, die het „in rake (d. i. goeden 
toestand) ende binnen scone" moest houden „toit onser behoef", 
als de graaf of de zijnen er komen wilden. 4) Na Gheret's dood 
werden in 1366 huis en boomgaard op dergelijke voorwaarden in 
erfleen gegeven aan heer Gerrit van Egmond, die er altijd 20 
bedden voor den graaf en de zijnen moest gereed houden 5). Een 
zevental jaren later kwam het aan de pas ingestelde kanunniken 
der grafelijke kapel in Den Haag, met voorbehoud van een localiteit 
voor de daar van ouds gevestigde grafelijke vierschaar in een aan 
het hoofdgebouw verbonden gedeelte ^), ten behoeve van den 
baljuw van Rijnland, die hier zijn zetel had in het oude middel- 
punt van het grafelijk bezit in Leiden 7) ; er was ook een „raedhues", 
aan hetzelfde gebouw verbonden, misschien de oudste zetel van het 
grafelijk stadsbestuur. Een en ander werd in 1375 aan den heer 
van Naaldwijk verkocht. 

Vlak bij deze grafelijke woning stond „'s Graven Steen", het 
nog aanwezige oude gebouw, waarin Rijnland's en Leiden's gevan- 



i) Catalogus van de Prentverzameling der gem. Leiden, no. 3073 vlg., afbeeldingen 
van het huis Lokhorst, dat in de 17de eeuw geheel verbouwd en met zijn erf in een 
aantal perceelen verdeeld werd. Vgl. Van Mieris, Beschrijving, II, blz. 386 vlg. 

2) Oorkonde archief-Twickel, van 1359. 

3) Van Riemsdijk, De tresorie en kanselarij der Graven van Holland en Zeeland, blz. 
13/14. De Boomgaardsteeg loopt nog van de Breestraat bij de Hoogewoerd naar de 
„Kleine Ruïne". 

4) Van Mieris, Charterboek II, blz. 485. 

5) Ib. III, blz. 118. Albrecht was er o. a. in 1386 met Paschen en in Augustus (Bal- 
juwrek. Rijnland, 1386/7, Rijksarchief). Ook in andere rekeningen vinden wij hem telkens 
te Leiden, dan echter waarschijnlijk in het huis van den schout Floris Gijsbrechtsz (Van 
Riemsdijk, blz. 14). 

6) De Riemer, 's-Gravenhage, I, blz. 191. 

7) Zie boven, blz. 9. Vgl. Van Mieris, Beschrijving, II, blz. 388, over „de oude vier- 
chaer van den Bailly van Rhynlandt". 



54 

genen werden opgesloten tot op het oogenblik der uitvoering van 
het over hen uitgesproken vonnis. Ook dit was een door grachten 
omringd en over een brug te bereiken gebouw van twee ver- 
diepingen met een massieven toren, „de vanghentoren", zware 
muren en sterke sloten, een binnenhof, waarop executies plaats 
vonden, een „carcer", waarin men met een ladder afdaalde, en 
boven langs den torentrap te bereiken gevangenkamers ^). In het 
midden der 15de eeuw was deze steen, welks grachten in 1400 ook 
reeds ten deele waren gevuld, zeer vervallen en werd door Philips 
van Bourgondië als gevangenis aan de stad overgedaan. De „Dief- 
steghe" 2)j ook Gravinneweg genoemd, leidde van de Breestraat naar 
de beide grachtbruggen. 

Als derde hoofdgebouw van dit complex is de St. Pieterskerk 
aan te merken, niet meer het bescheiden oude kerkje uit de 12de 
eeuw 3), met een oude grafelijke doopvont en kostbaar altaar, aan 
Willem II toegeschreven, maar een allengs vergroot gebouw met 
meerdere „uitlaten" of uitbouwen. Het koor werd in 1339 gewijd, 
terwijl wij een jaar te voren hooren van aanzienlijke vergrooting 
van het kerkhof 4). Gedurende de gansche 14de eeuw werd verder 
blijkbaar weder aan de kerk gebouwd, zooals men aan middel- 
eeuwsche kerken placht te bouwen naar mate er gelegenheid en 
geld voor was, dan eens met kracht voortgaande, dan weder het 
werk zoo goed als geheel latende stilstaan. Intusschen had de 
kerkdienst in de nog overeind staande deelen der oude kerk 
geregeld voortgang. 

Zoo ontstond langzamerhand de monumentale bouw der 14de eeuw, 
dien wij kennen als Leiden's hoofdkerk volkomen waardig en die 
eerst verscheidene jaren na 1400 voltooid werd. Volgens vertrouw- 
bare berichten werd er in 1372 aan vertimmerd en aan een glas 
gewerkt en vooral na 1390 jaren lang ijverig gebouwd, totdat in 
1426 de nieuwe kerk plechtig kon worden ingewijd. Op het einde 
der 14de eeuw stond reeds aan de westzijde de zware toren 
van omstreeks 100 M. hoogte, waarop kort vóór 1393 de klok- 
ken in het „belefroet" geplaatst waren. Het nieuwe koor was 



i) Baljuwrekeningen Rijnland CRijksarchief). Vgl. Van Mieris, 1.1. blz. 381 vlg. De 
„vanghentoern" wordt genoemd in een oorkonde in het archief Twickel, d.d. 1359. Af- 
beelding bij Pleyte, kaart no. XII uit de i6de eeuw. 

2) Oork. Hoogl. Kerk (1368). 

3) Vgl. over den bouw der St. Pieterskerk : Mulder, in het Bulletin van den Oudheidk. 
Bond, V, blz. 54 vlg. en Overvoorde, in Bijdr. Bisd. Haarlem, XXX, blz. 60 vlg. Afbeelding 
uit de i6de eeuw in Prentverzameling, no. 2207 vlg. (Leidsch archief). 

4) Overvoorde, 1.1. blz. 65. 



55 

eerst omstreeks 141 2 afgebouwd en met leien gedekt, zoodat ook 
hier jaren lang aan gewerkt was evenals aan het schip, dat in 1400 
geëffend en met banken voorzien werd, en aan het transept, dat 
eerst daarna in behandeling kwam, terwijl ook de zijbeuken om- 
streeks 1400 achtereenvolgens werden afgewerkt. De uitheemsche 
bouwmeesters Rutgher van Kampen, Arend de Bruine, den bouw- 
meester van den Utrechtschen Dom, en de Bosscher bouwkundige 
Willem van Kessel, later Herman van Aken, die jaren lang als 
„gezel" in hoofdzaak den bouw had uitgevoerd, leidden het werk, 
waarvan wij vele bijzonderheden kennen, ook betreffende den aan- 
voer van tufsteen, van hardsteen uit het Ourthe-dal, kiezelsteen uit 
Namen, Luiker leien enz. Het geld voor een en ander werd ver- 
kregen uit schenkingen en legaten, inkomsten uit stadsboeten en 
accijnsen, omslag van kerkgeld, aflaten, lijfrenten, voorzoover de 
gewone bezittingen en renten, de verkoop van was en van grafplaatsen, 
de verhuur van banken enz. niet voldoende waren. Om het kerkhof 
liep een muur ; aan de oostzijde der kerk lag de Pieterskerkgracht, 
die uitliep in de Vollersgracht; roosters wezen in de aangrenzende 
straten de grenzen aan van het kerkhof, waar de kerkelijke vrij- 
heid, met name het asylrecht voor misdadigers gold. 

Ook andere geestelijke en wereldlijke gebouwen ontstonden hier. 
Joffer Meyne Uyt den Waerd vestigde er bij testament op het 
einde der I4<^^ eeuw een zusterhuis als woonplaats voor arme 
vrouwen; het Pieter Simons Begijnhof lag sedert 1393 aan het 
Pieterskerkhof naast 's Gra vensteen, maar werd in 1400 verplaatst 
naar de Houtstraat, toen bij de toeneming der stad het kerkhof 
te klein bleek. ^) Reeds lange jaren vóór 1343 ^) moeten verder 
de Lombarden, Italiaansche geldhandelaars, wier weinig onbaat- 
zuchtige hulp door hun „commercium interdicti fenoris" den graaf 
dikwijls te stade kwam, van hem een huis verkregen hebben aan 
het Rapenburg, op den hoek van de Vollersgracht, later op de 
Breestraat op den hoek van de naar hen genoemde Lombardsteeg. 3) 
Op het einde der 14^^ eeuw werd misschien reeds het St. Barbara 
klooster op de plaats van het oude Lombardenhuis aan het Rapen- 
burg gesticht. Ook weet men in 1348 van een Huiszittenhuis van 



i) Van Mieris, Beschrijving, I, blz. 28, 158. Vgl. Ligtenberg, blz. 237 vlg. 

2) Grafelijkheidsrek., uitg. Hamaker, II, blz. 10: „van mijns heren huze te Leyden, daer 
die Lombaerde up plaghen te wonen"; vgl. II, blz. 189. 

3) Pleyte, blz. 8. In 1282 waren de Lombarden „jam multis annis" in Holland 
(Oorkdb. II, no. 443). „Peter den Lombarde van Leyden" wordt 1289 genoemd (ib no. 663). 



56 

St. Pieter in de Pieterskerksteeg. ^) Van niet minder belang 
was de stichting eener school in 1358 in den oosthoek van het 
terrein van den grafelijken hof, waar zich ook een kleinere grafelijke 
hofstede bevond ^); door hertog Albrecht werd toen „dat erve, 
dat die hofgrafte plach te wesen, streckende van der kercmure 
an den ghemienen wech, die men te hove haet (de Diefsteeg)", zoo 
veel daarvan noodig was, gegeven „tot ere schole". 3) Zoo werd 
de oorspronkelijk geheel den graaf toebehoorende grond lang- 
zamerhand met gebouwen bezet, al bleef er behalve de uitgestrekte 
kloostererven en grafelijke terreinen aanvankelijk nog vrij wat 
open grond over tusschen stadvest en stadsmuur aan de zuidzijde 
en de genoemde Vollersgracht. 

Behalve de ten deele monumentale gebouwen van grafelijken 
oorsprong lag in dit vierendeel nog 's graven „crythof", een hoeve 
met omliggend terrein van vier morgens groot 4), waar „te kampe" ge- 
vochten werd, wanneer dat in het baljuwschap van Rijnland te 
pas kwam. Zij lag in den uitersten noordelijken hoek, vlak bij de 
Noordpoort, waar een „draeyboem" over de stadsgracht lag. 5) 
Vlak daarbij vond men een „wedde", een paardenwed. 

Dit stadsdeel, zoo goed als geheel grafelijk bezit of ten minste 
oorspronkelijk grafelijk bezit, was evenwel in de 14^^ eeuw ten 
deele met huizen en erven bezet. In de eerste plaats had men 
er de huizen aan de „Grote Straet" en dan die aan de boven ^) 
genoemde „Middel- of Vollersgraft", 7), zoo geheeten naar de 
talrijke vollers, die zich volgens de overlevering hier van Yperen 
uit hadden gevestigd en wien „de eerste gracht" achter de 
Breestraat ^) zou zijn aangewezen, daar zij voor hun „vol- 
ryen" 9) water noodig hadden. Die gracht liep achter de 
geheele Breestraat om en grensde aan de „poortmuur" bij de 



i) Ligtenberg, blz. 221. 

2) Oud Reg. in Beyeren 18 (Rijksarchief), fol. 58, 42; Lib. 17 Aelbrecht (Rijksarchief ), 
fol. 168 V. 

3) Van Mieris, Beschrijving, II, blz. 436. Vgl. Knappert, in Leidschjaarb. 1904, blz. 104. 
over de plaats; „toechuus" daar is „het hoekhuis" van den grafelijken hof en zijn terrein. 

4) Van Mieris, Charterb. II, blz. 297 (1322). 

5) Oork. Hoogl. Kerk (1377): „buten 't Noertporthuys te L. bi den draeyboem 
alrenaest der Crythoeve" en „buten op Rapenburch". 

6) Oork. Hoogl. Kerk. Is de daar genoemde „graft" echter wel die gracht zelve, niet de 
Pieterskerkgracht? Zie hierover beneden. 

7) Tegenw. de overwulfde Langebrug. 

8) Orlers, blz. 41. Zie boven, blz. 48. 

9) Oork. Hoogl. Kerk, 1360 wordt een huis „an die Vollersgrafte voor die poert- 
muyr" met „volrye" genoemd. 



57 

Noordpoort op het „Rapenburch", waar reeds enkele huizen zich 
verhieven achter den stadsmuur en bij de stadsvest, aan welks 
overzijde een enkele hoeve zich verhief op het met slooten door- 
ploegde weiland. De Houtstraat was er in 1400 al ook, de „Cruepels- 
steech", waar later de Papengracht werd gegraven, 

In het nu volgende vierendeel aan de overzijde van het Pieters- 
kerkhof en den Koningsweg, tusschen de stadsvest en de Groote 
straat lasf cok meer dan een ruim erf. Dit vierendeel heette naar 
het Wolhuis, waar vóór 1429 de wol te koop moest worden aan- 
geboden en dat gelegen was op het punt, waar later de Vollers- 
gracht aan deze zijde in de stadsvest uitmondde. Hier vooral vond 
men op den stadswal de voor het lakenbedrijf noodige „ramen", 
waarop de lakens gedroogd werden. Een weefhuis en turfhuis 
worden in diezelfde buurt vermeld ; ï) het eerste waarschijnlijk 
bestemd voor hen, die thuis geen ruimte hadden voor hunne weef- 
stoelen, het laatste vermoedelijk een opslagplaats voor de zoo 
geliefde brandstof. 

Iets verder aan de vest naar het noorden toe lag de „Stien- 
scuyre", ^) de stedelijke steenoven of misschien niet meer dan opslag- 
plaats van steenen, van belang in die dagen van toenemenden 
steenbouw bij het optrekken van huizen. Binnenwaarts aan den 
zuidelijken kant van de Vollersgracht lag dan, zich uitstrekkend 
naar de Pieterskerk, 's graven meergenoemde boomgaard met zijne 
hoeve van 4 morgen groot, 3) waaraan zich een dergelijke grafelijke 
hoeve van 4 morgen sloot, 4) die uitkwam achter het reeds in de 
13de eeuw bestaande vrij uitgestrekte Begijnhof, dat van den Konings- 
weg achter de zoogenaamde „donkere graft" langs den stadsmuur 
liep en welks nijvere bewoonsters in 1293 van schout en schepenen 
der stad zekere bepalingen omtrent haar erfrecht verkregen ; 5) het 
was door een muur omringd. ^) 

Vlak tegenover de zuidelijke deur der Pieterskerk lag de groote 



i) Alles uit de Tres. -rekening van 1429 en Schuldboek op dat jaar. Vgl. Plejte, blz. 24. 
De „ramen" genoemd in het Stedeboek als „nefFen" de Vollersgracht {1395). 

2) Oork. Koogl. Kerk (1354, 1358, 1362). 

3) Van Mieris II, 297. Achter dezen boomgaard lag de „Troestbrugge" over de Vol- 
lersgracht (Oork. Hoogl. Kerk, 1363). 

4) Ib. Vgl. over deze hoeven, in 1316 verhuurd aan Willem van Leyden en Gerrit 
Risewijcs: Graf. Rek., uitg. Hamaker, I, blz. 23. 

5) Oorkdb. II, no, 852. Vgl. de kaart bij Pleyte, no. XII. 

6) Correctieboek 1394: „den muyr, die leyt onder den Beghinen", waarmede zij 
„beheint" zijn. 



58 

woning van den „Commelduer", den kommandeur der Duitsche Orde, 
aan welke graaf Floris V, die evenals zijn vader die Orde zeer begun- 
stigde, in 1268 I) het patronaat der Leidsche parochiekerk had ge- 
schonken. Dit was een aanzienlijk gebouw, dat voor pastorie der kerk 
diende en met een door een muur omringd uitgebreid erf 2) tot achter 
het Begijnhof en de genoemde grafelijke hoeve reikte. Daarnaast 
tegenover de Pieterskerk, op den hoek van wat men op het einde der 
eeuw „Sente Pieters nuwe steghe" 3) noemde, lag een huis, waar de 
beroemde rechtsgeleerde Philips van Leyden in 1372 zijne woning 4) 
met een groot erf had; daarachter strekten zich toen tot den stadsmuur 
nog twee aan dezen geestelijke behoorende huizen en erven uit, 5) 
In het eerste huis had hij een aanzienlijke bibliotheek verzameld 
„cum magnis expensis et laboribus," die hij na zijn dood bestemde 
tot een openbare bibliotheek onder toezicht van den vicaris van 
de kapel van St. Andries in de Hooglandsche kerk, die in het huis 
moest wonen. ^) Verder wordt nog in deze buurt naar den stads- 
muur toe melding gemaakt van een vermoedelijk als stadstimmer- 
werf dienend houten gebouw, dat men de „Arke" noemde, met 
een groot terrein erbij 7). 

Gelijk de vollers aan de naar hen genoemde gracht en de kramers 
in de met luifels voorziene huizen der Maersmanstraat, woonden 
in de buurt van het Wol- en Weef huis de wevers, zooals blijkt uit 
de namen „Weverssteeg" ^) (later Wolsteeg), „Weversbrug" aan het 
„Zuytende" van de „Grote of Brede Straat", waarbij een „wedde" 
lag maar waar blijkbaar geen eigenlijke poort stond: aan die zijde 
had men „by onser poerte hofstede in 't suytende", niet ver van de 
„wedde" slechts een „ameyde", 9) een min of meer zwaren slag- 



ij Oorkdb. II, no. 169. 

2) Vgl. de kaart no. XII bij Pleyte. 

3) Oork. Hoogl. Kerk (1395). 

4) Phil. de Leyden, p. 461. 

5) Ib. p. 462. 

6) Ib, p. 473 vlg. Later heette dit huis der geleerdheid „Salomons tempel". 

7) Van Mieris II, blz. 405. De naam kan „oven" of „eest" beteekenen of misschien ook 
een houten gebouw gelijk de Arke Noachs. In 1410 stond hier in de buurt blijkens de 
toenmalige verdeeling in hoofdmanschappen eene „loodze". Het is niet onwaarschijnlijk, 
dat „arke", „loodze" en „stienscuyre" hetzelfde gebouw aanwijzen. Het terrein wordt 
op de zestiende-eeuwsche kaarten bij Pleyte (no. XX vlg.) als vrij uitgestrekt aangegeven 
met een groot gebouw, daar nog „de Arck" genoemd, aan de uiterste westzijde van wat 
nog in de 19de eeuw tot „Steenschuur" gerekend werd. Sommigen plaatsen dan ook hier 
de stadssteenschuur, waarvan boven sprake is. De „oven" zou dan een steenoven kunnen zijn. 

8) Oork. Hoogl. Kerk (1341). 

9) Gasthuisrekening 1344, fol. 5 vlg. 



59 

boom, tenvijl van een poort geen sprake is, wel van een brug over 
de stadsgracht, de zoogenaamde „Weversbrugge", Onder de huizen 
aan de Breestraat stak in deze buurt uit de „spatiosa domus", het 
ruime „stienhuys", met aanzienlijk erf en houten huisjes daarbij, 
dat heer Pieter van Leyden had laten bouwen op den hoek van 
de Kerksteeg „juxta Blaviam Petram, ^) zooals zijn neef Philips roemt. 
Ook dit stadsdeel moet evenals het vorige oorspronkelijk grafelijk 
bezit geweest zijn en daarmede zoo goed als het geheele terrein 
ten zuiden van de Breestraat tot het Rapenburg. Wat toch is het 
geval? Het is ons uit de oorkonde van 1322 gebleken, dat de 
grafelijkheid hier, behalve de terreinen van den grafelijken hof, den 
Gravensteen en de Pieterskerk met pastorie en kerkhofgrachten 
om ieder dier terreinen heen, een grondbezit had van drie hoeven, 
ieder van vier morgens 2). Dit maakt 12 morgens benevens de 
genoemde bebouwde en onbebouwde terreinen, die men gezamenlijk 
wel op twee morgens zal mogen stellen, dus het totaal op 14 morgens. 
Neemt men nu in aanmerking, dat het geheele terrein tusschen 
Vollersgracht (Langebrug) en Stadsvest (Rapenburg), zooals dit tegen- 
woordig is, van het vroegere water der genoemde gracht tot het 
tegenwoordige water van het Rapenburg nog geen 12 morgens 
omvat 3), dan is het duidelijk, dat de drie grafelijke hoeven niet 
binnen die grenzen beperkt geweest moeten zijn maar ook een 
deel van het terrein tusschen de huizen en erven aan de toen 
bestaande Breestraat en de in dit geval blijkbaar in 1322 binnen 
het hoeventerrein vallende Vollersgracht met hare huizen moeten 
hebben ingenomen; waarbij dan bovendien in aanmerking valt te 
nemen, dat ook het Begijnhof en het Lombardenhuis reeds bestonden 
en dus buiten de genoemde gebouwen ook een deel der over- 
schietende morgens moeten bezet hebben. De geheele ruimte tusschen 
Breestraat en Rapenburg is bijna 17 morgens groot, 4) wat met de 
aangeboden onderstelling ook zeer goed zou overeenkomen. In 
ieder geval mag men zeggen, dat het terrein tusschen Breestraat 
en Rapenburg in 1322 nog bijna geheel grafelijk bezit was en 
oorspronkelijk wel geheel en al in dezen toestand verkeerd zal 
hebben, s) Is dit het geval, dan ligt het voor de hand, dat de 



i) Van Mieris II, 175; Phil. de Leyden, p. 361. 

2) Men mag deze morgens veilig voor Rijnlandsche morgens houden; van andere kan 
in deze streek voor dezen tijd moeilijk sprake zijn. 

3) Volgens eene nauwkeurige berekening, door den heer J. B. van Loenen, teekenaar 
van Rijnland, met vriendelijke hulpvaardigheid voor mij gemaakt. 

4) Ook dit is door den heer Van Loenen opgemeten, 

5) Zie blz. 9 en 53. 



6o 

grafelijke hof, het latere Lokhorst, het oude middelpunt van dit 
grondbezit is geweest, en is het zeer waarschijnlijk, dat deze blijkbaar 
kunstmatige verdeeling in drie volkomen gelijke hoeven geschied moet 
zijn na omstreeks 1283, toen in het „oude register van graaf 
Florens" ») werd opgeteekend, dat de graaf ook te Leiden — gelijk 
te Delft, Haarlem, Zierikzee en Dordrecht • — een hoofdhoeve (curtis) 
bezat, benevens eenige „hofsteden" 2) of kleinere hoeven. Bovendien 
bezat de graaf, zooals wij aanstonds zullen zien, in het begin der 
14de eeuw nog twee steenen huizen aan de Breestraat en andere 
woningen aldaar. 

Het geheele oude Leiden zal dus wel grafelijke grond geweest zijn 3). 

Het vierde kwartier der oude stad lag tusschen Maersmansteeg, 
Rijn, Breestraat en de verbinding tusschen Rapenburg en Rijn, 
waar de „Roode toren" den stadsmuur aan den Rijn afsloot 4). 
Het heette Wanthuis-vierendeel, naar het Wanthuis, de oude 
lakenhal, die tot 1392 gelegen was aan den Rijn, dus vlak bij den 
waterweg, die tot het vervoer der lakens dienen moest, dicht achter 
het stadhuis, waar thans de uitgang van den toren naar den 
(Nieuwen) Rijn ligt en aan beide zijden van dien uitgang 5). 

Het belangwekkendste gebouw was hier „die porte halle", gelegen 
op de plaats van het middendeel van het tegenwoordige stadhuis, 
maar veel bescheidener van uiterlijk. De bouworde van het huis, 
zooals het zich vóór de verbouwing op het laatst der i6d« eeuw 
vertoonde, ^) kan zeer wel op de 14'^'^ eeuw wijzen en het gebouw, 
zooals het toen was, dagteekenen van na den grooten brand van 
25 Aug. 1381 7), die de ergste was in de stad na 62 jaren en ook 
„dat Raethuys" vernietigde. Het zal oorspronkelijk ingericht zijn, 
toen de stad zich meer en meer van het grafelijk en burggrafelijk 
gezag ging bevrijden en dus niet langer haar bestuur liet samen- 
komen in het bovengenoemde grafelijke raadhuis op Lokhorst; 
het was evenals de nabijgelegen woningen waarschijnlijk slechts 



i) Uitg. Muller, in Bijdr. en Meded. Hist. Gen. XXII, blz. 226; over den tijd vgl, blz, 117. 

2) Ib. blz. 171, 206, 211, 217, 221, 224. 

3) Zie boven, blz. 9. 

4) Vgl. het vers nog op het hoekhuis bij het Gangetje en Botermarkt te vinden en 
sprekend van den tijd, toen „Rapenburg was vest en mijn naem rode toren." 

5) Thesauriersrek. 1392; Stedeboek, fol. 275 v. 

6) Pleyte, kaart no. IV. 

7) Nijh. Bijdr. 2de Reeks, VI, blz. 136/7. De brand vernielde 18 of 20 huizen aan den 
Rijn, van de Roggenbroodsteeg (Koorlammersteeg) tot achter het stadhuis en op de Breestraat 
van de Stinksteeg (Stijnsleeg, Korenbrugsteeg) tot en met het stadhuis. 



6i 

van hout en wordt het eerst in 1350 genoemd ^). Eenige jaren na 
den brand vinden wij melding gemaakt van aanzienlijke vertimme- 
ringen en van het bijtrekken van naastgelegen woningen, *) zoodat 
het nieuwe stadhuis, voorlooper van het tegenwoordige, wel van het 
einde der I4'^« eeuw dagteekent. In dien tijd zal ook een begin 
gemaakt zijn met het bouwen van den stadhuistoren, waarvan in 
de 15^^ eeuw meermalen sprake is en die aan het geheel een waardig 
aanzien gaf. 

Op den hoek, „hornic", van de Maersmansteeg, „der brugghen 
strate", stond aan de Breestraat, tegenover het bovengenoemde huis 
van heer Pieter van Leyden een ander steenen huis of toren, 
„turris lapidea", het zoogenaamde „clochues", een grafelijke bezit- 
ting, waar graaf Willem III de stad vergund had een klok op 
te hangen 3) „totter stede oirbaer"; het was in 1381 een „campana 
horarum" 4), een uurklok, die blijkbaar vooraan het huis bevestigd 
was en ook bij brand geluid of geslagen werd, gelijk ook de uren daarop 
volgens de toenmalige gewoonte niet werden aangegeven door slag- 
werk en wijzerplaat maar door hamerslagen der wakers op de klok, 
zoo ze dit ten minste niet deden door middel van roepen door 
groote roepers, die klonken over de stad. Die klok bewees dus 
dezelfde diensten als de „belfroeds" der Vlaamsche steden 5). 

De aanzienlijke Leidsche burger Gerard Alewijnsz., bekend gra- 
felijk rentmeester en later kanselier, heer van Rysoirde, die het 
huis in pacht had gehad, had het laten vervallen, zoodat ook de klok 
in gevaar raakte ; daarom gebood Willem V hem in 1 347 het huis 
weder „op te timmeren", opdat de klok er weder kon hangen 
gelijk zij ook in het midden der 1 5de eeuw en nog later aanwezig was 6). 
Dit huis is wel te onderscheiden van een ander „oude stienhuys" 
met „erve", dat de grafelijkheid er in 1323 bezat „twisken der 
Strate ende den Riin", tusschen twee andere huizen in, waarvan er 
een ook al grafelijk bezit was en een ander behoorde aan Dieric 



i) Pleyte, blz. 17. De berichtgever omtrent den brand spreekt met nadruk van het 
tegenhouden van den brand door de „turris lapidea", het straks te vermelden steenen 
klokhuis op den hoek. 

2) Thesauriersrek. 1392. 

3) Van Mieris, Handv., blz. 500. Dit moet dan gebeurd zijn vóór 1315, toen Gerard 
Alewijnsz. het huis reeds in huur had (Graf. Rek. I, blz. 17 en 23) voor 30 sch. = 2 pd. 
10 sch., en na den privilegebrief van 1306. 

4) Nijh. Bijdr. 1.1. Sedert de 17de eeuw waren door raderwerk in beweging gebrachte 
uurwerken op kasteelen en stadstorens in gebruik (Viollet Ie Duc, i, v. Horloge). 

5) Vgl. Vandenpeerenboom, Ypriana, I, p. 280. 

6) Gasthuisrek. 1386, fol. 11: „heren Alewiins clochuse". Vgl. Van Mieris, 1.1. blï. 501. 
Over de brandklok: Leidsche Keurb., blz. 8 en 90. 



62 

Vranckensoen ; deze kreeg in 1350 dat tweede huis in leen, terwijl 
het eerste in 1354 nog in leen werd gehouden door denzelfden Jan 
Vranckensoen, die het in 1323 van Willem JongheJansVermannensoen, 
den vorigen leenhouder, had overgenomen ^). 

Andere gebouwen van beteekenis had men overigens niet in dit 
kwartier, welks achterzijde uitkwam op den „Riin", den nog niet 
anders genoemden linkeroever van de rivier, die Leiden's groote 
waterweg was en waarover aan deze zijde toen ter tijde een houten 
brug achter het stadhuis naar het burchtterrein was geslagen, gelijk 
iets verder oostwaarts de „Buttermansbregghe" (Karnemelksbrug) 
en de „Quakelbregge" 2) (Gansoordbrug). Aan dien oever in zijn 
gansche lengte werd des Zaterdags de weekmarkt gehouden, waarop 
aan iedere waar haar vaste plaats was aangewezen. Zoodra de „marct- 
cloc lude"3), mocht men voorde huizen aan den Rijn den verkoop in 
het klein („pen- of pennincwairde") beginnen, behoudens ruimte vóór 
de deuren, of in de lange rij kramen („craemstal") of op tafels („ne- 
derstallen") langs den Rijnoever, met vrijlating van een door „gro- 
ten steenen" aangegeven pad. Bij de Groote brug was de vischmarkt, 
gehouden aan den afloop dier brug op de daartoe ingerichte visch- 
stallen. Daar stond sedert ongeveer het midden der eeuw 4_) een burg- 
grafelijke kapel, de Vischkapel, later gevolgd door een tweede, door 
en ten behoeve van het visschersgild gesticht aan de andere zijde 
van de brug 5), waar ook visch verkocht mocht worden. Dan volgde 
voorbij de Wanthuisbrug de plaats voor de botermarkt, enz. tot den 
Rooden Toren toe ; de houtmarkt mocht niet hier gehouden worden, 
maar verderop noordwaarts van de Groote brug. 

Dit nu was de oude stad ^). Daarbij sloot zich dan de oudtijds 



i) Reg. E. L. I fol. 38V; E. L. 42, fol. 3 en xo (Rijksarchief). De grafelijkheid bezat 
bovendien aan de Breestraat sedert 1358 nog twee huizen tusschen de „Grote strate'' en, 
,die Middelgraft" (Vollersgracht), waarvan het eene naast dat van Pieter van Leyden 
lag (Lib. IV Aelbr., fol. 2, 3, 12, 79, 129). Zij werden ook in leen gegeven aan den vorigen 
bezitter, den rentmeester van Kennemerland Willem Willemsz. (Van Mieris, III, blz. 59),, 
later gevolgd door zijn zoon Symon Vrederic. 

2) Oork. Hoogl. Kerk (1365). 

3) Leidsche Keurb., blz. 49 en 96 vlg. 

4) Phil. de Leyden, p. 70; Pleyte, blz. 20. 

5) Vgl. Phil. de Leyden, p. 153. Vgl. den brief van 3 Maart 1383 over de stichting- 
en het verschil met den burggraaf (Leidsch Archief). 

6) Wat het in het „oude register van graaf Florens" (Bijdr. en Meded. Hist. Gen. 
dl. XXII, blz. 201) volgens den uitgever omstreeks 1280 — 1283 (zie blz. 117) genoemde 
„Leyderambacht'' wil zeggen, is wel na te gaan. „Lops", het oude Loppishem (zie boven 
blz. 5), waar „Ghisebrecht die smit van Leyden" in „Leyderambacht" een grafelijk leen 



63 

door den burggraaf bewoonde ^) en beheerde Burcht aan, die in ieder 
geval als bij de stad behoorend moet worden aangemerkt, met 
insluiting ook van de enkele huizen aan zijn voet in den „burcht- 
streng", over welker kerkelijke verplichtingen reeds in 1292 tusschen 
de parochiën van Leiderdorp en Leiden getwist werd ; ^j zij wer- 
den in de 14'^^ eeuw zonder eenigen twijfel tot Leiden gerekend, 
al bleef het nog tot 1370 onzeker, in welke der twee parochiën. 

De bestrating met zware keien van stadswege was in de hoofd- 
straten reeds gewoonte; houten schoeiingen („platen") aan den 
Rijnoever en langs de grachten waren overal aanwezig; vóór de 
huizen aldaar mocht men die niet laten ontbreken ; men mocht op 
eigen kosten kleine straatjes bij de huizen aanleggen, waarbij soms 
de stad te hulp kwam 3). De stad was voor het toezicht op de 
verordeningen dienaangaande, het rein houden der wegen, het 
leiding geven bij brand, het bewaren van brandemmers en brand- 
ladders en haken, het in het oog houden van gevaarlijke ovens en 
eesten, verdeeld in „bonnen" (bannen, buurten), die ieder jaarlijks 
twee personen, „bonmeesters" of „hoofdmannen", moesten kiezen, 
aan wie men in dergelijke zaken gehoorzaamheid schuldig was 4). 
Behalve de nog vrij zeldzame „steenhuizen" met aanzienlijke erven 
aan de Breestraat, die ongeveer den indruk moeten gemaakt hebben 



heeft en daarvoor 8 se. betaalt, is noodzakelijk het latere Lopsen, dat noordoostwaarts 
aan de stad grensde. Misschien was het toen bij het uitsterven van den mansstam der heeren 
van Oestgeest (maar dan zou de aanteekening van het begin der 14de eeuw moeten zijn, 
vgl. Van Mieris, II, blz. 133 en 301 ; en dit is zeer goed mogelijk) tijdelijk in het bezit 
van den burggraaf, die het ambacht Oestgeest in 1322 zeker in handen had, en wiens 
opvolgers uit het geslacht van Wassenaer ambachtsheeren van Oestgeest waren; het zal 
dan aan dien tijdelijken samenhang den naam ontleend hebben. Van een Leiderambacht 
is verder nergens sprake. De Mersc of Morsch, aan den rechter Rijnoever en dezelfde 
omgeving, waarvan op blz. 171 van dat register in denzelfden tijd melding gemaakt 
wordt, lag in ieder geval „in Oestghester ambachte" en in 1403 behoorde ook Lopsen 
nog onder datzelfde ambacht Oestgeest (Van Mieris, Charterb, III, blz. 783/4). Op dezelfde 
wijze wordt in hetzelfde register (blz. 185) echter ook onnauwkeurig gesproken van den 
tiende „te Leyden toten Rodenborch lane'', die zeker niet binnen de stad lag of ooit ge- 
legen heeft. Het is dus ook wel mogelijk, dat het bovengenoemde „Leydcrambacht'' niets 
anders beteekent dan het ambacht (Oestgeest) onder Leiden gelegen. Waar in andere 
oorkonden sprake is van het „ambacht" van den burggraaf in Leiden, wordt zijn recht 
op het benoemen van schout en schepenen bedoeld. 

i) Hij kan moeilijk gewoond hebben binnen den ringmuur boven op den heuvel. Zijne 
woning lag toen en later ongetwijfeld aan den voet des heuvels, op de plaats waar thans 
nog de herberg staat en zware keldermuren worden gevonden. 

2) Oorkdb. II, no. 829 : castrum in Leyden. 

3) Keurboeken, passim. 

4) Rek. 1430 voor de buren „Over 't hof", die te arm waren om de kosten te dragen. 



64 

van kleine kasteelen ^) tegenover de bescheiden huizen daarnaast, 
waren de woningen nog meestal van hout en met riet gedekt 2); 
in de tweede helft der 14^^^ eeuw gold toch reeds de bepaling, 
dat men die rieten daken moest „lyemen", met klei bestrijken; het 
maken van „harde" d. i. leien of ticheldaken werd evenwel reeds 
zeer begunstigd 3). 

Om de open zuidzijde der stad liep een gracht, „der stede veste", 
met den „burchwal" en daarop den „portmuyr", waarin zich hier en 
daar torens verhieven, ten minste aan de uiteinden bij den Rijn, 
waar de „Accijstoren" bij de Noordpoort en de „Roode toren" aan 
de zuidzijde genoemd worden. 

In den loop der 14^^ eeuw breidde de binnen deze enge omgeving 
nog weinig talrijke bevolking, die, zooals wij zagen, feitelijk in hoofd- 
zaak nog alleen aan den linker Rijnoever, de Breestraat, de Vollers- 
gracht en de daartusschen gelegen, naar dezen of genen bewoner 
genoemde stegen en straten 4) gevestigd was, zich aanzienlijk uit; 
minder misschien door het toevloeien van de Vlaamsche uitge- 
wekenen, dan door het aanhoudend binnenkomen van plattelands- 
bewoners uit den naasten omtrek en het platteland van Zuid- 
Holland 5). 

Er blijkt namelijk in die eeuw van niet minder dan drie belangrijke 
vergrootingen. 

De eerste was de misschien reeds in de 13de eeuw aangevangen 
vergrooting op het Rijneiland over de burggracht. Dat omtrent het 
begin dezer vergrooting geen berichten tot ons gekomen zijn, kan 
worden toegeschreven of aan de schaarschheid der stadsoorkonden 
uit die eeuw óf wel aan de omstandigheid, dat de burggraaf op 
het eiland of de eilandjes, waaronder zijn in 1266 genoemde „dis- 
trictus'' te begrijpen is, alles te zeggen had en dus de vergrooting 
zonder meer kon doen plaats hebben, nu de ongetwijfeld oorspron- 
kelijke wereldlijke onderhoorigheid dezer Rijneilandjes onder het 
ambacht Leiderdorp sedert de stichting van den burcht had opge- 
houden. In 1294, als Floris V er aan Rutger „den Scomaker" en 

i) Kb., blz. 7 en 93. De oudste bonverdeeling, die wij kennen, is van 1392 (Stede- 
boek), die de geheele toen vergroote stad in vier deelen verdeelt. 

2) Vgl. wat mr. S. Muller Fz. in zijn Oude huizen te Utrecht, blz. 12, mededeelt over 
de versterkte kasteelen in die stad, woonplaatsen der aanzienlijken. Te Leiden is de toe- 
stand eenigszins anders geweest, zooals boven bleek. Hier is geen sprake van huizen, op 
welker omvangrijk erf een aantal kleinere zich verheffen. 

3) Keurb., blz. 51, 113 en 120. 

4) Vgl. de keur op de breedte der „nuwe steghen" (Keurb. blz. 3 en 90). 

5) Vgl. de burgerlijsten bij Posthumus, blz. 42 vlg. Maar men bedenke, dat niet alle 
inwonenden of inkomenden burgers werden, op verre na niet. 



65 

diens broeder Kerstant 31/2 morgen lands in eigendom geeft, „aire- 
nest der burch van Leyden" ^) — dus ook hier grafelijk bezit — 
is er nog geen sprake van huizen of grachten aan die zijde, maar 
in 1314 wordt er door bisschop Gwy van Utrecht ^) in de parochie 
van Leiderdorp, „in insulis Reni inter duas fossas novas quae sunt 
in meridionali parte castri de Leyden versus Leyderdorp", de stich- 
ting eener nieuwe „capella" met doopvont en kerkhof toegestaan, 3) 
afhankelijk van die van Leiderdorp. Deze omstreeks 1300 
gegraven „nieuwe grachten" kunnen wel niet anders zijn dan de 
latere Hooglandsche Kerkgracht 4) en Hooigracht 5), waarvan de 
eerste haar naam ontleende aan dien van het „Hoogeland", het 
terrein aldaar aan de burchtvest, dat zich door de misschien ook 
aan terpenaanleg te danken, iets hoogere ligging onderscheidt van 
de lagere waardlanden verderop en reeds in de 14^^^ eeuw zoo ge- 
noemd wordt 6). Al bleef dat terrein nog geruimen tijd half in 
ontginning en lagen de „kampen lands" er overal tusschen de huizen, 
meer en meer ziet men hier bebouwing ontstaan. 

Daar was in dezen uithoek reeds een stedelijke „stove"7), of openbare 
badgelegenheid van verdacht gehalte 8), zooals iedere middeleeuwsche 
stad van eenige beteekenis ze had, niet ver van den „Ouden Riin", 
blijkbaar het oudste in gebruik genomen vaarwater en toen reeds 
zoo genoemd ter onderscheiding van den „Nuwen Riin" 9). De 
„Middelwech" op het Hoogeland ^°), de nog lang landelijke „Groene 
steghe" "), de ,St. Joest" of „Middelgraft" ^^), de wijk „Gansoirde" ^3) 
met een molen ^4) en „der stede coghuys" ^s), waar men 
de „cogghe", het stedelijke oorlogsvaartuig, opsloeg, de „Liclaes" 



i) Oorkdb. II, no. 896. 

2) Oork. Hoogl. Kerk. 

3) De berichten uit de 14de eeuw (Van Mieris, Beschr. I, biz. 63), omtrent het begin 
van den grooten kerkbouw reeds in 1280, verdienen geen geloof; zij worden door geen 
enkel verder gegeven gesteund. 

4) Oork. Hoogl. Kerk (1374). 

5) Oork. Hoogl. Kerk (1367). 

6) Oork. Hoogl. Kerk (1343). 

7) Oork. Hoogl. Kerk (1342). Zij werd in 1402 verkocht (Stedeboek, fol. 4). 

8) Vgl. Keurb 1406, Kb. blz. 22. 

9) Oork. Hoogl. Kerk (1370). 

10) Oork. Hoogl. Kerk (1351). 

11) Oork. Hoogl. Kerk (1360). 

12) Oork. Hoogl. Kerk {1367). 

13) Oork. Hoogl. Kerk (1335). 

14) Oork. Hoogl. Kerk (1368). 

15) Pleyte, blz. 46 en 113 ;Schuldboek 1429 meldt den verkoop ook van dit stedelijk gebouw. 

5 



66 

(St. Nicolaas), „Vest-" of „Uyterste graft" ^), eindelijk de nieuwe 
„stedeveste" ^) aan dezen kant worden genoemd ; maar ook 
menige kamp lands en zelfs hofsteden daar middenin tusschen de 
opkomende straten, die op het einde der 14de eeuw in vier nieuwe 
bonnen (Burgstreng, Kerkvierendeel, Hooigracht, St. Nicolaasgracht) 
verdeeld werden 3). Genoemd moet ook worden de burggrafelijke 
kapel, aan St. Huibert gewijd, in de latere Burgsteeg 4). 

Het belangwekkendste gebouw was hier de uit bovengenoemde 
kleine kapel „ten Hoogelande" voortgekomen St. Pancraskerk, 
waarvan reeds in 1321 melding wordt gemaakt als van de „nu we 
kerke te Leyden" s), waarmede niet anders dan deze bedoeld kan 
wezen, al was ook haar omvang nog niet zoo aanzienlijk als dit 
later het geval geworden is. Zij was gewijd op 14 Sept. 13 15 ^), 
ter eere van den heiligen martelaar Pancratius. 

Zij was van een eenvoudigen houten kapel, een „arm borden 
kercghen" 7), tegen het midden der eeuw de nog bescheiden pa- 
rochiekerk van het nieuwe stadsdeel „ten hoghe lande" geworden 
en werd evenals de Pieterskerk al spoedig met verschillende 
„kapelrien" begiftigd ^). Tot nog hooger aanzien steeg zij, toen zij 
14 Aug. 13669) door bisschop Johannes van Vernenborch van „ec- 
clesia parochialis" voor dit stadsdeel en „appendicia" van Leiderdorp 
verheven werd tot een „ecclesia collegiata", een kapittelkerk, onder 
leiding van een proost. De oude twist over de vraag, ofdeinden 
„burchstreng" wonenden bij St. Pieter behoorden of bij de nieuwe 
kerk, die trad in de rechten van die van Leiderdorp, werd in 1370 
ten gunste van St. Pancras beslist ^°) en ook deze kerk verkreeg weldra 
aanzienlijke giften van geloovige burgers, die haar bij testament 
of anderszins bedachten. 



i) Oork. Hoogl. Kerk (1365 en 1381). 

2) Oork. Hoogl. Kerk (1363, 1385 en 1388). Vgl. Pleyte, blz. 113: „hofsteden in die 
Waird binnen der vriheden van Leyden" (1343). 

3) Bonverdeeling 1404 en in de Accijnsrekening van 1399. Omstreeks 1390 (Stedeboek, 
fol. 319) worden naast de oude vierendeelen der stad genoemd: Burgstreng, een drietal 
nieuwe „vierendeelen", nog geheeten naar daarin wonende burgers : Trude Claes Jansz., 
Pieter Ghisebrechtsz., Ghisebrecht Engebrechtsz. vierendeel, en Marendorp; de laatstge- 
noemde vierendeelen zijn dan blijkbaar nog weinig bewoond. 

4) Van Mieris, Beschrijving, I, blz. 162. 

5) Oork. Hoogi. Kerk (1321). 

6) Orlers, blz. 104. 

7) Naar een copie van Jan van Hout, van een charter van 1365. 

8) 1356, in Reg. D der Hoogl. Kerk, p. 48. 

9) Oork. Hoogl. Kerk, gedrukt bij Matthaeus. 

10) De twist hierover in oorkonden van dit jaar. Zie ook boven, blz. 65. 



67 

In verband met een en ander onderging zij in dezen tijd een 
zeer aanzienlijke vergrooting, ja algeheele vernieuwing. In Februari 
1377 begon ï) de bouw der nieuwe monumentale kerk met hare 
machtige zuilen en vier jaren later werden vijf altaren gewijd en 
van het nieuwe koor de grondslagen gelegd 2). Nog omstreeks 1430 
werd er aan de kerk gebouwd 3). Ook bij deze kerk werden de 
grenzen der kerkhofvrijheid door roosters in de aangrenzende straten 
aang-ewezen. Zoo begon de nieuwe kerk die van St. Pieter naar 
de kroon te steken en verhief hare gothieke muren en vensters 
hoog in de lucht boven de huizen aan haren voet, het middel- 
punt van het nieuwe stadsdeel op het burchteiland. Hare 12 
kanunniken woonden er in de buurt ; deze kanunnikhuizen en 
het begijnhof op de Kerkgracht, het Lieve Vrouwengasthuis 4) 
op de Hooigracht, sedert 1403 op de Hooglandsche Kerkgracht, 
vormden in dit stadsdeel een aanzienlijk kerkelijk complex. 

Van weinig minder beteekenis was de tweede vergrooting, aan 
den kant van de Mare. 

Daar was reeds vóór het midden der 14de eeuw s) uit de am- 
bachten Leiderdorp en Oestgeest een nieuw ambacht Marendorp 
afgescheiden, blijkbaar ontstaan als een soort van voorstadje bij de 
voor het verkeer zoo belangrijke Rijnbrug aan de overzijde van 
den Rijn en aan de beide oevers der Mare, den ouden grensstroom 
tusschen de beide genoemde ambachten, welker grens aangegeven 
werd op 4 a 6 voet in het water, van de zijde van Leiderdorp 
gerekend 6). Van 1348 tot 135 1 komt hier een afzonderlijke schout 
van Marendorp, Jan die Vos, voor 7), die dan evenwel spoedig 
weder verdwijnt. 

Leiden nu deed omstreeks dezen tijd ook aan dien kant 
pogingen tot vergrooting. Gravin of keizerin Margaretha gaf reeds 



i) Nijh. Bijdr. 1.1., blz. 135. 

2) Ib. blz. 136/7. 

3) Vgl. b. V. Thes. rek. 1426. Men haalde toen mortel van het kerkhof ten Hogenlande 
voor den bouw der nieuwe Haagpoort. 

4) Ligtenberg, blz. 85 vlg. 

5) Grafelijkheidsrek. (1344/5), bij Hamaker, II, blz. 139 en 151. Oudtijds heette een 
deel van dit gebied tusschen Rijn en Mare : Lopsen (Oorkdb. I, no. 68). Zie boven, blz. 5. 

6) Charter van 1365 (copie Jan van Hout). 

7) Jan (die Vos) Vlaminxsoen, ook genoemd op blz 151 der Grafelijkheidsrekening als 
bedeschuldig aldaar (Oork. Hoogl. Kerk 1348, 1349, 1351). Hij zegelt met een ster, die 
Ook voorkomt in het wapen van zijn zoon Claes Jan Vosz. De Janvossensteeg heet 
naar hem. Vgl. Pleyte, blz. 113. 



68 

in 1347 O de vergunning, dat de stad hare vrijheid aan alle 
zijden met 200 (Rijnl.) roeden zou mogen verbreeden, mits met 
toestemming van de ambachtsheeren, in wier gebied die vermeer- 
dering zou vallen. In den rumoerigen tijd, die hierop volgde, 
schijnt de stad zich alvast in het bezit van eenig grondgebied te 
hebben gesteld, want in 1355 2) bevestigt Willem V haar in dit 
bezit, „als sy nu ter tijt begraven ende bevest hebben mit hoeren 
poerten" tot den „uyttersten cant van hoere graften" en dan nog 
tegen voldoening der rechthebbenden en met dezer toestemming. 

Zoo zien wij dan ook spoedig het gebied der stad niet alleen op 
het Rijneiland maar ook aan den noordoever der rivier aan beide 
zijden van de Mare uitgebreid over het terrein, thans ingesloten door 
de Oude Vest en den Rijn; aan de eene zijde tot de tegenwoor- 
dige Heerengracht, toen „stedeveste" genoemd, en de op het einde 
der eeuw reeds bestaande (oude) Zijlpoort aldaar, aan den anderen 
kant tot de nieuwe brug bij het Rapenburg, die wij reeds kennen, 
en den toren „Costverloren" bij de Noordpoort. Daar wordt reeds 
in 1357 de „Heerstrate" of „Grote straete in Marendorp" 3), thans 
Haarlemmerstraat, genoemd; aan den Rijnkant staan huizen; de 
„Jan Vos Steghe" 4), de „Kercsteghe in Maerndorp", de „Vrouwen- 
steghe", „Boudijn Louwenzoon steghe'* (1408), Beatrijs (Para- 
dijs) Wermbouts steghe (1388), ontstonden; de Korte en 
Lange Mare (1409) zijn al bekend; een „molenweer" of 
molenwerf, dus ook een molen, is er s) ; enkele huizen aan den 
ouden Marendijk worden gezegd „van ouds" tot de parochie van 
St. Pancras gerekend te zijn, voor zoover zij aan de zuidzijde van 
de houten „Maerenbrugge" 6) liggen; ook de „Donkersteghe" in 
het verlengde van de Groote brug, zeker een der oudst bewoonde 
gedeelten, komt voor, met name als gelegen bij de turfmarkt 7). 

Maar binnen die grenzen ligt ook hier nog menige landelijke hof- 
stede en menige „camp lands", ^) overblijfselen van den ouden 
landelijken toestand, die ook hier nog lang voortduurde. Hier had 
men nabij de „Kercstege in Maerndorp", d. i. de Vrouwenkerk- 



i) Van Mieris, Charterb. II, blz. 741. 

2) Ib. blz. 839. 

3) Oork. Hoogl. Kerk 1357, 1359. 

4) Ib. 1378. 

5) Ib. 1383, 1388 enz. 

6) Ib. 1401 : een brug bij de tegenwoordige Roomsche Kerk over de Mare. Vgl. 
Voogdijrekening der familie Blijf hier (1401). 

7) Oork. 1358 ; Keurb., blz. 96. 

8) Oork. passim 14de eeuw. 



69 

steeg, uitloopend op de „Grote Straet", een „veerhuis", waarvan 
de ligging niet bekend is maar dat natuurlijk gezocht moet worden 
aan den Rijn. Het veerhuis onderstelt een veer over den Rijn 
en dat dit er reeds in de 13de eeuw, waarschijnlijk in de nabijheid 
van de oude brug, de „antiqua pons", geweest is tot het overvoeren 
van zwaarder lasten dan de houten brug kon dragen, blijkt uit de 
vermelding in het oude grafelijke register van den tijd van Floris V 
van het „vehiculum seu verscip in Leyden" i) als leen van de heeren 
van Wassenaer, die dus hun veerhuis niet binnen de vrijheid maar 
daarbuiten hadden aan de overzijde van den Rijn. Dit leen komt ook 
later steeds voor onder de oude leengoederen van de Wassenaers. 
De bewoners hadden ook hier weldra behoefte aan een kerk, 
die, terwijl het bij Leiderdorp behoorende deel bij de parochie van 
St.Pancras werd gevoegd, als parochiekerk kon dienen voor het nieuwe 
stadsdeel bewesten de Mare. Reeds in 1364 werd daar een kapel 
gesticht aan den linkeroever van de Mare in het toen nog kerkelijk 
tot Oesteeest behoorende deel van Marendorp, met toestemming 
van de abdis van Rijnsburg, die in de parochie het bestuur uit- 
oefende 2). Die kapel werd nu losgemaakt van de parochie en 
de abdis gaf vergunning voor hare verheffing tot eene parochiekerk, 
die den i /den Augustus 1365 gewijd werd aan O. L. Vrouw 3). 
Deze kerk, hoewel spoedig ook, als iedere parochiekerk, met broe- 
derschappen en kapellen begiftigd, is echter, als in een aan- 
vankelijk v^'einig bevolkt en minder aanzienlijk stadsdeel gelegen, 
van minder beteekenis en bescheidener afmeting geweest dan de 
beide andere en wordt niet veel genoemd. Zij had een met een 
muur omgeven kerkhof en een bescheiden toren aan de „Grote 
Straet" 4). Men vertelde, dat bij den bouw der kerk, wegens de 
slapheid van den moerassigen grond, de omgehakte boomen van den 
hof van het Cathrijnengasthuis aan de Breestraat in den bodem 



i) Bijdr. en Meded. Hist. Gen. XXII. falz. 174- (1280-83). Een „Jans veer van Leyden' 
komt 1386 voor (Correctieboek, blz. 94)- Een tweede veer van de Wassenaers was Doedins- 
vereaan het einde van Doedinslane (bij de Haagsche Schouw, Van Mieris, II, blz. 182,356), die 
reeds 1317 genoemd wordt. Vgl. Oudste Leenregister Wassenaer op Twickel, fol. XIII; 
1358 behoort het aan de Duivenvoordes, een halve eeuw te voren uit Wassenaer gespro- 
ten (mededeelingen van den heer Bijle veld uit het Leenreg. Wassenaer op Twickel, fol. XIII). 

2) Van Mieris, Beschrijving, I, blz. 85. 

3) Matthaeus, Fundationes, in Anal. III, p. 430, uit het ms. van Henricus Thaborita ; 
Memoriale Pieterskerk (Leidsch archief). 

4) Wat Van Mieris, blz. 87, vermeldt over het koor, heeft betrekking op de Pieterskerk 
(vgl. Keurb., blz. 486); vgl. Prentverzameling Leiden, No. 2457 vlg., naar afbeeldingen uit 
de i6de eeuw en later. 



70 

„gewerkt", d. i. geheid waren om als fundament te helpen dienen ^). 

Een groot deel van het nieuwe terrein bleef nog lang onbebouwd, 
en men vond er nog vele „ledige erven" ^), menige „camp" lands, maar 
aan de „Grote Straet" of „Heerstraet" stonden vooral aan de 
Rijnzijde reeds vroeg huizen 3). Men had er op het einde der 
eeuw en in het begin der volgende verscheidene nonnenkloosters, 
of liever zusterhuizen van geringen omvang, in twee groepen te 
onderscheiden: St. Margrieten-zusterhuis achter de Vrouwenkerk, 
St. Ursula, St. Michiel, St. Cecilia en St. Agnes, ook in die om- 
geving ; in de Janvossensteeg, verder oostwaarts : Schagen en Rome 
of St. Hieronymus, later ook Abcoude, Al deze kloosters of klooster- 
vereenigingen, in dezen tijd van samenwonen (vooral van vrouwen 
als nieuwere begijnen) op de wijze der volgers van Geert de Groote 
ontstaan, vonden in dit nog onbezette stadsgebied gemakkelijk 
plaats. Hier stond ook sedert 1428 het St. Elisabethsgasthuis achter 
de Vrouwenkerk 4) en het Huiszittenhuis van St. Pancras 5), 

Het geheele terrein, in 1399 verdeeld in twee bonnen, Maren- 
dorp en Marendorp over de Mare, ^) werd besloten binnen 
een muur met torens en poorten, van welke laatste in dezen tijd 
de (oude) Zijl-, Mare- en Rijnsburger- of Blauwe of Lopsenpoort 
genoemd worden ; onder de torens in dezen muur wordt de toren 
„Dusentraet" vermeld. 

Waren aan de noordzijde zoo niet de 200 roeden breedte van 
keizerin Margaretha dan toch aanzienlijke gronden werkelijk ver- 
kregen, ook aan de zuidzijde werden zij later binnen het stadsgebied 
getrokken. In 1386 gaf namelijk hertog Albrecht aan de stad 
verlof 7) om zich „met muren ende singelgraften" te „singelen" op 
het terrein van Bartholomeus van Raephorst, ambachtsheer van 
Zoeterwoude, die daartoe ook zijn toestemming verleende en van 
zijn rechten afstand deed. De stad mocht daar nu „ter schepenen 
schattinge" het land onteigenen, van de Hoogewoerd af langs de 
„Naecte Sluyse" over de Vliet in den stadswal voorbij den Doelen. 
Eerst drie jaren later 8) waren belanghebbenden het omtrent de 



i) Van Mieris, Beschrijving, I, blz. 163. 

2) Vgl. b.v. de „ledige hofstede", genoemd in Perk. Rog. 5, 1390— 1401, p. 126 (Rijks- 
archief ). 

3) Oork. Hoogl. Kerk, passim. 

4) Ligtenberg, blz. 106 vlg. 

5) Ib. blz. 214. 

6) Accijnsrekening 1399. 

7) Van Mieris, Charterboek, III, blz. 444. 

8) Ib. blz. 520. 



71 

zaak geheel eens geworden en kon de stad opnieuw 3Ó Rijnlandsche 
morgens bij haar gebied voegen. 

De wijze, waarop dit geschiedde, is ons uit een uitvoerige op- 
teekening dienaangaande bekend ^). Het gerecht „keurde" de veel- 
begeerde „nuwe vryheit" den 23 April 1389, twee dagen reeds 
na de definitieve goedkeuring van den landsheer, op deze wijze. 
De nieuwe vest- en singelgrachten zouden loopen van den Rijn 
tot de „Leidsche Vaert" (Vliet) en van daar buiten de oude „ramen", 2) 
reeds in gebruik voor de lakennijverheid, langs den ook op de 
toenmalige singels gelegen ouden „Schuttersdoelen" 3) om tot het 
poorthuis „Costverloren", 4) de oude Noordpoort, die nu met dezen 
weldra aan den naasten toren in den stadsmuur afgestanen spotnaam 
als nutteloos werd aangewezen en spoedig werd afgebroken, terwijl er 
alleen een brug bleef 5). De afstand van den buitenkant der oude vest 
tot dien der nieuwe werd op 62 roeden bepaald ; de nieuwe vest 
zou hoogstens 5 roeden breed zijn, de vestgracht 5^/2, de daarop- 
volgende singel 4, de singelgracht daarachter H/2 roeden. Voor 
eiken geheel onteigenden morgen buiten de oude vrijheid werd 
80 pd. aan den eigenaar betaald; binnen de oude vrijheid bood de 
stad den eigenaar 100 pd. per morgen ; voor het graven der grachten 
werden aan de eigenaars renten op huizen en erven binnen de stad 
of anders 18 pd. kapitaal voor ieder pond rente toegestaan; voor 
de onteigening ten behoeve van straten en grachten werd 20 pd. 
voor elke hont (V5 morgen) gegeven ; straten en grachten zouden 
minstens 5 roeden, dwarsstraten slechts 2 roeden breedte mogen 
hebben. 

Wederom drie jaren later vinden wij de overheid bezig met het 
doen graven der singel- en vestgrachten ; met de uitgedolven aarde 
werd de Rijndijk buiten de stad versterkt ^). Eerst langzaam vor- 
derde het werk, dat in 1426 nog niet was afgeloopen 7). Wel 
worden Hoogewoerd, waar reeds vroeger huizen stonden, s) en 
Levendael in 1399 als nieuwe stadsdeelen genoemd, maar het 
„nieuwe lant" schijnt toen nog zoo goed als onbebouwd te hebben 



1) Stedeboek, fol. 291 vlg. 

2) Gelegen omtrent den tegenwoordigen Hortus naar de zijde van den Yliet, op de 
toenmalige singels. Vgl. Posthumus, blz. 64. 

3) Dit oude Doelenhuis werd in 1426 afgebroken (Thes. rek.). 

4) Men had hier in 1402 een scheepstimmerwerf (Stedeboek, fol. 2). 

5) Keurboek 1450, blz. 224: „de nuwe brugghe, dair die Noertpoort plach te staen". 

6) Stadsrekening 1392. 

7) Stadsrekening 1426. 

8) Oork. Hoogl. Kerk (1360). 



72 

gelegen; eerst in het nieuwe keurboek van 1406 i) werd op dit 
terrein de bouw van eenige nieuwe straten en grachten geregeld 
en zelfs op het Rapenburg werd nog in 1429 druk getimmerd ^). 
Er werd een gracht gemaakt van den Rijn naar de Leidsche vaart 
(Vliet): de Steenschuur, tot nogtoe stadsvest maar van nu af gewone 
gracht, en de Koepoortsgracht, met bepaling dat de erven aan de 
overzijde van de oude stadsvest 1 2 roeden lang zouden zijn. Twee andere 
grachten werden nog van het Rapenburg naar de nieuwe vest ge- 
maakt, n.1. de latere Cellebroersgracht, waar zich in 1426 de barm- 
hartige Alexianen of Cellebroeders „in 't Nuwelant" vestigden, sjen 
de Groenhazengracht als verlengde van de Vollersgracht bij het 
oude Lombardenhuis aan de andere zijde, daartusschen de 
Doelensteeg bij „heer Aelwynsbrugge" over het Rapenburg; in 
deze buurt kwam vóór het midden der 15^^ eeuw het aanzienlijke 
klooster der Jacobinessen of Witte Nonnen, naar men wil gesticht 
door de weduwe van hertog Albrecht. Allengs vulde zich ook dit 
terrein met huizen en erven. Van denzelfden tijd dagteekent de 
geregelde bebouwing van de beide oevers van de Mare tot de Mare- 
brug binnen de poort. 

Nog in 1410 wordt bij de bonverdeeling geen melding gemaakt 
van het stadsdeel tusschen de Naakte Sluis (over de Vliet) 
en den Rijn ; wel van dat tusschen Hoogewoerd en Vliet, dat in 
één bon wordt begrepen 4). De „Haghe" of „Nieuwe", later 
ook „Witte poort" s) aan het nieuwe Noordeinde verving de oude 
Witte of Noordpoort aan het noordeinde der Breestraat ; de Koepoort 
en Hoogewoerdspoort verrezen in den nieuwen stadsmuur, waar- 
aan in dezen tijd voortdurend gebouwd werd, niet het minst door 
hen, die door het gerecht veroordeeld werden tot het leveren van 
steenen voor dien blijkbaar nog steeds niet voltooiden muur. 

Zoo had dan op het einde der 14de eeuw de stad Leiden den 
omvang, dien zij langer dan twee eeuwen zou behouden, de voor- 
loopig veelte groote terreinen langzamerhand opvullend met grachten 
en straten onder toezicht der overheid, die het oog hield, behalve 
op de behoorlijke inrichting dier nieuwe stadsdeelen, op de zorg, dat 



i) Keurboeken, blz. lo. De datum is onbekend, waarschijnlijk even na 1400. 

2) Ib. blz. 471. 

3) Yan Mieris, Beschrijving, I, blz. 134. 

4) Stedeboek, fol. 237. 

5) Pleyte onderscheidde de „Witte Poort" aan het einde der Nonnesteeg, die even- 
wel nooit bestaan heeft, van de „Haghe Poort" in het Noordeinde, ook later Witte Poort 
genoemd. Ten onrechte, vgl. Thes. rek. 1426/7 en Pleyte, blz. 11 1, waar blijkt, dat de oudste 
Witte poort de Noordpoort moet geweest zijn. 



7?> 

de stad niet werd verontreinigd en de tallooze straten, stegen, 
grachten en houten bruggen behoorHjk door bewoners of aan- 
wonenden werden onderhouden. Dat laatste melden ons de keur- 
boeken met hare reeds uit dezen tijd, de tweede helft der 14e eeuw, 
dagteekenende talrijke bepalingen, die handelen over het verbod van 
het hebben van verontreinigende „stillen" op den kant van der 
stede vesten of grachten i) ; over het werpen van vuilnis in de 
grachten of voor eens anders woning of op de kerkhoven, waar 
men ook geen stinkende vellen mocht ophangen noch beesten 
mocht toelaten ; over het eerbiedigen der schoeiingen en van de 
bepaalde straatbreedte, die ook niet door luifels of andere uit- 
steeksels hinderlijk mocht verminderd worden ; over het onbehoorlijke 
plaatsen van mestvaalten op den kant van het water; over het 
houden van varkens, die men voortaan alleen mocht hebben in een kot 
of binnenshuis óf op zijn „hiemwerf '. Er is in 1407 zelfs een stadsreini- 
ger, die met een bootje en een kruiwagen het vuilnis weghaalt 2). 
Uitgebreide voorzorgsmaatregelen werden ook genomen tegen 
brandgevaar, zoo te vreezen bij de talrijke houten huizen en 
„cameren" en blijkens de beide groote branden 3) der 14de 
eeuw soms zeer noodlottig. Op de rieten daken, de schoor- 
steenen, de hooibergen, de ovens en eesten werd scherp 
toezicht gehouden, zoo ook op het werken bij kaarslicht. Als er 
brand „gheuut" was, wat op het teeken van den wachter 4) op den 
toren door het luiden van de brandklok geschiedde, moest men 
uit alle bonnen lederen brandemmers, haken en ladders voor het 
stadhuis brengen en werd onder leiding der „hoeftmans" van de 
bonnen het blusschingswerk aangevangen, waarbij zorgvuldig ge- 
waakt werd teo-en diefstal en twist. Steeds nauwlettender werd de 
zorg voor brandgevaar, waarvoor de stad in 1434 verdeeld was 
in 18 hoofdmanschappen of „hoefslagen", waarbij de geheele be- 
volking was ingedeeld s) straat voor straat en huis voor huis, 
gelijk ook het geval was voor het onderhoud der voor openbaar 
verkeer bestemde bruggen, het „biten" der grachten bij ijsweer in den 
winter enz. Voor de veiligheid werd overdag en 's nachts zorg gedra- 
gen door geregelden waakdienst in de straten, waarvoor ieder op 
zijn beurt werd aangewezen. Niemand mocht 's nachts op straat 



i) Keurboeken, No. 3, 1406 en Appendix. 

2) Stedeboek, fol. 244. 

3) Zie boven, blz. 60. 

4) Genoemd in de Stadsrekening van 1434- 

5) Stedeboek, fol. 224. 



74 

komen dan „mit ghelichte lantaerne" en zonder ander wapen dan hij 
des daags „an sijnre side" placht te dragen ; ja, na de tweede nachtklok 
(des avonds ± 9 uur) mocht niemand op straat komen ; „overdaet bi 
nachte" werd streng gestraft; vermomming was scherp verboden, 
ook al diende zij alleen voor „dansinghe ende wanderinge" ; 
niemand mocht de brandklok luiden dan op bevel der overheid. 

Binnen die thans 108 ^) morgens, met de singels, vesten en 
grachten mede 132 morgens, groote stad was de bevolking aan- 
zienlijk toegenomen. De drie vergrootingen binnen de eeuw 
wijzen daarop en de talrijke bepalingen over de lakenbereiding in 
de tweede helft der eeuw geven tevens blijk, welke oorzaak tot 
die vergrootingen aanleiding had gegeven : de ontwikkeling der 
lakennijverheid 2), Hoe groot de bevolking der stad omstreeks 1400 
moet geweest zijn, is niet volkomen juist aan te geven 3). Als men in 
het oog houdt, dat de nieuwe gedeelten, ten minste Marendorp 
en het Nieuwland buiten het Rapenburg, nog zeer weinig bewoond 
waren, al was blijkens de behoefte aan uitbreiding de oude stad 
toen overbevolkt naar de toenmalige verhoudingen, dan zal men 
niet verder dan tot een getal van eenige weinige duizenden, hoog- 
stens 5000, kunnen geraken 4). 

De stadsvrijheid hield op met den „uutcant" van de singelgracht, 
zooals Albrechts privilege van 1386 bepaalde. Dit privilege stelde 
eveneens vast, dat geen huis mocht staan binnen 50 roeden van 
de vest ; alle huizen binnen die ruimte werden alzoo afgebroken s) 
en buiten de stad was dan ook voorloopig niets dan weiland, dat 
men kon bereiken over „draaiboomen" of de enkele houten poort- 
bruggen. Op het einde der eeuw verhief zich even buiten de Witte 
Poort reeds het Lazarushuis voor de „ellendige" melaatschen, de 
„uutgheseten siecken", waarvan in 1390 melding wordt gemaakt 6) 
en die men niet gaarne in de stad zelve toeliet uit vrees voor de 
besmettelijkheid dezer vreeselijke plaag. Van buiten gezien ver- 



1) Vgl. Oriers, blz. 47. 

2) Posthumus, blz. 39 vlg. 

3) Vgl. over dergelijke schattingen: Bücher, Die Bevölkerung von Frankfurt lm Mittel- 
alter I, S. 14 ff.; Eulenburg, in Zeitschr. für Sozial- und Wirtschaftsgesch. III, S. 424 
ff.; Posthumus, blz. 371 vlg. 

4) Dat strijdt ook niet met de opgave in 1418 omtrent een krijgstocht met de geheele 
strijdbare mannelijke bevolking naar den Haag, waarvan een uitvoerige rekening ten 
archieve aanwezig is en het geheele getai der uitgetrokkenen op 650 man gesteld mag 
worden. In 1574 telde de stad tijdens het beleg 12000 inwoners. 

5) Keurboeken, blz. 4 en 117. 

6) Pleyte, blz. 108; Ligtenberg, blz. 125 vlg. 



75 

toonde zich dus de stad als een met min of meer zwaar muurwerk 
en meer dan 25 torens ^) voorziene vesting, waartoe alleen de zes 
voor de verdediging ingerichte, ook door torens geflankeerde, met 
slagboomen over de nauwe doorgangen =) gesloten en zonder vensters 
maar met schietgaten („musiergaeten") prijkende poorten toe- 
gang gaven. 

Maar in 1403 vermeerderde Albrecht reeds weder de stadsvrij- 
heid aan de zijde van Oestgeest — en wel op verzoek van de 
CToede geestelicke luden" der stad — van den Rijndijk tot den 
Marendijk ter breedte van 72 roeden langs den Rijndijk, 100 langs 
den in 1396 door Rijnland gemaakten „nuwen wech" naar Oest- 
geest, en 90 langs den Marendijk, tot waar de parochiën van Oestgeest 
en O. L. Vrouw elkander raakten 3). Dit is blijkens de aanvrage 
met toestemming van den burggraaf Philips van Wassenaer, am- 
bachtsheer van Oestgeest, geschied om het reeds in 1400 4) bestaande 
klooster Lopsen of St. Hieronymusdal en het zusterhuis St. Maria 
Magdalena, vlak buiten de Rijnsburgerpoort s), waartusschen die 
„nuwe v/ech", de voortzetting van Marendorp's „Grote straet", toen 
al liep, met hunne goederen binnen de stad te trekken. Verder is 
evenwel de stadsvrijheid eeuwen lang dezelfde gebleven, in hoofd- 
zaak besloten binnen de singelgrachten. 

De bepaling van het privilege van 135 1 ^), dat binnen 2V:! mijl 
van de stad niet anders mochten staan dan „slechte" huizen van 
hoogstens 1V2 steen dikte, belette het oprichten van burchten in 
de onmiddellijke nabijheid der stad, die met vrees dikwijls uitzag 
naar de kasteelen Ten Zijl en Te Waard, dicht bij elkander onder 
den rook der stad gelegen, het eerste bij de scheiding van Zijl 
en Rijn aan de voor het verkeer belangrijke Zijlbrug 7), het laatste 
schuin daartegenover op het Rijneiland 8). 

Minder gevaarlijk was het huis De Mij, iets verder aan den 



i) In de stadsrekeningen vermeld. 

2) Die door de Hoogevvoerdspoort werd in 1426 verbreed om er wagens door te kun- 
nen laten gaan (Thesauriersrek). 

3) Van Mieris, Charterb. III, blz. 783/4 ; Stedeboek, fol. 259. De stad moest een steenen 
brug maken over de wetering in dien weg. 

4) Thesauriersrek. 1400. 

5) Ongeveer waar nu de Beestenmarkt is. Zie boven, blz. 5 en 67. 

6) Van Mieris, Charterb. II, blz. 807. 

7) Vgl. de verklaring, dat van ouds niet Leiden voor het onderhoud daarvan heeft te 
zorgen maar Rijnland (1407), in Stedeboek, fol. 71. 

8) Vgl. over die huizen: Dozy, Leiden's omgeving, blz. 9 vlg. De beide huizen werden 
in 1426 tijdens den burgeroorlog door de stad afgebroken (Stadsrek.) 



76 

Rijn, het nog verderop achter Leiderdorp gelegen huis Ter 
Does, het daartegenover gelegen Swieten, het bij Koudekerk gele- 
gen Groot-Poelgeest ^), bekend door de ongelukkige Aleida, met 
de ridderhofstad Klein-Poelgeest, het kleine versterkte Rodenburg 
aan de wetering van dien naam, Oud-Poelgeest ^) aan de Mare, 
de Teylingsche kasteelen Warmond en Teylingen 3), Oud-Alke- 
made 4) verderop naar de duinstreek toe. 

Het kleine burggrafelijke Podikenpoel bij de Poelbrug aan den 
„nieuwen weg" naar de Geest werd in 1393 tijdens den burger- 
krijg na den moord op Aleida vernield maar spoedig herbouwd ; 
Endegeest was evenals Boshuysen en Keubel aan den Rijndijk vlak 
buiten de Witte Poort en het verderop gelegen Ter Wadding 
waarschijnlijk slechts een min of meer versterkte ridderhofstede. 
Aan den grooten weg langs het duin naar Den Haag had men 
dan ook toen reeds de in het duinbosch verscholen huizen 
Santhorst en Raephorst 5) en naar de zijde van Voorschoten de 
verdere Wassenaersche duinkasteelen : 6) behalve het oude kasteel 
Wassenaer, waarvan de ligging niet vast staat, Zuidwijk, Duiven- 
voorde, Rosenburg en Ter Horst, van meer belang dan de kleine 
misschien toen reeds eenigszins versterkte ridderhofsteden aan en bij 
de Vliet: Ter Lips, Roukoop, Adegeest, Wouters erve (Cronesteyn) 
en Berendrecht bij de Lammerbrug. Bij Katwijk eindelijk het be- 
langrijke Wassenaersche kasteel ten Zande; bij Noordwijk de 
oude ridderhofstede Offem. 

Zoo was Leiden's omtrek in de 14.^^ eeuw reeds, behalve met 
gewone boerenhoeven, met een aantal kasteelen of kasteeltjes en 
versterkte ridderhofsteden bezet en begonnen ook enkele kloosters 
zich er te verheffen naast de oudere van hoog aanzien en rijke 
bezittingen, de beroemde abdijen van Rijnsburg en Leeuwenhorst, 
die evenals het nog aanzienlijker klooster van Egmond menigen 
morgen gronds bij de stad den hunnen konden noemen in een der 
drie ambachten Zoeterwoude, Leiderdorp en Oestgeest, die de stad 



i) Vgl. daarover Regt, De burcht Groot-Poelgeest en de ridderhofstad Cleijn-Poelgeest 
in Leidsch Jaarboekje, 1907, biz. 93 vlg. 

2) Bijleveld in Leidsch Jaarboekje, 1907, blz. 75 vlg. 

3) Vgl. daarover mijne studie in Leidsch Jaarboekje, 1905, blz. 103 vlg. 

4) Bijleveld, 1.1. blz. 76/7. 

5) Over deze duinkasteelen: Haagsch Jaarboekje, 1902. 

6) Obreen, Geschiedenis van het geslacht van Wassenaer, blz. 4 vlg.; Jluller, in Bijdr. 
en Meded. Hist. Gen., dl. XXII, blz. 304 vlg. 



77 

omringden en van welke het laatste verreweg het geringste was i). 
Het klooster Engelendaal onder Leiderdorp, dat op het einde der 
eeuw door de Regulieren gebouwd werd, was weldra een aanzienlijk 
gesticht, dat met zijn uitgestrekte gebouwen een rijken indruk maakte. 

De stad had op die omgeving voortdurend het oog. Zij trachtte 
reeds in 1352, in de eerste periode van de twisten, die men de 
Hoeksche en Kabeljauwsche noemt, het kasteel Poelgeest te doen 
afbreken en kreeg op het einde der eeuw en tijdens den burger- 
oorlog in de latere dagen van hertogin Jacoba werkelijk de ver- 
nieling van een paar dier kasteelen in hare onmiddellijke omgeving" 
gedaan. Zij zorgde ook in haar eigen belang en dat harer nijvere 
en handeldrijvende bewoners voor het onderhoud der naburige dijken 
en wegen, al hadden het hoogheemraadschap Rijnland of de na- 
burige dorpen dit in de eerste plaats te doen 2). Vooral de in 1325 
van Zwammcrdam tot Katwijk aanzienlijk verbeterde en verhoogde 3) 
Rijndijk en de beteugeling van het woelende water van het Leid- 
sche meer ging haar zeer ter harte ; weinig minder de ver- 
keerswegen, zooals de weg van het kasteeltje Podikenpoel tot 
aan de Geest, die volgens grafelijke uitspraak door de dorpen 
Naaldwijk, Noordwijkerhout, Katwijk, Valkenburg, Oestgeest, Sas- 
senheim, Hillegom en Voorhout in 1395 moest worden „gespeckt", 
d. i. met rijshout, zand en zoden voorzien, ten einde den toegang 
naar Leiden in den winter goed te houden 4). 

Van hoe menigen verw^oestenden watervloed is geen bericht tot 
ons gekomen! Eerst uit de \2^^ en 13de eeuw hebben wij dienaan- 
gaande eenige zekerder berichten S). Voor dezen omtrek weten wij 
iets naders uit Januari, Maart en October 1374, Maart 1375 en 
herfst 1376, toen bij zwaren storm de gansche zeekust opnieuw 
deerlijk werd geteisterd ^), de dijken, zelfs de groote Vriezendijk, 
die „principalis agger totius Hollandensis patriae", en met hen 
tallooze morgen vruchtbaar land verzwolgen werden, toen een groot 



i) Het was in 1399 met het ambacht Poelgeest onder één dingbank gebracht, omdat het 
zoo achteruitgegaan was, dat twee dingbanken niet bezet konden worden. Ook het schot 
werd er verlicht (Van Mieris, Handv., blz. 753). 

2) Vgl. Van Mieris, Handv., blz. 617. In 1424 (Stadsrek.) werd in overleg met Haarlem, 
Gouda en Oudewater de Goudsche sluis hersteld en voor den Rijndijk gezorgd, het laat- 
ste samen met de boeren. 

3) Oork. Rijnland (archief Rijnland . 

4) Register Albrecht (Rijksarchief, fol. 59. Over „specken" vgl. Schiller und Lubben, 
Mittelniederd. Wörterbuch, i. v. 

5) Vgl. mijne Geschiedenis, I, blz. 313 vlg. ; een zware watervloed was ook die van 1322 
iWilhelmus Procurator, ed. Pynacker Hordijk, p. 100,, die in het bijzonder deze streek teisterde. 

6) Nijh. Bijdr. N. R. VI, blz. 131 vgl.; Phil. de Leyden, p. 257 en 261. 



78 

deel van den veestapel en een aantal menschen het leven verloor, 
onder hen de aanzienlijke edelman Philips van Tetrode, die in het 
volle harnas tusschen Lisse en Sassenheim van zijn paard viel en 
in den woesten stroom verdronk. 

Van den watervloed van Maart 1374 wordt vermeld, dat „de 
oudste menschen" zich zoo iets niet herinnerden en dat hij eerst 
na drie maanden geheel geweken was ; van dien van October, dat 
het water een halven voet hoog het land bedekte en men „met 
scuten varen mochte over 't velt." Een groote menigte menschen, 
voor het water en ook uit vrees voor Utrechtsche invallen binnen 
Leiden gevlucht, overleed aan buikziekten ^) ; van dien van Maart 
van het volgende jaar lezen wij, dat het zeewater, de „soute vloet," 2^ 
wederom in den geheelen omtrek bijna even hoog over het land liep. 
Het gansche land geraakte in de uiterste ellende ; de landsregeering 
was radeloos en werd niet meer gehoorzaamd ; roovers plunderden 
ongestoord op velden en wegen, zich verbergend in het riet en de 
bosschen ; een vreeselijke duurte, gepaard met de deerlijke gevolgen 
van muntverzwakking, trad in ; noodlottige epidemieën volgden, 
vooral in 1369 en 1381, toen ongehoord zware pestziekten in het 
eerste jaar niet minder dan 3000 menschen, vooral jongelieden en 
zwangere vrouwen wegsleepten 3) en in het tweede in den herfst 
dagelijks 9 tot 12 en meer in de stad aan een ernstige builenpest gestor- 
venen moesten begraven worden. 4) De aardbevingen van 1346 en van 
21 en 23 Mei 1382, die ook te Leiden gevoeld v/erden, zullen toen- 
maals ook wel als slechte voorteekenen beschouwd zijn, evenals de 
komeet van den herfst van 1376 dien indruk maakte. 

Dat onder dit alles de poelen en plassen in den omtrek van de 
Leidsche-, Spiering- en Haarlemmer meren heel wat last veroorzaakt 
moeten hebben, is wel aan te nemen maar zeer moeilijk nader aan 
te wijzen, daar ons de gegevens ontbreken om voor dien tijd den 
toestand dier wateren en hun omvang eenigszins nauwkeurig na 
te gaan 5). Zooveel is wel zeker, dat de lage Marendijk geen water- 
keering van groote beteekenis kan geweest zijn, ^) evenmin als de 
Morschdijk op den rechter Rijnoever, maar dat de oude Wendel- 
dijk, die van de zuidzijde van het Leidsche meer met zeven sluizen 



i) „Hemeria seu dissenteria ex frigore aquarum contracta" (Nijh. Bijdr. 1.1., blz. 133). 

2) Matth. Anal. III, p. 276. 

3) Nijh. Bijdr.. 1.1., blz. 128. 

4) ib. blz. 138. Een dergelijke zware pestperiode was die vani3i5 — 7 (Wilh. Procurator, 
p. go) en de bekende van 1350. 

5) Vgl. in het algemeen : Ramaer, De omvang van het Haarlemmermeer (Amsterd. 1892). 

6) ib. blz. 180. 



79 

zich tot naar Amstelland slingerde, de groote watcrkeerder van deze 
streken mocht heeten ; i) bij zijn onderhoud had ook de stad Lei- 
den veel belang, gelijk in het algemeen bij alle maatregelen, door 
het hoogheemraadschap Rijnland tegen den waterlast genomen. 
En wat de Wendeldijk naar het Noorden was, was naar het Zuiden 
de Zijdwinde, die Rijnland als „landscheiding" van Delf- en Schie- 
land diende. Daartusschen liep dan de overoude, omstreeks 1325 
aanzienlijk verbeterde Hooge Rijndijk langs de rivier. Een der 
merkwaardigste berichten dienaangaande is wel dat van 1404. 
toen een commissie werd belast met het onderzoek „om te 
weten, off die Ryn in see mochte wahren by Catwijck" en daar- 
voor herhaaldelijk „met pypen, waterpassen enz." heen en weder 
reisde 2). 

Wij vinden dan ook Leiden in den eerstvolgenden tijd herhaal- 
delijk met dijk- en polderbestuur in aanraking, al had de stad 
nog niets te zeggen in de grafelijke of „ Vroen-" meren, zooals men 
het gansche in de 14de eeuw door de grafelijkheid verpachte meren- 
complex, de veen- en waterrijke wildernis ten Noorden van haar 
gebied noemde 3); niet zij maar haar burggraaf bezat het vis- 
scherijrecht op den Rijn van Zwammerdam tot Katwijk, benevens 
uitgebreide venen („Burggravenveen") in zijn spaarzaam bewoond 
ambacht de Vennep 4), waarvan het hooi opleverende eiland van 
dien naam tusschen de Leidsche en Haarlemmer meren het mid- 
delpunt was. 

Zoo lag dan het omvangrijke maar nog slechts door eene kleine 
bevolking bewoonde stadje Leiden omstreeks 1400 midden in het 
reeds rijkbebouwde vlakke Rijnland, welks hoofdstad het mocht 
heeten, welks middelpunt van marktverkeer het in ieder geval was. 
Als zoodanig en als zetel eener snel opgroeiende lakenindustrie 
kon het gelden als een der belangrijkste steden van het in de 
14de eeuw tot hoogen bloei zich opheffende Holland. 

i) Fruin, Verspreide Geschriften, VI, blz. 185 vlg. 

2) Extract Rek. Van Alphen, D. 54 n". i (Leidsch archief). 

3) Ramaer, blz. 200 vlg. 

4) ib. blz. 194 vlg. 



HOOFDSTUK IV. 

De stad en haar burggraaf. 

In het laatste gedeelte van de 13 de eeuw was, zooals wij boven 
zagen ^), het burggraafschap te Leiden in het bezit van het geslacht 
van Kuik en v/el van Dirk van Kuik, die zelf nog in 1253 voor- 
komt; zijn zoon Hendrik (1266) is 2) schoonzoon van heer Willem 
van Egmond, wiens dochter Halewina hij gehuwd had 3). Sedert 
1280 komt Hendrik voor als ridder — edelman in het ^enot der o-e- 

o o 

volgen van den ridderslag, den „knape" door een aanzienlijk ridder 
gegeven — een enkele maal nog met den titel „castellanus", of 
„chastelayn", meestal met dien van „burchgravius" of „borchgrave van 
Leyden", als een der aanzienlijkste edelen des lands en tot 13 15 toe 4). 
Hij behoorde met zijn schoonvader, met heer Dirk van Brederode en 
den abt van Egmond tot de aanzienlijken, die na den moord op Floris 
V naar Engeland werden gezonden om den zoon van den vermoorden 
graaf, den jongen Jan I, naar Holland te brengen s). Hij was er nog 
in Januari 12976) en keerde waarschijnlijk op het einde dier maand 
met den jongen graaf terug. Hij zegelt met een balk op een drie- 
hoekig schild, het oude wapen blijkbaar van de Leidsche burg- 
graven 7). 



i) Zie blz. 18. 

2) Oorkdb. II, No. 151, 152; Nal. No. 41. 

3) ib. No. 314. 

4) ib. No. 168, 285, 314, 321, 386, 567, 571, 829, 842, 975, 999, 1016, 1077; Van 
jyiieris, II, blz. 17, 57, 114, 115, 116, 122. 123, 133. 148. 

5) Wilhelmus Procurator, p. 50; Beka, ed. Buchelius, p. loi. 
6, Oorkdb. II, n° 975. 

71 Want dat van Kuik is het niet. Het is voorhanden in het archief van het hoogheem- 
raadschap Rijnland, aan het stuk van 1310, bij Var Mieris, Charterb., II, blz. 116 gedrukt. 



8i 

Na heer Hendrik, die in Januari 1319 overleed i), treedt in 1320 
zijn zoon Dideric, Dieric of Dirk op, dan eveneens reeds ridder 
en aanzienlijk edelman, een van „'s Borchgraven kynder van Ley- 
den", die genoemd worden in een schenking van Willem van 
Egmond 2). 

Wie de andere „kinderen" van burggraaf Hendrik waren, is 
wel aan te wijzen onder de personen, die, als behoorende tot het 
burggrafelijk geslacht, in dezen tijd voorkomen. In Van Heelu s 
beroemd gedicht over den slag bij Woeringen (1288) wordt 
bij het „conroet", de legerbende, die aan Brabantsche zijde streed 
onder de banier van heer Jan van Kuik, wel met eere genoemd 
„Van Leiden her Herman" 4), maar overigens is van dezen niets 
bekend. In een lijst van krijgskosten en soldijen van HoUandsche 
ridders, die met Willem III in 13 15 een krijgstocht in Vlaanderen 
deden 5), komt echter behalve „monseigneur Thery (Thierry) de 
Leyden/' onzen Dirk, ook voor „Jehan de Leyde" of „de Leydem'', 
en wel met bijvoeging „pour Ie castelein de Leyden," namens 
wien, daar deze blijkbaar te oud was om nog uit te trekken, hij 
38 man aanvoerde; maar bovendien „Willem de Leyden" (Leydem), 
met 40 man. Van deze twee is Willem zeker een broeder van 
Dirk geweest ^) maar vóór hem gestorven, blijkbaar zonder na- 
komelingschap. Van Jan van Leyden 7) is de verwantschap niet zoo 



1) Necrologium Egmund., bij Van Wijn, Huisz. Leven, II, blz. 93; zijn dochter was 
Ada, in 1316 abdis van Rijnsburg (Wilhelm. Procurator, p. 93). 

2) Van Mieris, II, blz. 117. Reeds in 1305 schijnt hij zonderlingerwijs als „burchgravius 
de Leydis" voor te komen, ib. blz. 48. 

3) Vs. 8279 vlg., uitg. Willems. 

4) Bij Lodewijk van Velthem, Spiegel Historiael, uitg. De Yieese en Van der Linden, 
Bk. III, hoofdst. 18; daar uit de bedorven vroegere lezing: „ende van Leiden Hertwyn." 

5) Van den Bergh, Gedenkstukken (Leiden, 1842), blz. 107 vlg., met name blz. iio, 
116, 118, 123; Wilhelmus Procurator, p. 89. 

6) Hij treedt in 1309 op als voogd van Beatrijs van den Doertoghe (Reg. Hann., blz. 30), 
in 1316 als borg voor den heer van Putten (Van Mieris, Charterb. III, blz. 148) en is in 
1317 nog „armiger,'' knape (ib. blz. 184); 1309-1331 is hij gehuwd met „Ver Badeloge" 
(II, blz. 385). Deze Badelog was eene Van den Doertoghe (Regestenlijst Rotterdam, n° 197). 
Hij was tot zijn einde gezeteld op het huis ten Zande te Katwijk, dat hij „rumede mitter 
doet," vgl. Van Mieris 1.1. en Obreen, Het geslacht van Wassenaer, blz. 19. — Wie de 
Imme van Leyden is, die in 1307 voorkomt als begijn te Delft (Regestenlijst Rolterdrm 
n° 185), zal moeilijk na te gaan zijn. 

7) Hij is misschien ook dezelfde als de op een andere plaats in dezelfde rekening (blz. iio 
en 122) aan het hoofd van 31 man genoemde Jehan van Steenvoerde, die in 1304 ge- 
noemd wordt, zie boven, blz. 29 en 50. Hij en zijne nak cmelingen toch zegelen met een wapen, 
waarin de burggrafelijke balk, en zijn dus wellicht uit het burggrafelijke geslacht gesproten, 
misschien uit het oude. Zij droegen den naam Van Leyden als geslachtsnaam. 



82 

duidelijk ^). Bovendien was er nog een dochter, Bertha, gehuwd 
met heer Dirk van Wassenaer 2). 

Deze burggraaf Dirk nu heeft met het burggraafschap zonderling 
omgesprongen. Daartoe behoorden allerlei rechten en bezittingen ; 
uit allerlei tijden zijn verschillende lijsten tot ons gekomen, die 
een gewenscht licht verspreiden over den aard van het burggraaf- 
schap en zijne beteekenis omstreeks 1300. De oudste dezer lijsten dag- 
teekent van het midden der 14de eeuw en kan daarom als van 
het hoogste belang voor deze zaak geacht worden 3). De lijst be- 
schrijft „tgoet, dat die burchgraefscap van Leyden plach toe te 
horen vanden ouden haercomen", en dus ongetwijfeld het 
leengoed zooals het onder de Kuiks geweest is. 

Op die lijst staat allereerst, dat de burggraaf „plach toe setten ende 
noch doet" den schout te Leiden, „die hi selve kiest als hi wil", en op 
St. Jacob (25 Juli) de acht schepenen, die hij beëedigtof doet beëedi- 
gen 4). Hij heeft er den tol, die in 1285 genoemd wordt en door een 
„tolnare" wordt geïnd s) en deelt in de „bottinghe van tween jaren int 
derde," de eenige oude last, die op de poorters was blijven drukken en 
waarin zijn aandeel jaarlijks i pd. bedroeg ^). Verder bezat hij 
hofsteden in den Burgstreng (d, i. vlak bij den burcht aan diens voet) 
en in Marendorp, oorspronkelijk wel grafelijke hofsteden, hem en 
den zijnen gelijk de zoo even genoemde zaken tot zijn onderhoud 
als burggraaf afgestaan, evenals een aandeel in het schot van 
Marendorp (21 sch.) en een molen aldaar; zoo ook een andere 
molen, de „Gallghe molen" genaamd; verder de waag-, elle- en 
botermaat te Leiden, dus oorspronkelijk grafelijke marktrech- 
ten 7). Te Oestgeest bezat hij als burggraaf op dezelfde wijze 



i) In 1331 leeft hij nog, gehuwd met „Vare Badeloge" (Van Mieris, III, blz. 520). Hij 
was later kanunnik van St. Piefer te Utrecht (ib. blz. 535). Of is dit een ander? 

2) Obreen, blz. 18. De meening van Muller, in Bijdr. en Med. Hist. Gen., blz. 311, is 
onhoudbaar blijkens het bij Obreen gedrukte stuk. 

3) Zij is bewaard in een handschrift van het archief op den huize Twickel, geheeten 
Leenregister van Wassenaer A. A., 1312— 1383, fol. X en XI. Ik dank de kennis daarvan 
weder aan den heer Bijleveld. 

4) Zie boven, blz. 26 en 28. Dit zijn de daar genoemde „judex castellani" of „scultetus", 
in 1306 „rechtere" geheeten, en de „octo jurati"' of „scabini" van 1266. 

5) Oorkdb. II, no. 567; Van Mieris, Beschrijving, II, blz. 394. 

6) Tegen dat van den graaf 40 sch. of 2 pd., samen dus beneden wat de stad daaraan 
hoogstens in het geheel had te betalen. Zie boven, blz. 25. 

7) Ook markttol op de jaarmarkt (Van Mieris, 1.1.). 



83 

„die woninghe", ^) d. i. wel het huis van den ambachtsheer, met 
25 morgen weideland en 6 morgen geestland, benevens 40 sch. 
uit de bottinge aldaar, 16 sch. aan „tijns", 2) een kleine blaf- 
tiende 3), lammer- en korentienden 4) — de beide laatsten samen 
met de abdis van Rijnsburg — en een molen, eindelijk eenige 
kleine renten 5) daar en te Rijnsburg. Te Katwijk had hij den tol, 
twee molens, 8 pd, uit het schot, het riemgeld „van eiken stier- 
man van elkien siin lone" ^), den hofvisch 7) „in siere herberghe 
mede te dienen". Te Valkenburg had hij den tol, het marktrecht, 
de ellemaat, botermaat, waag en muddepenning 8) ; te Alfen den 
tol 9); te Sassenheim een kleine visscherij 1°) en een tijns; te Rij n- 
saterwoude tijns, de smaltiende ^^) en de korentiende ; te Nieuw- 
koop 15 pd. 10 sch. landrenten benevens 400 tal turf en 100 
hoenders uit het daar gelegen oud-grafelijke Vroonland ; de vis- 
scherij in den Rijn van Katwijk dwars door Leiden tot Alfen toe ; 
de gruit- ^^) en de hoprechten te Leiden en voor de helft ook te 
Delft en 's Gravenzande ^3) ; een tiende en smaltiende te Houwe- 
ningen ; tienden te Kalslagen „opt veen" ; het geheele ambacht 
van Kalslagen (Calsloe) „na ouden haercomen" ^4) ; 's Burggraven 



i) In een andere lijst ms. bij Van Alkemade, gedrukt als Bijl. IV bij de eerste uitgave 
van dit werk, wordt deze genoemd: „den hof tot Oestgheeste met zijnen toebehoren"; in 
het stuk bij Van Mieris, I.l. „die hofstede". 

2) In het ms. Alkemade „lopende thinse'" geheeten. 

3) Van jonge dieren. 

4) In het ms. Alkemade worden „korentiende en smaltienden tot O." genoemd. 

5) Alkemade heeft nog: „dat huys van Poel mit sinen toebehoren staande in Oest. 
gheester ambacht". Vgl. Van Mieris, Charterb. II, blz. 561. 

6) Bij Alkemade: „dat pontgelt (20ste penning van visch) tot Katwyk; van riemgelde 
van eiken hont (?) 12 stuyvers ende van eiker pincke 5 stuyvers". In 1388 klagen de be- 
woners van Katwijk aan Zee, dat zij altijd van het strand naar Katwijk aan den Rijn moeten 
komen om dit geld te betalen en dan veel wagenhuur geven en geld verteren in de her- 
berg. De vischmarkt werd voorloopig naar zee verlegd. Het pondgeld bedraagt van elk 
schip I groot, „alsoe dicke alst vaert vischen" (Van Mieris, III, blz. 499). 

7) Aan den heer te leveren visch; van 100 schelvisschen vier, van 20 kabeljauwen een, 
van 200 schollen een. 

8) Accijns op ter markt bij het mud aangevoerd koren, enz. 

9) Van dezen tol te Alfen bestaat een uitvoerige lijst van de daar te heffen bedragen 
uit 1339. Zie Register Tollen (Rijksarchief) fol. 11/2, in Bijlage hierachter. 

10) Bij Alkemade: „die visscherij tot S." 

11) Van klein vee, boom- en kleine veldvruchten (radijs, kool, rapen, wortelen enz.). 
De lijst bij Van Alkemade noemt hier alleen de „tolle", ook te Aalsmeer. 

12) Accijns op den grondstof van het bier: van iedere brouwte drie grooten (Van 
Mieris, 1.1.). 

13) De lijst bij Van Alkemade kent ze hem ook hier geheel toe. 

14) Bijdr. en Meded. Hist. Gen. XXII, blz. 185. Hij was er dus ambachtsheer. Vgl. 
Ramaer, De omvang van het Haarlemmermeer, blz. 179, 199. 



84 

veen aldaar, bebouwd met slechts enkele huizen ^); het ambacht 
van Wimmenum in Kennemerland en een aandeel in het schot 
aldaar ; de helft van de kalvertiende in Assendelft ; een hofstede 
te Vlaardingen; eindelijk heeft hij recht op jaarlijks een zalm uit 
's graven visch en een hert uit 's graven wild benevens de „vede- 
minghe" ^), last op het recht om varkens te drijven in „den hout" 
tusschen het oosten van Hillegom, den „speeltoern' bij het Manpad 
en „Allerts roder beke", de beek, „aldair trecht van Kenemer- 
lant sceit". 

Dit alles had de burggraaf nog inde tweede helft der 13"^^ eeuw 
dus van de grafelijkheid in leen buiten den burcht, die in de 
13de eeuw nergens feitelijk als leen genoemd of als zoodanig aan- 
geduid wordt. Het kasteel zelf is dus blijkbaar nog lang grafelijk „allo- 
dium" gebleven, wat het ook in 1206 was. Maar in de 14de eeuw 
komt het zonder meer en onbetwist ook als leen voor en het is 
zeer waarschijnlijk, dat het ambt volgens een zeer gewone ont- 
wikkeling reeds tijdens den eersten burggraaf uit het huis van Kuik 
hem met het kasteel in leen is gegeven. Te eer mogen wij dit 
aannemen, omdat wij, geheel in het onzekere omtrent de familie- 
verhoudingen der eerste burggraven tot en met den kastelein Jacobus, 
na dezen, in ieder geval te beginnen met den in 1253 voorkomen- 
den burggraaf Dirk, te doen hebben met een erfelijk leengoed. Het 
burggraafschap van Leiden kan dus buiten eenigen redelijken twijfel 
voor de tweede helft der 1 3^^ eeuw in zijn geheel beschouwd worden als 
een erfelijk leen, gehouden van de grafelijkheid van Holland, en de 
burggraaf als een leenman, wiens allodiaal bezit, het bezit van een 
jongeren zoon uit een niet-Hollandsch, dus hier niet gegoed ge- 
slacht, van geringe beteekenis moet geweest zijn in vergelijking 
met zijn leenbezit. De Leidsche burggraven uit het huis van Kuik 
mochten dus van afkomst even aanzienlijk of zelfs aanzienlijker 
zijn dan de eerste edelen van Holland : de Wassenaers, Brederodes, 
Teylingens, Egmonds en anderen, in beteekenis, ontleend aan rijk- 



i) Ramaer, blz. 196 vlg., 203 vlg. De lijst bij Van Alkemade noemt nog: „dat Veen 
tot Katwijk" en „dat Veen tot Valkenbosch" (lees Valkenborch), maar deze andere 
venen niet. 

2) „Vedeminghe" of „vademinghe" van varkens drijven in den Haarlemmerhout wordt 
genoemd Oorkdb. II, no. 75 en als inkomst vermeld in de rekening van den rent- 
meester van Noordholland 1343/4 en i344[5, bij Hamaker, II, blz. 21 en 126. Het is een 
der oude rechten, een „pensio, quae constituta est ab antiquo pro bestiis quae pascuntur 
in nemore de Harlem", waarvan Phil. de Leyden, p. 177 melding maakt. In de lijst bij 
Van Mieris 1.1. heet het „varkenvenninge in Hillegommerhout, dat is, dat niemant in 
zeker zaizoen aldaar varkens mach houden dan den Heer voldoende". 



85 

dom in grondbezit stonden zij bij dezen verre ten achter, al gaf 
hunne aanzienhjke afkomst, hun rang en de omvang hunner leenen 
hun aanspraak op huwelijken met dochters van diezelfde edele 
Hollandsche geslachten, die zich ook van hun kant met dit ge- 
slacht verzwagerden. 

Bij de groote verspreiding en den zeer verschillenden aard dezer 
goederen is het niet aan te nemen, dat die alle van den aller- 
oudsten tijd af deel van het burggraafschap hebben uitgemaakt; 
alleen, dat zij allengs, tot op burggraaf Dirk van Kuik toe, 
kort na wiens dood ^) deze lijst is opgemaakt voor zijn opvolger 
uit het oude en machtige geslacht van Wassenaer, door grafelijke 
schenking in het bezit der burggraven waren gekomen en dus om- 
streeks 1360 geacht konden worden „van ouden haercomen" bij 
het burggraafschap te behooren. Uit niets blijkt echter, dat de lijst 
slechts de overblijfselen boekt van een nog veel omvangrijker leen- 
bezit, dat eenmaal geheel Rijnland zou hebben omvat of den burg- 
graaf als bestuurder van deze gouw was toegekomen, zooals door 
sommige oudere schrijvers beweerd wordt ^) ; veeleer zijn het oor- 
spronkelijk alle bezittingen van den graaf, geheel overeenkomend met 
diens andere rechten en goederen en daaruit te eeniger tijd aan den 
burggraaf, zijn beambte, geschonken. Van sommige van deze goe- 
deren is het zeker, dat zij eerst laat in het bezit van den burg- 
graaf waren gekomen, o.a, dat betreffende Oestgeest en de kleinere 
rechten te Leiden, zooals later blijken zal; van andere, reeds in de 
lijst van leenen der grafelijkheid omstreeks 1280 — 83 genoemd, 
staat het bezit der burggraven voor dien tijd ten minste vast 3), 

Burggraaf Dirk nu huwde reeds op gevorderden leeftijd in of 
kort na 1322 zijne verre nicht 4) Ver (vrouwe) Justine, dochter 
van Hugo den Gouwer van Koudekerk, de veel jongere weduwe 0) 
van Jan Sceven, rentmeester van Waterland ^), bij wien zij twee 
zoons had 7). Hij schonk haar met toestemming van den graaf 



i) Bij verschillende posten staat, dat zijne weduwe eraan „verlijftocht'' is. 

2) Bockenberg, Gouthoeven, Alkemade, Jungius en andere oudere schrijvers, vgl. Mus- 
ketier Vergenst, De burggraviatu Leidensi, p. 55 en 103, met de aanteekeningen. 

3) Zie hierachter, en over de genoemde lijst, boven blz. 62, noot 6. 

4) Over de familiebetrekking vgl. Van Mieris, Charterb. II, blz. 680. Haargrootvader, 
Hugo van Heenvliet, was zusterskind van den eersten burggraaf Dirk uit den huize Kuik. 

5) Zij leefde nog in 1377 (Oork. Hoogl. Kerk). 

6) Graf. Rek. uitg. Hamaker, I, blz. 69 ; Reg. E. L. 13, fol. 5 (Rijksarchief). 

7) Van Mieris,Charterboek, II, blz. 577. Deze worden bij oudere schrijvers, o. a. nog bij Mus- 
ketier Vergenst, p. 61,63, vermoedelijk als rechthebbend op het grafelijk leen, genoemd. 



86 

een aantal goederen uit zijne leenen „ten lijftocht" ^), o. a, de 
helft van het gruitrecht te Leiden, een aantal landerijen en tienden 
in den omtrek der stad en een aandeel in de verdere inkomsten 
des burggraven te Leiden. De oude burggraaf had reeds kort daarna 
met belangrijke schulden te kampen. Wij zien hem in 1331 in 
geldelijke ongelegenheid ^) tegenover den rentmeester van Kenne- 
merland, Claes die Gruter van Haarlem, die van den graaf het 
recht kreeg om gebruik te maken van eene bepaling, in 1330 
gemaakt ten behoeve van 's burggraven rentmeester, om na diens 
dood uit de eigendommen 400 pd. te ontvangen, voordat een der 
erfgenamen daaruit zou mogen deelen 3). Het schijnt zelfs, dat deze 
grafelijke rentmeester ook de zaken van den burggraaf bestuurde 
en de bepaling dus juist voor hem gemaakt was 4). De omstan- 
digheid, dat de burggraaf in 1327 zijn ambacht de Vennip, tus- 
schen de Leidsche en Haarlemmer meren s) en in 1334 zijn huis te 
Podikenpoel ^) van de hand doet, wijst eveneens op geldelijke 
bezwaren. In 1336 eindelijk zien wij den burggraaf „out ende 
cranc", zoodat hij zijn „ambacht" en zijn eigen en leengoederen 
„niet bedriven en mach", tot zijn „eere ende orbare" 7) een over- 
eenkomst sluiten met den landsheer. Hij draagt met zijn vrouw 
namelijk al zijn goederen, eigen en leen, op aan graaf Willem III 
van Holland om ze te laten besturen door „enen man, die ons 
ghenoecht" en zich zelven daaruit te doen onderhouden. De graaf 
neemt die opdracht aan en benoemt tot bestuurder van het ge- 
heele burggraafschap den edelman Gillis van Cralinghen ^), tevens 
zijn baljuw van Rijnland, Jan van Polanen, bevelend dezen te be- 
schermen, Ver Justine in het bezit van haar lijftocht te stellen, 
zoodra de burggraaf sterft, en in dit geval onmiddellijk de hand 
te slaan aan het burggraafschap. 

Dat geval moet zich uiterlijk in Januari of de eerste helft van 
Februari 1339 voorgedaan hebben. Op 24 Febr. van dat jaar 9) had 
Dirk eenigen tijd te voren zijn „eygenliken goede gerumet mitter 



i) Van Mieris, Charterb., II, blz. 302, 365, 520, 544, 553. D. i. als douarie, als weduw- 
goed, voor den duur van haar leven. 

2) Ib. blz. 514. Vgl. Regestenlijst Rotterdam, no. 410. 



3> 


Van Mieris, 1.1. blz. 496. 


4) 


Ib. blz. 531, 569. 


5) 


Ib. biz. 447. 


6) 


Ib. blz. 561. 


7) 


Ib. blz. 577. 


8) 


Ib. blz. 588. 


9) 


Ib. blz. 614. 



87 

doet" en doet de toenmalige graaf, Willem IV, uitspraak in het 
geschil tusschen Ver Justine en den erfgenaam dier goederen, 
heer Philips van Wassenaer, zoon van Bertha, zuster van den 
burggraaf, en dezer echtgenoot, heer Dirk van Wassenaer, die 
omstreeks 1310 door Philips in zijn heerlijkheid was opge- 
volgd. Ver Justine behield volgens vroegere afspraken de helft 
dier eigendommen tot zoolang als aanspraak daarop haar langs 
den weg van rechten niet was ontzegd, afgezien natuurlijk van 
haren reeds door graaf Willem III bevestigden lijftocht uit de 
leengoederen des burggraven. Op den 2^^" April 1339 wordt 
Philips door den graaf beleend \) met het burggraafschap van 
Leiden en de verdere leenen van zijn overleden oom, met uitzon- 
dering alleen van 100 pd. 's jaars, die graaf Willem III dezen 
indertijd had geschonken bij het verkrijgen van zijn ridderschap, 
wat dus tusschen 1306 en 13 15 2) geschied moet zijn. Ver Justine 
behield haren lijftocht uit die leenen 3) en omtrent het eigen goed 
van den vorigen burggraaf bepaalt heer Philips, dat zegslieden 
hun beider rechten daarop zullen „sceyden" ; ten opzichte van het 
goed van Oestgeest, waaromtrent ook verschil was reeds tijdens 
den ouden burggraaf 4), zou de graaf met zijn Raad „die brieve 
besien" en uitspraak doen of laten doen. 

Zoo kwam dus het burggraafschap van Leiden aan de machtige 
heeren van Wassenaer, wier geslacht sedert omstreeks 1200 met 
het in het begin der I4deeeuw uitgestorven geslacht van Teylingen 
in Rijnland onbetwist het eerste geweest was 5). Bezitters reeds 
van uitgebreide eigendommen en leenen ^) : de ambachten van 
Voorschoten, Wassenaar en de Ketel, de zeedrift van Katwijk tot 
Woudrichem ^), Scheveningen en Veenhuizen, de kasteelen Wasse- 
naar en Ter Horst, Duivenvoorde en Rozenburg, het veer („vehicu- 
lum sive verscip") 7) te Leiden en te Dodinsvere (Haagsche Schouw), 
van tienden onder Loosduinen, Zoetermeer, Eikenduinen, Wateringen 
en elders, van uitgebreide grondeigendommen, venen en renten, 
van de tollen te Voorschoten, Vlaardingen en Dordrecht, voegden 



i) ib. blz. 618; Muller, in Bijdr. en Med. Hisl. Gen. XXII, blz. 131 vlg. 

2) Zie boven, blz. 81. 

3) In de bovenvermelde oude lijst wordt haar bezit daarvan telkens aangeteekend. 

4) Van Mieris, II. blz. 301. Deze had het goed genaast na den dood van Willem van 
Oestgeest na 1312, maar de echtgenoot van diens dochter, Jan Uten Waerde, maakte er 
in 1322 aanspraak op. Vgl. Reg. Hann., blz. 48, 50, 161. 

5) Vgl. Obreen, 1.1.; Muller, in Bijdr. en Meded. Hist. Gen. XXII, blz. 304 vlg. 

6) Muller, ib., blz. 171 vlg. 

7) Dit werd hem door graaf Floris V betwist. Zie over deze veren boven, blz. 69, 



88 

zij nu nog het burggraafschap van Leiden met zijn toebehooren 
erbij. Zij werden zoo nog veel machtiger. De voorzichtige Willem III 
zou dan ook niet zoo gehandeld hebben als zijn onnadenkende zoon 
en waarschijnlijk het burggraafschap niet zoo lichtvaardig uit de hand 
hebben gegeven. Philips van Leyden ^) heeft dan ook blijkbaar op 
dergelijke gevallen het oog, waar hij het al te gul weggeven van 
vorstelijke rechten scherp afkeurt, te eer waar dit alleen geschiedde 
om aan geld te komen. En dit is hier het geval geweest, want graaf 
Willem IV, wiens geldelijke zorgen welbekend zijn, erkent in een 
later stuk 2) het burggraafschap aan Philips van Wassenaer „vercoft" 
te hebben. 

Wij weten sedert dien al zeer weinig van dezen; feitelijk niet 
veel meer dan dat hij eenig land kocht en verkocht en in 1343 
zijn tot ons gekomen testament 3) maakte, waaruit o.a. blijkt, dat 
hij de schulden van zijn voorganger „geloest" heeft, d.i. ze heeft 
betaald, blijkbaar voorzoover zij op het burggraafschap drukten. 
Hij heeft nog den dood van graaf Willem IV bij Stavoren en het 
optreden van keizerin Margaretha als gravin, van haar zoon hertog 
Willem als verbeider kunnen beleven, als hij ten minste niet al 
gestorven is vóór 1348, in welk jaar zijn zoon Dirk het eerst als 
burggraaf voorkomt 4), 

Deze beleefde den onrustigen tijd van het uitbreken der zooge- 
naamde Hoeksche en Kabeljauwsche twisten 5), daar hij nog tot 
in 1 392 het burggraafschap, voor den laatsten tijd slechts in naam, 
heeft bekleed. Het leen is onder hem in belangrijke mate 
gewijzigd, ook in verband met die twisten, in welke hij zich 
tenminste sedert 135 1 ^) aan de zijde van Margaretha en de 
Hoekschen schaarde, terwijl de stad Leiden daarentegen haar 
zoon Willem V voorstond. In het voor het gansche graafschap 
kritieke jaar 1351 7) vinden wij stad en burggraaf scherp tegenover 
elkander en gewikkeld in een strijd juist over de burggrafelijke 
rechten, voorzoover die op het stadsbestuur en op het markt- 



1) P. 191. 

2) Van Mieris, II, blz. 629 (1341). Ook dit geval wijst aan,datleenen verkocht werden, 
al staat dit niet in de oorkonde der beleening. 

3) Obreen, blz. 19. 

4) Van Leeuwen, Batav. Illustr., p. 973. 

5) Vgl. daarover mijne studie in Nijh. Bijdr., II, blz. 254 vlg. 

6) In 1350 wordt hij nog niet door Willem V onder zijne vijanden genoemd (Van 
Mieris, II, blz. 778), terwijl Leiden zelf al op de zijde van Willem staat (ib., blz. 778, 

785, 795, 796). 

7) Zie mijne Geschiedenis, II, blz. 83/4. 



89 

verkeer aldaar betrekking hebben. Een door den graaf gegeven 
stedelijke keur van dat jaar i) van „onruste" beperkt onder goed- 
keuring van den landsheer het recht van den burggraaf op de vrije 
benoeming van schout en schepenen, bepalend, dat tot deze ambten 
niemand mag gekozen worden dan nadat hij zeven jaar poorter 
is geweest; zij regelt de keuze door de poorters zelf van vier „raads- 
mannen" naast hen, verbiedt het dragen van andere dan grafelijke 
livrei door poorters en geeft de volgens een nauwkeurig onderzoek 
„van huyse te huyse" bij alle burgers onrechtmatig aan de stad 
onttrokken ellemaat, botermaat, waag, muddepenning, school en 
kosterij — als „van outs ende van rechte" stadseigendom — aan 
de stad terug. Het resultaat van dit onderzoek moet eenigszins 
bevreemden, omdat graaf Willem III in 1333 ten minste de vier 
eerste rechten als burggrafelijk leengoed had erkend 2) terwijl 
daarvan „bi jaren menichwarven" aan den burggraaf betaald was, 3) 
maar het schijnt toch wel te kunnen bewijzen, dat deze rechten 
eerst in betrekkelijk jongen tijd door den burggraaf waren uitge- 
oefend. 4) Het was nog mooi, dat -^ van de door poorters bij het 
handelen tegen deze „coer" te beloopen boeten volgens de oude 
bepalingen aan den burggraaf bleef, tegen ^ aan den graaf zelven 
en l aan de stad. 

Op het einde des jaars is echter de eerste periode van den 
burgeroorlog blijkbaar reeds ten einde: de stad wordt vrijgesteld 
van alle schade wegens den doodslag van Claes van Swieten ; 5) 
zij krijgt evenals andere steden wegens de „in den oerloge, dat 
wy gehadt hebben jegens onse vyanden" bewezen diensten boven 
hare oude privilegiën allerlei rechten, in de eerste plaats den „wissel'', 
d. i. het recht om een wisselbank te houden, totnogtoe door de 
grafelijke Lombarden uitgeoefend, en den „assys", het recht om 
in de stad accijnsen te heffen. ^) De burggraaf schijnt zich te 
hebben onderworpen: hij wordt ten minste in 1352 opgeroepen 
om met 20 man te helpen bij de verovering van het kasteel Poel- 



i) Van Mieris, Charterb., II, blz. 796/7. 

2) Ib. blz. 553. 

3) Goederenlijst Wassenaer (archief Twickel), naar mededeeling vanden heer Bijleveld. 

4) Zie boven, blz. 82. 

5) Van Mieris, II, blz. 806. Deze zoon van heer Dirk van Swieten (Reg. E. L. B, 
fol. 88 Rijks-archief), gehuwd met jonkvrouw Meyne, dochter van Willem den Cuser, 
een der aanzienlijkste gunstelingen van Willem III (Reg. Hann., blz. 241), werd in het 
voorjaar van 1350 vermoord, hetgeen aanleiding gaf tot talrijke terechtstellingen te 
Delft en elders (vgl. Van den Bergh, Gedenkst., blz. 213). 

6) Van Mieris, 1.1. blz, 807, 808. 



90 

geest bij Koudekerk, ^) een der laatste feiten in deze vroegste 
woelingen der Hoeksche en Kabeljauwsche partijen. Maar na den 
definitieven vrede van 7 Dec. 1354 tusschen den hertog en 
zijne moeder ^) en als alle feiten in den oorlog bedreven 
aan Leiden vergeven zijn, 3) neemt de graaf de pas ge- 
schonken privilegies weder terug 4) ; vermoedelijk zijn echter de 
kleine burggrafelijke rechten niet weder aan den burggraaf terug- 
gegeven, ten minste de bovengenoemde lijst van eenige jaren later 
vermeldt ze als voorloopig niet geldende, als door de stad betwist. 

Hertog Willem en de burggraaf lagen spoedig weder overhoop, 
daar de laatste Ver Justine's rechten niet had willen erkennen 
— in de Wassenaersche lijst worden er enkele genoemd als niet 
erkend — en zich op Teylingen tegen hem had versterkt „mit 
groter versuymenisse bi crancken rade" 5). De hertog straft hem 
(27 Nov. 1356) genadiglijk met het ontnemen van de aanstelling 
van schout en schepenen te Leiden ten einde het „groot gedranch 
van parthyen" aldaar te doen eindigen, ja van alle „hoge ende 
lage heerlickeyt" en verval daaruit, verder met vrijstelling van den tol 
te Alfen voor alle steden en landen des hertogs en vernietiging 
van alle schulden des hertogs aan hem. 

Maar ofschoon Willem V zoowel de afschaffing van des burg- 
graven heerlij kheidsrechten als die der genoemde „cleyne poyncten" 
in het volgende jaar weder bevestigde ^), schonk de juist in dezen 
tijd krankzinnig geworden vorst 7) den 2'^^^ Sept. 1357 den burg- 
graaf zijn „alinghe (geheele) burchgraefschap" tegen betaling van 
1200 pd. 8) weder terug met alle oude rechten. Doch welhaast kwam 
aan het verschil een einde. 

Op verlangen van den hertog deed burggraaf Dirk twee dagen 
later volledig afstand van alle genoemde hem sedert 1354 door 
de stad betwiste kleinere rechten : van waag en muddepenning^ 
elle- en botermaat, bieraccijns, school en kosterij benevens van de 
posten van secretaris en bode en het recht om een speelinrichting 



1) Ib. blz. 809. 

2) Ib. blz. 824. 

3) Ib. blz. 838. 

4) Zie boven, blz. 42/3. 

5) Van Mieris, III, blz. 8. 

6) Ib. blz. 23. 

7) Vgl. over die krankzinnigheid: Frederiks en Fruin, in Nijh. Bijdr. N. R. YIII, blz. i 
en 227 vlg. 

8) Graf. rek. (Rijksarchief). 



91 

(„dobbelscocle") te houden ; het goed recht van de stad op dat 
alles werd erkend en bij handvest bevestigd ^). Ofschoon uit het 
stuk zelf dit wederom in het geheel niet blijkt, is ook deze afstand 
geschied tegen gereede betaling en wel van 700 schilden ^), waar- 
voor de kwitantie van den laatste der drie termijnen, op 2 Oct. 
1358 door 's burggraven rentmeester wordt afgegeven 3). Het be- 
langrijke recht der benoeming van schout en schepenen bleef nog 
aan den burggraaf voorbehouden. 

Sedert was de verhouding van den burggraaf tot zijn leenheer, 
thans vertegenwoordigd door diens broeder, den ruwaard der graaf- 
schappen hertog Albrecht, blijkbaar goed. Wij vinden burggraaf 
Dirk naast den ruwaard staan in den reeds omstreeks 1359 her- 
haaldelijk weder uitgebroken partijstrijd; Albrecht en zijn vrouw 
houden 30 Mei van dat jaar een kind van burggraaf Dirk te Rijns- 
burg ten doop 4) ; hij bewaart de stad tijdens den Kabeljauwschen 
opstand kort daarna, waarin de ruwaard zelfs zijne gevangenis in 
Den Haag had zien openbreken tijdens eene korte afwezigheid, 
toen hij naar Leiden was gereden 5). 

De beteekenis van den Leidschen burcht als vesting moet toen 
reeds aanzienlijk gedaald, ja zoo goed als verdwenen zijn, want in 
Januari 1361 6) verkoopt de burggraaf „alle die erven, die gheleghen 
zien omtrent die burch" aan de daar reeds wonende stedelingen, 
terwijl hij alleen bedingt, dat zij geen anderen uitgang zullen hebben 
aan de burchtzijde dan een branddeur van 4 voet breed en 6 voet 
hoog; hij staat zelfs een deel van de burggracht af „toter gemeene 
bruycwair," Welke waarde zou ook een burcht, midden in een ver- 
sterkte stad gelegen, toen langer voor de verdediging dier stad 
gehad hebben ? Hij was sedert lang niet eens meer woonplaats van 
den burggraaf, die zetelde op zijn kasteel „ten Zande" te 
Katwijk, reeds in het begin der 14^^^ eeuw genoemd als verzamel- 
plaats voor bewoners van Rijnland, waarschijnlijk omdat de burg- 
graaf er zijne woning had. 

Maar van zijn rechten had deze nog genoeg overgehouden om het 
de stad lastig te maken, vooral door zijn recht tot benoeming van 
schout en schepenen, waardoor de stad in zeker opzicht zijn „ambacht" 



i) Van Mieris, III, blz. 9, waar verkeerdelijk op 1356 hetzelfde stuk als blz. 37 op 

1357 wordt afgedrukt. Vgl. het origineel in het archief te Leiden. 

2) Van Mieris, III, blz. 38. 

3) Oork. van dien datum, Leidsch archief. 

4) Graf. Rek. 1359 (Rijksarchief). 

5) Aldaar. 

6) Van Mieris, III, blz. 117. 



92 

en hij stadsheer geacht kon worden, ook in verband met zijn overige 
financieele belangen in de stad ^). Doch slechts in zeker opzicht : 
de stad Leiden stond tot haren burggraaf volstrekt niet in dezelfde 
verhouding als b.v. oorspronkelijk Gouda en Schiedam tot hunne 
ambachtsheeren of Amsterdam tot de heeren van Amstel ; haar burg- 
graaf bezat er slechts eenige rechten, die elders den ambachtsheer 
toekwamen, zoodat hij niet geheel als zoodanig doch slechts als 
een soort van „middelheer" tusschen de stad en den landsheer kan 
worden aangemerkt. Deze verhouding moest echter tegenover 
machtige edellieden als de burggraven uit het geslacht van Wasse- 
naer op den duur tot ernstige moeielijkheden aanleiding geven. 
De tegenstelling tusschen adel en steden, die in dezen tijd der 
Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, in hun oorsprong adellijke 
veeten, die allengs grooter beteekenis kregen, ^) vloeibaar werd, 
werkte ook mede om de stad telkens met haren burggraaf en de 
zijnen overhoop te doen liggen. 

Zoo was er in 1380 op de drukke Valkenburger jaarmarkt 
(17 — 24 Sept.) een gev^echt geweest tusschen 's burggraven zonen 
Philips en Dirk met eenige hunner vrienden, onder wie ook de burg- 
grafelijke schout der stad. Jan van Leyden, en eenige Leidsche 
burgers, van wie een, Claes Colyn, daarbij was gedood. Groot 
was de ergernis in de stad bij den terugkeer der verwoede bur- 
gers. De weerbare bevolking trok op eigen gezag — wat verboden 
was : alleen de graaf mocht bevel daartoe geven — met hare banier 
uit naar het slot van Alfen, waar de schuldige edelen zich ver- 
schanst hadden, maar slaagde er niet in het slot te veroveren. 
De ruwaard kwam nu tusschenbeiden, achtte den landsvrede door 
het ongewettigd uittrekken met de banier geschonden en zocht 
bovendien de schuld der geheele zaak bij de burgers, die hij 13 
Mei 1381 veroordeelde 3 j tot de hooge boete van 200 pond wegens 
schending van den Valkenburgschen marktvrede, terwijl de schuld 
van den doodslag bij een paar buitenlanders en sommige edelen 
van lageren rang werd geacht te zijn, die dan ook verbannen 
werden ; enkele der edelen kregen bovendien schadeloosstelling van 
de stad, o. a. de schout, dien zij in zijn woning hadden lastig ge- 



i) Belangrijk was vooral de tol, waarvan men omstreeks dezen tijd voor een groot 
aantal artikelen het juiste bedrag ^na allen haercomen" vaststelde (Stedeboek, fol. 282 vlg.), 
vgl. Bijlage. 

2) Zie daarover mijne opmerkingen in Nijh. Bijdr. N. R. II, blz. 254 vlg. 

3) Van Mieris, III, blz. 381, 394, 397, 410, 421. De dateering is hier in de war wegens 
het niet rekenen met den Paaschstijl. 



93 

vallen met „huusvechtinge". Het schijnt, dat een ziekte van den 
burggraaf in dit jaar van hevige epidemie ^) hem de handhaving van 
het recht moeilijk heeft gemaakt, zoodat zijn zoon Philips hem 
moest vervangen, 2 ^ hetgeen ook in de eerstvolgende jaren het geval 
is geweest 3). 

De twist werd intusschen door deze voor de stad ongunstige 
uitspraak niet beslecht. Wij hooren van een hevig straatgevecht 
in den nacht veertien dagen later op de Breestraat bij de Koren- 
brugsteeg te Leiden tusschen Philips met zijn vriend Reinoud van 
Brederode en eenige Kabeljauwsche burgers, waarbij de edelen 
naar den nabijgelegen burcht de wijk moesten nemen 4); wij ver- 
nemen van een aanval op het naburige slot Ten Waerde en van 
herhaalde pogingen van Albrecht zelf en zijne gemalin, van de 
andere steden van Holland om den vrede te herstellen ; wij lezen 
van het sluiten der stadspoorten en van gerechtelijk onderzoek, maar 
nog in October 1383 is de vrede niet hersteld. Dan treden s) Dor- 
drecht, Delft, Haarlem en Alkmaar tusschenbeiden en leggen een 
vrede tot Paschen toe „opten dreppel voer den raethuse" tus- 
schen de twistende partijen, ,.gherecht ende poirteren" van Leiden 
en de edelen, die zich beiden ook wel bereid toonen om het verschil 
te beëindigen. De vrede werd door de stad plechtig afgekondigd 
van het bordes van Dirk van Swieten's huis op de Breestraat 
vlak bij de plaats, waar bovenvermeld straatgevecht had plaats 
gehad. In Januari, met Beloken Paschen en kort na Paschen 1384 
volgen dan nieuwe uitspraken van den ruwaard en zijn vrouw, 
waarbij telkens weder de stad in het ongelijk gesteld wordt; drie 
van iedere vijftig burgers werden veroordeeld tot een bedevaart 
naar Aken, terwijl vergiffenis geschonken wordt voor de begane 
misdrijven en beleedigingen en de stad zich verbindt Albrecht 
voortaan 14 dagen lang met loo man te helpen, als hij hulp 
noodig heeft. Eerst tegen Paschen 1385 ^) schijnt de zaak voor 
goed tot een einde gebracht te zijn. 

Die lange twisten hadden vooral hun oorzaak in de kwestie der 

benoeming van schout en schepenen door den burggraaf, die deze 

waardigheden volgens toenmalige gewoonte placht te verpachten, 

in den regel wel aan den meestbiedende — een afhankelijkheid van 

i) Zie boven, blz. 78. Zijne ziekte is intusschen blijkbaar van langeren duur geweest. 

2) Baljuw-rek. Rijnland 1381 (Rijksarchief). 

3) Grafelijkheidsrek. 1382 (Rijksarchief). 

4) Matth. Anal. blz. 633. 

5) Memor. B. G. 1386—1390 (Rijksarchief), fol. 55. 

6) Vgl. \'an Mieris, III, blz. 421. 



94 

haar bestuur en haar rechtspraak, waaraan de thans door handel 
en nijverheid bloeiende stad zich noode kon onderwerpen maar 
die onbetwistbaar op oude burggrafelijke privileges steunde. 

Het is weder Philips van Wassenaer, die einde 1387 namens zijn ouden 
vader en zijn broeder, die toen buitenslands waren, dienaangaande 
een overeenkomst sluit ^) met „gherecht ende vroescap" der stad, 
die daarover van hun kant „mit der ghemeenten" gesproken hadden. 
Hij belooft de rust in de stad te zullen helpen handhaven en 
haar ten beste te raden ; hij verklaart namens zijn vader en broeder 
en alle nakomelingen voortaan geen geld meer te zullen vragen 
of leenen op schoutambt en gerecht maar daartoe alleen te zullen 
benoemen in het belang der stad ; niemand zal schout mogen 
zijn dan wie vier jaren „an enen ghanghe" poorter is ge- 
weest „mit alinghe sijnre woenstat" ; de schout zal, voorzoover de 
stad recht heeft op „boeten" uit de rechtspraak, rekening en 
verantwoording doen aan de met de leiding harer financiën belaste 
poortmeesters ; de stad zal daartegenover het geld betalen, waarop 
eertijds schoutambacht en gerecht plachten te worden gesteld, d.i. 
waarvoor deze rechten verpacht werden, 2500 oude schilden, 
binnen vijf jaren af te doen ; bij schending van het verdrag zal 
de landsheer met zijn Raad beslissen, maar nadat het betaalde geld 
dan weder teruggegeven zal zijn, zullen Philips en de zijnen ontslagen 
blijven van alle beloften en dit stuk „weder over hebben''; bovendien 
zal hij, als een poorter „afterbaecs" 2) woorden tegen hem mocht uiten, 
dezen voor den rechter dagen, eer hij de beleediging wreekt. Een 
en ander werd door Albrecht bevestigd als „overheer", met aan- 
wijzing dat geen poorter meer zal hebben te betalen in genoemde 
som dan zijn aandeel bedraagt volgens het stedelijk schotboek. 
Nog geen vijf jaren later was de oude burggraaf Dirk gestorven ; 
Philips volgde hem 5 Mei 1392 op 3). 

Kort daarna, eenige maanden voor het verloopen van den jongst 
bepaalden vijfjarigen termijn van betaling voor het schoutambt, 
raakte de stad in twist met haren toenmaligen schout, Jacob 
Oudelant 4), die beschuldigd werd van afpersingen en van het 
koopen van zijn post wederom van den burggraaf, zoodat het pas 
gesloten verdrag geschonden zou zijn. De stad wendde zich tot 
den thans landsheer geworden voormaligen ruwaard Albrecht om 



i) Van Mieris, III, blz. 520. Vgl. Privilegieboek A, fol. 43 v. 

2) D. i. niet in zijne tegenwoordigheid, achter zijn rug (vgl. Verdam, i. v. achterbaecs). 

3) Van Mieris, III, blz. 588. In de stadsrekening een post hieromtrent van dien datum. 

4) Hij was in 1382 poorter geworden (Poorterboek) en is in 1389 en later schepen geweest. 



95 

zijn raad en de zaak was nog in onderzoek ^), toen de schandelijke 
moord op Albrecht's schoone vriendin, Aleida van Poelgeest, in 
Den Haag op 21 September 1392 het gansche land in rep en 
roer bracht 2). 

Het bleek weldra, dat ook Philips van Wassenaer tot de mede- 
plichtigen aan deze misdaad behoorde. De hertog riep de getrouwe 
burgers van Leiden onmiddellijk te hulp naar Den Haag 3) en zij 
lieten zich niet wachten, terwijl de schepenen in permanente zit- 
ting de rust handhaafden. De burggraaf vluchtte met zijn broeder 
en meer dan 50 andere ernstig gecompromitteerde edelen buitens- 
lands, waarschijnlijk naar Breda of Utrecht 4). Een geregeld proces 
volgde en na driemaal gedane indaging op de daartoe gestelde 
rechtsdagen werd 18 October 1393 s) door den hertog „pro tribunali 
sedens" het door zijn Raad geveld veroordeelend vonnis uit- 
gesproken, waarbij de schuldigen uit Holland en Zeeland werden 
verbannen en hunne goederen verbeurd verklaard. Onder die 
goederen behoorde ook het Leidsche burggraafschap benevens de 
burggrafelijke en Wassenacrsche huizen en andere kasteelen der 
Hoeksche partij. Het burggraafschap keerde dus met den burcht 
zelven tot de grafelijkheid terug; ten opzichte van de kasteelen der 
gehate Hoeksche edelen in de buurt der stad werd met de grootste 
voldoening door de Leidenaars gehoor gegeven aan 's hertogen 
bevel van 12 Nov. 1393, om onder leidingvan den schout te doen 
„nederv/erpen, bernen ende nederhouwen" de kasteelen van burg- 
graaf Philips en zijne medeballingen, onder wie zijn broeder Dirk 
van Wassenaer, Jan van Duvenvoerde, Jan van Heemstede en 
eenige anderen met name genoemd worden ^), en wel „sonder 
vertreck" en zoodat er „muir noch stock noch stake" mocht blijven 
staan, waarvoor Leidsche „metselaers" in het bijzonder werden 
aangewezen. De huizen Ten Zande en Podikenpoel werden vernield, 
ook andere in Rijnland. Het beheer der inkomsten van het burg- 
graafschap werd aan den grafelijken rentmeester van Noord-Holland, 
de rechterlijke functiën werden aan den baljuw van Rijnland op- 
gedragen. Schout Oudelant, wiens zaak van wege den hertog door 



1) Stadsrek. 1392, fol. 22/3. 

2) Vgl. Brill, in Versl. en Med. Kon. Akad. 2de Reeks, VI, blz. 39 vlg. 

3) Stadsrek. 1392, fol. 30 >• ; Kron. Hist. Gen. 2de Serie, VII. blz. 95 vlg. 

4) Vgl. over deze gebeurtenissen vooral Joannes a Leydis, Chronicon, cap. 42 sq. ; Von 
Löher, Jakobaea von Bayern, 1, S. 446 ff. ; Regestenlijst Rotterdam, n°. 1347. 

5) De data staan niet geheel vast. 

6) Van Mieris, III, blz. 601 en 617 ; Scheffer, Comraissieboek. 



96 

een paar van diens raden was onderzocht, was reeds in December 
1392 door Willem Heynenzoon vervangen, die voor het ambt aan 
den hertog weder een aanzienlijke som betaalde ^). 

Zoo was de stad haren burggraaf voorloopig kwijt en het burg- 
graafschap nu aan de grafelijkheid zelve gekomen. Wel dreigde 
een hevig gildenoproer in 1393 de goede verstandhouding tusschen 
de stad en den landsheer te verstoren maar ook deze wolk dreef 
na de volkomen onderwerping der weerspannigen in den voorzomer 
voorbij, onder verbanning der schuldigen en betaling eener zware 
boete 2). De stad had voorloopig geen .,middelheer" meer en 
was even onafhankelijk als de andere groote steden in het 
graafschap, al had nu de landsheer zelf nog het gerecht ver- 
pacht. Maar de verzoening van den burggraaf en de zijnen 
met den landsheer bleef niet lang uit, nadat in October 1394 reeds 
het hoofd der uitgebannen edelen, 's hertogen oudste zoon, graaf 
Willem van Oostervant, weder in genade was aangenomen. Op 
12 April 1396 werden ook de Wassenaers met den hertog ver- 
zoend 3), belovende geen wraak te zullen nemen voor het be- 
schadigen, vernielen en verbranden hunner huizen en goederen noch 
daarvoor vergoeding te zullen eischen, integendeel bereid te zijn 
eene boete te betalen voor het misdrijf van 1392; daartegenover 
werden zij in al hunne bezittingen hersteld, dus ook de burggraaf 
in zijn burggraafschap, ofschoon het „gerecht" der stad nog eenigen 
tijd aan den landsheer bleef. 

Wij vinden Philips sedert weder in 's hertogen raad en zien hem 
met zijn gewapenden deelnemen aan de belegering van den ontrouwen 
rentmeester Brunstijn van Herwynen in Loevenstein en aan de groote 
ondernemingen van Albrecht en Willem tegen Friesland in de eerst- 
volgende jaren 4) gelijk later aan den Arkelschen oorlog onder de 
regeering van den laatste. 

Bij het herstel van den burggraaf in zijn burggraafschap in 1 396 
was uitdrukkelijk bepaald, dat hertog Albrecht het „gerecht" van 



1) Over deze zaken : Memoriaal B. D. (1351 — 1396), fol. 42, 69 (Rijksarchief) en eenige 
posten in de Stadsrek. van 1392, benevens Scheffer, Commissieboek I, blz. 12; Van 
Mieris, III, blz. 601. 

2) Zie beneden. 

3) Van Mieris, III, blz. 644. Het stuk in Regestenlijst Rotterdam, n°. 1342 moet in 
verband met dezen zoen op 1396 gesteld worden. Daarmede staat ook het vrijgeleide voor 
Philips en Dirk en hunne vrienden naar Breda en Utrecht op 26 Maart in verband (ib. 
n°, 1346). 

4) Verwijs, De oorlogen van hertog Albrecht tegen Friesland, passim. Over den tocht 
naar Loevestein: Regestenlijst Rotterdam, n°. 1386. 



97 

Leiden, d. i. de benoeming van schout en schepenen, voor zijn 
leven nog in handen zou houden. Ook hieraan kwam reeds in 1399, 
bij het bovendrijven der Hoeksche belangen in Albrecht's laatste 
jaren, een einde door het volledig herstel der burggrafelijke rechten 
ook in dezen i) ; zelfs het verdrag van 1387, dat hem belette het 
gerecht te beleenen of te verkoopen, werd niet weder hernieuwd, 
gelijk ook de hertog zelf zich er in 1392 niet aan gestoord had 2). 
De toestand werd dus weder als van ouds, ja erger en de stad 
moest den nu invloedrijken burggraaf zeer ontzien, zijn goede gunst 
met geld betalen 3). De oude bezwaren kwamen terug. Wij hooren 
van telkens herhaalde moeilijkheden met den weder als vroeger 
te Katwijk gezetelden burggraaf, over molengelden, vischmarkt, 
vischrechten, markttoUen, bemoeilijking van buitenlandsche koop- 
lieden 4), over toestanden bij den burcht aan den Rijnoever, waar de 
stadsregeering bij huizenbouw, bij het maken van schoeiingen, 
straten en „wervynge" niet genoeg gelet had op de rechten van 
den burchtheer 5). 

Nog afhankelijker werd de stad, toen onder Willem VI (na 1404) 
de burggraaf, diens oude medestander, verreweg de machtigste edel- 
man in het land werd, wien zelfs herhaaldelijk bij 's landsheeren 
afwezigheid het stadhouderschap samen met den tresorier opge- 
dragen werd 6). Zij waagde het niet zich te verzetten en alle 
onrust te Leiden werd door zijn sterke hand spoedig bedwongen. 
Onderdanig moest het gerecht hem jaarlijks verzoeken de nieuwe 
regeeringspersonen wel te willen aanstellen; wij vinden de Leidsche 
regeering in 141 3 hem zoekende, eerst in Den Haag, daarna te 
Teylingen en te Haarlem, omdat zijn hulp noodig was bij het 
verzetten van schepenen op St. Jacob 7); de stad moet een aan- 
zienlijke som, 425 gouden kronen, bijdragen voor het losgeld van 
zijn in den Arkelschen oorlog gevangen genomen zoon Hendrik en den 
burggraaf op den koop toe nog luisterrijk onthalen, als hij zelf 



i) Van Mieris, III, blz. 696. In 1396 had Claes Bort 's hertogen aandeel in de boeten 
van het gerecht ontvangen (Scheffer, Commissieboek, blz. 28; Van Mieris, Handv., blz. 78). 

2) Van Mieris, III, blz. 727. 

3) Wij lezen in de rekening van 1413 van geschenken in laken en pelswerk, van 
offeranden bij zijn eerste mis, van schenkingen in wijn en maaltijden, kostbaarheden enz. 

4) Stadsrekeningen 1400, 1413 fol. 24'' en passim. 

5) Stedeboek, fol. 62. 

6) Van Riemsdijk, De tresorie en kanselarij, blz. 213 vlg. 

7) Stadsrek. 1413, fol. 24. 

7 



98 

met zijn zoon ten raadhuize komt om dit met de vroedschap te 
bespreken ^). 

De dood van Willem VI op 30 Mei 141 7 bracht echter plot- 
seling wederom het gansche graafschap in verwarring. De Hoek- 
schen, die onder leiding van den Leidschen burggraaf bij het 
naderen van 's graven dood zich in Den Haag verzameld hadden 
en zich in het bezit der regeeringsbescheiden hadden gesteld, slaagden 
erin om onder 's graven hun welgezinde opvolgster Jacoba voorloopig 
de zaken in handen te houden en de burggraaf zelf handhaafde 
met een aantal gewapenden de rust in de stad ^); Jacoba, die er 
gehuldigd werd, bevestigde hem natuurlijk in al zijn leenen. Maar 
nog vóór het einde des jaars stelde de oom der jonge landsvrouwe, 
hertog Jan van Beieren, elect van Luik, zich tegenover haar, toen 
zij, reeds weduwe van den dauphin van Frankrijk, weigerde zich 
onder zijne voogdij te plaatsen zooals hij begeerde ; de burgerkrijg 
begon van Dordrecht uit, waar de energieke hertog zich genesteld 
had, steunend op de lang onderdrukte Kabeljauwschen. Onder dezen 
waren ook sommige Kabeljauwschgezinde burgers van Leiden, die 
zich bij hem hadden gevoegd 3), wat zij met verbanning moesten 
bezuren, benevens met verbeurdverklaring van goederen en later 
zelfs met uitdrijving hunner eerst als gijzelaars gehouden familiën 
uit de stad 4). 

Het door den burggraaf in bedwang gehouden Leiden bleef 
aan de zijde van Jacoba : Leidsche benden hielpen haar Gorkum 
veroveren en later met haar jongen echtgenoot, hertog Jan van 
Brabant, het weerspannige Dordrecht aanvallen, het laatste evenwel 
zonder succes; de Leidsche Hoekschen trokken herhaaldelijk in 
haar dienst met de banier uit naar Delft en Den Haag s), naar 
Rotterdam en Dordrecht en steunden haar met geld en troepen. 
Eerst de bemiddeling van hertog Philips van Bourgondië bracht 
den vrede van Woudrichem van 13 Februari 141 9, waarbij de 
krachtige Jan van Beieren met den jongen en zwakken Jan van 
Brabant samen het bestuur der graafschappen in handen kreeg. 
De ballingen en hunne familiën keerden terug en Jan van Beieren 



1) ib. fol. 16, 23, 27. 

2) Stadsrek. 1416 (Kron. Hist. Gen. VIII, blz. 215 vlg.), 

3) Perk. Reg. Privil. (Rijksarchief) 1404 — 1416, fol. 178. 

4) Kron. Hist. Gen. VIII, blz. 380 vlg.; Van Mieris, IV, blz. 437. 

5) Wij bezitten de rekeningen dezer tochten (archief Leiden). Vgl. ook de grafelijke 
rekeningen uit dezen tijd. 



99 

werd feitelijk heer en meester in Holland, tot diepe ergernis der 
Hoekschen, verontwaardigd over de zwakke houding van diens 
mederegent, die hunne belangen en die zijner fiere gemalin, ja deze 
zelve ten eenenmale verwaarloosde en zich met Holland zoo goed 
als niet inliet. 

Zoo diep was die ergernis, dat het gerucht liep, toen hertog 
Jan van Beieren zijn huldigingstocht door Holland deed (Maart 
1419), dat Leiden den eed aan den ruwaard zou weigeren en 
gewapend verzet zou bieden onder leiding van den Hoekschen 
burggraaf, die toen te Podikenpoel gevestigd was ^). Eene bezen- 
ding uit de stad sprak dit gerucht tegen, maar Jan vond het bij 
zijn komst toch geschikt, gelijk hij overal had gedaan, om de helft 
der regeering voorloopig tot St. Jacob door Kabeljauwschen te 
doen vervangen, zij het dan alleen op zijn verzoek en niet van 
rechtswege 2). Zoo, meende hij, zouden de belangen van beide 
partijen behartigd worden. Reeds dacht de alleszins voor zijn taak 
berekende hertog-ruwaard aan de mogelijkheid van een spoedigen 
dood des bejaarden burggraven en verzekerde de opvolging van 
diens Kabeljauwsch gezinden oudsten zoon Hendrik en diens na- 
komelingen tegenover de aanspraken van den Hoeksch gezinden 
jongste in de Wassenaersche zoowel als in de burggrafelijke be- 
zittingen 3). 

De te Leiden onder de burgerij beiden krachtig vertegenwoor- 
digde partijen stonden er, gelijk in andere steden, scherp tegen- 
over elkander 4). Straatgevechten en oproeren waren in deze 
hachelijke omstandigheden licht te verwachten en bleven ook niet 
uit, met name op St. Joris (23 April) 141 9, op welken feestdag 
der schutters bijna ieder gewapend rondliep. Kabeljauwsche rond- 
zwervende benden trachtten de stad te bemachtigen met hulp van 
vrienden van binnen, die in Juli 1419 de poorthengsels heimelijk 
van de poorten losbraken en buitengewone bewaking noodig 
maakten der poorten en muren, waar de bussen „te gate" gelegd 
werden. Van weerszijden werden eindelijk (8 Sept.) door bemiddeling 



1) Stadsrekening 1419. Podikenpoel was een tijd lang in handen der Alkemades ge- 
weest maar in 1403 weder aan Philips verkocht, die het „metten boomgaerd, cingelen en 
graften" in 1405 opdroeg aan Willem VI en het als leen terug kreeg (Van Mieris, IV, 
blz. 4). 

2) Van Mieris, IV, blz. 530. 

3) Van Mieris, IV, blz. S37- 

4) Vgl. over dit alles het verhaal bij Meerman, Verhaal van het beleg en de verovering 
van Leiden in 1420 (Leiden, 1806), aan te vullen met posten uit de stadsrekeningen enz. 



lOO 

van den Beierschen hertogelijken raad Nothaft, die tijdelijk de 
regeering voerde voor den juist buitenslands vertoevenden hertog, 
tot 19 September van weerskanten 25 gijzelaars gegeven, die 
buiten de stad in verzekerde bewaring werden genomen, de 25 
Hoekschen in Gouda, de 25 Kabeljauwschen in Schoonhoven; het 
verbod om gewapend in de stad rond te loopen moest de kans 
op bloedige botsingen verminderen. Bij de afgesproken terugkomst 
der gijzelaars op St. Lambert (19 Sept.) kwam het echter opnieuw 
tot dadelijkheden, naar het schijnt uitgelokt door de teruggekeerde 
Kabeljauwschen, die, heimelijk gewapend, plotseling hunne mantels 
afwierpen en verraderlijk aanvielen op den jongen Jan van Was- 
senaer en zijn vriend Gerrit van Polanen. De geheele stad geraakte 
weder in rep en roer, de stormklok luidde en na een scherp ge- 
vecht moesten de Kabeljauwsche „zoenbrekers" het onderspit 
delven ; een deel vluchtte nogmaals de poorten uit. een ander deel 
werd gevangen genomen op het stadhuis en bracht er nauwelijks het 
leven af, een derde bende verschanste zich in den toren der St. 
Pieterskerk, maar werd daar ook na korten tijd gevat. 

Van beide zijden kwamen nu troepen in de stad om de 
gestoorde rust te herstellen; Nothaft aan het hoofd van Kabel- 
jauwschen, Jan van Wassenaer en Brederode met Hoeksche ge- 
wapenden. En het gelukte blijkbaar de partijen eenigen tijd in 
bedwang te houden. Men koos van weerszijden scheidsrechters, 
die zich veel moeite gaven maar de zaak ten slotte moesten op- 
geven, terwijl de burggraaf met het handhaven der orde werd 
belast. Eindelijk (21 November) kwam de regeering in Den Haag 
tot een uitspraak, met tijdelijke verbanning van de ergste onrust- 
stokers in beide partijen, totdat de buitenslands vertoevende hertog 
zelf orde op de zaken zou komen stellen, en met den eisch tot betaling 
eener zware schadeloosstelling en boete door de rumoerige stad. 

Deze beslissing; was echter volstrekt niet naar den zin der Leidsche 
Hoekschen, die zich door dit vonnis der Kabeljauwsche lands- 
regeering onbillijk behandeld achtten. Zij protesteerden heftig, 
noodzaakten de zwakkere Kabeljauwsche tegenpartij de reeds van ver- 
schillende kanten bedreigde stad te verlaten en onderhandelden 
met de regeering, die deze onderhandeling sleepende hield tot de 
komst van den hertog zelven. Deze kwam in Maart 1420 eindelijk 
te Dordrecht terug, riep onmiddellijk den ouden burggraaf, diens 
jongsten zoon en 50 Leidsche vroedschapsleden onder vrijgeleide 
voor zich en deelde hun mede, dat hij het door de landsregeering 
in zijn afwezigheid geslagen vonnis handhaafde. 



lOI 

Groot was de ers:ernis der Hoekschen, die zich overal in Holland 
verongelijkt zagen en te vergeefs de hulp inriepen van de eigenlijke 
landsvrouwe Jacoba, in Brabant nog steeds onmachtig om de be- 
leedigingen, haarzelve en den haren aangedaan, te wreken en door 
haren energieken oom in Holland geheel ter zijde geschoven. Een 
aantal Hoeksche edelen, ook de burggraaf met zijn jongsten zoon, 
sloten daarom 15 April 1420 een verbond met den krachtigen 
Utrechtschen bisschop, den Hoeksch gezinden Frederik van 
Blankenheim, met den burggraaf van Montfoort, met de burgers 
van Leiden, Utrecht, Amersfoort en de steden van het Oversticht. 
Leiden, thans geheel een Hoeksche wapenplaats geworden, zou 
het middelpunt zijn eener krachtige poging om het ondrage- 
lijke Kabeljauwsche juk af te schudden en in de plaats van her- 
tog Jan de veelgeplaagde en heimelijk van alles ingelichte Jacoba 
aan het tioofd der landsregeering te herstellen. De burggraaf en 
zijn zoon met hun aanhangers bewapenden hunne kasteelen en 
de stad werd met 500 Utrechtsche en Hoeksche knechten ver- 
sterkt om weerstand te kunnen bieden aan het wapengeweld, 
waarmede de gevreesde hertog Jan „Zonder Genade", overwinnaar 
eenmaal van het trotsche Luik en steunend op de sterke macht 
van zijn neef, Philips van Bourgondië, ongetwijfeld zou optreden 
tegen zijn weerspannige onderdanen. 

Reeds begon de burgeroorlog over geheel Rijnland met aanvallen 
op de versterkte kasteelen van den adel, op de wederzijdsche be- 
zittingen en landhoeven ; de Hoekschen vertoonden zich zelfs in 
het openliggende Den Haag en brandden en plunderden tot voor 
de poorten van het sterke Gouda. Eerst in Mei kwam de hertog 
naar Holland en begon troepen te verzamelen om zijne tegenstan- 
ders tot rede te brengen, desnoods door een beleg van het weer- 
spannige Leiden. De burggraaf werd door hem reeds 20 Mei 
plechtig uit al zijne leenen ontzet ten behoeve van zijn Kabeljauwsch 
gezinden zoon Hendrik, die zich evenwel moest verbinden het 
gerecht van Leiden aan den landsheer te laten, ten minste in 
zooverre dat hij daarover niet zou beschikken zonder toestemming 
van den hertog. Te gelijk werd een juist op weg naar de oproerige 
stad zijnde bezending Engelsche schapenvellen, voor de lakenbe- 
reiding bestemd, in beslag genomen evenals andere bezittingen 
der oproerige Leidenaars, die men hier of daar in handen kon 
krijgen. Van alle kanten werden ridders en stedelingen, boeren en 
burgers uit Holland en Zeeland ■ — ook uit Luxemburg en Gelre 
kwamen hulpbenden — naar Gouda, het punt van uitgang voor 



I02 

den heertocht tegen Leiden, opontboden om aan het beleg deel te 
nemen. Nog half Juni werden tusschen den hertog en de stad 
brieven gewisseld ^), die echter duidelijk blijk gaven van de weder- 
zijdsche verbittering, waaraan alleen door strijd een einde kon 
komen. 

Den i7den trok de hertog van Gouda uit tegen de reeds van alle 
zijden omsingelde stad op, zijn weg nemend over Alfen en langs 
den Rijn, waar hij alvast het door de Hoekschen bezette kasteel 
Poelgeest bij Koudekerk zonder veel moeite veroverde en slechtte 
en vele gevangenen maakte. Ook de eveneens verdedigde kasteelen 
Ter Does, Ten Zijl en Ten Waard vielen na korten tijd ; het 
daar buitgemaakte geschut werd tot voor Leiden gesleept en ver- 
sterkte zoo 's hertogs reeds belangrijke artillerie, waarmede hij nu 
den 21 sten Juni de stad begon te beschieten. Met name geschiedde 
dit uit een groot, snel opgericht blokhuis tegenover de Hoogewoerds- 
poort en een tweede te Boshuizen bij de Witte poort, terwijl 
de stad steeds nauwer werd ingesloten; het burggrafelijke kasteel 
Podikenpoel en dat te Warmond vielen den hertog spoedig in 
handen en ook bij het eerste verrees een sterk blokhuis, evenals 
de andere met grachten en stevige poorten voorzien en bewaakt 
door voetvolk en ruiterij. Het noodige buskruit werd telkens van 
Oudewater, waar het vervaardigd werd, aangevoerd. De hertog 
zelf leidde het beleg van uit zijn van ijzer- en houtwerk opge- 
trokken tent voor de Witte Poort. Wij lezen 2) van een aantal tenten 
van edelen, waarvoor des nachts „torken" (fakkels), gebrand werden ; 
van duizenden schollen, schelvisschen, haringen en stokvisschen, 
honderden runderen en schapen, van uit Den Haag aangevoerd 
brood, van voorraden wijn en bier tot het dagelijksch onderhoud 
van het leger, van uitgebreide met grachten voorziene bolwerken 
tegen de stad, van spionnen of „crupers", verkenners, die zich 
tot onder de muren der stad waagden. Herhaaldelijk was er sprake 
van ontzet van het verbonden Utrecht uit en weken lang boden de 
belegerden dapper weerstand, soms door welgelukte uitvallen. In 
het begin van Augustus echter begonnen de onderhandelingen met 
een „eerste sprake" over een zoen, waartoe de ingesloten stad 
niet ongeneigd bleek uit vrees voor bestorming, brand en plun- 
dering, wanneer de hertog zijn doel mocht bereiken ; gebrek aan 
levensmiddelen schijnt daarbij den doorslag te hebben gegeven, 



i) Memoriaal X** (Rijksarchief). Vgl. de briefwisseling, hierachter in de Bijlagen afgedrukt. 
2) Bij Meerman, 1.1. 



I03 

misschien ook de algeheele stilstand der lakennering, wegens ge- 
brek aan grondstof en uitvoer. Een wapenstilstand bracht reeds 
dadelijk eenige verlichting en den i/den Augustus gaf de stad zich 
na een beleg van twee maanden over op voor haar en haren burg- 
graaf nog vrij gunstige voorwaarden ^). 

De stad moest alle gevangenen, die vóór de inneming van het 
huis Ten Waard door haar gemaakt waren, in handen van den 
hertog laten; de burggraaf gaf zijn burggraafschap op met uit- 
zondering van den burcht zelven met zijne „mannen", zijne bezetting, 
met het daaraan verbonden zwanen-, hop- en gruitrecht, visscherij 
en tol ; alle stedelijke handvesten werden bevestigd behalve die, 
welke Jacoba „sonder hoeren momber" had geschonken; alle ver- 
schillen werden bijgelegd; de stad zou binnen drie weken 18000 
Wilhelmus-schilden als boete voor haar verzet hebben te betalen, afge- 
zien van de boeten wegens de boven vermelde vroegere oproeren, 
die intusschen niet hooger zouden stijgen dan 1000 nobels; de 
uitgeweken Kabeljauwschen zoowel als de Hoekschen, poorters en 
niet poorters, zouden hun aandeel in een en ander betalen, ook in 
de schade, beloopen op de door den hertog onderschepte Engel- 
sche wol. 

Hiermede was de „veete" van Leiden geëindigd en de stad tevens 
haren overmachtigen burggraaf kwijtgeraakt. Ten bewijze daarvan 
werden de Leidsche lakens voortaan niet meer met het wapen van 
den burggraaf, maar met dat van den landsheer geteekend 2). Het 
gerecht der stad werd onmiddellijk door den hertog omgezet, gelijk 
hij eenige dagen later ook de kleinere stadsambten door zijn aan- 
hangers liet in bezit nemen. Hij ontzette weldra den ouden burggraaf 
uit al diens leenen ten behoeve van diens zoon Hendrik, die ze 10 Fe- 
bruari 142 1 uit zijne handen ontving, met uitzondering echter van 
het burggraafschap „ende tgerecht van Leyden mitter heerlic- 
heit" 3), dat aan den hertog bleef op de in Augustus 1420 door 
de landsregeering gestelde voorwaarden. Eenige jaren later 4) is de 
oude burchtheer in gevangenschap te Wijk bij Duurstede overleden. 

Het ophouden der burggrafelijke macht in de stad, waarvan nog 
slechts de bloote titel met het bezit van den burcht en een en ander 
uit de bovengenoemde inkomsten overbleven, werd nog 1 5 Februari 



1) Van Mieris, IV, biz. 584 vlg. 

2) Zie Posthumus, Gesch. der Leidsche lakenindustrie, I, blz. 174. 

3) Van Mieris, IV, blz. 568. 

4) 5 Dec. 1428. Vgl. Obreen, Wassenaer, blz. 28. 



I04 

142 1 bevestigd door de plechtige verklaring van hertog Jan ï), dat 
„die burggraefscip mit hoiren toebehoiren tot ewigen dagen bl3'ven 
sal aen ons ende aen onse erven ende nacomelinghen ende nemmer- 
meer dairaff versceyden en sel werden in geenre wijs". De stad 
was voortaan even vrij als iedere andere groote stad van Holland ; 
de geringe overblijfselen van de oude burggrafelijke oppermacht 
hinderden haar weinig. 

De afloop van den grooten burgerkrijg in het graafschap, waar 
in 1425 de machtige Philips van Bourgondië de erfenis van zijn 
Beierschen oom aanvaardde en drie jaren later de rampspoedige 
Jacoba dwong hem de heerschappij af te staan, bezegelde de 
overwinning der Kabeljauwsche partij in het gansche gebied van 
Holland, Met haar zegepraalde het burgerlijke, het stedelijke ele- 
ment over dat van den meerendeels Hoekschen adel als een van 
welks machtigste hoofden de beide laatste burggraven uit het ge- 
slacht van Wassenaer hadden gegolden. Thans had het nieuwe 
hoofd van het geslacht, Hendrik, de Kabeljauwsche partij omhelsd ; 
Jacoba zelve zag zich (3 Aug. 1428) genoodzaakt den oudsten 
zoon van den burggraaf, haren trouwen aanhanger, die lang te 
Schoonhoven door den Kabeljauwschen Jacob van Gaesbeek ge- 
vangen was gehouden, als houder der leenen zijns vaders te erken- 
nen 2^ en twee jaren later ook de overdracht van het burggraafschap 
aan de grafelijkheid, het werk van hare bitterste vijanden, te 
bezegelen 3). Als in 1434 moeilijkheden ontstaan tusschen den burg- 
graaf en de stad over zwanenrecht en visscherij, beiden onbedrie- 
gelijke kenteekenen van oude heerlijke rechten, geeft de burggraaf 
de voorkeur aan minnelijke schikking 4). 

Een nieuwe tijd is voor de stad aangebroken, een tijd van vol- 
komen vrije ontwikkeling van stadsbestuur en stedelijken bloei. 



i) Van Mieris, 1.1. 

2) Van Mieris, IV, blz. 927. 

3) Van Mieris, IV, blz. 980. 

4) Stadsrek. 1434. 



HOOFDSTUK V. 
Stad en landsheer. 

De landsheerlijke macht in deze streken was in handen der 
Frankische koningen gekomen sedert de achtste eeuw, toen dit 
deel van Frisia, het land der Friezen, die zich in de nadagen van 
het Romeinsche rijk van het Noorden uit over de gansche kust- 
streek tot het Sincfal of Zwin toe hadden uitgebreid, onder de 
Frankische opperheerschappij was gebracht ten gevolge van de 
zegepralen van den ouden Pepijn, van Karel Martel en van Pepijn 
den Korte. De oude gouwen, herinneringen aan overoude indeeling, 
waren als Frankische bestuursafdeelingen herleefd en Frankische 
graven hadden er den vorst in het bestuur vertegenwoordigd. In 
het midden der negende eeuw was dan onder Rorik en Godfried 
het voormalige Friesland door de zwakheid der latere Karolingers 
een tijd lang in gevaar geraakt om geheel onder zoo goed als 
onafhankelijke Noorsche leenmannen van het Frankenrijk te komen i), 
maar de dood van Godfried in 885 had de kans op het ontstaan 
van een Duitsch Normandië doen verdwijnen en Frankische graven 
bestuurden ook het land „circa oras Rheni" opnieuw als ambtenaren 
en leenmannen van den koning van Lotharingen, sedert 925 echter 
voorgoed van dien van Oostfrancië, die de erfenis der Lotharingsche 
Karolingers tot zich had getrokken en zich welhaast koning en 
keizer van het Duitsche rijk noemde. 

Van dit Duitsche rijk vormde in de lo^e eeuw het complex van 
gouwen, dat men laat in de i i^e Holland ging noemen, een onderdeel 
onder een grafelijk geslacht van Friesch-Frankischen oorsprong. 



i) Geschiedenis van het Nederl. Volk, I, blz. iio vlg. ; Vogel, Die Normannen und 
das Frankische Reich, S. 117, 128, 145, 193, 235, 260 ff. 



io6 

dat wij reeds onder den Norenhertog Godfried in Kennemerland en 
Rijnland gevestigd vinden ^), in het bezit van aanzienhjke domeinen en 
leengoederen, verbonden met de grafehjke waardigheid. In hunne 
afgelegen moeras-, veen- en duinlanden genoten zij reeds vroeg een 
zekere zelfstandigheid, die bestand bleek tegen de aanvallen van 
de Utrechtsche, Vlaamsche, Brabantsche en Friesche buren en van 
den koning zei ven en in de 12^6 en 13 de eeuw vele kenmerken 
vertoont van landsheerlijkheid, al bleef de opperheerschappij des 
Duitschen konings nog erkend -). De zwakheid van het koninklijk 
gezag in de 13^^ en 14^^^ eeuw werkte de toeneming dier zelf- 
standigheid in de hand. De Henegouwsche dynastie volgt de oude 
Hollandsche op in weerwil van het ernstige verzet des opperheers ; de 
Beiersche neemt in het midden der eeuw hare plaats in, zonder 
dat de toenmalige keizer, Karel IV uit het Luxemburgsche geslacht, 
iets anders kan doen dan berusten gelijk zijn nazaat Sigismund in 
de I5<^^ de Bourgondiërs door zijn protesten niet kan verhinderen 
zich van Holland meester te maken en dit gebied sedert 1428 in 
te lijven bij hun langzamerhand alle oude Nederlotharingsche ge- 
westen omvattend rijk. 

Geen andere keizers dan Maximiliaan en Karel V hebben ooit 
den HoUandschen grond betreden, nadat Hendrik III tegen het 
midden der ii^e eeuw te vergeefs getracht had door een krijgstocht 
den weerspannigen HoUandschen graaf Dirk IV in zijn poelen en 
moerassen te bedwingen 3) ; geen Roomsch-Koning dan alleen de 
eigen tot die waardigheid verheven graaf Willem II heeft, voor- 
zoover bekend is, deze streken bezocht. 

Is het wonder, dat de graaf van Holland door zijn onderdanen 
sedert de 13*^6 eeuw als de feitelijke landsheer werd beschouwd 
zoo goed als een der andere Duitsche vorsten binnen de grenzen 
van hun gebied? De keizer-koning is hun slechts de veraf gezetelde 
opperheer, wiens gezag over het in zichzelf verdeelde rijk feitelijk alleen 
geldt „in suis partibus," in zijn eigen gebied 4). In normale omstan- 
digheden volgt, zoolang de mansstam van het regeerende grafelijke 
huis niet is uitgestorven, de vader den zoon, de broeder den broeder 
op in de grafelijke heerschappij ; bij het uitsterven van den mans- 



i) Geschiedenis van het Ned. Volk, I, blz. 126 vlg. 

2) Vgl. over die verhoudingen mijn Holland und das Reich vor der Burgunderzeit, 
in Nachr. der Kön. Gött. Gesellschaft der Wiss. (Phil. Hist. Klasse), 1908, S. 606 ff. 

3) Ib., S. 612 ff. 

4) Phil. de Leyden, uitg. Fruin— Molhuysen, p. 54. 



I07 

stam komt, hoewel niet zonder schokken van beteekenis, een preten- 
dent uit de vrouvveHjke opvolgingsHjn : eerst de Henegouwer, dan 
de Beier, eindehjk de Bourgondiër, zonder dat het rijksopperhoofd 
zijn stem kan doen gelden i). 

Was er een nieuwe graaf opgetreden, dan werd hij in de hoofd- 
plaats van iedere gouw, voor Rijnland, naar het schijnt, vroeger te 
Leiden, later te Katwijk 2) gehuldigd „na slands recht als men 
pleghet" 3), als „rechte landtshere," wat geschiedde in de steden 
door schepenen, raad en „gemeente" met „gestaveden eeden" en 
wel van wegede gemeente door ieder burger, jong en oud, van wege de 
„lantluden" door hun gevolmachtigden. Van deze plechtigheid werd 
een stuk opgemaakt ; de graaf zelf beloofde van zijn kant de pri- 
vileges en verdere rechten der onderdanen te zullen handhaven 4) 
en gaf tegelijk de vaste leenen opnieuw uit aan de oude leen- 
mannen 5), nadat hij ook van dezen „manscap ende hulde 

ontfaen" had. 

Omstreeks 1400 begon de huldigingsplechtigheid 6) met den eed 
des graven „mit opgherecten vingheren" op die rechten, welke eed 
hem in de steden door een regeeringspersoon werd afgenomen en 
inhield, „onser steden voirs ende eiken bysonder een goet ghenadich 
heer te wesen ende hem hairre steden vriheden ende rechten in 
allen poynten onverbreken te houden ende te doen houden;" dan 
eerst volgde de eed der poorters : „goede ende getrouwe ondersaten 
te wesen ende hem (den vorst) te doen al dat goede ghetrouwe 
ondersaten haren rechten lantsheer sculdich sijn te doen' 7). Na deze 
huldieinp- kwam de ..confirmacie" der hantvesten door den nieuwen 
landsheer. Volgens Matthyssen, den welonderrichten stadsklerk van 
Den Briel, was deze regeling reeds „van den ouden wysen uyt 
groter voorsienicheit" vastgesteld, dus reeds van oudsher gewoon, 
wat dan ook wel met het voorgaande is overeen te brengen, 



i) Holland und das Reich., S. 615 ff. 

2) Vgl. Oorkdb. I, no. 206, § 11. Katwijk komt dikwijls voor als de plaats, waar de 
graaf in Rijnland „tam urbanis quam rusticis se ostendens comparuit" (Wilh. Procurator, p. 201), 
zooals Willem III in 1327 , blijkbaar wegens een bede voor zijn reis naar den keizer en om 
zijn oudsten zoon als regent tijdens zijn afwezigheid voor te stellen. 

3) Stoke, uitg. Brill, Bk. VII, vs. i vlg.; Bk. X, vs. 813 vlg. 

4) Vgl. Van Mieris, II, i vlg. 

5) Stoke, Bk. X, vs. 817 vlg. 

6) Matthyssen, Rechtsboek van Den Briel, blz. 23. 

7) In 1416 schreven de poorters hunne namen onder de verklaring, dat zij Jacoba 
als wettige vorstin zouden erkennen na den dood haars vaders (Privilegieb. A fol. 81/2; 
Van Mieris, IV, 383/4). Ongelukkig hebben wij die namen niet. 



io8 

al blijkt dit niet duidelijk uit de onvolledig bewaarde oorkonden, 
voorzoover het voorafgaan van den grafelijken eed aangaat. Zelfs 
de machtige Philips van Bourgondië beloofde vóór de huldiging 
als „ruwaard ende oir" ^) in 1425 ,,speciaele brieve" te zullen 
geven betreffende de door zijne voorgangers verleende privileges 
als men hem zou gehuldigd hebben. Hieruit blijkt ook, dat huldi- 
ging en vorstelijke eed aan de onderdanen met bevestiging der 
privileges als ten nauwste samenhangend beschouwd werd. 

Bij die huldigingstochten werd de landsheer vergezeld behalve door 
zijn eigenlijken hofstoet of ,,ghesinde," door zijn ,, consilium" of 
Raad, een lichaam, dat reeds in de 13de eeuw onder dien naam 
voorkomt en reeds van den oudsten tijd dagteekent 2). Het bestond 
uit eenige daartoe door den vorst geroepen raadslieden, oorspron- 
kelijk uit den voornamen adel des lands, naast wie in de 14de eeuw 
ook enkele voorname geestelijke en wereldlijke ambtenaren : kapelaans, 
rentmeesters, baljuwen, enz. werden geraadpleegd. Bij dien 
Raad behoorde een kanselarij, samengesteld uit eenige grafelijke 
„clercken", welke kanselarij in de 14^^^ eeuw onder Albrecht een 
vaste organisatie kreeg 3) en belast werd met het bij een geregeld 
landsbestuur noodige administratieve werk. Ook Leidenaars worden 
genoemd onder deze grafelijke ambtenaren, met name onder Floris V 
de bovengenoemde Gerrit van Leyden, onder Willem III en zijn naaste 
opvolgers de bekende „memorialis" Gerard Alewijnsz 4), later de be- 
roemde Philips van Leyden en andere leden van datzelfde aan- 
zienlijke Leidsche geslacht sj, en andere leidsche burgers en 
geestelijken. 

Onder het oppertoezicht van den grafelijken Raad werd sedert 
het midden der 13de eeuw het bestuur over de gouwen, waaruit 
het graafschap allengs was samengegroeid, gevoerd door de aan 
Vlaanderen ontleende baljuwen. De baljuw van Rijnland was zoo 
sedert omstreeks 1270 belast met het bestuur over dit onderdeel 
van Noordholland, zelf weder een onderdeel van het voormalige 
groote baljuwschap Holland. Als zoodanig had de baljuw in de 
14'^^ eeuw in de eerste plaats de rechtspraak in zijn district, voor- 



i) Zie boven, blz. 104. 

2) Van Riemsdijk, Ue tresorie en kanselarij van de Graven van Holland en Zeeland, 
blz. 32 vlg. 

3) Vgl. ibidem, blz. 40 vlg., 102 vlg. 

4) Ib. blz. 71 vlg. 

5) ib. blz. 45 vlg., 62 vlg. Zie de Bijlagen. 



109 

zoover deze niet door den graaf zelven ^) of door bijzondere privileges 
als die der stad Leiden aan zijne macht onttrokken was of aan de am- 
bachtsheeren der verschillende ambachten in leen was gegeven. Des 
baljuws rechtspraak bepaalde zich dus in de 14de eeuw feitelijk 
tot de „hooge" jurisdictie, tot het berechten van zaken van hals- 
recht, oproer, van crimineele zaken in het algemeen en tot het 
toezicht op de werkzaamheid der schouten in de ambachten. Be- 
halve de rechtspraak had hij de Rijnlanders op te roepen, als de 
huldiging te Katwijk moest geschieden, in geval van oorlog te 
zorgen voor de oproeping van den heerban in de gouw en voor 
de aanvoering daarvan in den te ondernemen krijgstocht ; nu en 
dan hield hij wapenschouwing ; hij was tevens dijkgraaf van het 
waterschap Rijnland en hield in die hoedanigheid toezicht op 
wegen, dijken, bruggen en wateren. Hij was dus de vertegenwoordiger 
des graven en placht door den graaf gekozen te worden uit de 
aanzienlijke edelen van de gouw, maar reeds Philips van Leyden 
wijst er op, dat de invloed dier groote heeren het moeilijk maakt 
hen binnen de perken van hun plicht te houden ^). 

De baljuw van Rijnland had zijn zetel in het grafelijke hof te 
Leiden, waar hij gewoonlijk ook de vierschaar spande met de 
welgeboren „mannen" van Rijnland en de gevonnisten vóór de 
executie bewaarde in den nabijgelegen grafelijken „steen" 3) of, voor 
het met Rijnland vereenigde baljuwschap Woerden, in dien te 
Oudewater ; in sommige gevallen spande hij de vierschaar ook ter 
plaatse van het misdrijf. Hij benoemde de schouten in de niet door 
den graaf in leen uitgegeven ambachten, ontving en verrekende 
het den graaf toekomende aandeel in de door de lagere recht- 
banken opgelegde boeten en hield het toezicht op zijne onderge- 
schikten. Dit waren de beide „asigen" of rechtskundigen van oud- 
Frieschen oorsprong, in de 14'^s eeuw één voor ieder der door den Rijn 
gescheiden deelen van zijn district ; de vier boden ; de beide 
„kempen" ; de steenwachters en stokbewaarders ; de „beslagher", 
die de gevangenen in de „yzers" moest klinken; de „hangman", 
die echter in het laatst der eeuw uit Haarlem moest wor- 
den ontboden, als men hem noodig had 4). De baljuw van Rijn- 
land ontving jaarlijks 150 pd. als salaris, en die had hij wel noodig, 

i) In zaken van opstand, samenzwering, muntvervalsching, heiligschennis, zeeroof, 
plundering, vrouwenverkrachting, die hij zich en zijn Raad voorbehield. 

2) Uitg. Fruin en Molhuysen, p. 115, 118. 

3) Zie boven, blz. 53/4. 

4) Een en ander uit de baljuwrekeningen in het Rijksarchief, sedert het midden der 
14de eeuw aanwezig. 



IIO 

niet alleen als betaling voor zijn diensten, maar ook omdat hij, 
evenals andere hooge ambtenaren in dien tijd, het ambt voor zijn 
leven gekocht had. Philips van Leyden keurt dit laatste terecht 
af i), maar wij bezitten nog een overeenkomst 2) tusschen den baljuw 
Jan van der Borch en de toenmalige tijdelijke pandhouders van 
het graafschap 3), de Borsselens, van 1431, waarbij de baljuw belooft 
voor het ambt jaarlijks 200 bourgondische schilden te zullen betalen 
tegen afrekening van wat hij er meer uit trekt, en verder korting 
bij verkleining van zijn rechtsgebied of beperking zijner inkomsten 
door kwijtschelding van boeten of bij belemmering in de uitoefening 
van zijn ambt. 

De rechtspraak van den grafelijken baljuw binnen Leiden gold 
dus in hoofdzaak het halsrecht; de jurisdictie in het algemeen 
was binnen de stad aan schout en schepenen toevertrouwd 
reeds door de handvest van 126Ó. Was er een kwestie van hals- 
recht, dan spande voor stedelingen de baljuw zijn vierschaar met 
den burggraaf en schout en schepenen van Leiden, die dus in dat 
geval de plaats der „welgeboren mannen" uit het district innamen 
op de in de rekeningen genoemde „zodenbank" van de vierschaar. 
Dit geschiedde, tot de handvest van 24 Juli 1434 den schout met 
de roede, het teeken der „kennisse," begiftigde en hem toestond 
met de schepenen „recht te doen met den hoichsten" van 's heeren 
wegen, ,,sonder onsen baeliu van Rijnlandt dair by te roepen." 
Voortaan had de baljuw geen rechtspraak meer over de stedelingen. 

Behalve den baljuw was er nog een ambtenaar des graven, waar- 
mede de stad geregeld in aanraking kwam. Dit was de rentmeester 
van Noordholland, een ambtenaar, die ook reeds in de 13'^^ eeuw 
voorkomt en belast is met de invordering der grafelijke inkomsten 
in dit voornaamste en rijkste district. Zijn ambt placht in den 
Henegouwschen tijd, toen de administratie op geregelder voet 
werd ingericht, verbonden te zijn met dat van schout of baljuw 
in Den Haag 4) en was sedert 1363 ondergeschikt aan dat van den 
grafelijken tresorier, den algemeenen beheerder der financiën van 
de grafelijkheid 5), Hij woonde dus in de plaats, die sedert den 
Henegouwschen en Beierschen tijd de vaste zetel der landsregeering 



i) 1.1. p. 69 sq. 

2) Oork. Rijksarchief. 

3) Zie daarover mijne studie, in Nijh. Bijdr. 3de R. II, blz. 327 vlg. 

4) Phil. de Leyden, p. 121. 

5) Van Riemsdijk, 1.1. blz. 119, 140, 171 vlg. 



III 

over het graafschap was, ook al bevond zich de landsheer in 
Henegouwen of elders; hij had een aantal „clercken" onder zich; 
hij was meestal een vermogend man, op wien de graaf desnoods even- 
tueele tekorten kon verhalen, en genomen uit de kringen der stedelijke 
burgerij, welke zich gaarne voor dergelijke ondergeschikte ambten 
leenden en wegens familiebetrekkingen en invloed niet al te zeer 
ontzien behoefden te worden i); hij had jaarlijks rekening te doen 
aan den grafelijken Raad of aan een commissie uit dat lichaam en 
daarbij geregeld een „verclaringhe" over te leggen aan- 
gaande de vermoedelijke inkomsten van het volgende jaar, een 
soort van budget 2). De in zijn kas stroomende gelden droeg hij 
ten deele af aan hen, die op sommige inkomsten „verlient" waren 
(d.i. ze in leen hadden) of recht op „bewisinghe" (uitkeering), 
hadden ; ten deele betaalde hij de kosten van onderhoud der 
grafelijke gebouwen in Den Haag, van levensonderhoud, kleeding 
enz. van het hofgezin en deed verder allerlei betalingen, die hem 
bij „open brieven" van den graaf, de gravin of iemand van de 
dienstdoende hofedelen werden voorgeschreven. 

Met den tresorier der grafelijkheid — welke post eerst door ervaren 
ambtenaren van geestelijke of wereldlijke hoedanigheid, daarna 
soms door aanzienlijke edelen werd waargenomen 3) — had de stad 
in hoofdzaak alleen te maken bij het vaststellen en betalen eener 
„bede," eener buitengewone belasting, die door dezen met den 
grafelijken Raad geregeld werd, of bij leeningen en borgstellingen 
van beteekenis, voor het verkrijgen waarvan de landsheer zich tot 
zijn reeds in de 13^^ eeuw min of meer kapitaalkrachtige steden 
placht te wenden, voorzoover de daar toen reeds gevestigde Itali- 
aansche of Zuidfransche „lombarden" 4) hem niet van dienst konden 
zijn; in zijne kas vloeiden onmiddellijk ook de baten uit zware 
boeten, uit de betaling voor nieuwe handvesten enz„ terwijl zij 
overigens gevoed werd door het geregeld afdragen van de voor- 
schotten der rentmeesters en baljuwen, door verkoop van domeinen, 
door betaling van nieuw uitgegeven leenen, bij geldgebrek door 
leeningen naar alle kanten. Hij of de rekenplichtige klerk, die 
vroeger het beheer voerde, zorgde voor het bestrijden der algemeene 



i) Phil. de Leyden, p. 15. 

2) Zoo de Verclaringhe over 1334 (Grafelijkheidsrek. uitg. Hamaker, I, blz. 160 vlg.). 
Vgl. de Rekeningen van Noordholland 1343/4, in dl. II dier uitgave (Werken Hist. Gen.). 

3) Van Riemsdijk, 1.1. blz. 187 vlg.. 210 vlg. 

4) Dit was de algemeene naam voor Noord-Italianen ; ook de uit Cahors afkomstige 
geldhandelaars (Cahorsins) werden wel met dien naam aangeduid. 



112 

onkosten van de landsregeering en betaalde grootendeels de dage- 
lijksche uitgaven van den graaf en zijn gezin ^). 

Van borgstellingen door de steden hooren wij al onder Floris V. 
Haarlem stelt zich borg voor hem in 1280 2); de zeven voor- 
naamste steden van Holland en Zeeland, waaronder Leiden, stellen 
zich in 1292 borg voor de betaling van 1 2000 pond, door hem van 
een consortium van drie edelen opgenomen 3). Van leeningen en 
giften in eens tot aanzienlijke bedragen, ook door de stad Leiden 4), 
aan den landsheer verstrekt, is in den loop der 14de eeuw her- 
haaldelijk sprake, met name in de dagen van den verkwistenden 
Willem IV en bij de op zijn dood volgende moeilijkheden binnens- 
lands s) ; meer dan eens komt het voor, dat bij borgstellingen van 
dien aard de stedelijke regeeringspersonen zelve zich persoonlijk 
verbinden om zich ter beschikking te stellen van den schuldeischer, 
in „leesting" te gaan. Leeningen kwamen vooral voor in geval van 
oorlog, wanneer buitengewone onkosten gemaakt moesten worden. 

Reeds in 1341 zien wij nog een andere methode toegepast. Sommige 
steden, ook Leiden, verbinden zich dan gezamenlijk tot betaling 
van lijfrenten, waarvoor de grafelijkheid van de betrokken personen 
kleine kapitalen verkreeg 6). Zoo betaalde Leiden in 1 347 te Brussel 
lijfrenten voor de grafelijkheid tot een bedrag van 246 schilden 7). 
Eerst in de dagen van Jacoba en Philips van Bourgondië vernemen 
wij van geregelde bemoeiingen der steden met de betaling der 
grafelijke lijfrenten in Brabant en Vlaanderen, waarvoor anders 
hare reizende of handeldrijvende burgers in die gewesten lastig ge- 
vallen worden S); daardoor kwamen de steden er in 1429 toe in 
plaats van het betalen van haar aandeel in eene bede de betaling 
dier lijfrenten voor hare rekening te nemen 9) en lieten zich, voor- 
zoover die aandeden daartoe niet voldoende waren, uit de bede 
van Kennemerland schadeloos stellen. 

In geval van oorlog ging de graaf spoedig over tot het 
vragen eener zoogenaamde „bede", opgebracht door alle onder- 



i) Over een en ander zie de Rekeningen, uitgegeven door Hamaker in dl. III der 
Grafelijkheidsrek. van Holland. 



Oorkdb. II, no. 403. 

ib. no. 817 en 823. 

Van Mieris, II, blz. 691, 757, 796, 840. 

Zie daarover: De Jonge, Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, passim. 

Grafelijkheidsrek., uitg. Hamaker, III, blz. 10. 

Rek. der Grafelijkheid, 1346/7 (Rijksarchief). 

Stadsrek. 1427. 

Oork. Leidsch archief, 12 Oct. 1429; Stadsrekeningen 1432/4. 



113 

danen, met uitzondering van den adel en de welgeborenen en de 
geestelijkheid, die allen tot in den Bourgondischen tijd vrijgesteld 
bleven ^). 

Van oudsher had de landsheer in zekere gevallen „petitiones" 
tot zijne onderdanen gericht; in den Frankischen tijd b.v. werden op 
deze wijze den vorst „annua dona" tot een zeker bedrag toegekend. 
Reeds onder Karel den Groote hadden sommige graven ze voor 
zichzelf geëischt, waartegen de keizer in 8oi ernstige maatregelen 
moest nemen ^). In de latere middeleeuwen werden buitengewone 
tegemoetkomingen aan den landsheer op deze wijze verleend 3) bij 
huwelijken en geboorten in de vorstelijke familie, reizen des graven 
naar het keizerlijke of pauselijke hof, ridderslag of gevangenschap 
van den landsheer of zijn zonen, bij een vijandelij ken aanval of een 
anderen in het belang des lands noodzakelijken krijgstocht; later 
ook bij de huldiging van een nieuwen landsheer als „blijde inkomst", 
in verband gewoonlijk met toe te kennen nieuwe privileges 4). 

Zoo werden die beden al talrijk genoeg, met name onder hertog 
Albrecht, maar de onderdanen hielden krampachtig vast aan het be- 
ginsel, dat beden opbrengsten van buitengewonen aard waren en alleen 
op verzoek van den vorst met hun eigen vrijen wil konden worden 
ingevorderd 5). De vorst moest nog in het midden der 14^^^ eeuw 
daartoe in persoon verschijnen in de hoofdplaats van iedere gouw, 
waarheen de gevolmachtigden der onderdanen waren bijeenge- 
roepen 6). Onder hertog Albrecht is dat veranderd; hij riep in 1394 
de gevolmachtigden van de verschillende districten naar zijne 
residentie, Den Haag, en legde hun hier, hoewel nog in persoon, 
zijn verzoek voor, waarop zij beraadslaagden en soms voorwaarden 
stelden, als kwijtschelding van achterstal, graven eener vaart, 
vereenvoudiging van rechtspleging, bijzondere privileges ; soms 
weigerde men zelfs aan het verzoek te voldoen, wat de Kennemers, 
in tegenstelling met de andere gouwen 7), deden tegenover graaf 



i) Zie mijne studie over de Financiën van het graafschap Holland, in Nijh. Bijdr. 3de 
Reeks, dl. III, blz. 107 vig. 

2) Ib. blz. 65. 

3) Matthyssen, blz, 29. 

4) Zie boven, blz. 38. 

5) Matthyssen, blz. 67 vlg. 

6) Zie b.v. Wilhelmus Procurator, p. 201, waar Willem III zijn reis naar het keizerlijke 
hof aankondigt te Katwijk aan de daar verzamelde „urbani et rustici". 

7) Procurator, p. 141, vermeldt, dat „ipso comité personaliter circumeunte", de „exactio. . 
tam urbanis quam rusticis ferventissirae procuratur" ; p. 155 spreekt hij uitvoerig over 
de weigering der Kennemers en hunne voorwaarden. 

8 



114 

Willem III in 1323 ^), toen zijne drie dochters kort na elkander 
huwden en daarvoor beden werden gevraagd, waartegenover zij 
„libertatis articulos" vroegen; of men maakte ten minste zwarigheden, 
zooals bij de voorbereiding van den zeer weinig populairen tocht 
tegen Friesland in 1400 ^), die verscheidene dagvaarten in Den Haag 
noodig maakte, eer de steden toegaven. Slechts zelden was de graaf in 
staat in dergelijke gevallen zijn wil door te zetten, zooals Willem III 
tegenover de Kennemers deed, die hun tegenstand moesten boeten 
met verlies van reeds verkregen rechten en gevangenschap hunner 
overheden 3). Daartegenover staan dan verhalen van verwonderlijke 
goedgeefschheid als dat uit den tijd van „die goede grave" Wil- 
lem III, toen de graaf 1000 pd. zou verlangd hebben op raad zijner 
raadsleden om een „hoefsche bede" te vragen en de onderdanen 
hem vrijwillig loooo pd. en meer aanboden 4), uit dankbaarheid 
misschien voor de rust en orde, die deze voortreffelijke vorst in het 
graafschap had weten te handhaven sedert den moeilijken tijd na 
den dood van Floris V en den inval der Vlamingen in Holland. 

Was eenmaal de bede toegestaan tot een zeker bedrag, hetzij 
geheven van het grondbezit (morgengeld), hetzij van het vermogen of 
de inkomsten (schildgeld), en was — dit sedert het optreden van graaf 
Willem VI, die voor het eerst in 1404 beden voor eenige achter- 
eenvolgende jaren vroeg, terwijl vroeger iedere bede slechts voor het 
loopende jaar gold — de duur van de heffing bepaald, dan moest 
de verdeeling der bede over de verschillende steden en dorpen 
plaats hebben, de „taxatie" of „verponding". Deze geschiedde of 
volgens oude lijsten van de „riemtalen", „morgentalen", later 
„schildtalen", waarin iedere stad en ieder dorp voor een zeker 
aantal riemen, morgens of te betalen schilden was ingeschreven ; 
óf, zooals in 13445), bij schatting van het vermogen door leden van 
den grafelijken Raad, die van dorp tot dorp rondgingen om de 
draagkracht van de „goede luyden" te „scatten" volgens beëedigde 
verklaring en de bedragen opteekenden in rollen, die zij naar Den 
Haag medenamen. De klerken en boden van den rentmeester van 
het district trokken vervolgens, met deze in Den Haag goed onder- 



i) Kluit, Holl. Staatsreg. IV, blz. 477 vlg. 

2) Grafelijkheidsrekening 1400 (Rijksarchief). 

3) Procurator, p 154. 

4) Matthyssen, Rechtsboek, blz. 30 ; Hildegaersberch, Gedichten, blz. 22, vs. 135 vlg 

5) Grafelijkheidsrek. uitg. Hamaker, II, blz. 138. Over riemtalen en morgentalen vgl. 
mijne bovengenoemde studie, blz. 81 vlg. 89 vlg. Oorspronkelijk schijnt het een berekening, 
voor levering van hulp in manschappen bij oorlog. Zie hierachter, blz. 118. 



115 

zochte rollen gewapend, van plaats tot plaats om de verschuldigde 
sommen te innen. De steden werden globaal getaxeerd en sloegen 
dan de verschuldigde som om over hare burgers, waartoe zij wel 
de reeds bestaande stedelijke schotboeken gebruikten. De gewone 
data van bedebetaling waren Kerstmis en St. Jan ^). 

Ofschoon Leiden evenals de andere steden bij privilege was vrij- 
gesteld van alle lasten behalve die enkele, welke in het oude privilege 
uitdrukkelijk vermeld waren, kon het zich, ten minste sedert den 
Henegouwschen tijd, evenmin als die andere steden onttrekken aan 
deelneming in de beden. Wij vernemen, dat het in 1344 in de 
„grote bede" van den 50^*^" penning 150 pd. opbracht 2), wat zou 
doen besluiten tot een gezamenlijke schatting van den „goede", 
het vermogen der burgers op 7500 pd. 3); dat het omstreeks 1350 
voor 24 „riemtalen" 4), omstreeks 1385 voor ruim 10 „riemtalen" 5) 
werd aangeslagen, waarbij valt op te merken, dat een gewone bede 
gesteld placht te worden op 10 pd. per „riem" ^); voorts dat het na 
1389 in de bede gewoonlijk ongeveer op dezelfde som werd gesteld als 
Delft 7), aanzienlijk lager dan Haarlem, maar hooger dan Gouda 
en Amsterdam, terwijl Dordt tegenover de beden een bijzondere 
positie innam ^). 

Bezwaarlijk werden de beden vooral in de jaren te beginnen met 
1426, tijdens den hevigen burgeroorlog na den dood van Jan van 
Beieren, toen door de steden aanzienlijke sommen voor de soldij 
der Bourgondische huurtroepen moesten betaald worden tot afkoop 
van den eigen dienst der burgers te velde 9) ; hertog Philips moest 
toen de onwilligen, die het door de stadsregeering vastgestelde 
bedrag niet betaalden, door bedreiging tot hun plicht brengen. Een 
gewone bede bedroeg voor Leiden in dien tijd 3500 schilden ï°) ; 



1) Vgl. over een en ander mijne boven genoemde studie over de Financiën van Holland, 
blz. 79 vlg. 

2) Grafelijkheidsrek. uitg. Hamaker, II, blz. 141. 

3) Dit is zeker weinig, als men let op die van Delft, die 400 pd. opbrachten, dus op 
20000 pd. geschat waren, en op de schattingen van verschillende dorpen: Nieuwkoop op 
8274, Aarlanderveen op 8953, Aare op 8265, Monster en Poeldijk op 7062, Zoeterwoude 
op 12381, Hazerswoude op 34355 pd. enz. Er moet dus een bijzondere „verlichting'' voor 
Leiden aangenomen zijn, waarvan ons de reden niet genoemd wordt. 

4) Reg. E. L. 22, fol. 47. Zie de Bijlage hierachter. 

5) Rentmeestersrek. Noordholl. (Rijksarchief). 

6) Vgl. Nijh. Bijdr. 3de R., II, blz. 283. 

7) Delft had toen zelfs een handvest verkregen, dat het altijd even hoog zou geschat 
worden als Leiden. 

8) Vgl. de lijst achter de studie in Bijdr. 1.1.; Fruin, in Verspr. Geschr. VI, blz. 141 vlg. 

9) Van Mieris, IV, blz. 847. 

10) Vgl. bovengenoemde lijst. 



ii6 

in 1427 moest de stad evenwel het dubbele bedrag betalen voor 
de goedkeuring harer handvesten, waarvoor den nieuwen bourgon- 
dischen landsheer een gezamenlijke landsbede van 75000 schilden 
was toegestaan ^). 

Omstreeks 1400 placht de landsheer op de wijze der beden van 
zijne steden ook den „sleyscat" te eischen, eene belasting tot afkoop 
van de voor den zich krachtig ontwikkelenden handel en het steeds 
drukkere verkeer der stedelingen zeer nadeelige misbruiken en 
wisselvalligheden ten opzichte van den muntslag, die met name 
onder hertog Albrecht zeer hinderlijk waren geworden en onder 
hem en zijn zoon allengs, voorzoover de landsheer daarop invloed 
kon uitoefenen, door een geregelde betaling van zekere som voor 
eenige jaren werden voorkomen. Het eerst hooren wij te Leiden 
van dergelijke bezwaren tegen de wijze, waarop door de lands- 
heeren in het munthuis der grafelijkheid te Dordrecht „avaritia 
suadente" bij den muntslag te werk werd gegaan, in 1369 2), toen 
„attenuari notabiliter coepit monata", klaagt een aanteekening in 
het Memoriale van St. Pancras ; de zaak ging in de volgende jaren 
van kwaad tot erger, zoodat de schrijver der aanteekening in 1376 
moedeloos en bedroefd zijn klachten daarover staakte. Het werd 
nog steeds erger, totdat hertog Albrecht in 1388 een groot munt- 
herstel ter hand nam door in overleg met de daarbij zeer belang- 
hebbende steden van de gansche grafelijkheid een voor tien jaren 
geldige muntverordening vast te stellen 3). Hij beloofde een goede 
nieuwe gouden (Dordrechtsche schild) en zilveren (Hollandsche groo- 
ten) munt te slaan en de veel in omloop zijnde slechte buitenlandsche 
stukken te zullen weren, terwijl de buitenslands „in der hoechsten Heren 
munte" geslagen, in Holland en Zeeland gangbare munt aan een vasten 
koers werd onderworpen 4), uitgaande van den regel, dat de munt 
zóó moest zijn, dat zij „ghemeen onder die coeplude ghenghe ende 
daer men bier ende broet mede coft", zooals het heet in een stuk 
van 1371. Maar vijf jaren na die munthervorming, in 1393, werd 
reeds weder een nieuwe overeenkomst met de steden gesloten s), 



i) Zie boven, blz. 46. 

2) Hamaker, in Nijh. Bijdr. N. R., VI, blz. 126 vlg. Vgl. Fruin, Over muntverzwak- 
king, in Verspr. Geschr. dl. VIII, blz. 191 vlg. 

3) Van Mieris, III, blz. 504 vlg. 

4) Vgl. over de beteekenis van dezen maatregel : Pierson, Leerboek der Staathuishoud- 
kunde, I, blz. 558 vgl. 

5) Van Mieris, III, blz. 593 vlg. 



117 

thans voor 20 jaren, waarbij weder nieuwe Hollandsche schilden 
en grooten werden in uitzicht gesteld, die ook werkelijk geslagen 
zijn. In verband met deze verbetering werd nu van 1395 af vijf 
jaren lang door de steden en dorpen een „sleyscat" van 6000 
dordtsche guldens betaald, waarin Leiden met Rijnland 800 gul- 
dens had te geven 1). Deze „sleyscat" werd onder Willem VI een 
soort van geregelde belasting 2). 

Op allerlei wijzen werden de onderdanen bovendien door den 
vorst geldelijk geëxploiteerd. Nu eens was het een morgengeld, 
dan een bieraccijns 3), dan weder een andere tijdelijke last in den 
vorm van den honderdsten penning of meer van het bezit. 

Van de oude grafelijke bestuurs-, markt- en andere rechten, die 
te Leiden grootendeels aan den burggraaf in leen waren gegeven 4) 
en in de 14^^^ eeuw allengs aan de stad zelve overgedragen, had 
de grafelijkheid alleen de helft van het gruit- en hoprecht 5) over- 
gehouden, het recht op de aanwending van de giststof bij de 
bierfabricage, die zonder deze niet mogelijk was. De opbrengst 
van dit recht was natuurlijk afwisselend naar mate van het bier- 
verbruik ^) ; bij die opbrengst kwam dan nog een bate uit de ver- 
pachting zelve van deze inkomsten, „rantsoen" geheeten 7). De 
patronaatsrechten over de Pieterskerk waren reeds in 1268 door 
Floris V aan het Duitsche Huis te Utrecht afgestaan; wat het 
daarmede samenhangende recht tot benoeming van den school- 
meester en koster betreft, de graaf, die over het eerste nog in 
1324 beschikt ^), heeft ook deze rechten met andere kleinere van 
dien aard niet lang daarna blijkbaar hetzij aan de stad, hetzij aan 
den burggraaf overgelaten: eerst in 1357 komen zij voor goed aan 
de stad 9). Ten slotte hield de graaf aan dergelijke rechten te Leiden 
niet anders over dan de helft van het gruit- en hoprecht boven- 
genoemd en die uit zijne huizen en hofsteden, uit welker verhuring 
hij jaarlijks inkomsten trok ^°). Alleen deze worden dan nog in 



i) Stedeboek fol. 260; Grafelijkheidsrek. 1396/7. 

2) Van 1406 — 1412 gaven Holland en Zeeland 2000 Beiersche guldens 's jaars daarvoor. 

3) Grafelijkheidsrek. 1399/1400: van elk vat binnenlandsch bier 2, van buitenlandsch 
bier 4 groeten. 

4) Zie boven, blz. 82 vlg. 

5) Gruit- en hoprecht waren in Holland in 1326 verbonden (Van Mieris, II, blz. 391) 

6) Grafelijkheidsrek., uitg. Hamaker, II, blz. 19 en 125. 

7) Zie Verdam, Middeln. Woordbk, i. v. 

8) Van Mieris, II, blz. 345. 

9) Zie boven, blz. 90. 

10) Grafelijkheidsrek., uitg. Hamaker, 1.1. Zie boven, blz. 9, 10, 53, 59, 60. 



ii8 

de rentmeestersrekeningen van Noordholland, die wij uit 1343/4 
en verder uit de tweede helft der eeuw bezitten, vermeld en ver- 
tegenwoordigen een bedrag van gezamenlijk niet meer dan een 
paar honderd pond, waarbij dan nog de vaste jaarlijksche inkom- 
sten gerekend moeten worden, door den baljuw verantwoord en 
voortkomend uit de rechtspraak over de stedelingen — geringe 
overblijfselen van de geldelijke beteekenis der rechten, die de graaf 
eenmaal in zijne stad Leiden had bezeten, voordat hij ze gedeel- 
telijk aan den burggraaf in leen had gegeven, gedeeltelijk voorgoed 
had laten varen. 

Onder de verplichtingen, die de stad tegenover den landsheer 
had na te komen, behoorde niet in de laatste plaats de deelneming 
aan de heervaart, een der voornaamste plichten immers van den 
landzaat tegenover den landsheer, oudtijds den koning, later den 
graaf. Deze verplichting was in het waterrijke Holland van ouds 
geregeld, doordat ieder ambacht gesteld was op een zeker aantal 
„riemen", d. w. z. op het leveren van bemanning voor een oorlogs- 
vaartuig, een „heercogge". Gelijk de ridders en welgeborenen ver- 
plicht waren op de eerste oproeping met paard en wapenen en 
gevolg op te komen ter heervaart, zoo moesten de huislieden op 
hunne beurt opkomen met „alsoo veel luyden als daertoe behooren 
na der riemtale" ^), waarop zij volgens daarvan bestaande lijsten 
waren gesteld. Van dergelijke lijsten bezitten wij er enkele, een 
uit het midden der 14^^^ eeuw 2) in schrift overgeleverd maar blijkbaar 
overoud, waarin ook Rijnland en al zijn steden en dorpen genoemd 
worden. Leiden staat daarin nog op 24 riemtalen, terwijl kleinere 
dorpen naar evenredigheid meer mannen leveren. 

Langer dan tot in het begin der 14de eeuw zal de krijgsdienst 
op deze overoude wijze wel niet hebben aangehouden ; de inpol- 
deringen en bedijkingen veranderden den aard van een groot deel 
des bodems, de aard van de oorlogvoering veranderde insgelijks, 
de huislieden dienden niet meer alleen te water maar volgden de 
banier des landsheeren te land. Toch bleef de oude naam nog in 
zwang zoowel voor de opkomst ten heerban als voor de ver- 
deeling der geldelijke lasten, die hiernaar werd ingericht, al week 
de naam in dit laatste opzicht voor dien van morgentalen en schild- 



i) Van Mieris, III, blz. 630/1, 681, 688/9, enz. 

2) Reg. E. L. 22, fol. 47, 58 (Rijksarchief). Zie Bijlage, en boven, blz. ii4/S- 



119 

talen naar aanleiding van de wijze van omslag of betaling ^). 

Deze regeling der riemtalen zal in oorsprong in ieder geval 
moeten geplaatst worden vóór de Leidsche handvest van 1266, 
waarin de verplichting van Leiden tot krijgsdienst, misschien op 
grond van die riemtalen, gesteld wordt op de levering van 25 man, 
in het bijzonder bestemd voor de bewaking van de tent des gra- 
ven 2). Dat stond ook nog te lezen in de vernieuwing van deze 
handvest door Willem III in 1306 3) en bleef gewoonte tot in het 
laatst der 14de eeuw. In 1391, toen hertog Albrecht de stad vroeg 
om 200 man voor den voorgenomen oorlog tegen Gelre, betoont 
zij weinig lust aan den oproep gehoor te geven en weet „soe mit 
vrienden te vervolghen, dat ons die reyse verdreghen wort", zegt 
de stadsrekening van het volgende jaar. Het gold hier trouwens een 
krijg buiten de landpalen, waartoe men zich niet verplicht rekende. 

Maar het is duidelijk, dat bij de aanzienlijke toeneming der 
stadsbevolking in de 14^^ eeuw aan dit kleine getal niet kon 
worden vastgehouden. Herhaaldelijk lezen wij op het einde der 
eeuw en in het begin der volgende van het uittrekken der gansche 
weerbare bevolking „metter banniere" op aanmaning van den 
vorst om hem te hulp te komen, waarbij dan telkens blijkbaar 
sprake is van eenige honderden 4). Daar verschenen dan de 
Leidsche burgers onder hun stadswapen „van sulver wit, daerin 
twe slotelen van kele", trotsch op hun recht „buten allen anderen 
steden", om „wel ghewapent alle nachte by horen here in die wachte" 
te komen 5). 

De landsheer doet bij die oproepingen in sommige gevallen ook 
zeer wel uitkomen, dat daarbij slechts van vrijwillige opkomst 
sprake is. Als in 1398 de verovering van Friesland wordt onder- 
nomen en Leiden daarbij, volgens de door den grafelijken Raad 
gemaakte „raminge" ^), gevraagd wordt om 400 man met 10 timmer- 
lieden, 6 smeden en 5 metselaars te leveren, verontschuldigt hertog 
Albrecht zich, dat hij voor het oogenblik wegens de groote oor- 



i) Zie boven, blz. 114. 

2) Zie boven, blz. 25. 

3) Zie boven, blz. 40. 

4) Zie boven, blz. 74. 

5) Hildegaersberch, blz. 167, vs. 296 vlg. 

6) Van Mieris, III, blz. 670. Dordrecht en Haarlem hebben 600 man te leveren, Delft 
500, Amsterdam 350, Middelburg 500, Alkmaar 300 enz. In het geheel 6500 man, met 
de leenmannen en hulptroepen mede 20000 man ongeveer, eer minder dan meer (Verwijs, 
De oorlogen van hertog Albrecht, blz. LXXIII). 



120 

logen weinig hulp van „heeren" kan verwachten, en spreekt bij 
voorbaat reeds zijn dank uit voor de naar Enkhuizen te zenden 
gewapenden. 

Behalve manschappen gaven de steden bij deze gelegenheid aan- 
zienlijke voorschotten in geld — Leiden 3000 dordr. guldens ^) — 
en leenden den landsheer schepen tot het vervoeren van de krijgs- 
macht naar Friesland 2). Leiden echter wordt bij deze laatste gelegen- 
heid niet genoemd, blijkbaar omdat zijne burgers zich met de scheep- 
vaart weinig bezig hielden en dus moeilijk schepen konden leveren. 
Dat intusschen die Friesche tochten niet in den smaak vielen, is 
ons reeds gebleken 3) en blijkt verder ook uit de herhaalde pogingen 
van den landsheer om de steden over te halen tot het zenden van 
gewapenden 4). Toen in 1400 noch hertog Albrecht noch zijn zoon 
zelf de leiding van een nieuwen tocht naar Friesland namen, maar deze 
opdroegen aan de edelen Floris van Alkemade en Gerrit van 
Egmond, met het doel om het belegerde Stavoren te doen ontzetten, 
weigerde Leiden aanvankelijk de „reyse" te doen zoolang de lands- 
heer of een zijner kinderen niet medeging, maar gaf toch spoedig 
toe evenals de andere steden 5). De steden bleven echter weinig 
geneigd den kostbaren en gevaarlijken krijg verder voort te zetten 
en zoo dwongen zij zijn zoon Willem VI ten slotte om de ver- 
overing van Friesland op te geven. In 141 8 weigerde Leiden de 
jonge gravin Jacoba weder om haar met troepen tegen haren 
oom te helpen, „want dat onser stede selver te laste stande" en 
dus de uitzending van gewapenden „gheen oirbaer en waer" ^). 

In dezen tijd komt de gewoonte op om niet met de eigen bur- 
gers zulke buitenlandsche ondernemingen te volbrengen maar daar- 
voor in de 14"^^ eeuw tijdens den grooten oorlog tusschen Frank- 
rijk en Engeland steeds talrijker geworden benden „soudeniers" te 
huren, soldaten van beroep, in ieder geval gehuurde krijgslieden ; 
een ongevaarlijke maar kostbare wijze om de heervaart te vol- 
brengen, die spoedig tot moeilijkheden leidde. Zoo weigerde 
de stad in 1408 soudeniers te leveren voor een krijgstocht ten 
behoeve van den broeder des landsheeren, bisschop Jan van Beieren, 
die met zijn Luiksche onderdanen overhoop lag. Men bood den 



l) 


Van Mieris, III, blz. 678. 


2) 


ib. blz. 677. 


3) 


Zie boven, blz. 114. 


4) 


Verwijs, Rekeningen, in de genoemde uitgave, passim, 


5) 


Verwijs, blz. CXXVII vlg. 


6) 


Stadsrekening 1418. 



121 

hertog toen aan in plaats daarvan weder met de eigen burgers 
uit te trekken ; maar de hertog weigerde dit, blijkbaar omdat hij 
liever over meer geoefende en hem meer gehoorzame benden be- 
schikte. Nadat burggraaf Philips namens den landsheer met de 
stadsregeering gesproken had, gaf deze eindelijk toe en beloofde 
gedurende eene maand den bisschop van Luik met i6 „gla- 
viën" i) te zullen helpen 2). Tijdens den burgeroorlog van 1426 
en de volgende jaren moest de stad een óotal soudeniers in haren 
vasten dienst nemen en bovendien herhaaldelijk hare burgers laten 
uittrekken, blokhuizen helpen bouwen en hare artillerie ter beschik- 
king van den Bourgondischen vorst stellen, eindelijk telkens diens 
doortrekkende Picardische huurtroepen onderhouden 3). 

Aan het eigenlijke landsbestuur namen de steden in dezen tijd 
nog geen deel maar de voorboden vertoonden zich reeds van den 
tijd, waarin dit zou veranderen, voornamelijk met betrekking tot 
de landsfinanciën en de toenemende afhankelijkheid der vorsten 
van den goeden wil der steden in dit opzicht. In dagen van 
onrust in den lande lieten de steden zich reeds vroeg gelden, ook 
wegens het groote belang, dat hare burgerijen hadden bij een 
krachtig grafelijk bestuur, zoo onafhankelijk mogelijk van de ten 
platten lande oppermachtige edelen, die zich ook in sommige ste- 
den, met name in het burggrafelijke Leiden, op grooten invloed 
konden beroemen. 

Terwijl wij in den strijd tusschen gravin Ada en haren oom, 
graaf Willem I, natuurlijk van de nog nauwelijks in de eerste 
periode van opkomst verkeerende steden weinig anders melding 
gemaakt vinden 4) dan als vaste steunpunten voor krijgsonder- 
nemingen en integendeel herhaaldelijk hooren van de overwegende 
beteekenis der gezindheid van de landbevolking, de „Selandenses" en 
„Kinemarenses", van het landvolk ook in de Rijnstreek, zien wij 
na den moord op Floris V reeds spoedig eenige Kennemer 
edelen zich tegenover Haarlem verbinden om die stad niet te ver- 
laten dan onder ernstige waarborgen en beloven, dat zij hun best zullen 
doen om „den jongheren van Holland (den jongen graaf Jan) sijn 
land mede te bihouden" 5). Al houdt de adel in die moeilijke dagen 



i) Kleine af deelingen, van 3 tot 5 man te paard. 

2) Stadsrekening 1408 (uittreksels van Van Alphen, Leidsch archief). 

3) Stadsrekeningen uit die jaren. 

4) Annales Egmundani, aan het slot, passim. 

5) Oorkdb. II, no. 954. 



122 

nog de leiding der zaken in handen, de koning van Engeland richt 
zich bij zijn pogingen om zijn jongen schoonzoon te steunen, be- 
halve tot de adellijke leiders en de „gemeente", ook in het bijzonder 
tot de „bonae villae" i), die werkelijk aan zijn oproeping gehoor 
geven. Ook stedelijke afgevaardigden komen dan graaf Jan uit 
Engeland halen ^) en in die gevaarvolle omstandigheden spelen de 
stedelijke bevolkingen en regeeringen voortdurend een rol 3) ; niet 
minder in de latere verwikkelingen met heer Wolfert van Bors- 
selen 4), met name die van Delft en Dordrecht. 

Na den moord op dezen machtigen edelman steunt Jan van Avesnes 
vooral weder op de steden van Holland en Zeeland, die in October 
1299 met haar stadszegels voor vier jaren de overdracht van het 
bewind aan den Henegouwschen graaf voor zijn jongen neef en 
diens nog jongere gemalin bevestigen 5). Ook Leiden neemt aan 
die handelingen deel en wel op een in het oog vallende plaats, 
daar de stad nog vóór Delft en Haarlem, ook vóór Alkmaar en 
Geertruidenberg haar zegel aan de reeds door Dordrecht, Middel- 
burg en Zierikzee bezegelde oorkonde dezer overdracht hecht. Als 
koning Albrecht na den dood van Jan I de opvolging van Avesnes 
in Holland en Zeeland wil tegengaan, zendt hij ^) „heimelike in 
elke stede" zijne „boden ute met brieven ende met salute" ; maar 
„de boetscap wert also verkeert", want de steden „hadden ten grave 
meerre lieve" en bleven den Henegouwer steunen tegen zijn binnen- 
en buitenlandsche tegenstanders, ja tegen den koning zelven. Het 
waren alzoo naast sommige edelen ook de steden, die het Hene- 
gouwsche geslacht in 1299 aan de regeering brachten. Het waren 
ook de steden, die onder leiding van heer Witte van Haemstede 
in 1304 de door Jan van Renesse geleide Vlamingen uit het land 
hielpen jagen 7). Van „de van Leiden" vermeldt Stoke ^), dat zij 
op heer Witte's aanmaning een vluggen nachtelijken tocht, „stille- 
kine sonder gheluut", naar het nog in diepe nachtelijke rust ver- 
keerende Gouda ondernamen om er de gijzelaars machtig te worden, 
die de stad aan Renesse als pand harer gehoorzaamheid had moeten 



i) Oorkdb. II, nos. 958, 961. 

2) ib. no. 975. 

3) Vgl. Pols, Graaf Jan I van Holland (Nijh. Bijdr. 3de R. X, blz. i, 2de pag., vig.). 

4) ib. blz. 40 vlg. 

5) Oorkdb. II, no. 1093, 1095. 

6) .Stoke, VII, VS. 277 vlg. 

7) Zie Stoke, VIII, blz. 247 vlg.; Wilhelmus Procurator, blz. 56. 

8) Stoke, ib. vs. 1178 vlg.; vgl. Procurator, blz. 73: „datis obsidibus tota NorthoUandia 
subjugatur"; blz. 74: „in villa que dicitur Gouda et in aliis... obsides rapiuntur". 



123 

geven; de Vlamingen, bij het aanbreken van den dag overvallen, 
werden door een paniek bevangen en namen de vlucht, waarop 
die van Leiden „haer ghyselen" terugnamen, „daer se se vonden," 
en vroolijk naar huis keerden. Zoo waren het ook de steden, die 
na den dood van Willem IV bij Stavoren en de daarop volgende 
moeilijkheden de wankelende landsheerlijke macht, die dreigde 
ten onder te gaan in de veeten van den adel. krachtig steunden 
om de bezvv^aren te boven te komen. 

Onder den machtigen Willem III den Goede, den veelgeprezen 
„heer van hogher waerde", die maakte „datter pays was ende 
vrede" ^), en onder Willem IV, „die leefde zeer in overmoede", ver- 
nemen wij niet dan uiterst zelden van dagvaarten, waar ook stads- 
overheden worden opgeroepen om te helpen beraadslagen over 
zaken des lands 2) ; deze worden door den graaf in zijn Raad of 
hoogstens met eenige voorname edelen en ambtenaren besproken. 
Maar toen na den dood van Willem IV „optie Vreesen" in het 
najaar van 1345 de anarchie in Holland dreigde, de naburen zich 
gereed maakten het land aan te vallen, geen rechtspraak meer 
gold en geen hoofd erkend werd 3), veranderde dit : „'t volck ghinc 
onderlinghe striden" 4), Margaretha, die zich, nog afwezig, in Mei 
1346 reeds verbonden had voortaan geen buitenlandschen oorlog te 
voeren, „het en sy by rade" niet alleen van den adel maar ook 
van „onser goeden luyden onser steden van Hollandt" 5), zij „des 
keysers wijff van Romen", de hoogste vrouwe „in kerstenhede" ^), 
was door haren keizerlijken echtgenoot, met voorbijgang van 's gra- 
ven oom, den bekenden edelman Jan van Beaumont, als lands- 
vrouwe beleend met de graafschappen van haren broeder. Zij had 
de leiding der zaken voorloopig aan Beaumont overgelaten maar 
deze bleek niet in staat te zijn de orde te handhaven en zij, van 
alle zijden opgeroepen om haar erfdeel zelve te aanvaarden, ver- 
keerde, nu haar echtgenoot gestorven was, in groote verlegenheid. 
Zij riep bij hare komst in deze streken, in September 1346, daarom 
niet alleen 7) den Raad en den adel, maar ook „Ie consel de ses 



i) Hildegaersberch, uitg. Verwijs en Bisschop, blz. loi, vs. 14 vig. 

2) Van Riemsdijk, 1.1. blz. 31. 

3) Vgl. over den toestand den bekenden brief van een ongenoemde bij Van den Bergh, 
Gedenkstukken, blz. 160 vlg. 

4) Hildegaersberch, 1.1. vs. 42. 

5) Van Mieris, II, blz. 708, 710, 713. 

6) Hildegaersberch, blz. 122, vs. 26 vlg. 

7) Van Riemsdijk, blz, 32. 



124 

boinnes villes" naar Geertruidenberg ^) en vroeg hun raad, hoe zij 
het best zou voldoen aan de haar door haren gemaal, keizer 
Lodewijk, gedane opdracht. Het antwoord was, dat men haren 
oudsten zoon als „gouverneur" begeerde, en, toen deze bleek niet 
te kunnen of willen komen, haar zoon Willem, die dan ook weldra ver- 
scheen. De „boinnes villes" deden zich ook gelden in de nu volgende 
moeilijkheden ^^ en telkens hoort men van hare wenschen met 
betrekking tot het landsbestuur, dat zij het liefst hadden opgedragen 
gezien hetzij aan hertog Willem, hetzij aan Beaumont. Wij ver- 
nemen van een nieuwe dagvaart van edelen, steden, baljuwen en 
rentmeesters van Holland en Zeeland naar Geertruidenberg in het 
late najaar van 1346 3). En al zullen financieele overwegingen bij 
die oproepingen zoowel als bij de beraadslagingen, waarvan wij 
verder geen bijzonderheden kennen, een groote rol gespeeld heb- 
ben, de behandeling der landszaken stond in die omstandigheden 
daarmede, gelijk zoo dikwijls, in nauw verband ; en niet alleen 
doordat hertog Willem zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijne 
moeder niet behoorlijk kon nakomen, maar ook doordat hij van 
den goeden wil der steden afhankelijk was ten opzichte van het 
voeren van het landsbestuur, In het algemeen kan men voor dezen 
tijd zeggen, dat uit de behoefte aan den zedelijken zoowel als den 
geldelijken steun der vermogende burgerijen de invloed der steden 
op het landsbestuur is voortgekomen tijdens die dagen, toen „quam 
in Hollant dat eerste kiven", „deerste partyen" zooals Hildegaers- 
berch in een ander gedicht zegt. 

Als hertog Willem in Januari 1349 van zijne moeder eindelijk de 
souvereine macht in de graafschappen Holland en Zeeland en de 
heerlijkheid Friesland overneemt 4), bezegelen niet alleen de edelen 
maar ook de steden deze overdracht, gelijk zij in Mei 1350 zich 
met een aantal edelen nauwer aansluiten bij den hertog, als deze, 
„edel heer, wel jonc van daghen", zich scherp tegenover Willem 
van Duvenvoirde en diens vrienden, den aanhang zijner moeder, 
stelt 5). Zoo spreekt ook hertog Willem bij het sluiten van een 
verdrag met Utrecht in Mei 1350 niet alleen van de „wille ende 
goetduncken" van zijn Raad en „goede luden" maar uitdrukkelijk 



i) Van den Bergh, blz. 201. Vgl. De Jonge, Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, 
blz. 135 vlg. 

2) Van den Bergh, blz. 208 vlg. 

3) De Jonge, blz. 143/4. 

4) Van Mieris, II, blz. 746, 748. 

5) ib. blz. 778. 



125 

ook van die zijner „lieve ende getrouwe steden" ^), aan wie hij 
in het bijzonder belooft zijne domeinen niet te zullen vervreemden 
dan in overleg ook met haar ^), die wegens hare geldelijke hulp 
zooveel belang hadden bij een goeden toestand dier domeinen, 
haren waarborg immers voor de teruggave der aan den graaf ge- 
leende aanzienlijke sommen. De steden steunen hem verder krachtig 
in zijn strijd van dat jaar en sluiten zich door een onderling ver- 
bond in September 135 1 bij elkander aan om vol te houden in 
wat zij zich „onderwonden" hebben, namelijk om hem ,here te 
maken ende machtich sijns lands" en hem te „onderstaen" in de 
„groete scoute, die hy scoudich is, daer wien, wilt God, of ontredden 
sullen" 3). Uit dit jaar hooren wij dan ook herhaaldelijk van dag- 
vaarten der steden, nu eens te Haarlem, dan weder te Leiden, 
Delft of in Den Haag, soms van enkele, dan weder van alle steden 
van het graafschap 4). 

Als Willem V in Januari 1352 ter wille van zijn huwelijk naar 
Engeland gaat, laat hij den heer Van Arkel als „ruwaert des lants 
met mijns heren rade ende steden" het bestuur voeren; ja, iedere 
twee of drie weken moesten deze laatsten „enen raet houden ende 
vergaderen". Als hij in 1353/4 herhaaldelijk afwezig moet zijn, 
geeft hij aan de steden van Noordholland, op dezelfde wijze ver- 
tegenwoordigd door twee uit „den gerechte", een aanzienlijk aandeel 
in het door eenige raden te voeren landsbestuur: acht vertegen- 
woordigers der stedelijke besturen, waarvan twee uit Delft, Leiden 
en Haarlem, twee in overleg met de besturen van Alkmaar en 
Amsterdam gekozen, werken daarbij mede. Iets dergelijks geschiedt 
in 1356, als hij na den dood zijner moeder in Henegouwen moet 
gehuldigd worden en hij het landsbewind aan twee leden van het 
geslacht Egmond overgeeft s). 

De landsheerlijke macht zou zich onder dezen krachtigen graaf op 
den duur aan deze voor hare beteekenis dreigende afhankelijkheid 
wel hebben weten te onttrekken; maar toen de regeering van 
Willem V spoedig door de veel minder krachtige van den jongen 
ruwaard Albrecht gevolgd werd, zag men den invloed der steden 
aanstonds weder toenemen. Zij werden door den ruwaard, die zich 



i) ib. blz. 793. 

2) ib. blz. 795. Vgl. over den datum: Van Riemsdijk, 1.1., blz. 34, noot i. 

3) Van Mieris, II, blz. 803. Vgl. de belofte aangaande zijne schulden, ib. blz. 761, 
reeds van 1349, door de steden van Zuid-Holland. 

4) Ter Gouw, Amsterdam, II, blz. n vlg. 

5) Van Riemsdijk, 1.1., blz. 38 vlg., 396, 403. 



126 

verbonden had in overleg met raden en steden te zullen regeeren, 
herhaaldelijk in belangrijke landszaken gekend ^), al bleef de Raad 
des graven het leidende bestuurslichaam 2). Wij hooren in de 
grafelijkheidsrekeningen telkens van dagvaarten 3), waarop de „ghe- 
meen steden van Hollant" ontboden worden om met de raden des 
ruwaards en met hemzelven te overleggen; zoo o. a. bij zijne ver- 
schillen met Willem's gemalin en in 1362, toen Albrecht op een 
kruistocht tegen de Mooren in Arragon was en er wanorde in het 
land heerschte, zoodat steden, ridders en knapen door de hertogin 
naar Den Haag werden ontboden „om raet te hebben een hoeft 
te maken, waert datmen tlant anstiete, daer men an hoefden 
mochte" 4) ; elders heet deze ook „ruwaert" s). Zoo ontzegden in 1363 
op een dagvaart te Geertruidenberg ridders en steden van Holland 
en Zeeland aan koning Eduard III van Engeland, zwager van 
Willem IV, alle recht op eenig deel der graafschappen ^). 
Zoo verbinden zich in 1391 de „gemeene steden" van Holland tegen 
het op het stapelrecht aanspraak makende Dordrecht onder leiding 
van heer Jan van Arkel, die ook door dat recht benadeeld werd, 
en hielden herhaaldelijk samenkomsten in Den Haag over die zaak, 
die nog jaren lang tot heftige twisten aanleiding gaf 7). Ook verder 
gedurende de regeering van Albrecht als ruwaard en later als graaf 
hooren wij van dagvaarten, waarbij de steden worden ontboden 
om nevens de grafelijke raadslieden van advies te dienen of bij 
verschillen uitspraak te doen 8). Hetzelfde geschiedde onder Wil- 
lem VI en Jacoba en tijdens den onder deze laatste gevoerden 
burgeroorlog 9), evenzoo in den eersten tijd van Philips van Bour- 
gondië ïo). Het is duidelijk, dat een en ander den invloed der 
steden op het landsbestuur aanzienlijk moest doen toenemen. Die 
dagvaarten zijn de voorloopsters der latere Statenvergaderingen, 
die zich daaruit hebben ontwikkeld. 

Naar de dagvaarten plachten de steden dan een paar leden van 



3 

her 
4 
S 

6; 

7 

8 



Van Mieris, III, blz. 56, 62, 80; Van Riemsdijk, 1.1. blz. 104 vlg. 
Vgl. De Lange van Wijngaerden, Gouda, I, blz, 215 vlg. 

Tresoriersrekeningen, passim. Vgl. mijne studie over de eerste regeeringsjaren van 
og Albrecht, in Nijh. Bijdr. 3de R., II, blz. 259, 230, 262; Van Riemsdijk, 1.1. 
Die studie, blz. 267. 
Van Riemsdijk, 1.1. blz. 113. 

Mijne studie, blz. 270; Van Mieris, III, blz. 160. 

Van Rijswijk, Geschiedenis van het Dordtsche stapelrecht, blz. 50 vlg. 
Van Riemsdijk, blz. 130, 209. 
ib. blz. 238, 298. 
10) ib. blz. 342. 



127 

de stadsregeering te zenden. Gewoonlijk hadden, ten minste op het 
einde der 14de en in het begin der 15^^ eeuw, die bijeenkomsten 
plaats in Den Haag, de vorstelijke residentie, waar de afgevaar- 
digden op stadskosten verblijf hielden in een bepaalde herberg. 
Als soms Geertruidenberg gekozen wordt, hangt dit blijkbaar samen 
met de ligging dezer stad, de eerste in Holland, als de landsheer 
uit Henegouwen het noordelijke gebied kwam bezoeken ; een enkele 
maal heeft de bijeenkomst ook buitenslands, te Mechelen, te Hal in 
Brabant en elders plaats. In de ons bewaarde Leidsche stadsreke- 
ningen van 1392, 1400 enz., komen herhaaldelijk posten aangaande dat 
verblijf in Den Haag voor ; ook is er sprake van „belensieren" (fooien), 
die men had uit te reiken aan kamerdienaars, boden, deurwachters, 
poortwachters, koks en andere ondergeschikte dienaren ten hove, 
gelijk men de hoogere hofbeambten door maaltijden en andere 
feesten, door min of meer kostbare geschenken in de goede stem- 
ming moest trachten te houden, wanneer men ten hove met een 
verzoek verscheen ^). En zooals het ging onder Albrecht, zoo ging 
het ook later, terwijl onder Willem VI en Jacoba de vroeger slechts 
soms bij tijdelijke afwezigheid van den landsheer aangestelde stad- 
houder 2] in Den Haag de machtige man was, gelijk dit tijdens de 
regeering van Philips van Bourgondië, die slechts bij uitzondering in 
Holland vertoefde, steeds het geval werd. In het begin der 15de eeuw 
werd het houden van dagvaarten in Den Haag zeer gewoon 3), 
ook in verband met de afhankelijkheid, waarin financieel zwakke 
vorsten als de Beierschen van hunne steden waren, eene verhou- 
ding, die eerst onder den machtigen Bourgondiër Philips den Goede 
zich ten gunste van den vorst wijzigde. 

De persoonlijke verhouding van den vorst tot de onderdanen 
bleef ook in de steden nog wat men landsvaderlijk zou kunnen 
noemen. Dit blijkt ook te Leiden, voorzoover de rekeningen der 
grafelijkheid en die van de stad zelve ons ook in deze verhouding 
eenig inzicht veroorloven. 

Van vroegere graven als Willem II en Floris V is in dit opzicht 
zoo goed als niets bekend, al wordt van den eerste vermeld 4), 



i) Ontelbare posten dienaangaande in de stadsrekeningen. Zie boven, blz. 39. 

2) Van Riemsdijk, 1.1. blz. 132, 171, 213, 240. 275, 380. 

3) In de rekening van 1423 wordt eene „wairdin" der stad in Den Haag genoemd; 
waarschijnlijk had men er reeds eene vaste herberg. 

4) Zie boven, blz. 19; Joann. a Leydis, Chron. Belg., in Sweertii Annal., p. 196. Vgl. 
Meerman, Willem II, I, blz. 114; Van Mieris, Beschrijving, I, blz. 29; Kerk. Oudh. van 
Rijnland, fol. 804. 



128 

dat hij aan de Pieterskerk, waar hij en zijn zoon Floris gedoopt 
zouden zijn, een fraaie doopvont zou hebben gegeven en in een 
prachtige daarvoor opzettelijk gebouwde kapel geplaatst. Men weet 
uit de vermelding der plaatsen, waar oorkonden door de graven 
zijn gegeven ï), dat Floris IV, Willem II en Floris V dikwijls 
verblijf hielden in de stad, die, zegt een latere kroniek, van ouds 
den naam „Camera Hollandiae" zou hebben gedragen. Van de 
Henegouwsche graven valt hier op te merken, dat zij, evenals 
reeds Floris V vóór hen, bij wien Gerrit van Leyden lange 
jaren als „klerk" in dienst was ^), verschillende leden derzelfde 
familie in hunne onmiddellijke omgeving plachten te hebben; 
de bekende grafelijke ambtenaar Gerrit Alewijnsz 3), die onder 
Willem III en diens opvolgers een belangrijke rol in Holland 
speelde en zich zeer in de gunst der landsheeren mocht verheugen, 
was met die familie verwant en uit Leiden afkomstig. 

En dat er tusschen Leiden en den landsheer van Holland een 
meer dan gewone betrekking bestond, is geen wonder, als men 
eraan denkt, dat de burgers dezer stad 

„Ist in aernst of in spele, 

Waer mijn heer te velde tijt", 
bij zijne tent de wacht hadden te houden 4) : 

„Waer mijn heer te velde leit. 

Bewaren si dus sijns selfs lijf 

Ende trecken met hem optie kijf. 

Al daer die goeden willen striden." 
Ja, die burgers gaan mede : 

„Warwaert dat hi henen sel, 

Al daer hi vaert om eer te quiten". 
Hertog Albrecht en zijne gemalin zien wij dan ook dikwijls per 
as of „baerdze" te Leiden komen van Den Haag uit, zij het dan 
slechts voor korten tijd, voor eenige uren of voor een paar dagen ; 
met dat al overeenkomstig den wensch uitgesproken door den 
sedert 1383 dikwijls voor het Haagsche hof optredenden „spreker" 
Willem van Hildegaersberch, dat 



i) Zie boven, biz. 19. 

2) Zie boven, blz. 29. 

3) Zie over de familie Van Leyden in de eerste helft der 14de eeuw de Bijlagen. Vgl. 
Van Riemsdijk, 1.1. blz. 73, noot 4. Zie boven blz. 108. 

4) Willem V. Hildegaersberch, blz. 167, vs. 300 vlg., 336 vlg., 365. Zie boven, blz. 119. 



129 

„Heren sullen comen hoveren 

In horen steden al bi tyden 

Ende hoir arme volc verblyden : 

Uyt goeder kennisse comt die minne" ^). 
Kwam de graaf in de stad, dan hield hij met zijn „gesinde" ver- 
blijf in het grafelijke huis bij de Pieterskerk, waar de baljuw hem 
ontving of later, toen dat vervreemd was 2), bij schout of burg- 
graaf; optochten en spelen hadden plaats, soms met medewerking 
van het hofgezin, dat zelf deel nam aan het „mommen" en ver- 
maak schepte in het „cokerellen" der lustig zingende school- 
kinderen, die daarvoor natuurlijk met kleine feestgaven beloond 
werden evenals de koorzangers, de „choralen" in de Pieterskerk 3). 
Maar al die lands vaderlijke hartelijkheid kon toch niet verhin- 
deren, dat in de rumoerige dagen van de veeten der Hoekschen 
en Kabeljauwschen de goede verstandhouding nu en dan werd 
verstoord en wel soms op een zeer ernstige wijze. De kwestie van 
den omvang der burggrafelijke macht in de stad speelde daarbij 
een belangrijke rol, vooral in de jaren van 1381 tot 1383 4). 

Dreigend was ook de toestand in 1393, toen tijdens de ge- 
dwongen afwezigheid van den burggraaf na den moord op Aleida 
van Poelgeest 5) een heftige gildebeweging, een „oploep" in de 
stad plaats vond en de gehoorzaamheid geweigerd werd ^) aan 
den landsheer en zijn raden, die de wenschen der gilden niet 
wilden vervullen, terwijl de laatste, in de stad gekomen, door 
een bij klokkeslag opgeroepen oproerige menigte bedreigd was. 
Hertog Albrecht ontnam aan de weerspannige stad hare privileges 
en maakte zich gereed haar met geweld aan zijn miskend gezag 
te onderwerpen. Reeds werden de goederen der burgers overal 
namens den landsheer in beslag genomen aan de landstolplaatsen, 
gewapenden uit andere steden ontboden en maatregelen geno- 
men voor een geregeld beleg, toen den 4^^^" Juni door tusschen- 



i) Willem van Hildegaersberch, no. CV, vs. 21 vlg. 

2) Zie boven, blz. 53. 

3) Bezoeken van hertog Albrecht aan de stad worden herhaaldelijk vermeld in de 
Grafelijkheidsrekeningen, ook in de Baljuwrekeningen van Rijnland en de enkele uit dezen 
tijd bewaarde Stadsrekeningen. Vgl. Verwijs, De oorlogen van hertog Albrecht met de 
Friezen, blz. 161, 306. 

4) Zie boven, blz. 92 vlg. 

5) Zie boven, blz. 95. 

6) Jonckbloet, Gesch. der Nederl. Letterk., blz. 245 vlg. ; Te Winkel, Gesch. der Nederl. 
Letterk., I, blz. 484. 

9 



130 

komst van de andere steden een zoen werd getrofifen ^), waarbij 
eenige der schuldigen — want 

„Lozen waen heeft zere bedroghen 

Denghenen, die selve geen archeit en myenen", — ^) 
werden verbannen en een boete van 5000 oude schilden werd 
opgelegd, die nog voor het einde des jaars over de bevolking 
werd omgeslagen en ook betaald is 3). Eerst acht jaren later 
stemde Albrecht, „van onsen vrienden wail onderwijst", erin toe, 
dat de ballingen, „dier brueken, die wy hem optie voirsz, tijt 
aentiende waeren, onsculdig" bevonden 4), in hunne eer en rechten 
hersteld zouden worden, eene oplossing, waarvan wij de eigenlijke 
motieven bij gebrek aan gegevens niet verder kunnen beoordeelen. 
Zooveel is zeker, dat de twist tusschen de stad en haren lands- 
heer eindelijk beslecht is geworden en de goede verstandhouding 
teruggekeerd. 

In den grooten kamp tusschen de Kabeljauwsche en Hoeksche 
adelspartijen, dien langen strijd, waarin, zooals Hildegaersberch 
opmerkt, „het rat van avonturen draeyet om in corter tyden" 5), 
speelde ook Leiden zijn rol, aanvankelijk aan de Kabeljauwsche 
zijde, maar sedert in de tweede helft der 14^^ eeuw de burg- 
grafelijke macht der Wassenaers telkens weder zich herstelde 0), 
integendeel aan de Hoeksche, waarvan die machtige heeren leiders 
waren. In de stad had men wel een aanzienlijke Kabeljauwsche 
factie, maar ze dolf herhaaldelijk het onderspit en moest zelfs 
meer dan eens de stad verlaten. „Grote heren ende machtich, als 
zij verzoenen, so ist gedaen" 7), mocht de dichter zuchten, maar 
het duurde lang, zeer lang, eer zij „eendrachtich" werden en de 
oude vrede, „beyde opt lant ende in die steden", uit den goeden 
ouden tijd van Willem III terugkeerde. In de laatste jaren der 
14^^ eeuw hadden de Kabeljauwschen het overwicht, maar onder 
Willem VI zegepraalden de Hoekschen weder, heerschte hun 
leider, burggraaf Philips, en zijn partij, die zich in 141 7 ook van 
de gunst der nieuwe landsvrouwe Jacoba verzekerd kon weten. 



i) Van Mieris, Charterb. III, blz. 595. 

2) Hildegaersberch in zijn gedicht „Van den sloetel", naar aanleiding van het oproer 
gemaakt: no. LXXXI. 

3) Van Mieris, III, blz. 599 en 603. 

4) Van Mieris, Privil. van Leiden, blz, 300. 

5) Gedichten, blz. 122, vs. 82 vlg. 

6) Zie boven, blz. 96 vlg. 

7) Gedichten, blz. 123, vs. 146 vlg. 



131 

Onder hare, weldra van Brabant uit gevoerde, slappe regeering, 
verhief zich de burgerkrijg opnieuw, zoodra haar oom, hertog 
Jan, kans zag zijne aanspraken met steun der Kabeljauwschen te 
verdedigen. Leiden zag ook weder de veeten binnen en buiten 
de muren zich verhefifen, al was het aanvankelijk door den burg- 
graaf tot zetel van het verzet der Hoeksche partij tegen den in- 
dringer gemaakt ^). 

In 1420, tijdens de groote crisis, die de stad ten slotte van 
haren burggraaf ontsloeg en haar verder voorgoed en onmiddellijk 
aan de grafelijkheid verbond ^), ontstond het nieuwe en ernstige 
verschil, dat intusschen na korten tijd beslecht werd door de 
volledige zegepraal van die partij in de stad, de Kabeljauwsche, 
die van ouds gestreefd had naar een krachtige vorstelijke 
macht en deze terugvond, eerst in den gevreesden hertog Jan Zonder 
Genade, den voormaligen bisschop van Luik, thans in wereldlijk 
ruwaard van Holland en Zeeland herschapen, en na zijn vroegen 
dood (1425) in den machtigen Bourgondiër, tijdelijk nog ruwaard 
van Jacoba, Van zijn kant zag ook deze laatste wel in, dat hij 
tegenover den nog altijd zeer invloedrijken adel gereeden steun 
kon vinden bij de burgerijen. Met zijn definitief optreden in 1433 
als wettig landsheer begint dan ook in de geschiedenis der stad 
een nieuwe periode, gekenmerkt door den krachtigen steun, die 
van zijn zijde de landsheer verleent aan het met zijne medewer- 
king aan het hoofd der stadsregeering gestelde burger-patriciaat, 
dat hem dien steun terug geeft in gehechtheid aan het nieuwe 
vorstenhuis, dat de plaats der oude landsheeren had ingenomen. 
Van groote beteekenis was het daarbij voor de stad, dat zij sedert 
1420 het burggraafschap in hoofdzaak had zien opheffen en van. 
dien tijd af geen anderen meester kende dan den landsheer 
zelven, geen edelman van hooge geboorte en machtigen invloed 
meer naar de oogen behoefde te zien, maar zonder eenig voor- 
behoud zich des landsheeren „goede stad" kon noemen. 



i) Zie boven, blz. 98 vlg. 
2) Zie boven, blz. 103. 



HOOFDSTUK VI. 
De stedelijke regeering. 

Aan het hoofd van het stadsbestuur stonden — zooals wij 
zagen ^) — reeds in de i^'^^ eeuw, vermoedelijk reeds in den 
aanvang dier eeuw bij het eerste opkomen der stedelijke inrichting, 
schout en schepenen, die wij het eerst in het privilege van 1266 
ontmoeten. Zij werden toen te Leiden benoemd door den burg- 
graaf of bij diens ontstentenis, door den landsheer zelven, die na 
de afschaffing van de burggrafelijke bestuursrechten in 1420 het 
hem ook elders oorspronkelijk toekomende recht voorgoed terug- 
nam 2). 

Wat den schout („scultetus") of rechter („judex"), betreft, zijne 
benoeming geschiedde in de 14^^ eeuw door den landsheer inden 
toen gewonen vorm van verkoop van, of liever van leening op 
het ambt, uit welks inkomsten de kooper zich dan schadeloos 
kon stellen, totdat de geleende som zou zijn terugbetaald. De 
schout moest toen bij de aanvaarding van zijn ambt twee eeden 
afleggen, een aan den graaf of diens vertegenwoordiger, den bal- 
juw van Rijnland, en een aan de schepenen der stad, die hem 
door den oudsten hunner lieten zweren te zullen handelen volgens 
de voorrechten der stad. Van leeftijdsgrens of andere beperking 
bij de benoeming van den schout dan die, waarvan zoo aanstonds 
gesproken zal worden, wordt te Leiden niet gehoord; omstreeks 
1430 werd echter bepaald, dat in het gerecht, wat dus ook op 
den schout slaat, „nyement voirtan wesen en sal, die bastairt of 



i) Zie boven, blz. 26. 
2) Zie boven, blz. 104. 



^33 

in onechtscap gewonnen is" ^). De verkoop van het ambt was een 
vorm, die natuurlijk tot ernstige bezwaren aanleiding kon geven, 
daar hij weinig waarborg gaf voor de geschiktheid van hem, die 
het ambt op deze wijze in handen kreeg en meer reden had om 
zich in het bezit te stellen van de uit zijn post te verkrijgen 
voordeden dan wel om bij de waarneming van dien post aller- 
eerst de belangen der berechte stedelingen te behartigen. Te meer 
klemde dit bezwaar, omdat de schout niet kon worden verwijderd 
dan tegen terugbetaling der betaalde of geleende som, zoodat hij 
dus, gelet op het chronische geldgebrek der landsheeren, feitelijk 
voor onbepaalden tijd aangesteld was. De schout moest, daar 
zoowel den landsheer als den burggraaf en later ook aan de stad 
een deel der door het gerecht opgelegde boeten toekwam, aan 
den baljuw van Rijnland, 's graven vertegenwoordiger in het 
district, en aan den burggraaf, sedert de overeenkomst met Philips 
van Wassenaer in 1387, ook aan de stad „rekeninghe doen", ter 
aanwijzing van het dezen belanghebbenden toekomende aandeel ; 
het keurboek van 1406 stelt vast, dat die afrekening jaarlijks 
moet geschieden 14 dagen na Sint Maarten (11 Nov.) of wel 
14 dagen na het tusschentijds aftreden van den schout 2), wat 
ten minste het eerste betreft blijkbaar codificatie van een reeds 
bestaande gewoonte, zooals bij dergelijke bepalingen zoo dikwijls 
het geval is. 

Toen in 135 1 de stad kans zag om de burggrafelijke rechten 
te beperken, keurde het stadsbestuur met goedvinden van graaf 
Willem. V 3), dat de schout zoowel als de schepenen bij aan- 
stelling zeven jaar lang poorter der stad geweest zouden moeten 
zijn en dat het niet geoorloofd was „enich geit" te „Henen op 
enighen dienst" ; maar deze bepalingen konden op den duur niet 
gehandhaafd worden, evenmin als het in de 14^^ eeuw nog gelukte 
om het burggrafelijke recht op de benoeming van den schout 
anders dan in enkele buitengewone gevallen te doen verdwijnen 4). 
Het was in ditzelfde jaar 135 1, dat de stad zich nog het voorrecht 
bedong, dat niemand, die daar gedurende den afgeloopen burger- 
krijg gevangen of in gijzeling geweest was, noch diens kinderen 
in het gerecht of in eenige bediening van wege den graaf of 



i) Hamaker, Keurboeken der stad Leiden, Appendix, II, 8 (blz. 473). 

2) Ib., Kb. 1406, Bk. II, 3. 

3) Zie boven, blz. 88. 

4) Zie boven, blz. 93 vlg.. 



134 

namens het gerecht zou mogen optreden, diens „woirde" zou 
mogen houden ^). PhiHps van Wassenaer het zich in 1387 vinden 
om eenigszins te gemoet te komen aan het bezwaar der stede- 
hngen tegen de beleening van het ambt en zich te laten welge- 
vallen, dat de schout vier jaren poorter moest geweest zijn, en 
zelfs dezen te verplichten rekening van zijn beheer te doen aan 
de stad ; dit geschiedde echter alleen tegen uitbetaling door de 
stedelingen eener aanzienlijke som, afkoopsom dus eigenlijk van 
zijn burggrafelijk recht, en dit nog maar voor den tijd van vijf 
jaren ^-). Vijf jaren later ontstonden echter weder ernstige moei- 
lijkheden over den toenmaligen schout, ook in verband met de 
ernstige veete van den landsheer met de Wassenaers 3). 

En de graaf zelf handelde al niet anders dan de burggraaf; in 
1 392 verkoopt hij het tijdelijk door hem genaaste schoutambt zelf 
ook, drie jaren later wederom 4), al wordt de schout door den 
baljuw van Rijnland namens den vorst aangesteld. Als het burg- 
graafschap is afgeschaft, wordt het nog niet anders: het was de 
algemeene regel bij het landsbestuur. Hertog Jan van Beieren 
verkocht s) 15 Januari 142 1 het „alinghe gerechte" te Leiden, 
pas voorgoed door hem verkregen, voor de aanzienlijke som van 
2750 engelsche nobelen aan vier voorname en rijke poorters te 
Leiden, die daardoor — blijkbaar tot voldoening van hunne partij- 
genooten in de stad — het recht kregen om de gansche stads- 
regeering te benoemen : schout, schepenen en beambten in „alle 
andere dyensten", en de aangestelden naar goedvinden te ontslaan, 
zij het dan lettend op de privileges en keuren der stad en voor 
den schout, die nu bij loting werd aangewezen ^), onder verplichting 
van afrekening met den landsheer. Deze overeenkomst werd in 
1425 door hertog Jan van Brabant als opvolger van zijn overleden 
oom bevestigd ?). Een groot jaar later „verliende" (d. i. verkocht) 
Philips van Bourgondië weder op de oude wijze het schoutambt 
der stad aan den aanzienlijken Leidschen poorter Claes van 



i) Van Mieris, Charterb., II, blz. 807. 

2) Zie boven, blz. 94. 

3) Zie boven, blz. 95. 

4) Scheffer, Beveelboek, blz. 23. Vgl. Memor. B. D. (Rijksarchief), fol. 56. 

5) Van Mieris, IV, blz. 568. 

6) Rekening der stad 1424 ; „s daegs nae AUerheylighen, doe men om dat scout- 
rabacht ca velde" en daarna niet het geheele gerecht gezamenlijk at op kosten der stad. 
Uit welke personen werd geloot, blijkt niet duidelijk: misschien uit de vroedschap. 

7) Van Mieris, Handv. v. Leiden, blz. 176. 



135 

Boschuysen ï); de stad betaalde toen den bourgondischen kanselier 
9 pond voor deze gunst, die haar ten minste tijdelijk in het bezit 
van een vertrouwbaren schout stelde. De nieuwe schout moest den 
landsheer wel rekening doen van de door hem geïnde breuk- en 
boetegelden en het daaruit verkregen ,,winsel ende profijt", maar 
mocht ï/5 van het bedrag behouden voor zich, zijn klerk en zijne 
boden; bij reizen in den dienst des graven krijgt hij 12 sch. per 
dag en aandeel in de opgelegde boeten ; hij mag geen keuren van 
de stedelijke regeering bevestigen dan met uitdrukkelijke toe- 
stemming van den landsheer en diens Raad ; hij kan niet worden 
afgezet dan onder betaling van wat hem wettig toekomt ; overigens 
zal hij in zijn ambt blijven tot „'s graven wedersegghen." 

Eerst bij het groote stadsprivilege van Juli 1434 en nadat de 
stad het geld, waarvoor de landsheer het gerecht placht te beleenen, 
aan de toen daartoe gerechtigden had terugbetaald, beloofde hertog 
Philips, dat hij het gerecht voortaan niet meer zou verpanden, 
beleenen, weggeven of op eenigerlei wijze vervreemden ^), dus 
eenvoudig schout en schepenen zou aanstellen zonder dezen daar- 
voor iets in rekening te brengen. 

Dit alles gold zoowel den schout als de schepenen, welke laat- 
sten met hem en de 4 burgemeesters te zamen, „si dertien", het 
„gerecht" vormden en eertijds eveneens door den burggraaf werden 
aangewezen 3), gelijk deze hen beëedigde of (door den schout) deed 
beëedigen op den volgens de daarvoor bestaande formulieren voor- 
geschreven eed. In de 14'^e en 15^^^ eeuw werden de schepenen 
jaarlijks op St. Jacob (25 Juli) verkozen en wel ten getale van acht, 
welk getal ook in het oudste privilege al genoemd wordt 4), terwijl 
zij in dat getal afgebeeld staan op een der oudste stadszegels. De 
eed werd hun afgenomen door den burggraaf of den schout, na 1420 
natuurlijk door den laatste alleen. In 1434 stelde hertog Philips echter 
vast s), dat „die outste burghemeester van onser stede dien (sche- 
penen) elc eenen eedt sal staven ende si sullen sweren ten Heylighen, 
datsi om dat scependom ofte scepen te wesen niet vervolcht (aange- 



i) Reg. Com. Off. Holl. B. R. cas N. 1425 — 27 (Rijksarchief), p. 22. Deze komt in 
dien tijd herhaaldelijk voor als schepen en burgemeester der stad. 

2) Van Mieris, IV, blz. 1044. Rekening homans, 1434 (Leidsch Archief). 

3) Zie boven, blz. 82. Als de burggraaf afwezig was — en dat was hij gewoonlijk — 
gaf dit tot allerlei moeite aanleiding ; men moest hem dikwijls op allerlei plaatsen zoeken. 

4) Zie boven, blz. 28. De jaarlijksche keuze was ook elders gewoon, het getal meestal 
7. (vgl. Phil. de Leyden, p. 217). 

5) Van Mieris, 1.1. Vgl. den eed bij Matthyssen, Rechtsboek van den Briel, blz. 48 : 
^Tusschen twier mannen tale", d. i. tusschen partijen, na hare pleidooien te hebben aangehoord. 



136 

zocht) en hebben noch doen vervolghen, ghebeden en hebben 
noch doen bidden noch geit noch gonste noch miede daarop ghe- 
gheven noch ghelient en hebben noch doen gheven noch lienen in 
enigher manieren sonder arghelist. Ende dien eedt ghedaen, so 
sal hem onsen scout van Leyden indertijt wesende enen anderen 
eedt staven ende si sullen elck sweren ten Heylighen alse ghe- 
woenlic is, datsi rechte doen ende vonnisse wisen sullen tusschen 
twier mannen tale na hoirre vijf sinnen." Wie daartegen handelt, 
wordt vervallen verklaard „van allen sinen goeden rechten", met 
afkondiging van dit vonnis van het stadhuis en verbanning van 
den schuldige uit Leiden, Rijnland en het baljuwschap van Den 
Haag. Zij moesten volgens het privilege van 1434 28 jaar oud 
zijn en „goede rycke eerbair mannen", zooals reeds Philips van 
Leyden in de vorige eeuw de keuze tot de aanzienlijksten, de 
rijksten en — het is waar — ook tot de waardigsten beperkt 
wilde zien, gelijk, zegt hij, oudtijds gewoonte was; hij raadt ook 
bij voorkeur de keuze van in de stad gevestigde edelen aan, 
terwijl men, zegt hij, in het belang der goede behandeling van 
zaken zooveel mogelijk telkens dezelfde personen „per circulum" 
om de een of twee jaar „post annum regulariter vel biennium'* 
diende te verkiezen ^). 

In dien geest is ook in de 14^^ eeuw te Leiden blijkens de 
namen der schepenen, die men kent, steeds gehandeld ; de kring, 
waaruit gekozen werd, was dus reeds in het midden der 14^^ eeuw 
betrekkelijk beperkt en terwijl het vóór 1350 soms voorkomt, dat 
iemand twee jaar achtereen schepen was, komt het na dien tijd 
herhaaldelijk voor, dat dezelfde naam althans vier of meer keeren 
in eene periode van enkele jaren op de schepenlijsten staat. De 
heerschappij der stedelijke aristocratie neemt op die wijze een 
aanvang, reeds in die dagen. Bovendien hechtte men er blijkbaar 
aan telkens minstens één ervaren persoon in de schepenbank te 
hebben, liefst een oud-schepen. Omstreeks 1430 werden bastaarden 
van zitting in het gerecht formeel uitgesloten 2) ; het ambt van 
schepen was evenals dat van schout onvereenigbaar met de kleinere 
stedelijke ambten 3) ; een voor de stad onnut schepen kon reeds 
volgens het privilege van 1266 door een ander worden vervangen 4); 



1) Phil. de Leyden, p. 216 sq. 

2) Hamaker, Keurboeken van Leiden, blz. 473. 

3) Ib. blz. II. 

4) Zie boven, blz. 29. 



137 

weigering van de keuze tot schepen werd als ongeoorloofd be- 
schouwd, hoewel, zooals reeds bij Philips van Leyden blijkt ^), 
daarvan wel degelijk soms sprake was: men rekende dit als te 
behooren tot de plichten van den poorter, al was het nog niet uit- 
drukkelijk in de keuren vastgesteld. De veiligheid der schepenen 
tegenover bemoeilijking in de uitoefening van hun ambt werd 
reeds in het oudste privilege door den landsheer gewaarborgd 2) ; 
in het oudste keurboek wordt ook evenals in dat van 1406 een 
bepaling gevonden 3) tegen het spreken van „onredelicke" of 
„onnutte" woorden tegen het gerecht in zijne tegenwoordigheid, 
waarop het gerecht zelf straf mag stellen. En die bepalingen 
werden ook toegepast 4), hetzij door middel van boete in geld of in 
steenen voor de stadsmuur, hetzij door veroordeeling tot een bede- 
vaart, soms naar een heiligdom in de omgeving, maar soms ook 
tot Napels, Rome of St. Jago di Compostella toe. Van maatregelen 
tegen de gevolgen van verwantschap onder de leden van het 
schepenencoUege hoort men in dezen tijd nog niet; integendeel 
schijnt men daarop nog niet gelet te hebben, wat in een stad 
met zoo kleine bevolking ook licht tot al te groote beperking in 
de keuze geleid zou hebben. 

Was het gerecht op St. Jacob gekozen en had de plechtige 
eedsaflegging plaats gehad, dan volgde de gemeenschappelijke 
maaltijd van oude en nieuwe schepenen, met den schout, de bur- 
gemeesters en de ondergeschikte ambtenaren s), ten stadhuize, 
waarvan de stadsrekeningen telkens melding maken. Op dien dag 
zullen schout en schepenen dan wel dadelijk in het bezit gesteld 
zijn van het hun toekomende laken voor „tsgherechts cleedinge", 
waarvan het keurboek van 1406 melding maakt ^) met bijvoeging 



i) Phil. de Leyden, p. 221. 

2) Zie boven, blz. 28. 

3) Kb. n°. 3, LVI en Kb. 1406, IV, 23. De keur is in ieder geval van vóór 1380. 

4) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 13, 14, 16, 30, 31, 33. 

5) Behalve de poortmeester en de homans werden hiertoe gerekend de „clerc", de boden 
en de knechts ten stadhuize. Gewoonlijk namen 20 a 30 personen aan dien maaltijd deel 
(Stadsrekeningen). 

6) De bewaarde stadsrekeningen maken er melding van reeds in 1392, de eerste, die 
wij bezitten. Het is zeker, dat het gerecht reeds veel vroeger van stadswege zijne kleeding 
ontving. De stadsrekening van 1400 vermeldt echter, terwijl volgens die van 1392 het 
geheele gerecht kleeding ontvangt, dat „die scepen dit jair luttel vervals hadden sodat si 
der heren (n.l. van het gerecht) cleder oAso (jhemoenlic is dair niet uut crighen en mochten", 
waarom hun 40 pd. „te help ghegheven" werd. Hieruit schijnt te blijken, dat zij in 1400 
de kleeding — dat wil zeggen: mantel met kap, kaproen — der 13 gerechtsleden plachten 
te betalen uit hun vervallen : de onzekerheid dezer laatste zal aanleiding hebben gegeven 



138 

van de hoeveelheid en waarde van dit laken : 6 el gekrompen 
laken van een halven nobel voor ieder lid van het gerecht, welk 
laken placht „geborduerwerct" te worden met het stadswapen; 
daartegenover deden schepenen afstand van „alle vervalle", die 
zij plachten te hebben „als costumelic", behalve van een paar 
aangewezen boeten, die zij nog als emolumenten behielden. 
Eigenlijk salaris voor hunne werkzaamheid ontvingen zij overigens 
evenmin als de schout; aandeel in de boeten, die zij oplegden, 
was voor beiden de eenige geldelijke belooning behalve hun aan- 
deel in het geld, dat voor de opneming in het poorterschap be- 
taald werd I) en „pensie" voor buitengewone werkzaamheden in 
het belang der stad. Het aandeel van het gerecht in de boeten 
is zeer verschillend 2) ; bij zoenen staat in de zoenboeken telkens 
opgeteekend, wat partijen of een harer aan het gerecht moeten 
geven voor ieder bijzonder geval en wat baljuw, burggraaf en 
schout nog bovendien toekomt, indien ook dezen tot den zoen mede- 
werken. Eindelijk genoot, evenals andere ambtenaren, het schepen- 
college op Paschen, Pinksteren en Sacramentsdag nog van de stad 
voor ieder lid een mengelwijns 3). De onkosten van reizen, die het 
gerecht in zijn geheel of zijn leden in het belang der stad onder- 
namen, werden vergoed door de „pensie" daarvoor. 

Schout en schepenen 4) vormen onder toezicht van den burg- 
graaf het oorspronkelijke „gerecht" of stadsbestuur. Zij bezitten 
oorspronkelijk de volle en ongedeelde bestuursmacht met inbegrip 
van de lagere rechtspleging betreffende door stedelingen of vreem- 
den binnen de grenzen der stad gepleegde feiten. Zij hebben 
volgens het privilege van 1266 dan ook het recht om „tot nut 
en voordeel der stad" bepalingen of verordeningen te maken, die 
„door allen moeten aangenomen en stellig gehouden worden" s). 



tot de regeling van 1406. In de rekening van 1427 wordt voor ieder der schepenen i el 
blauw laken als gekocht vermeld ten behoeve van hunne „kaproenen" — hier blijkens 
de maat alleen als kappen op te vatten — die ook blijkens vroegere rekeningen door de 
stad werden bekostigd; op Sacramentsdag en soms op andere dagen ontvangen zij met 
andere ambtenaren en de schutters op kosten der stad bovendien handschoenen. 

i) Zie boven, blz. 29. 

2) Leidsche Rechtsbronnen : Zoenboeken, passim. 

3) Rekeningen der stad, passim. 

4) In de rekening der stad van 1400 worden éénmaal „scepenmeesters" genoemd. Zou 
men hieronder een paar hunner moeten verstaan, die het moeilijkste rechtsgeleerde werk 
deden, zooals later? Dezen kregen samen toen 40 pd. salaris. 

5) „Quicquid per octo juratos et judicem ad utilitatem et promotionem opidi statutum 
et ordinatum fuerit, ab omnibus erit approbandum et firmiter observandum." 



139 

Die bepalingen, in het Middelnederlandsch „coren", „cueren" ^), 
„keuren" genoemd, werden op den duur voor het gemakkelijk 
gebruik verzameld in keurboeken, waarvan het oudste bewaarde 
te Leiden uit de tweede helft der 14de eeuw dagteekent en nog 
vrij verward van samenstelling mag heeten, terwijl dat van 1406, 
dat er op volgt, een geregelde verdeeling van de stof aan te 
wijzen heeft 2), Van wege den graaf en zijn Raad werd echter 
door den schout zelven toezicht gehouden op de wijze, waarop 
door het gerecht van zijn bevoegdheid in dezen werd gebruik 
gemaakt, al viel het dikwijls moeilijk in de zich ontwikkelende 
steden dat toezicht te houden bij het toenemend aantal der keuren. 
De keuren moesten door den schout worden bevestigd, voordat 
zij kracht van wet kregen; belangrijke keuren echter plachten 
aan de goedkeuring des graven onderworpen te zijn. 

Van groot gewicht was in dit opzicht het bevel van hertog 
Albrecht in 1393 aan zijn baljuw van Rijnland, Gerrit van Vliet, 
om te zorgen, dat de schouten, ,,die ghi van onsen weghen gheset hebt 
in onser steden binnen uwen bedrive. . . . over gheenrehande kueren 
mit onsen gerechte en sitten noch die accorderen of overdraghen, si 
en hebben eerst die kueren ons ende onsen rade aengebrocht" 3). 
Maar voor Leiden gold dit tot 1420 alleen, voorzoover de burg- 
graaf zich daarvoor in de bres stelde. Zoo werd de gewichtige 
keur van 135 1 op de wijziging in den regeeringsvorm der stad 
niet zonder medewerking van den landsheer gemaakt, evenals die 
van 1386, over de keuze van raden en leidde die van 1393 over 
den invloed der gilden op de regeering tot ernstig verzet van de 
zijde des landsheeren 4); ook de keuren op de lakennijverheid 



i) Vgl. Middeln. Wdbk. i. v. core, waar blijkt, dat het woord moet afgeleid worden 
van kiezen en de beteekenis is ontwikkeld als volgt: keus, vrije beschikking, wet, ver- 
ordening. 

2) Hamaker, Keurboek n°. 3 (over welks dateering in het Voorbericht) en Kb. 1406. 
Oudere keuren b.v. Van Mieris, Handv. v. Leiden, blz. 287 (1312). 

3) Memor. B. D. (1351—96) (Rijksarchief), fol. 56. 

4) Zie boven, blz. 96. Het is zeer goed mogelijk, dat de, zooals dr. Hamaker meent, 
oudste keuren in dit boek van vóór 1370 zijn, maar even waar is het, dat menige keur 
daarin jonger is: 113 en 152 zijn zeker van 1386, (vgl. Van Mieris, III, blz. 344), 157 is 
van 1391, 162 van 1393. Men zal moeten aannemen, dat het keurboek als zoodanig, met 
opneming van oudere keuren, dagteekent van omstreeks 1386, maar dat er vele latere in 
hetzelfde boek zijn bijgeschreven, totdat in 1406 de behoefte aan een nieuw beter boek 
gebleken is. Op die wijze is ook het keurboek van 1450 ontstaan uit dat van 1406, nadat 
tijdelijk in een Appendix op het laatste allerlei wijzigingen en vermeerderingen waren 
aangebracht : vgl. Posthumus, Geschiedenis der Leidsche lakenindustrie, I, blz. 40. 



140 

plachten door den graaf te worden in het oog gehouden ^). 

In een plaats van geringen omvang als het Leiden der I3«^e eeuw, 
zullen aanvankelijk schout en schepenen het regeeringswerk zonder 
bezwaar afgekund hebben, ook al bleven zij hunne gewone bezig- 
heden waarnemen, In verschillende steden van Holland en Zeeland, 
zelfs in zeer kleine als Schiedam 2) en Geertruidenberg 3), zien 
wij nu reeds in de tweede helft dier eeuw „consiliarii", „raden", 
„raetslieden" naast hen en wordt bovendien hun in het algemeen 
de vergunning toegekend om nog andere burgers voor deze of 
gene zaak tot hun hulp te kiezen 4). Te Dordrecht werden de 
eersten nog in 1284, evenals schout en schepenen, door den graaf 
aangesteld 5). Vier van zulke buitengewone „raetsmannen" van de 
tweede soort werden in 1293 te Dordrecht bij keuze door schout, 
schepenen en raad voor korten tijd aangewezen ^) om „te geraden 
bi horen eede na hoerre macht in allen saken, so waers di stede 
te doene hevet, ende der stede renten te verhurne ende te ver- 
copene ende die penninghe daeraf tontfane ende in te nemene 
ende die weder uut te ghevene in der stede orbare", met weke- 
lijksche afrekening en verantwoording ten stadhuize en verplichting 
om twist te helpen beslechten. Te Leiden, waar nog in datzelfde 
jaar 7) „rechter ende scepene" alleen genoemd worden, vindt men 
het eerst in 1299 bij de huldiging van graaf Jan II melding ge- 
maakt van „scepenen, raedt ende ghemeente van der poirte van 
Leyden" 8)^ waaruit blijkt, dat zij er toen reeds een college („raedt") 
vormden gelijk dat ook elders in Holland het geval was; ver- 
moedelijk werden zij ook toen nog door den burggraaf aange- 
steld evenals het overige gerecht, en ook bij voorkeur uit die 
burgers, van wie men bekendheid met de stadszaken mocht onder- 
stellen, d. i. uit voormalige schepenen 9). 

Sedert komt dit college er herhaaldelijk voor naast schout en 
schepenen, met wie zij gezamenlijk het „college van den gherechte" 



i) Posthumus, I, blz. 114 vlg. 

2) Oorkdb., II, n^ 288 {1275). 

3) Ib. n^ 485 (1283); te Dort 1252 (Oorkdb. I, n'. 550,; te Delft 1282 (II, n°. 450). 

4) Middelburg, 1253 (Oorkdb. I, n'. 590, blz. 313/4). 

5) Oorkdb. II, n°. 503. 

6) Oorkdb. II, n°. 863. 

7) Oorkdb. II, n°. 860, vgl. n°. 852. 

8) Van Mieris, Charterb., II, blz. 3. 

9) Van Mieris, II, blz. 122 (1311 en 1312); vgl. blz. 149 (1315), maar daar is het 
onzeker, of niet de grafelijke Raad bedoeld wordt. 



141 

vormen zooals het in 1325 heet ^). In het laatstbedoelde stuk 2) 
vinden wij zelfs de namen der vier „raetsluyden van der poirte 
van Leyden", van personen behoorende tot de aanzienlijke burgerij, 
tot denzelfden kring van burgers, waaruit de schepenen worden 
verkozen, gelijk zij ook in volgende jaren herhaaldelijk als zoo- 
danig voorkomen. Vier was blijkbaar het vaste getal dezer raden. 
Als in 135 1, tijdens de binnenlandsche woelingen, te Leiden de 
verkiezing der raadslieden in ieder der vier stadskwartieren wordt 
geregeld 3), wordt bepaald, dat „tenden de maent" na de schepen- 
keuze de oude raadslieden met de poorters samen de vier nieuwe 
— een uit elk kwartier — bij meerderheid van stemmen zullen 
verkiezen en dat de verkozenen niet mogen weigeren, op boete 
van 10 pd. Het schijnt, dat deze blijkbaar nieuwe regeling, die 
in overleg met de „gemeente" bestemd was om „ewelic te duyren", 
op deze wijze sedert ook werkelijk eenigen tijd is blijven bestaan. 
Wij zien namelijk in de eerstvolgende jaren in de poorterboeken, 
die tot ons gekomen zijn, telkens slechts twee raadslieden ver- 
meld, en eerst in 1381 vinden wij er weder vier, die sedert 
blijven ; ook in de gasthuispapieren worden telkens slechts twee 
„raetslude" genoemd 4). Het is echter duidelijk, dat wij in de 
poorterboeken vóór 1381 slechts met de helft van het college 
te doen hebben, want die van 1379 in het poorterboek zijn er 
twee (Symon Bort, Heynric Danielssoon), die voor hetzelfde 
jaar ook in het Zoenboek worden genoemd naast twee anderen 
(Hughe van der Hant en Symon Ghysbrechtsz.) ; zij worden dan 
volgens het Zoenboek 5) onderscheiden in twee eigenlijke poort- 
meesters 6) en twee vestmeesters, welke laatste benaming het eerst 
omstreeks 1375 voorkomt. Nog een derde benaming is in dat 



i) Archieven der Duitsche Orde, II, n°. 602 (1320?). 

2) Bij uitzondering zijn daar slechts 7 schepenen genoemd, misschien wegens tijdelijke 
ontstentenis van den achtste, b.v. wegens sterfgeval of reis. 

3) Van Mieris, II, blz. 796. Onder het besluit staan behalve de 8 schepenen acht 
„gemeene raadsluyden" genoemd, misschien in verband met de omstandigheden zoo talrijk. 
Vgl. Fruin, Verspr. Geschr. I, blz. 63, 66. 

4) Ad 1366, fol. 71. 

5) Zoenboek, 1379, fol. 4. 

6) Dat raden, raadslieden, zeker dezelfden zijn als poortmeesters, blijkt o.a. uit eene 
plaats in de rekening van 1392, waarin de poortmeesters, die de rekening doen, op 
ééne plaats hun eigen namen vermelden met de bijvoeging „so si raed ghekoren waren", 
terwijl op meer dan één plaats in diezelfde rekening sprake is van de -vier poortmeesters 
en het geheele gerecht in dezen tijd altijd gerekend wordt op 13 personen: schout, 
schepenen en 4 raden, poortmeesters of burgemeesters. Zoo heeten in de Poorterboeken 
voor 1375 en volgende jaren de poortmeesters: vestmeesters. 



142 

verband te vermelden, die van „burgermeester" i), die als het equi- 
valent van raden, raadslieden of poortmeesters is aan te merken. 

Al deze verschillende benamingen hebben tot verwarring aan- 
leiding gegeven. Zij wekten de voorstelling, dat men reeds in de 
14de eeuw met verschillende colleges en personen te doen had, 
terwijl alleen de functiën van dezelfde personen, van hetzelfde 
college door verschillende namen werden aangeduid 2^. De raden 
of raadslieden droegen in de tweede helft der 14'^^ eeuw ook soms 
den naam van poortmeesters, in verband met de voornaamste 
hunner functiën aan het hoofd der poort, of in de i^^^ burge- 
meesters, in verband met hunne plaats aan het hoofd der burgerij ; 
twee hunner, die zich meer in het bijzonder met de versterking 
der stad en wat daarmede samenhing bezighielden, droegen den 
naam van vestmeesters ; de twee laatsten, die ook de weezenver- 
pleging leidden, heetten in de uitoefening dier functie weesmees- 
ters. De poortmeesters zijn ook belast met de leiding van krijgs- 
tochten en staan schepenen bij in de vertegenwoordiging der stad, 
ook op dagvaarten. 

Philips van Leyden is het wederom, die ons omtrent de werk- 
zaamheid dezer raden, burgemeesters, poort-, wees- en vestmeesters 
in de 14^^ eeuw inHcht. Hij vermeldt 3) de „burgimagistri, consules 
aut maiores", die hebben te zorgen èn voor voogdij en weezen- 
verpleging èn voor stadszaken als het versterken der stadsmuren 
en grachten, het toezicht op de zuiverheid van ten verkoop aan- 
geboden levensmiddelen als wijn en vleesch, op de billijkheid van 
de handelsprijzen, op de juistheid van maat en gewicht ; zij mogen, 
zegt hij, de benoeming tot zulk een post niet weigeren, ook al 
zou de vorst zelf hen daarvan vrijgesteld hebben; hij geeft dus 
ook al te kennen, dat zij in dien tijd niet meer door dezen maar 
door de stad zelve, hetzij dan door de gemeente in haar geheel, 
hetzij door het gerecht verkozen worden. 

In het eerste Leidsche keurboek, dat wij, zooals gezegd is, be- 
zitten uit de tweede helft der 14*^^ eeuw 4) — is echter de keuze der 
vier raadslieden door de „gemeente", die wij in 135 1 vonden, ver- 
vangen door die „bi goetduncken des gherechts ende der ghemeenre 



i) Het eerst in eene rekening van 1407 zoo genoemd in de tot ons gekomen bronnen. 

2) Fruin, Verspr. Geschr. I, blz. 66, 75. 

3) Phil. de Leyden, p. 41. 

4) Van Mieris, III, blz. 444. Zie boven, blz. 139. 



143' 

vroescip" ^), en wel bij meerderheid van stemmen („meeste hoep"). 
Bij de jaarlijksche keuze, aanvankelijk te gelijk met de schepenkeus 
op St. Jacob, na 1385 op St. Maartens-avond (10 Nov.), blijft één 
der vier van het vorige jaar, daartoe nader aangewezen „bi den 
meesten ommevraghen" '^), in het ambt ; herkiezing is overigens niet 
geoorloofd dan na twee jaar ; ieder gekozene moet zeven jaar „an 
enen ghanghe" poorter der stad geweest zijn 3), op eene boete 
van 60 pd. voor hem, die daarin te kort schoot; de gekozen 
„raadsman" mag evenmin als de schepen de „andere diensten" 
waarnemen, die door het gerecht vergeven worden. Zij zijn in 
sommige opzichten beperkt in hun ambt, met name in hun werk- 
zaamheid aan de „tijmmeringhe" van vest, stadspoorten of stad- 
huis, waarbij zij gebonden waren aan het goeddunken van de 
meerderheid van gerecht en vroedschap 4) ; zij moesten rekening 
van hun beheer doen binnen eene maand na hun aftreden s) ; in 
1406 werd bepaald, dat zij na een „heervaert jof hoghe reyse" 
ook binnen een maand afrekening moesten doen van hun daarbij 
gevoerd beheer 6). Zij deelden in de voordeden van kleeding, 
wijnschenking en „pensie", die ook schepenen genoten; zij kregen 
hoogere soldij dan andere burgers bij krijgstochten onder hunne 
leiding ondernomen. 

In de 14de eeuw mag men dus het gezamenlijke gerecht — 
schout, schepenen en raden, samen 1 3 personen — aanmerken als het 
stadsbestuur. Zij bezitten de leiding der stadszaken naar binnen en 
naar buiten, behartigen de stoffelijke belangen der burgers, ver- 
tegenwoordigen de stad tegenover den landsheer zoowel op de 
dagvaarten, waartoe hij de stad oproept, als anderszins en verbinden 
de burgerij tegenover derden. Waar zij voor de gezamenlijke 
burgerij optreden, maken zij krachtens hunne bevoegdheid gebruik 
van het groote stadszegel, dat bewaard wordt op een veilige plaats, 
in 141 2 en 1426 onder „den toorn" 7), d. i. dien van St. Pieter, 



i) Keurboeken, uitg. Hamaker, blz. ii en 99. Uit het noemen van de „vroescip" blijkt reeds, 
dat wij te doen hebben met een regeling van na omstreeks 1379. Zie daarover beneden. 

2) Dit is al het geval in 1368/69, zooals uit het Poorterboek blijkt. De bepaling omtrent 
St. Maarten is in 1385 gemaakt, zooals daar op dit jaar blijkt, maar blijkbaar weder eerst 
in een keur vastgesteld, nadat de gewoonte eenigen tijd de wenschelijkheid had bewezen. 
Hertog Albrecht gaf 15 Juni 1386 zijn goedkeuring. 

3) Zie boven, blz. 94. 

4) Kb., uitg. Hamaker, blz. 13. 

5) Ib., blz. 12. 

6) Ibidem. 

7) Stadsrekeningen van die jaren. 



144 

waar nog in 1512 het stadszegel met de privileges en andere 
belangrijke stadspapieren bewaard placht te worden ^). 

Dit zegel is niet altijd hetzelfde gebleven 2). Het oudste 3), dat 
wij bezitten, is waarschijnlijk dat met den heiligen Petrus, die een 
enkelen sleutel rechtop in de linkerhand houdt, en met het randschrift 
„S. opidi de Leyden", waarnaast wij uit 1320 en 1357 een ander 
vinden met de afbeelding van een zittenden St. Pieter op een 
bank, den opgeheven sleutel in de linkerhand, een boek (bijbel) 
onder den rechterarm, met randschrift „S. secretum opidi de 
Leyden", waaruit blijkt, dat het een geheimzegel is geweest. Het 
zegel aan een stuk van 1293 vertoont den zittenden St. Pieter, 
met in de linkerhand een naar rechts gehouden sleutel, door twee 
engelen geflankeerd ; daaronder de biddende figuren van de acht 
schepenen ; daaronder weder een biddende figuur, den schout voor- 
stellend; het randschrift luidt: „S. Sculteti octo jurator(um) 
comunitatis opidanoru(m) Leyden". Twee gekruiste sleutels staan 
op het gewone Leidsche zegel van de 14^ en 15^ eeuw. Een kleiner 
oud zegel vertoont den in een nis staanden St. Pieter met den 
sleutel in de rechter-, een boek in de linkerhand ; onder hem het 
gekroonde schild, door twee leeuwen vastgehouden, met twee 
gekruiste sleutels; randschrift: „Sigillum opidi Leidensis". 

In 1403 vindt men een groot zegel, waarschijnlijk dat, welks stempel 
toen op den toren bewaard werd, met St. Pieter, den opgeheven sleutel 
in de rechter, een kruis in de linkerhand, daaronder het door 
twee leeuwen vastgehouden schild met de gekruiste sleutels. Daar- 
naast echter werd bij de overgave der stad aan hertog Jan van 
Beieren in 1420 nog het oude grootzegel van 1293 gebruikt, 
waarin op den nieuAven stempel echter de engelen naast St. Pieter 
vervangen zijn door de gekruiste sleutels. Deze laatsten mogen 
gelden voor het Leidsche wapenteeken der 14^^ eeuw, opvolgende 
den vroeger gebruikten enkelen sleutel, waarop ook het bekende 
gedicht van Willem van Hildegaersberch doelt 4) en die blijkbaar 
ontleend is aan het embleem van St. Pieter, den patroon van 
Leiden's oudste kerk. Wat de beteekenis mag zijn der vervanging 
van den enkelen door de beide gekruiste sleutels, is niet bekend. 



1) Van Hout, Dienstbouck, blz. 6. Vgl. Rammelman Elsevier, Inventaris van het 
archief, blz. VI vlg. 

2) Vgl. daarover ms. Van der Paauw (Bibl. Leidsch archief, ms. n°. 4). 

3) Waarschijnlijk uit het einde der 13de eeuw. 

4) Zie boven, blz. 130, noot 2. 



145 

De in de boven vermelde keur van 1386 genoemde „vroescip" 
was een soort van burger-aristocratie; zij had in dezen tijd reeds 
de plaats ingenomen van de „gemeente", d. i. de gansche burgerij, 
die eertijds in belangrijke gevallen door het stadsbestuur placht 
geraadpleegd te worden. Al is er een alleenstaande overlevering, 
dat de stad reeds sedert de dagen van graaf Willem III, sedert 13 15, 
een vroedschap had bezeten ^), zeker is dit het geval eerst sedert 
omstreeks 1380. Er wordt namelijk in het zoogenaamde Stede- 
boek een 24 Sept. 1386 geschreven lijst 2) gevonden van hen, „die 
in den gherechte zijn of gheweest hebben", gezamenlijk tot een 
getal van 60 personen. Deze lijst nu staat blijkbaar in verband 
met een keur van 1385/6 3), waarin staat, dat „die vroescip sel 
voirtafi wesen ende hieten, die an den gherecht gheweest hebben, 
ten si dat men meerder vroescip te doen hadde". Er bestond dus 
reeds vóór 1385/6 een vroedschap — een aantal „vroede", d. i. 
wijze, ervaren, mannen, die medewerkten bij het besturen der 
stad — welker samenstelling omstreeks dien tijd aan vaste regels 
gebonden werd. Hare leden konden blijkens genoemde keur door 
het gerecht ontboden worden en de ontboden personen moesten 
dan ook verschijnen, op een boete van 5 sch. ; zij traden nevens 
het gerecht op in zaken van „vechtelic of kyve" en mochten dan 
„vreden", d. i. een tijdelijken stilstand van den strijd gebieden; 
zij moesten de stedelijke keuren helpen handhaven; zij hadden 
op den Sacramentsdag — den hoogen feestdag op den tweeden 
Donderdag na Pinksteren — het gerecht in de plechtige processie 
door de stad te volgen en deelden dan in de feestuitdeeling van 
handschoenen en wijn, zooals op St. Maartensavond bij gelegen- 
heid der raadskeuze hun ook wijn werd geschonken, aan ieder 
lid een mengel. 

Zij vormden zoo een soort van stedelijke aristocratie, die het 
gerecht en de belangrijke posten van bestuur binnen haren kring 
hield. De riddermatige familiën Van Swieten, Van Oestgeest, 
Van Alkemade, Van Boshuyzen behooren daaronder zeker tot 
den land- en stadsadel; andere, als de familiën Van Leyden, 



i) Dit beweerden burgemeesters in 1526 (Thes. rek. fol. 28 v°) waarschijnlijk slechts 
op grond, dat in het privilege van 1315 sprake is van den „raed". Zie boven, blz. 140. 

2) Het oudste gedagteekende stuk daarin is van 1374. De bedoelde lijst staat op fol. 
321. Zie de Bijlagen. 

3) Keurboek n°. 3, n°. 112. De volgende, n°. 113, is van dat jaar of het volgende. Zie 
boven, blz. 139. 

10 



146 

Heerman, Van der Hant, Bort, Van den Bosch, Vos, Bitter, Van der 
Hoghestraet, Lam, Poes, Van Hoeke, Gouter, Vlaminc, Foytgen, 
De Backer, Butewech, Van der Werve, Van der Laen zijn veeleer 
onder de aanzienlijke burgers te stellen gelijk de velen, die nog 
bovendien in de lijst voorkomen met de gewone burgerlijke bena- 
mingen naar hun vader zonder eigenlijken familienaam : Willem 
Heynensz, Jan Costijnsz, Boudijn Dirxz, Willem Willemsz, Gherijt 
Jacopsz, Claes Dirksz enz. Zij, die het tot schepen brachten, 
hadden in die hoedanigheid, waarin zij dikwijls stukken hadden 
te bezegelen — en dit reeds in de 13^^ eeuw — op het voorbeeld 
van den adel eigen zegels, die al spoedig als familiezegels op 
hunne nakomelingen overgingen ^). Door onderlinge huwelijken 
verbonden, vormden zij een nog niet geheel afgesloten maar toch 
reeds vrij nauwen kring van personen van aanzien, uit wie de 
stedelijke regeering bijna uitsluitend Averd samengesteld, die zich 
door deze ook met andere stadsposten begiftigd zagen en daar- 
door hunnen invloed steeds zagen toenemen. 

Die invloed is tegen het einde van deze periode der stadsge- 
schiedenis steeds stijgende. Duidelijk is het streven op te merken 
— en het is in die rumoerige tijden van feilen partijstrijd gemak- 
kelijk te verklaren — om de verantwoordelijkheid der regeerings- 
daden niet tot de 13 leden van het „gerecht" alleen te beperken 
maar haar ook door anderen te laten deelen. In 141 3 ^)h.v. vinden 
wij de vroedschap geraadpleegd : bij de keuze der poortmeesters, 
bij het vaststellen van een hoofdelij ken omslag, bij verwikke- 
lingen met den burggraaf, bij besprekingen over het aandeel 
der stad in de landsbede, bij verkoop van lijfrenten, bij ver- 
hooging der accijnzen, bij het goedkeuren der rekeningen van de 
poortmeesters, enz.; omstreeks 14003) bij het regelen van den 
krijgstucht naar Friesland; in 1408 bij het uittrekken der gewa- 
penden naar Luik 4); omstreeks 1420/30 5) bij allerlei gelegenheden 



i) Een groot aantal dezer zegels is ons uit de 14de en 15de eeuw bewaard, zoowel 
aan nog voorhanden stukken als daarvan losgemaakt (Leidsch archief). Oorspronkelijk 
zullen burgerlijke personen als schepenen met het stadswapen (de gekruiste sleutels) en 
hun naam als randschrift gezegeld hebben zooals nog in de 14de eeuw dikwijls voorkomt, 
met bijvoeging soms van een klein eigen wapenteeken boven de sleutels van het stads- 
wapen. 

2) Zie de Stadsrekening van dat jaar. 

3) Stadsrekening van dat jaar. 

4) Stadsrekening 1408. 

5) Stadsrekeningen. 



147 

naar aanleiding van de partijtwisten en krijgstochten. Verder 
werd in 1406 bepaald, dat de vroedschap bij het heffen van 
accijns, in plaats van den ouden omslag „mit scote", moest mede- 
werken ï) en dat geen schuld door de poortmeesters mocht ge- 
maakt worden zonder hare goedkeuring 2). Vooral in financieele 
zaken dus werd de voorlichting en medewerking der vroedschap 
gezocht en door deze blijkbaar ook op prijs gesteld, daar het 
immers gold het geld en goed harer leden, der meest vermogende 
burgers niet in de laatste plaats. 

In 1426 3) vinden wij melding gemaakt van „vroescip ende 
rijcdom", wederom in geldelijke zaken, waarin men toen blijkbaar 
ook de vermogenden wilde betrekken, die, hetzij wegens de partij- 
twisten, waarbij de leden der tegenpartij dikwijls van de regeering 
uitgesloten bleven, hetzij om andere redenen, niet in het gerecht 
hadden gezeten ; van dezen tijd af vinden wij deze verbinding van 
namen meermalen, vooral wanneer hoofdelijke omslag moet worden 
geheven. Het is niet altijd uit te maken, of men in deze twee 
benamingen: „vroescip" en „rijcdom", twee onderscheiden cate- 
gorieën van personen heeft te zien ; het middeleeuwsche taal- 
gebruik is volstrekt niet afkeerig van het aanwenden van verbin- 
dingen van synoniemen of wat als zoodanig zou kunnen worden 
aangemerkt, zoodat het zeer goed mogelijk zou zijn, dat wij hier, 
al worden er twee namen genoemd, te doen hebben met de 
vroedschap alleen ; in andere stukken worden zij echter scherp 
onderscheiden 4). Tot de vroedschap bleef men slechts hen rekenen, 
die in „der stede bouc" waren ingeschreven als oud-leden „van 
den gerechte", als hoedanig omstreeks 1430 reeds 80 personen kun- 
nen gelden 5). Het privilege van 1434 stelde uitdrukkelijk vast, dat 
zij mèt schout en schepenen de burgemeesters had aan te stellen. 

Het zoo ingerichte stadsbestuur had omstreeks 1400 een bij- 
zonder soort van ambtenaren onder zich, die onder zijne leiding 
en toezicht hunne functiën vervulden, maar niet tot de gewone 
ondergeschikten kunnen gerekend worden. Het waren de zooge- 
naamde „hooftmans" of „homans" — een algemeene naam voor 



1) Keurb., uitg. Hamaker, blz. 14/5, 

2) Ib. 

3) Thes. rek. van dat jaar. 

4) Vgl. b.v. het opschrift der homansrekening van 1426, waar gesproken wordt van 
het gerecht, „der vroetscip ende eens deels der rijcdom van der stede", 

5) Stedeboek. Zie de Bijlagen. 



148 

met leiding belaste personen — die in 1398 het eerst genoemd 
worden in eene ons bewaarde accijnsrekening ^). Vier personen 2) 
zijn dan „bi overdracht des gherechts ende der vroescip te Leyden 
geordineert der stede van L. haer oude scout te betalen", waar- 
voor de „excisen van der stede" te hunner beschikking worden 
gesteld „also als die keur dairaf inhout" 3); hun ambt ging in op 
Kerstdag van genoemd jaar. Een en ander is blijkbaar geschied 
tot zekerheid van de houders der stadslijfrenten, die gevaar liepen 
bij de zware lasten van den kort te voren uitgebroken Frieschen 
oorlog 4), en in verband met het „setten", het regelen van de 
accijnzen, om die kosten en de „oude renten" te kunnen betalen s). 
De namen der benoemden, waarvan slechts één onder de poort- 
meesters van vorige jaren staat, wijzen aan, dat men in die bij- 
zonder belangrijke geldelijke verlegenheid de burgerij buiten de 
eigenlijke bestuurskringen bij het geval wenschte te rade te roe- 
pen. In de stadsrekening van 1400 wordt hun titel, „homans", 
genoemd; zij rekenen daar, „alse die kuer dairof inhout", af met 
de poortmeesters, die in de stadsrekening van 1392 nog alleen 
het geldelijk beheer voeren ^), ook betreffende een nieuwe leening, 
die de stad, weder ter wille van den Frieschen oorlog, had aangegaan. 
Hun ambt was evenwel slechts van tijdelijken aard: in de 
ons bewaarde stadsrekeningen van 141 3, 1419/20 komen zij niet 
meer voor. Wel echter weder in die van 1423/4 en volgende 
jaren, waaruit wij zelfs enkele hunner eigen rekeningen bezitten. 
Uit die van 1426 zien wij, dat zij 7) toen „homans ghecoren 
worden" niet door, maar „dï consent vati den gherechte, der 
vroetscip ende eens deels der rijcdom van der stede" — dus 
wellicht door de ,, gemeente" zelve — „als dat si der stede goede 
innemen ende uutgheven souden" onder toezicht der „burgher- 
meesters". Zij waren toen gekozen niet voor een geheel jaar, maar 
op een dag tusschentijds, 20 Februari, even vóór St. Pieter (22 
Febr.), een der belangrijkste feestdagen in de lente, en dienden 



i) Leidsch archief. 

2) Aernt Jacobssoen, Willem Jan Willems, Goeswijn Claessoen en Willem Foytkiin, 
van wie alleen de laatste (1389) onder de poortmeesters voorkomt (als Willem Foykiaen). 
Zij worden in het opschrift der accijnsrekening genoemd. 

3) Blijkbaar de keuren van 1406, Bk. II, n". 9 — 11. 

4) Zie boven, blz. 114. 

5) Vgl. de keur n°. 10 en 11. 

6) Een dezer, Pieter Heerman, heet in 1395 „rentmeester", als in het bijzonder belast 
met de behandeling der (lijf)renten ten laste der stad (Stedeboek, fol. i v"^). 

7) Heynric Paedsz., Heynric Heynrixz., Aelwiin Baerntsz., Warmbout Nannenz. 



149 

tot St. Maartensavond (lo Nov.), den datum van het aftreden der 
burgemeesters. Dit schijnt weder op tijdelijke instelling te wijzen, 
misschien in verband met de partijtwisten en met de tijdelijke 
zegepralen der Kabeljauwschen in deze gansche periode ^). 

Het zal namelijk wel geen toeval zijn, dat hun optreden zoo spoedig 
geschiedt, nadat hertog Philips (21 December 1425) als ruwaard 
en erfgenaam van het graafschap Holland te Leiden gehuldigd 
was geworden en met hem de Kabeljauwsche partij er voorgoed 
de overhand had gehouden. Als die partij de zaken in handen 
heeft (1400, 1423/4), zien wij deze personen telkens weder op- 
nieuw te voorschijn komen en als zij voorgoed in haar overwicht 
bevestigd is, namelijk sedert het begin van 1426, blijven de 
„homans" een geregelde instelling tot hulp van de burgemeesters, 
„onder" wie zij gezegd worden te „dienen", terwijl zij te gelijk 
met dezen aftreden op St. Maartensavond 2) en rekening afleggen 
van hun beheer ten overstaan van gerecht en vroedschap. Zij 
hebben het dagelijksch geldelijk beheer en beschikken daarbij over 
een eigen „scriver" maar worden niet tot het gerecht gerekend, 
al deelen ook zij in de lakenuitdeeling „te hueschede", de wijn- 
schenkingen op de hooge feestdagen en die van handschoenen op 
Sacramentsdag, wanneer ook zij in de processie medegaan ; ook doen 
zij mede aan den grooten maaltijd ten stadhuize op St. Jacobsdag. 

De homans zijn dus wat men elders „tresoriers" 3) pleegt te 
noemen ; zij verpachten blijkens hunne rekeningen de eigendommen 
en rechten der stad, beheeren de lijfrenten, innen den hoofdelijken 
omslag, ontvangen de boeten, betalen de beden aan de grafelijk- 
heid uit, ook de salarissen aan de stedelijke ambtenaren, bekos- 
tigen het onderhoud van vestingwerken en gebouwen en den 
aankoop van krijgsbehoeften, bezoldigen de huurlingen in dienst 
der stad — kortom, hun werkzaamheid is van financieelen aard. 

De poort- of burgemeesters, van ouds ook daarmede belast, 
houden toezicht op hen en blijven bovendien zelf belast met het 
ontvangen en inschrijven van nieuwe poorters, met de vertegen- 



i) Zie boven, blz. 102 vlg. Fruin beschouwde hun tijdelijk optreden meer als een proef- 
neming (Verspr. Geschr. I, blz. 75), die dan echter telkens herhaald moet zijn, wat vreemd lijkt. 

2) In 1430 namen zij „den dienst laet aen", zoodat de burgemeesters „lange alle dinc 
selve bewairt hadden", totdat zij .,hoir hantieringhe den homans overghaven" (Rekening 
der stad). De onderlinge verhouding wordt vooral duidelijk door de rekeningen van beide 
colleges over 1427. 

3) Men vindt dergelijke ambtenaren van dien naam te Dordt al in i345) te Gouda 
en Haarlem omstreeks 1400. 



I50 

woordiging der stad op reizen en dagvaarten en bij ontvangst 
van hooge gasten, met weezenverpleging en voogdij, toezicht op 
de nijverheid en de vestingwerken, op de gildenzaken en de in- 
vordering der gerechtsboeten. De schepenen worden meer en meer 
uitsluitend belast met de bij de ontwikkeling van het stadsleven 
en de toeneming der bevolking zich vermenigvuldigende zaken 
van gerechtelijken aard, het dagelijksch bestuur overlatend aan de 
burgemeesters, die op hunne beurt het financieel beheer overlaten 
aan de homans. Bij aller werkzaamheid houdt de vroedschap het 
algemeen toezicht. 

Behalve deze „homans" waren er nog eenige personen, aan wie 
het gerecht sommige werkzaamheden opdroeg, die oorspronkelijk 
tot de zijne hadden behoord, maar bij de ontwikkeling der stad 
moeilijk meer door zijn leden konden worden waargenomen. Het 
waren evenmin als de homans bezoldigde ambtenaren, maar in 
tegenstelling met hen personen uit dezelfde kringen als zij, die 
het gerecht vormden, zooals uit de namen blijkt. 

Vooreerst had men de gods- of goodshuismeesters, ook kerk- 
meesters i) of met een ouden naam „godshuysberaders" 2) ge- 
noemd, vier voor de Pieterskerk, vier voor St. Pancras, twee voor 
O. L. Vrouwekerk 3). Zij beheerden de kerkelijke goederen van 
ieder der drie hoofdkerken, hadden het toezicht op de gebouwen, 
kerkhoven en kerksieraden, op het begraven in de kerken en de 
daarbij te volgen plechtigheden; zij legden verantwoording af aan 
gerecht en vroedschap en werden op St. Pietersavond (21 Febr.) 
door het gerecht benoemd; zij moesten sedert 135 1 zeven jaar 
poorter geweest zijn, alvorens benoembaar te wezen, maar mochten 
niet in het gerecht zitting hebben. 

Dergelijke ambtenaren waren ook de gasthuis- en heilige geest- 
meesters, op dezelfde wijze, denzelfden dag, onder dezelfde voor- 
waarden en uit denzelfden kring gekozen. De eersten, die reeds 
in 1293 voorkomen 4), hadden het toezicht op de bezittingen en 
het beheer van de gasthuizen en leidden er de ziekenverpleging. 
Zij waren oorspronkelijk twee in getal, maar in 141 6 kwamen er 
twee bij voor het nieuwe gasthuis; in 1434 weder twee voor een 



i) Vari Mieris, II, blz. 796; Kb. Appendix, V, n°. 8, 12. 

2) Kb. n°. 3, n°. 25, 124. Kb. 1406, n°. 2, 5. 

3) Stadsrekening 1400. 

4) Oorkdb. II, n°. 860: „gasthuysberaders" ; 1329 komen zij als „uytmeesters van den 
gasthuyse", verder als „meysters van den gasthuse" voor (Gasthuisbrieven). Vgl. Ligten- 
berg, blz. 26 vlg. 



151 

nieuwe inrichting; de laatsten, twee in getal, leidden de armen- 
zorg en hadden in 1430, met een derde vermeerderd, het beheer 
over de daartoe aangewezen fondsen ^). 

Verder hield de stadsregeering door bijzondere ambtenaren toe- 
zicht op de gilden, die hier sedert het midden der 14^^ eeuw 
waren ontstaan: aan het hoofd van ieder gild — men telde er 
omstreeks 1420 reeds 14 — stelde het gerecht jaarlijks twee, drie 
of vier „vinders" of „gesworenen" uit het gild zelf aan ^), die 
toezicht hadden te houden op de naleving der door het gerecht 
vastgestelde gildekeuren en daarvoor een aandeel in de boeten 
kregen. Uitvoerig was sedert de tweede helft der 14^^ eeuw vooral 
het toezicht op de zoo belangrijke lakennijverheid geregeld, waarbij 
boven de gezworenen van wevers en vollers, boven de „printers" 
en „paertsmeesters" enz., als „oversten van der draperie" de vier 
„ghesworen", later „wairdeyns" geheeten, met groote macht waren 
bekleed 3). Ook zij werden jaarlijks op St. Pietersavond door het 
gerecht verkozen en stonden onder een eed; het zelf deelnemen 
aan de lakennijverheid was hun streng verboden sedert 14064); 
bij de nieuwe keur van 141 5 werd hunne keuze nog iets nauw- 
keuriger geregeld. 

Eindelijk was reeds op het einde der 14^^ eeuw S) vastgesteld, 
dat elke „buyrte" of „bon" jaarlijks twee mannen zou kiezen — 
hun naam, eerst in het algemeen „hooftmans" ^), is weldra bon- 
of buurtmeesters — die zorgen moesten voor straten en wateren 
en de reinheid daarvan, voor de leiding in geval van brand, voor 
de brandbluschmiddelen enz., onder toezicht van de poortmeesters. 

Hoogst belangrijk in dit verband is het goed betaalde pri- 
vilege van 24 Juli 1434, waarbij Philips van Bourgondië, na den 
definitieven afstand van Jacoba, in het onweersproken bezit der 
landsheerlijkheid, de regeering der stad voorgoed regelt 7). Schout 
en schepenen worden ook voortaan nog door hem aangesteld maar 
zonder verkoop of beleening van het „scependom" der stad; zij 
en de burgemeesters samen vormen het gerecht, dat alle andere 



i) Ligtenberg, blz. 159, 166 vlg. 

2) Kb. n"- 3, n°. 128, 131, 134, 135; Kb. 1406, VI, n'. 33 vlg. 

3) Posthumus, blz. 153. 

4) Kb. 1406, VII, n". 3. 

5) Kb. n°. 3, n°. 60. 

6) Kb. n°. 3, n°. 153. 

7) Zie boven, blz. 44. Van Mieris IV, blz. 1043/4. 



152 

ambten bezet „sonder ons ofte anders yemant van onsent weghe 
enich bewint of segghen dairin te hebben" ; de schout mag voortaan 
de „roede" dragen, d. i. de hooge jurisdictie voeren „sonder den 
baliu van Rijnlant" en alleen met schepenen, die ten ouden ge- 
tale van 8 door den landsheer op St. Jacob als van ouds zullen 
worden benoemd uit de burgerij en boven de 28 jaar oud moeten 
zijn ; die schepenen zullen beëedigd worden door de burgemeesters 
en, als zij handelen tegen dien eed, vervallen verklaard en ver- 
bannen worden, bij van den raadhuize afgekondigde sententie, uit 
Leiden, Rijnland en het baljuwschap Den Haag; 4 burgemeesters 
zullen jaarlijks op St. Maartensavond gekozen worden door schout, 
schepenen en de uitdrukkelijk genoemde vroedschap onder een 
eed, door den schout af te nemen, dat zij zullen handelen „tot 
nutte ende profyte van onser stede"; het gansche gerecht zal 
mogen bannen buiten Leiden, Rijnland en Den Haag, waarbij de 
vorst zijn medewerking belooft om de gebannenen daaraan te 
houden ; alle oude handvesten en keuren worden in volle kracht 
bevestigd. 

Met dit privilege is de regeering der stad voorgoed geregeld 
naar de totnogtoe plaats gehad hebbende historische ontwikkeling, 
een ontwikkeling in de richting van een stedelijk patriciaat met 
toenemende uitsluiting van de lagere burgerij, verreweg het grootste 
deel van de „gemeente", die op het stadsbestuur nu geen invloed 
meer had en dien in lang niet zou krijgen. 

Behalve het eigenlijke stadsbestuur telde men van ouds nog 
een aantal ondergeschikte ambtenaren, belast met wat men de 
„smaele of kleine diensten" placht te noemen, die in 1357 voorgoed 
aan de stad kwamen, afgestaan door den burggraaf. Men placht 
ze op St. Pietersavond (2 1 Febr.) alle gezamenlijk te „vernuwen" ^). 

De belangrijkste hunner was „der stede clerc", door dien 
titel onderscheiden van de overige „scrivers", die bij den stads- 
dienst gebruikt werden. „Het „clerc"- of „scrijfambacht" ^) was 
een van die kleine stedelijke ambten, waarover in het midden der 
14de eeuw de burggraaf en de burgerij twistten, wat het recht 
van benoeming aanging 3); al wordt het in 135 1 daarbij niet 



i) Kb. 1450, II, n°. 48: vgl. Append. II, n". 17. 

2) Ter Gouw, Amsterdam, I, blz. 246, ziet in dit laatste ten onrechte het notariaat 
aangeduid. Vgl. Middeln. Wdbk., i. v. 

3) Zie boven, blz. 89. 



153 

genoemd, in 1357 staat het „scriefambocht" uitdrukkelijk onder 
de betwiste zaken vermeld bij gelegenheid van den afstand van 
alle „smaele" ambten van de stad ï). Sedert schijnt het gerecht 
de benoeming voorgoed behouden te hebben. In 1428 ten minste, 
als de stadsregeering de inkomsten van het klerkschap aan Philips 
Witbroet, klerk van den kanselier van Bourgondië, schenkt op 
verzoek van hertog Philips en den kanselier zelven, erkent de 
hertog ten volle het door zijne voorgangers als landsheeren 
aan de stadsregeering toegekende recht van benoeming van den 
klerk der stad "), Behalve het gerecht wordt daarbij ook de 
vroedschap en rijkdom genoemd als hebbend recht van mede- 
spreken bij deze benoeming. Het ambt van den klerk, die om- 
streeks 1400 bij zijne benoeming placht beëedigd te worden 3), 
was dus zeer belangrijk. Hij is in het bijzonder de klerk van schout 
en schepenen, wier vonnissen hij opteekent ; hij leest de ordon- 
nantiën en keuren af van de pui van het stadhuis; hij schrijft 
de brieven namens de stadsregeering en leest de antwoorden voor 
in hare vergadering; hij houdt aanteekening van vonnissen, zoenen 
en vreden; zijne boeken behooren tot de belangrijkste stads- 
papieren; hij houdt het stedeboek bij; hij is de rechtskundige 
raadsman van de stadsregeering. Zijn werk wordt behalve met het 
verstrekken van winter- en zomerkleeding, waarop het stadswapen 
„geborduerwerct" is, behalve met de gewone wijnschenkingen op 
de gewone feestdagen en de deelneming aan de stadsmaaltijden, 
ook beloond met een jaarlijksch salaris van 16 tot 18 pd. 4), 

Ook andere „clercken" worden bij het stadsbestuur vermeld; 
zoowel de burgemeesters als de homans hadden ten behoeve van 
het te verrichten schrijfwerk dergelijke personen onder zich en 
hij zelf zal op den duur niet al zijn schrijfwerk alleen hebben 
kunnen afdoen, zoodat ook hij een of meer ondergeschikte klerken 
te zijnen dienste had. 



i) Zie boven, blz. 90. In dat jaar was Dirk van der Dobbe, vermoedelijk van 
een Leidsche koopmansfamilie (Van Mieris II, blz. 112), waaruit in 1325 een schepen 
voortkwam, „onse stede clerc van Leyden" (Reg. E. L. fol. 17, Rijksarchief). 

2) Van Mieris, IV, blz. 915. Het ambt werd in deze jaren tijdelijk waargenomen door 
een ander: „Vos die clerc", die van 1428 tot 1434 in de rekeningen genoemd wordt. In 
1434 verkocht Witbroet met toestemming der stadsregeering zijn rechten aan Jan Rosé, 
poorter van Leiden en secretaris van den hertog. Het blijkt dus, dat Witbroet alleen de 
inkomsten trok en daaruit den eigenlijken ambtenaar betaalde. 

3) Matthyssen, Rechtsboek van Den Briel, blz. 66 vlg. 

4) Stadsrekeningen, passim. 



154 

De beide stadsboden werden eveneens sedert 1357 benoemd 
door het gerecht, en wel, met andere „dienstluden", jaarlijks op 
den avond vóór St. Pieter. Zij waren meer dan eenvoudige „mes- 
sagiers" om boodschappen voor de overheid over te brengen, wat 
zij ook wel deden, en kunnen als een soort van politie-agenten 
worden aangemerkt, daar zij ook „vrede ghebieden" mochten; 
als zoodanig stonden zij onder eede ^). In 1434 kregen zij als 
gerechtsdienaren het recht om een roede in de hand te houden, 
„hoghe rechtop ende niet ter syden dalende". Ook van hen gold, 
dat zij zeven jaren poorter geweest moesten zijn, alvorens zij 
benoemd konden worden. Als „messagiers", voor welke bezigheid 
soms, als het geen belangrijke zaken gold, andere personen werden 
gebruikt, gingen zij op reis met de „busse", waarin de gewichtige 
bescheiden waren besloten, die zij hadden over te brengen ; zij 
heetten dan ook wel „boden mitter busse" ^). Zij ontvingen klee- 
ding, wijn en een klein salaris, benevens „pensie" voor buiten- 
gewone werkzaamheden. Behalve hen treft men nog een viertal 
stadsportiers aan de hoofdpoorten, stadsstratemakers, een stads- 
vuilnisruimer „met de car" aan onder de stadsdienaren, die 
salaris ontvingen, zooals in de rekeningen der stad vermeld wordt ; 
ook tijdelijke dienaren worden genoemd, als een of meer toren- 
wachters, vooral in dagen van onrust 3), bewaarders van de 
stadstenten en de stadsbussen in zulke dagen, een bogenmaker 4), 
twee of meer pijpers, „trompers" of „trompenaers" op den toren ; 
sedert 1426 had de stad een vasten „bosmeester", voor het beheer 
der stedelijke artillerie, en een afzonderlijken „bewaerder van der 
stede uercloc", die vroeger door den organist van St. Pieter werd 
nagegaan. Eindelijk zijn nog de beide „stedeknechts" te noemen, 
die men als lagere dienaren van het gerecht, als ondergeschikte 
politiemannen kan beschouwen. 

Een ambtenaar van hoogeren aard was de sedert het begin 
der 14'^e eeuw voorkomende „procuratoer", die de belangen der 
stad bij de geestelijke rechtbank van den „provisoer" van Rijn- 
land vertegenwoordigde, „om der stede poirteren te verantwoirden 



i) Matthyssen, biz. 8i vlg. 

2) Vgl. echter Middeln. Wdbk., i. v. Busse. 

3) O. a. in 1400 tijdens den tocht naar Stavoren. 

4) Wouter van der Weteringh aangesteld in 1425 tegen 20 beiersche guldens salaris 
en vrijstelling van belasting (Stedeb. fol. 98 v°). 



155 

tot horen recht" i) ; ook te Utrecht zelf had Leiden reeds vroeger 
een vasten „procuratoer" ^). Beiden werden gesalarieerd en had- 
den deel in de gewone emolumenten van wijnschenking op feest- 
dagen. 

Van hoogeren aard was ook de betrekking van den „scoel- 
meester", die oudtijds door den landsheer was aangesteld maar 
op wiens ambt de burggraaf in het midden der 14^^ eeuw even- 
zeer aanspraak maakte als op andere „smaele" diensten, totdat 
in 1357 ook dit ambt voorgoed aan de stad kwam 3). Het ge- 
recht placht omstreeks 1400 met den schoolmeester een overeen- 
komst te sluiten, waarbij de voorwaarden van zijn dienst werden 
vastgesteld 4) ; de „rector" — zoo was zijn geleerde naam — had 
in dien tijd een of twee „submonitores" of „gezellen" onder zich, 
met wie hij zijn inkomsten had te deelen, zoodat de rekeningen 
dan ook drie schoolmeesters plegen te noemen, die behalve op 
hun salaris ook aanspraak hebben op aandeel in de stadslaken- 
uitdeeling en in de bekende wijnschenkingen op de hooge feest- 
dagen. De rector Jan van Haerlem was „van outs", in ieder geval 
van 1399 af, ook „der stede medicus" s), naast wien de stad 
blijkens de rekeningen in het begin der 14^^ eeuw ook aan twee 
andere „der stede meesters" ^) wijnschenking deed op de bekende 
dagen. De „stede meesters", die voor de gezondheid van „sieken 
ende armen" hadden te waken, stonden elders onder eede 7), te 
Leiden waarschijnlijk ook wel, ook omdat zij bij verwondingen 
advies hadden te geven over den aard en de maat van de wond 8) 
ten einde de te betalen „smarte" vast te stellen. 

Alles samengenomen mogen wij zeggen, dat reeds in de tweede 
helft der I4'3e eeuw Leiden werd bestuurd door een tot weinig 
meer dan een twintigtal familiën beperkt patriciaat, onder welks 
leiding een aantal ondergeschikte ambtenaren de verschillende 
takken van bestuur verzorgde. De overige burgerij liet aan dit 



i) Rekening homans 1434. 

2) Beiden worden in de stadsrekeningen genoemd. Omstreeks 1400 komt in den laatsten 
post voor Gerardus Heerman of Hereman, later Theodericus Lucht. 

3) Zie boven, blz. 90. 

4) Stedeboek, fol. 276 v°. (1393). 

5) Stedeboek, fol. 277/8. 

6) Rekening 1392, fol. 25; 1400, fol. 21. 

7) Matthyssen, blz. 92 vlg. 

8) Correctieboeken, passim. Vgl. Geyl, in Janus 1909, Der Gerichtsarzt des Mittelalters. 
Zie boven, blz. 27. 



156 

door de landsheeren gesteunde patriciaat het stadsbestuur over 
en vergenoegde zich met het onderling toezicht, door de leden 
van het patriciaat volgens de stadskeuren uitgeoefend, en met 
het wederom onder toezicht der aanzienlijke burgerij bekleeden 
der posten aan het hoofd van de gilden en buurtschappen. Slechts 
nu en dan, waarschijnlijk op grond van toenemend vermogen, 
ziet men een enkelen nieuweling uit lagere kringen, een „homo 
novus" in den kring van het patriciaat opgenomen, zooals uit de 
namen der regeeringspersonen blijkt. 



HOOFDSTUK VIL 

Rechten en plichten des poorters. 



Het poorterschap bood den bezitter, den „poorter" of „burger", 
zooals men te Leiden omstreeks 1420 begon te zeggen, groote 
voordeelen, die den „dorper", den „huysman", deden begeeren 
naar het genot ervan, zelfs reeds naar het wonen in eene stad 
ais inwoner en niet meer dan dat, zonder nog de rechten van 
het eigenhjke poorterschap te genieten. Want het waren niet 
alleen de privileges, die de aantrekkelijkheid van het poorterschap 
uitmaakten, wegens de bijzondere rechten, die de poorter daar- 
door verkreeg ; het was ook in de rumoerige 14de eeuw de 
wensch naar veiligheid voor personen, familie en bezittingen, 
zoowel tegenover den ambachtsheer als met het oog op de tal- 
rijke veeten van den adel en de twisten der „partyen" in den 
lande en op de gevaarlijke watervloeden, wat de bevolking van 
het platteland naar de steden dreef. Men kon dus zeer wel ste- 
deling en dus in den algemeenen zin „poorter" zijn, zonder alle 
rechten van den poorter te bezitten; deze laatste waren alleen 
verkrijgbaar voor hem, die het poortrecht door geboorte bezat of 
het verworven had door opneming in den kring der poorters. 

Wat wij weten van den toestand der Hollandsche landbevolking 
in de 13de en 14^^ eeuw, geeft ons geen reden om luide te kla- 
gen over haren rechtstoestand, over de bezwaren van de immers 
geringe overblijfselen der aloude lijfeigenschap, in den vorm van 
hoorigheid ook in Holland nog hier en daar op de bezittingen 
van het klooster Egmond en van de grafelijkheid zelve aanwezig 
maar door afkoop steeds meer verdwijnend. 

Zoowel de Friesche als de Frankische rechtsontwikkeling had 



158 

op de rechtsverhoudingen der Hollandsche landbevolking een gun- 
stigen invloed gehad ^). In de 13^^^ en 14^^^ eeuw is van de voor- 
malige onvrijheid in Holland geen ander spoor te vinden dan de 
nog dikwijls voorkomende „keurmedigheid", bestaande in het 
versterfrecht van den heer op een deel der nalatenschap van den 
keurmedige, welk recht echter door afkoop volgens de talrijke tot 
ons gekomen stukken dienaangaande in die eeuwen ziender oogen 
in beteekenis is afgenomen 2). Ook de rechtspraak in Rijnland 
van den baljuw met zijn welgeboren mannen in zaken van hooge, 
van den schout ten platten lande met den oudfrieschen „asinghe" 
en „gebuyren" in zake van lage jurisdictie schijnt niet tot buiten- 
gewone bezwaren aanleiding gegeven te hebben. De rechtsverhou- 
dingen in geheel Rijnland, steden en dorpen, werden door keizerin 
Margaretha in 1346 geregeld in een belangrijk privilege voor dit 
gebied 3), waarbij ook het platteland welvoer. Wel moeten de 
stedelijke privileges menigeen hebben aangetrokken, maar vooral 
de meerdere veiligheid, door het wonen binnen de stadsmuren 
gewaarborgd. 

Wij zien dan ook eensdeels in de Leidsche poorterboeken sedert 
de tweede helft der 14de eeuw 4) uit de namen en de dikwijls 
vast te stellen herkomst der aangenomen poorters een duidelijke 
neiging der plattelanders om naar de steden te verhuizen : 
6j °/o van de daar genoemde nieuwe poorters, ongeveer 50 per 
jaar s), zijn afkomstig uit de dorpen van Rijn- en Delfland — 
anderdeels zijn er duidelijke sporen van achteruitgang der onder 
de stad gelegen dorpen in aantal van bevolking. Met name Oest- 
geest en Poelgeest waren in 1399 zóó achteruitgegaan, dat het 
niet mogelijk was om er twee dingbanken te bezetten en de beide 
ambachten tot één moesten vereenigd worden, terwijl ook hun 
„riemtale" aanzienlijk moest worden verminderd ^). Ook de ge- 
schiedenis van de kwestie der land- of buitenpoorters 7) wijst op 
hetzelfde verschijnsel : neiging van de plattelandsbevolking naar 



i) Fockema Andreae, Bijdragen tot de Nederlandsche rechtsgeschiedenis, III, blz. lo vlg. 

2) Vgl. Kluit, Holl. Staatsregeering, IV, blz. 70 vlg.; V, blz. 85 vlg. 

3) Van Mieris, II, blz. 712 vlg. 

4) Zij beginnen met het jaar 1364. 

5) Er zijn jaren van 40 en minder maar ook van 60, 80, 100 en meer; enkele jaren 
als 1411 en volgende en het belegeringsjaar 1420 vertoonen een sterken achteruitgang van 
het getal. Vgl. de statistieken bij Posthumus, blz. 42 vlg. 

6) Van Mieris, Handvesten, blz. 753. 

7) Zie boven, blz. 43. 



159 

de steden, naar het bezit der stedelijke voorrechten of ten minste 
naar het wonen in de stad, zij het dan zonder in het genot te 
zijn van de voorrechten van den poorter in den eigenlijken zin. 

Men kon op tweeërlei wijze poorter worden : door geboorte of 
door opneming in het poorterschap, „geboren" of „gemaakt". 

In het eerste geval waren geen bijzondere formaliteiten te vol- 
gen: in een kleinen kring als die, welken het middeleeuwsche 
Leiden vormde, kon ieder zijne geboorte als poorterskind des- 
noods met getuigen bewijzen en reeds het oudste voorhanden 
keurboek i) heeft een keur van i8 Nov. 1392, waarin verklaard 
wordt, dat „alle onser poirter kinder, hoe si genoemt sijn, weder 
truwede of onghetruwede 2)" poorters zouden zijn „sonder enich 
poirtrecht te winnen", d. i. zonder formaliteit of betaline daarvoor. 

In het tweede geval echter waren bepaalde formaliteiten en 
kosten bij keur aangewezen. Nieuwe poorters, „lude van buten", 
zou men „nerghent ontfaen dan voir den dinxstal", de plaats van 
rechtspraak, van schout en schepenen of op het stadhuis of daar- 
voor, en wel „binnen daghes sonnenscijn" 3), op zware boete voor 
hem, die daartegen handelde, en met verbeurte van zijn poort- 
recht. Van de oude bemoeiing met de opneming als poorter, die graaf 
en burggraaf toekwam 4), was niets meer overgebleven dan een 
aandeel in de opgelegde boete; behalve de inschrijvende poort- 
meester of poortmeesters moesten twee schepenen daarbij tegen- 
woordig zijn; een poorter moest borg spreken voor den nieuw 
opgenomene en zijn welstand. Men zorgde ervoor geen onvermo- 
genden of armlastigen als poorters te krijgen. Degeen, die poorter 
wilde worden, moest van te voren al zijne schulden betaald heb- 
ben s) ; als iemand hem binnen het jaar om schuld vervolgde, 
kwam de zaak bij schepenen in onderzoek; de nieuwe poorter 
moest twee jaar lang het gerecht afzonderlijk betalen, zoodra hij 
diens hulp noodig had, binnen zes weken in de stad komen wonen 
en vijf jaren lang poorter blijven onder borgtocht hetzij van een 
ander, hetzij met zijn huis, een enkele maal op „sijn trouwe", en 



1) Kb. n°. 8, n". i5i ; Kb. 1406, II, n°. 16. 

2) Echt of onecht. 

3) Kb. n°. 3, n°. 119; Kb. 1406, II, n°. 15. Er staat daarom in het Poorterboek bij aan- 
geteekend, op welk uur de opneming plaats had. 

4) Zie boven, blz. 28. Een enkele maal werd iemand op verzoek van den burggraaf 
opgenomen zooals in het Poorterboek aangeteekend staat. 

5) Kb. n°. 3, n°. 102 ; Kb. 1406, II, n°. 15. 



i6o 

op verbeurte eener boete; zijn eigendom werd zorgvuldig aange- 
teekend in het gewone schotboek der poorters ^), na onderzoek 
omtrent zijn opgaven dienaangaande; hij moest eindelijk trouw 
zweren aan graaf, burggraaf (vóór 1420) en stad, „hoir recht te 
,, houden mit alle sinen vermoghen". Den poortmeester, die of 
beiden of een hunner bij de opneming tegenwoordig moesten zijn 
en van de zaak aanteekening moesten houden in het poorterboek, 
betaalde men in de tweede helft der 14de eeuw daarbij 13 sch. 
4 penn., blijkbaar het toen aan de stad komende 1/3 van de oor- 
spronkelijke som van 40 sch., die sedert 1275 half aan den burg- 
graaf, half aan de schepenen werd betaald 2) — benevens een 
groot van ieder pond (hollandsch) kapitaal, dus ^730 daarvan 3), 
Bleek het naderhand, dat hij of zij — want ook vrouwen konden 
het poortrecht verkrijgen — • uit eenige plaats in 's landsheeren 
gebied „van quaden fayte verdreven" was, dan moest de schuldige 
binnen 4 dagen na waarschuwing de stad verlaten of werd hij 
aan den baljuw overgeleverd 4). 

Geschiedde de opneming van nieuwe poorters zoo met alle zorg, 
het ging ook niet zonder voorzorgen, als men genoodzaakt werd 
daarvan af te zien. Deed men het na de vijf jaren vrijwillig, „ghaf 
men siin poirtrecht up" 5), dan had men binnen zes weken de 
stad te ontruimen en bovendien nog eens „dat laetste scot, datter 
ghegadert is", het „pondgeld", te betalen; een boete van 5 pd. 
dagelijks verplichtte hem na die zes weken tot onmiddellijk ver- 
trek; het gerecht zorgde er echter voor, dat zijn „ymboel" de 
stad niet verliet ^), voordat de van het poorterschap ontheven 
burger aan zijn verplichtingen jegens haar had voldaan, 

Ontpoortering in geval van oproer of ongehoorzaamheid jegens 
de stadsregeering werd door schout en schepenen op den Blauwen 
Steen 7) onder plechtige formaliteiten tot stand gebracht ; de naam 
van den ontpoorterde werd in het poorterboek doorgeschrapt of met 
de bijvoeging „uutgheset", „expositus" voorzien en ook hij moest 
het laatste schot, het pondgeld, nog eens betalen; de ontpoor- 



i) In het Poorterboek stond bij zijn naam het bedrag van zijn „scot" aangegeven. 

2) Zie boven, blz. 28. 

3) Zie Middeln. Wdbk., i. v. Groot. 

4) Kb. n°. 3, n". 121 ; Kb. 1406, II, n". 32. 

5) Kb. n°. 3, n°. 106; Kb. 1406, II, n°. 25. 

6) Kb. n°. 3. n°. 156; Kb. 1406, II, n°. 27. 
(7 Zie boven, blz. 49. 



i6r 

tering mocht echter slechts geschieden na afloop der vijf jaren, 
waarvoor men als poorter was aangenomen. Het is niet onwaar- 
schijnlijk, dat die formaliteiten in hoofdzaak overeenkwamen met 
wat nog lang na 1434 in dezen te doen gebruikelijk was ^). 

Men kon ook ontpoorterd worden wegens schuld, in welk geval 
men door den schuldeischer „an sijn poortrecht ghepant" werd en bij 
schepenvonnis „mit vollen recht uut sijn poortrecht gheset" kon 
worden, waarop de schuldenaar de stad moest verlaten en haar niet 
meer mocht betreden, „hi en heb voldaan," op straffe van gijzeling 
„in slieren slot" of in den „yseren" op kosten van den schuldeischer 
zoolang deze begeerde of totdat deze voldaan was 2). Ook 
kwam ontpoortering voor in uitzonderingsgevallen als dat van 
141 o, toen men het toenemen der landpoorters op aandrang van 
de grafelijkheid tegenging 3). 

De aangenom.en poorter trad in het volle genot der privileges, 
maar had ook zijne verplichtingen na te komen als inwoner der 
stad en gerechtigde tot die voorrechten. Deze verplichtingen waren 
ten deele van persoonlijken aard. De geldelijke waren gewone lasten 
of wel „ongelden." Tot de eerste rubriek behoorden het „scot" en 
de gedwongen leeningen „ter scattinghe"; tot de laatste allerlei 
kleinere lasten : kerkgeld, bruggegeld, straatgeld, baggergeld. 

Het „scot," oude naam voor iederen geldelijken last 4), werd 
omstreeks 1400 in de stad niet anders geheven dan met uitdrukke- 
lijke toestemming der vroedschap, in den oudsten tijd vermoedelijk 
niet dan met toestemming der gansche poorterij. Het was een 
hoofdelijke omslag „prout necessitas incumbebat" s), verdeeld volgens 
de gegevens van het „scotboec" — de „charta tributi" van sommige 
stadsprivileges der 1^^^ eeuw — waarin de namen van alle inwoners 
opgeteekend stonden („te scote gheset") ^) met hun vermogen in 
ponden Hollandsch volgens schatting door het gerecht, bij nieuwe 
poorters volgens eigen aangifte onder eede. De poortmeesters, later de 
homans, waren belast met het ,,ofghaderen" van het schot van buurt 
tot buurt tot het door gerecht en vroedschap vastgestelde bedrag, dat 



i) Orlers, blz. 34. 

2) Kb, n°. 3, n". 75; Kb. 1406, III n°. 20. 

3) Zie boven, blz. 43. 

4) Zie boven, blz. 32/3. 

5) Phil. de Leyden, ed. Fruin en Molhuysen, p. 157. 

6) Kb. 1406. II, n°. 9; Kb. n°. 3, n°. 98. 

II 



102 

afwisselde naar de behoefte, soms tot i groot van het pond, dus 
3V3 7o- Omstreeks 1400, vooral in dat en het vorige jaar, in 
verband blijkbaar met de zware onkosten der Friesche oorlogen, 
was het schot, „overmids dienste, die wi onsen here ghedaen 
hebben", zoo „zwaerliken anecomen", dat er, ondanks alle matiging 
in het heffen ^), groote ontevredenheid ontstond, vooral omdat 
„zonderlinghe" de zwaar belaste armen werden getroffen, „dair 
mens langher niet of gecrighen en can" ; en wie zijn schot niet 
betaalde, „alst die raedsluden hem vermanen", noch in geld noch 
in goed, als schout en schepenen erbij te pas kwamen, kreeg zware 
boete 2) ; wie geen poorter was, betaalde van zijn goed, „tsie 
huysinghe of anders", naar schepenschatting 3). Uit de stadsreke- 
ning van 1400 en de tot ons gekomen voogdij rekening eener 
Leidsche familie Blijfhier van datzelfde jaar blijkt, dat men in 
dit en het vorige jaar 4 of 5 maal schot had betaald tot een 
gezamenlijk bedrag in ieder dier jaren van meer dan 10 7o ^an 
zijn goed 4). De toestand werd zoo bedenkelijk, dat het keurboek 
van 1406 bepaalde s), dat men „voirtan gheen scote ghaderen en 
sal, so wat cost ende onraet der stede upcomt", maar dat men 
accijnsen zou gaan heffen van ieder, „wie hi si, sonder verdrach". 
Men kon dit echter op den duur niet volhouden: de rekeningen 
van 1408, 141 3 en 1426 maken weder melding van „scotghade- 
ringh" en „ommeset ghelt" tot een aanzienlijk bedrag; maar dit 
geschiedde blijkbaar alleen nog in buitengewone omstandigheden: 
voor een krijgstocht, tot inlossing van door den graaf voor de tollen 
aangehouden goederen, enz. In 1427, 1430 en 1434 is er in de 
rekeningen geen sprake van schot. Eene keur van 1430 bewijst 
echter, dat er toen nog wel schot, of ten minste een dergelijke last 
geheven werd ; zij bepaalde, dat de wanbetaler van „ommesette 
gelden" zou gegijzeld worden, totdat hij zijn schuld betaald zou 
hebben ^). 

Men had ook reeds zijn toevlucht genomen tot het middel van 
gedwongen leening tegen hoogen interest, waarvan wij het eerst 



i) In 1392 werden vele armen wegens den strengen winter vrijgesteld, ongeveer 1/20 
van het gansche aanwezige vermogen vertegenwoordigend. 

2) Kb. n". 3, n°. 103. 

3) ib. n°. 108. 

4) Het geschatte vermogen der poorters bedroeg in 1400, 70000 pd., het schot 7020 pd. 

5) Kb. n°. 3, n°. 108. 

6) Kb. 1450, II, n°. 12; vgl. Append. II, n°. 3. 



i63 

hooren in 1394, als meer dan een inwoner het geld, „daer hi op 
gheset was te lienen", niet betalen wil en veroordeeld wordt ^) 
op grond van ongehoorzaamheid of „onnutte woerde" tegenover 
het gerecht, dat hem op zekere som gesteld had „ter scattinghe". 
In 1398 werd voor die leening een interest betaald van 20 7o 
in den vorm van door de stad aan den leener uit te keeren lijf- 
rente 2). 

Dragelijker scheen omstreeks 1400 de accijnsheffing, die reeds 
door Philips van Leyden 3) als billijker en gemakkelijker geprezen 
wordt — met name de accijns van dranken als van wijn en bier, 
ofschoon reeds in de 13*^^ eeuw ook in Holland niet ongewoon 4) — zij 
gold voor anderen nog in het midden der 14'^e als een buiten- 
gewone last „de genere exactionum". Hij was reeds in het laatst 
der 13de eeuw geen last meer, geheven van voedingsmiddelen 
alleen, gelijk hij in den aanvang moet geweest zijn, met name van 
dranken, maar strekte zich, zooals uit den Haarlemschen accijns- 
brief van 1274 blijkt, ook tot de voortbrengselen van het hand- 
werk en tot allerhande koopwaar uit 5). Hoofddoel der heffing 
was oorspronkelijk het vinden van gelden voor de „opera publica", 
den bouw van muren, het graven van grachten, den aanleg van 
straten, enz. 6). 

Te Leiden is het eerst sprake van accijns, en wel van bier- 
accijns, in 1357, als de burggraaf dien afstaat aan de stad 7), met 
andere zijner oude rechten. Dat er feitelijk nog andere accijns 
is — alleen de bieraccijns wordt in de rekening van 1392 nog 
vermeld — blijkt eerst in 1396, toen een accijns gesteld 
werd op wijnen en bieren, zoowel uitheemsch als binnen Leiden 
gebrouwen, te betalen door den brouwer en den tapper ^). Een 
gewonen post op de stadsrekening vormen de accijnzen eerst sedert 
1398, het jaar waarin zij voorgoed onder de gewone inkomsten 
zijn opgenomen. Zij werden geheven van bier, wijn, vleesch, meel, 
graan, visch, wol, zout en troffen natuurlijk niet alleen de bur- 
gers, die handel dreven in genoemde artikelen, maar middellijk 



i) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 33/4. 

2) Accijnsrekening 1399. 

3) P- 157. 

4) Huizinga, in Bijdr. vaderl. gesch. 4de R., V, blz. 53 vlg. 

5) Vgl. Von Below, in Hist. Zeitschr. 75, S. 433. 

6) Vgl. Muller, Rechtsbronnen van Utrecht, I, blz. 35. 

7) Van Mieris, III, blz. 9. 

8) Stedeboek, fol. 265. 



104 

ook de gansche burgerij, die deze van hen kocht. Van „exactio" 
waren zij in de 15de eeuw gewone lasten geworden. 

Datzelfde kon men zeggen van de „ongelden", die de burger 
verder had te betalen. In de eerste plaats van het kerkgeld ^), 
een „ommeslach" van alle inwoners, poorters of niet, geheven ten 
behoeve van het onderhoud der godshuizen en door het gerecht 
in overleg met de vroedschap vastgesteld bij „setting", wanneer 
het noodig bleek; de inning geschiedde door den stadsbode 2) 
onder toezicht van kerk- of buurtmeesters op de gewone wijze, 
met boeten voor den nalatige. Ook geld voor het onderhoud van 
bruggen — „alle bregghen op ter buer cost" 3), — straten en 
kaden en het baggeren van grachten werden op dezelfde wijze 
van de bij die bruggen en grachten onmiddellijk betrokken buurten 
geheven op aanwijzing van het stadsbestuur en met dwang tegen- 
over onwilligen, door de poortmeesters met „die helfte meer of viers- 
catte an pande" te straffen. 

De poorter had ook persoonlijke verplichtingen. Hij was ver- 
plicht het gerecht bij te staan, waar dit zijn hulp noodig had, 
ook al werd hij niet tot de vroedschap gerekend ; hij mocht niet 
weigeren als buurtmeester of in andere „smaele" diensten op te 
treden, „om den ghemenen oirbair." 

In de eerste plaats gold deze verplichting de „heervairt", 
waartoe ieder poorter verplicht was op verbeurte van zijn 
poortrecht en een zware boete, tenzij hem wegens „nootsaken" 
veroorloofd werd een ander in zijn plaats te stellen 4); ook 
niet-poorters waren verplicht uit te trekken, wanneer het gerecht 
hen daartoe opriep s). 

Intusschen werd lang niet altijd de gansche burgerij ter heer- 
vaart opgeroepen. Een enkele maal slechts — bij een tocht naar 
Den Haag in October 141 8, toen „Vrou Jacob" door haren oom, 
hertog Jan van Beieren, van het door dezen verraste Rotterdam 
uit ernstig bedreigd werd ^) — hooren wij van een algemeene 
oproeping van, „alle, die out waren beneden 60 jaren en boven 
20 jaren" om onder de stadsbannier op te trekken ter verdediging 



i) Kb. n°. 3. n°. 150 ; 1406, V, n'. i. 

2) Append., V, n°. i. 

3) Kb. 1406, I, n". 34, vgl. Kb. n°. 3, n°. 117 en 1406, I, n". 19. 

4) Kb. n°. 3, n'. loi ; 1406, II, n°. 20. 

5) Append. V, n°. 26. 

6) Chronicon auctius Joannis de Beka, bij Matth. Anal. III, blz. 371. 



i65 

van huis en haard, wat natuurlijk ook, en zelfs niet met deze 
leeftijdsbeperking, zal gegolden hebben bij het beleg der stad 
door hertog Jan in 1420, al wordt het dan niet uitdrukkelijk ver- 
meld. Gewoonlijk echter ging het anders toe en kwam, zoodra de 
landsheer de hulp van de stad noodig had — met de stadsbanier 
mocht men niet uittrekken dan krachtens bepaalde oproeping door 
den landsheer i) — het gerecht op het stadhuis onder een glas 
wijn bijeen om de „scutten" en „wapentuers", die zouden mede- 
trekken onder het bevel van vier daartoe aangewezen „hoofdmans", 
uit de weerbare bevolking „te kiesen", in 1399 voor Stavoren 
ten getale van 141 man 2). Na de keuze werd den gekozenen 
door het gerecht, dat daartoe persoonlijk door de geheele stad 
„omging", aangezegd, dat zij mede moesten gaan („uutbieden"). 
Men zette zich aanstonds aan het „toereden" en koopen van alles, 
wat men voor den tocht noodig had : bijlen, esschenhouten schoppen, 
ijzeren spaden, als het een beleg gold zooals dat van Stavoren in 
1 399 3), steenen „donrecloten" en „donrecruut" voor de stadskanonnen, 
de „donrebussen", die men met allerlei oorlogstuig op en bij het 
stadhuis bewaarde. Daar bevond zich ook een kruitkamer benevens 
kruitmolens om het kruit te bereiden met te Utrecht gekocht 
salpeter en zwavel onder toezicht van een „busmeester", als men 
dien had, terwijl voor de bediening der stukken soms bijzondere 
abusschieters" in dienst werden genomen. Verder verschafte men zich 
tenten en wat daarvoor noodig was, tonnen met toortsen („torken") 
voor verlichting van het kamp en voor brandmateriaal bij den 
aanval op de belegerde stad, laken voor de noodige rood-witte 
kaproenen — rood en wit waren de stadskleuren — van de uittrek- 
kenden, voor de „penyoenen" (wimpels) en de groote aan riemen 
gedragen stadsbannieren met de gekruiste zilveren sleutels, welke 
laatste kostbaarheden men in te Utrecht gemaakte doozen („laden") 
medenam ; dan „baertsen" (open vaartuigen) en wagens, die men voor 
den tocht noodig had en gewoonlijk huurde of wel, zooals in het 
geval van Stavoren, zelf optimmerde en door bevaren „scipluyden" 
liet besturen, terwijl men zoo noodig onderweg nog andere schuiten 
en wagens met schippers en voerlieden huurde. Eindelijk had men 



i) Zie boven, blz. 92. 

2) Onder deze 141 waren 25 man onder bijzondere leiding van den schout blijkbaar 
belast met den waakdienst om 's vorsten tent (Verwijs, blz. 437). Zie boven, blz. 25/6. 

3) Vgl. Verwijs, De oorlogen van hertog Albrecht tegen de Friezen, blz. 329 vlg., 
ook voor het in den tekst volgende. Ook blz. 425 vlg. aldaar. 



i66 

te zorgen voor proviand : brood, vleesch, visch, bier, zout, mosterd, 
kaas en wat meer dienstig werd geacht. 

Zoo kennen wij de tochten, voorbereid en ondernomen tot ontzet 
van Stavoren in 1399 ^" 1400 ^), die naar Woudrichem in 1407/8, die 
naar Gorkum in 1408, die naar Zeeland in 1408, die naar Den Haag 
en Delft in het najaar van 141 8 =). 

Op die tochten gingen behalve de aangewezen „wapentuers", 
gewapend met allerlei wapentuig: spietsen, lansen, handbogen, 
zwaarden, en geharnast op allerlei wijzen 3), een bonte rij van 
gewapenden mede, ook andere meer geregelde en geoefende man- 
schappen, de zoogenaamde „scutten", een vast korps weerbare man- 
nen, van stadswege uit de poorters daartoe aangewezen en opgeleid. 
Het „gheselscap" of gilde dezer stedelijke „scutten", de aange- 
wezen beschermers der stad, bestond te Leiden zeker reeds in 
135 1, toen hun veroorloofd werd „te samen te cleden mit 
clederen, mit rocken of mit caproenen" 4), wat aan de overige 
burgerij niet veroorloofd was, tenzij aan hen, die behoorden tot 
het „ghesinde" van den landsheer of den burggraaf. Zij heeten 
„scutten, die die papegaeye scieten" en staan onder bijzondere 
bescherming van den landsheer, die hunnen „conync" jaarlijks 
een som uit zijne inkomsten toewees s). De namen „koning", 
„papegaaischieten" en „gezelschap" in deze eerste stukken, die 
ons omtrent hen bekend zijn, wijzen reeds op het bestaan eener 
vermoedelijkoorspronkelijkvrijwilligevereeniging, welker leden op den 
vogel schoten ter oefening in de behandeling van den zwaren voet- 
boog, misschien ook in verband met de verplichting van Leiden 
tot het stellen van 25 man ter bewaking van 's vorsten tent ^). 
In 1355 vinden wij bij de door den landsheer voor een krijgs- 
tucht in het Gooi uitgereikte soldij zekeren „Taetsaert van Leyden 
mit him Xll gheselle mit boghen" genoemd 7), die misschien 
wel tot dit „gheselscap" behoorden. 



i) Stadsrekening 1400, vgl. Verwijs 1.1. 

2) Bijzondere rekeningen dezer tochten in het Leidsch Archief. Die van de tochten 
naar Woudrichem staat in uittreksel in Krou. Hist. Gen. 1852, blz. loi vlg. 

3) Daartoe werd bij ieder „enigherande wapen", dat hij bezat, van wege het gerecht 
opgevraagd (Kb. n°. 3, n°. gg ; 1406, II, n°. 21). Na 1406 werd de bepaling gemaakt, dat 
ook poorterschen en weduwen, als zij igo nobelen bezaten, ijzeren hoed, scovel en pantser 
voorhanden moesten hebben (Append. n'. 27). 

4) Van Mieris, II, blz. 797. 

5) Van Mieris, Handvesten, blz. 287. 

6) Zie boven, blz. 165, noot 2. 

7) Grafelijkheidsrek. 1355. 



16/ 

Omstreeks 1390 werd de werkzaamheid der schutters van stadswege 
opnieuw geregeld i). Hun getal werd toen op 100 gesteld, wier namen 
in „der stede boec" opgeschreven stonden ^); zij moesten ge- 
reed zijn om te dienen, „alst tijt is ende hem tgherecht dairtoe 
onbiet", waartegenover zij recht kregen op een deel van „der 
stede renten" volgens hun privilege 3). Zij mochten dit getal wel 
overschrijden maar met dien verstande, dat de niet in het stede- 
boek ingeschrevenen ook geen recht hadden op de aan het gild 
toegestane inkomsten. Deze honderd 4) heetten „oude scutten 
van den voetboge" of met een verzamelnaam : „oude scut". Ook de 
„jonge scutten", „jonge scut", beneden de 18 jaar, mochten zich 
vereenigen tot oefening in de behandeling van den voetboog. De 
schutters moesten buiten hun „pallure'' of wapenrok met „kaproen", 
voor welk hoofddeksel hun van stadswege laken werd ver- 
strekt, een goeden boog hebben, een pijlkoker met pijlen en een 
spanriem voor den boog, pantser, ijzeren stormhoed en ijzeren 
handschoenen. Zij waren verplicht op Sacramentsdag aldus uitge- 
doscht de groote processie te volgen, als een soort van escorte 
„bi den gherechte", en hadden jaarlijks recht op een paar hand- 
schoenen en een mengel wijns bij de gerechtskeuze ; zij genoten 
bij een heervaart dubbele soldij en moesten bij een „onversien 
loep", als „der stede bannier upgherecht" werd, onmiddellijk 
met harnas en boog voor het stadhuis komen en ter beschikking 
blijven zoolang het gerecht hun dit beval. De opbrengst van den 
wijnaccijns en het visschen in de stadvest was hun overgelaten, 
waarvoor zij deze hadden rein te houden van kroos, gras en ander 
„oncrude" s) of daarin geworpen vuil. Daar aan die vest hadden zij 
ook hunne oefeningsplaats, hunnen Doelen, zoo genoemd naar het 
„doel", waarop zij eenmaal 's jaars schoten op den dag van St. 
Joris, den middeleeuwschen krijgsheilige, wanneer de koning 
of keizer ^) van het gild verkozen werd eii een maaltijd werd 



1) Kb. n^ 3, n". ii8. 

2) Stedeboek, fol. 319. Zie de Bijlagen. 

3) Ib. fol. 289. 

4) In 1394 worden er 109 genoemd (ib. fol. 288). De oudste lijst is wel die daar op 
fol. 289 voorkomt met 68 namen benevens 33 jonge schutters. Het gezelschap werd door 
keuze voltallig gehouden (in 1394 „verset", in 1422 „ghecoren"), fol. 288, 240. 

5) Stedeboek, fol. 289. 

6) Ook „mijnheer die kauwe" genaamd met een spotnaam, die op een der lijsten in 
het Stedeboek voorkomt met een aardige teekening van dezen vogel, den „papegaai", 
naast den naam van den waardigheidsbekleeder. Vgl. Kb. n". 3, n°. 90, waar het schieten 
op eenig voorwerp verboden wordt, ook zelfs op vogels, hoe ook genaamd. 



i68 

gehouden. De algemeene leiding van het gild was overgelaten 
aan vier door het gerecht gekozen „homans" der schutters, die 
de boeten van het gild inden, voor het altaar en den gilden- 
maaltijd zorgden, maar ook bij den uittocht de leiding behielden, 
terwijl de „koning" slechts de eerevoorzitter was, die na zijn 
zegepraal bij den wedstrijd een fraaien boog van de stad ten ge- 
schenke kreeg. Dergelijke geschenken werden ook gegeven bij 
wedstrijden tegen de schutters van andere plaatsen. 

De schutters vormden dus te midden der in geval van nood 
opgeroepen weerbare bevolking een welgeoefend keurkorps, gereed 
om onmiddellijk van dienst te zijn. 

Voorts huurde de stad in dezen tijd, omstreeks 1400, reeds 
dikwijls „soudeniers", die sedert de lange Engelsch-Fransche 
oorlogen in geheel West-Europa veel gebruikt werden en voor 
geld overal te krijgen waren, om op hare kosten den vorst te 
dienen. Zoo geschiedde reeds in de Friesche oorlogen ^) en op 
nog grooter schaal in den krijg tusschen Jacoba en haren oom 
Jan, later haren neef Philips. Tot eigen bescherming nam Leiden, 
evenals de andere Hollandsche steden, in 1425/6 eenaantal van 60 
soudeniers in dienst ^), gelijk de stad in 1408 een overeenkomst 
sloot met een hoofdman van soudeniers om haar met 16 man 
te dienen 3) voor haar aandeel in het op verlangen van hertog 
Willem VI te stellen garnizoen van Stavoren. 

De reeds aangehaalde bijzondere rekeningen geven gelegenheid 
om den aard en loop van zulke krijgstochten, als in het begin 
der 14de eeuw door de weerbare manschap van Leiden werden 
ondernomen, te leeren kennen. De eerste tochten, die naar Wou- 
drichem, staan in verband met de Geldersch-Arkelsche woelingen 
in het najaar van 1407, toen Willem VI na den heftigen strijd 
om de kasteelen Hagestein en Everstein, die met de verovering 
en slechting dier Arkelsche sterkten eindigde 4), de bevestigde 
stad Woudrichem had te bezetten als geschikt uitgangspunt 
voor een aanval op het vijandelijke Gorinchem S), de hoofdstad 
van het Arkelsche gebied. Driemaal togen toen de Leidsche 



i) Verwijs, passim; voor Leiden biz. 332 en 429. 

2) 8 Dec. 1425 tot Juli 1426. (Rekening homans, 1426). 

3) Privilegieboek A. A. fol. 50. 

4) Chron. auctius Joannis de Beka (Matth. Anal. III), blz. 322 vlg. Vgl. mijne Ge- 
schiedenis II, blz. 107 vlg. 

5) Mattheus, Anal. III, blz. 328 vlg. 



i6g 

benden uit: het eerst Zondag na St. Lucie (14 Deo.) 1407, met 
yj wapentuurs en 26 schutters, en wel te scheep over Rotterdam 
en van daar naar de Waal ; daarna (8 Januari 1408) met 84 
wapentuurs en 20 schutters en later nog eens met 91 wapentuurs 
en 10 schutters. Wij weten echter van deze tochten weinig meer 
dan dit. 

Bij het beleg van Gorkum in het najaar van 1408, het ver- 
volg dezer ondernemingen ^), toen de landsheer de weerspannige 
hoofdstad zelve van zijn vazal ernstig bedreigde, bewezen de 
door hem gevraagde hulptroepen der HoUandsche steden, ook 
die van liciden, zeer belangrijke diensten, waarvan wij door de 
betrekkelijke uitvoerigheid der tot ons gekomen rekening iets 
meer kunnen zeggen. 

Het gerecht der stad benoemde toen uit de burgerij vier 
„hooftmans", van wie twee poortmeesters waren, tot leiding van 
den tocht, waarbij de schout zelf, de beide andere poortmeesters 
en twee schepenen tevens medegingen ; ook een negental leden 
van de vroedschap trok mede, evenals de leden van het ge- 
recht en de hooftmans op een hoogere soldij, dan de overige 
burgers voor hun dienst betaald kregen. Met de zorg voor de 
groote stadsbannier — van fluweel met zijden franje, met de gekruiste 
sleutels in zilver als wapenteeken — werd de aanzienlijke burger 
Pieter Butewech Dirxz. belast, ook tegen hoogere soldij, terwijl 
hij „des burggraven henxt" mocht berijden ^). Behalve de bannier 
wezen rood-witte wimpels („penyoene") de Leidsche gewapenden 
als zoodanig aan. Onder deze aanvoerders werd uit de burgerij 
opgeroepen een getal van 66 „scutten" en verder vrijwilligers, mede 
„mit boghen uutgheboden", gewapend dus met den zwaren voetboog 
en vergezeld van een aantal knechts tot hunne bediening en tot 
hulp bij het dragen der zware wapenen, benevens 14 „jonge 
scutten", ook met den voetboog gewapend. Behalve deze 80 
zwaargewapenden gingen nog 250 wapentuurs uit de burgerij 
mede. De stadschirurg, een paar geestelijken, een bogenmaker, 
koks en provianddragers behoorden verder tot de mede uittrek- 
kenden, wier geheele getal op omstreeks 350 gesteld moet worden 
en die op Zaterdag 24 Nov. de stad verlieten. 

De hooftmans kochten dien dag in de stad een groote hoeveel- 



i) ib. blz. 334 vlg. 

2) De burggraaf zelf diende den graaf reeds als lid der HoUandsche ridderschap. 



170 

heid vleesch in : 3 ossen, i koe, 8 vaarzen en 1 7 schapen — het 
vleesch werd aanstonds in 10 tonnen gezouten, de huiden werden 
later weder verkocht — benevens 1 1 ton en 4 manden visch 
voor de vastendagen, 3 vaten boter, 7200 brooden, 120 kazen, 
^6 vaten bier, i vat wijn, zout voor het vleesch, mosterd als 
toespijs, enz. Al die proviand ging te scheep over Alfen naar 
Gouda, den weg, dien ook de legerbende zelve te voet langs 
Rijn en Gouwe volgde. De nacht werd te Gouda doorgebracht, 
waar men des Zondags de proviand aanvulde ; vervolgens trok men 
door naar Rotterdam ; het gerecht deed deze reis in een open 
platboomde schuit, een „aelman", geëscorteerd door 28 man. Op 
Maandag had men Rotterdam bereikt, van waar men Woensdag 
over Dordrecht en Woudrichem voor de belegerde stad kwam. 
De Leidsche troepen werden hier allengs versterkt met nog on- 
geveer 350 man, die in benden van 16 tot 20 onder allerlei 
aanvoerders („hooftmans") gehuurd werden op kosten der stad. 
Twee dagen later was Gorkum reeds na heftigen weerstand ge- 
nomen en des Zaterdags keerden de Leidenaars over Schoonhoven, 
in welks nabijheid men op het vlakke veld den nacht doorbracht, 
ditmaal te scheep in „aelmans'' en „scuten" over Gouda en Alfen 
naar huis terug, onder groote vreugdebedrijven vooral in de her- 
bergen te Gouda, waar men den volgenden nacht vertoefde. Maan- 
dag op den middag was men weder in de stad, waar de zegepraal 
met een feestelijke wijnuitdeeling aan de terugkeerenden en een 
maaltijd van het gerecht werd gevierd. De geheele „reyse" had 
met alle onkosten 1900 pd. gekost, waarvan men nog 300 pd. 
terug kreeg van de hertogin voor de overgebleven proviand, die 
men in haar verblijf te Schoonhoven afleverde ; van een en ander 
werd door de hooftmans nauwkeurig rekening en verantwoording 
gedaan aan de poortmeesters, die hun de noodige gelden hadden 
verstrekt. Het grootste deel van die som was besteed aan soldijen : 
1V2 pd. aan lederen hooftman, 9 sch. aan ieder gerechts- en 
vroedschapslid, 6 sch. aan een schutter, 4 sch. aan een wapentuur 
per dag. 

Een andere tocht der Leidenaars in dezen tijd was die naar Zee- 
land, waarschijnlijk in verband met de woelingen op Walcheren, 
omstreeks half Juli 1408 i), toen 83 wapentuurs en 33 schutters 
onder leiding der leden van het gerecht op 25 wagens naar Rot- 



i) De tocht moet afgeloopen zijn 27 Juli, wanneer de rekening afgesloten wordt. 



171 

terdam togen om van daar in 5 groote „barken" naar het verre 
Zeeland gebracht te worden. 

Merkwaardig zijn ook de tochten naar Den Haag en Delft in 
het najaar van 141 8 tot bescherming van deze plaatsen tegen de 
van Rotterdam uit te verwachten aanvallen van hertog Jan van 
Beieren, die zich na de verovering van Rotterdam op Noordholland 
dreigde te werpen ^). De eerste tocht begon op 4 October en 
duurde vier dagen. Bij klokkeslag waren „alle, die out waren be- 
neden 60 en boven 20 jaren" 2) opgeroepen om onder de stads- 
bannier op te trekken naar Den Haag, de troep te voet, het 
gerecht in een wagen, gevolgd door „tharnasch ende anders 
reescip". Na vier dagen scheen het gevaar afgewend en keerde 
de Leidsche burgerij terug om echter reeds 10 Oct. „omtrent 
400 manne" sterk naar Delft te trekken, weder onder de stads- 
bannier. Een derde tocht had in het begin van December nog eens 
naar Den Haag plaats, maar ditmaal weder door oproeping tegen 
soldij van 38 schutters en 99 wapentuurs, de eerste door 16, de 
andere door 21 knechten vergezeld, terwijl bij de groote algemeene 
tochten van October alleen voor proviand gezorgd was en geen 
soldij was betaald, blijkbaar wegens het karakter van deze alge- 
meene heervaarten in het landsbelang, waartoe ieder schuldig was 
zijn dienst te verleenen. 

Behalve de geschiedenis van het beleg van 1420 3) leveren ook 
sommige andere rekeningen een en ander op voor de kennis der 
militaire toestanden omstreeks dezen tijd. Met name de onrustige 
jaren 1425 tot 1427 dienen in dit opzicht vermeld te worden, 
toen Philips en Jacoba om de opperheerschappij in Holland 
streden, de laatste van uit hare vestingdriehoek Gouda — Schoon- 
hoven — Oudewater 4). Uit 1426 worden ons vier „reysen" ver- 
meld : de eerste omstreeks i Januari, toen men met het gar- 
nizoen van „Pikarden" onder den heer van Croy en den in 1425 
benoemden stadskapitein, heer Willem van Egmond, de Goudsche 
sluis ging „dammen" en met de bannier uittrok, evenals kort daarna 
geschiedde tot het afdammen van „Heymans wetering" ; een derde 



i) Chronicon auctius, bij Mattheus, 1.1. blz. 371. 

2) Gaat men de kosten van den inkoop van brood na en vergelijkt men deze met 
die van den tocht met de zoo aanstonds te noemen 400 man, dan blijkt het, dat het 
getal dezer weerbare manschap op ongeveer 600 gesteld moet worden. Een getal van 
5000 inwoners komt met dit cijfer wel overeen. Zie boven, blz. 74. 

3) Zie boven, blz. loi vig. 

4) Vgl. mijne Geschiedenis, II, blz. 133 vlg. 



172 

„reyse mitten baniere" was „die quade reyse, die God beteren moet", 
op Mei-avond (30 April), toen de Leidenaars zware verliezen leden 
en de heer van Croy nauwelijks den vijand buiten de Hoogewoerds- 
poort houden kon; een vierde had plaats op 22 Juli, toen die van 
Gouda „voir Leyden quamen om die koe" ^) en „de ghemeente" 
moest uutgheboden" worden „mitter cloc". Dit jaar was bijzonder 
onrustig, zooals blijkt uit de aanzienlijke kosten voor bewaking 
over dag en des nachts bij de boomen en poorten en voor de 
„voirwaerden" of voorposten buiten de stad en „crupers"of spionnen 
op het land, de laatsten ook wel vrouwen, die daarvoor goed 
betaald werden. 

Duidelijk is uit dit alles, dat de gewone last van militairen 
dienst voor den burger deze is, dat het gerecht een aantal schut- 
ters uit het vaste korps, door het schutgildc gevormd, en daar- 
naast een grooter aantal wapentuurs uit de burgerij aanwijst ; in 
bijzonder ernstige gevallen wordt de geheele weerbare burgerij 
opgeroepen ter landsverdediging ; bij langdurige ondernemingen 
als de Friesche oorlogen wordt gebruik gemaakt van soudeniers, 
die overigens alleen worden gehuurd tot aanvulling van de burger- 
troepen. 

Die soudeniers nu beginnen allengs een grootere rol te spelen 
in het krijgswezen van dien tijd, dat door de steeds meerdere 
aanwending van het op afstand treffende vuurwapen een geheel 
ander karakter krijgt dan het vroegere middeleeuwsche krijgs- 
wezen met zijn sterk persoonlijken aard vertoont; de soldaat van 
beroep, zooals die al in de 13'^s eeuw in West-Europa opkwam, 
de gehuurde krijgsman, voor geld altijd te vinden, scheen den 
landsheer verkieselijker oorlogswerktuig dan de niet altijd te ver- 
trouwen ridderlijke keurtroep en de veel minder goed geoe- 
fende burger, die, prat op zijn vrijheden, slechts zoolang in het veld 
te houden was, als hij er lust in had of zijne stadsregeering 
het wenschelijk of noodig oordeelde. Ook hier verdwijnen de 
middeleeuwsche voor nieuwere vormen, die ze allengs zouden 
komen vervangen ; de staande legers zijn in aantocht en de 
landsheer is allengs meer gesteld op het geld der steden, dat 
hem in staat stelde troepen te huren, dan op de persoonlijke hulp 
harer burgerijen. Zoo veranderde voor dezen allengs de persoonlijke 
krijgsdienst in een geldelijke prestatie, al werd in de onrustige 



i) Wat dat zeggen wil, is niet bekend ; het wijst echter op een geringe aanleiding. 



173 

tijden van den burgerkrijg tusschen Philips en Jacoba de behoefte 
aan zijn persoonHjken dienst nog telkens gevoeld. 

Zoo ging het ook met een anderen persoonlijken dienstplicht, 
den nachtelijken waakdienst op straat, poort of toren, waartoe 
oorspronkelijk ieder burger bij oproeping door het gerecht ge- 
houden was i) maar die allengs door daartoe gehuurde personen 
werd waargenomen, zoodat het „waeckgeld" een vaste post van 
belasting werd. 

Anders was het met de hulp bij brandgevaar. Zoodra de 
„brandcloc" geslagen werd op bevel van een gerechtslid — wie 
haar zonder dit bevel „sloeghe", werd streng gestraft 2) — was 
ieder gehouden met de ladders, brandhaken, brandemmers („oes- 
vaten"), ketelhoeden of tobben, die hij onder toezicht van de buurt- 
meesters 3) „gheboden wair te houden", te komen helpen om den 
brand te „uuten"; raakte iets van dat gereedschap bij den brand 
verloren, dan kon hij het vergoed krijgen op zijn eed 4) ; nauw- 
keurig toezicht werd gehouden op diefstal tijdens den brand 5) 
en vechterij, die streng gestraft werden 6) evenals het dragen 
van wapenen tijdens den brand 7); was de brand gebluscht — 
daartoe werd des winters het openhouden van bijten aan de 
buurten opgelegd ^) — , dan moesten alle aan de stad behoorende 
gereedschappen, met name lederen emmers, haken en ladders, 
voor het stadhuis gebracht worden bij de „hooftmans" der buurt, 
die ze weder in hun huis zouden laten terugbrengen 9), Na- 
tuurlijk waren deze verplichtingen niet tot de eigenlijke poorters 
beperkt, maar moesten alle inwonenden, ook al hadden zij geen 
poortrecht, daarbij hulp verkenen. 

Het bezit van het poortrecht gaf alzoo het volle recht op de 
privilegiën der stad en onder zekere voorwaarden van gegoedheid 
en aanzien aanspraak op eenig aandeel in het stadsbestuur ; in 
de verplichtingen, die het poortrecht daartegenover oplegde, werd 



1) Kb. n°. 3, n". 64; 1406, I, n^ 32. 

2) Kb. n°. 3, n°. 15 ; 1406, I, n°. 26. 

3) Kb. n°. 3, n°. 60; 1406, II, n°. 25. 

4) Kb. n°. 3, n°. 66; 1406, II, n'. 27. 

5) Kb. n°. 3, n^ 177; 1406, II, n''. 28. 

6) Kb. n°. 3. n°. 67 ; 1406, n°. 30. 

7) Kb. n°. 3, n°. 65; 1406, II, n°. 29. 

8) Kb. n°. 3, n°. 62 ; 1406, n°. 24. 

9) Kb. n°. 3, n". 153; 1406. II, n°. 31. 



174 

door de andere inwonenden niet minder gedeeld dan door de 
bezitters ervan. Dezen vormden dus onder de stadsbevolking in 
het algemeen een bevoorrechte groep, de kern der bevol- 
king. Zij waren zelf weder onderscheiden in een aantal kleine 
groepen, gevormd door het verschil van vermogen en van werk- 
zaamheid. 



HOOFDSTUK VIII. 



Het gildewezen en de nijverheid. 



De geschiedenis der gilden in Holland biedt niet zoo veel 
belangrijks aan als in Vlaanderen en Brabant, in steden als 
Utrecht en Groningen en als in de Overijselsche plaatsen het geval is. 
Zij hebben hier — met eenige uitzondering voor Dordrecht — 
nooit de politieke beteekenis gehad, die zij elders hebben bezeten ; 
zij zijn oorspronkelijk kerkelijke broederschappen geweest en later 
ambachtsgilden, vereenigingen van beoefenaars van hetzelfde am- 
bacht of bedrijf in eene stad. In Holland is, behalve te Dordrecht, 
geen sprake van vertegenwoordiging der gilden in het stads- 
bestuur, geen sprake van strijd tusschen eene patricische regeering 
en de gilden over de leiding der stadszaken. De gildewoelingen, 
waarvan wij in de 14^^^ en 15^^^ eeuw ook te Leiden hooren, zijn 
bewegingen van zuiver economischen aard, ter verkrijging van 
hooger loon of betere arbeidsvoorwaarden, al schijnen een enkele 
maal de neigingen der gildebroeders ook hier naar iets meer te 
zijn uitgegaan. 

En hoe zou dit ook anders, waar overal, zelfs in nabijgelegen 
steden als Utrecht, als de Vlaamsche gemeenten, zoo belangrijke 
bewegingen van dien aard, zoo belangrijke zegepralen van de gilde- 
broeders te boekstaven vallen ; diepen indruk moeten die gemaakt 
hebben op huns gelijken in de steden van Holland, met name in 
eene industriestad als het Leiden der 14'^^ eeuw meer en meer werd? 

Men mag aannemen, dat ook te Leiden, gelijk elders in 
deze streken ^), reeds in het begin dier eeuw de beoefenaars 



i) Hegel, Stadte und Gilden der germ. Völker im Mittelalter, II, S. 261 ff. ; Posthumus, 
Geschiedenis der Leidsche lakennijverheid, I, blz. 4 vlg. 



176 

van hetzelfde ambacht of bedrijf de bekende vereenigingen zullen ge- 
kend hebben met een uitsluitend godsdienstig karakter, van ouds 
broederschappen of ook wel „gilden" genaamd ^), die ten doel 
hadden gezamenlijke feestviering, in den heidenschen tijd ter eere 
van een god, in den christelijken op den naamdag van den hei- 
lige, die als patroon van het ambacht of bedrijf gold; verder geza- 
menlijk onderhoud en bekostiging der bediening van een kapel 
of ten minste een aan dien heilige gewijd altaar in de kerk ; een 
zekere band moet daarbij ondersteld worden ten behoeve van 
onderlingen steun en vriendschappelijke samenwerking bij sterfgeval 
en andere gelegenheden, een bestuur, een plaats van bijeenkomst 
en dergelijke. Te Leiden had echter de aanwezigheid van derge- 
lijke broederschappen nog lang geen blijvend karakter, want in 
1313 verbood graaf Willem III '^), vernomen hebbende, „dat 
alrehande luyden binnen onser stede van Leyden gilden besitten 
ende drincken", op verbeurte van lijf en goed, dat men daarmede 
heimelijk of openlijk voort zou gaan, daar, meende hij, noch de 
grafelijkheid, noch de stad er ,,eere ende baete" uit verkreeg, 
ja „'t recht van onser stede (er) mede gehindert is ende belet." 
Uit de verbinding van „gilden besitten" en „drincken" mag men 
opmaken, dat wij hier met dergelijke vereenigingen of samen- 
komsten te doen hebben en niet met een eigenlijk ambachtsgild ; 
alleen op de vermindering van de stadsrechten wordt gewezen, 
wat zekere staatkundige strekking zou kunnen aanduiden, ook 
in verband met de beweerde nutteloosheid van de zaak. Meer is 
ons echter van dit verschijnsel niet bekend. 

Maar noch dergelijke verbodsbepalingen, noch de ernstige waar- 
schuwingen van Philips van Leyden een halve eeuw later 3), die 
het „principiis obsta, sero medicina paratur" zijn vorst met nadruk 
voorhoudt met betrekking tot de „negotiatores et artifices" en 
hunne gevaarlijke „conspirationes en fraternitates", konden hier- 
tegen op den duur baten. In de tweede helft der eeuw zien wij 
een aantal ambachtsgilden ook te Leiden aanwezig, zij het dan 
onder strenge controle van het stadsbestuur, dat nog in 1393 eene 
keur maakt 4), dat geen „man of wijf, die woenachtich is in der 



i) Gild (middeleeuwsch latijn : geldonia), oorspronkelijk = vergelding, boete, offer, 
offerplechtigheid ; vandaar plechtige samenkomst, drinkgelag ; vandaar de plaats van 
samenkomst, vereeniging. Vgl. Hegel, I, S. 4 fif. 

2) Van Mieris, II, blz. 122. 

3) Phil. de Leyden, p. 149 sq. 

4) Keurboeken, uitg. Hamaker, blz. 120 (n". 162 § 2) en 60 (n°. 28). 



177 

stede, hi wair poerter of en gheen, eenigherhande overdrachten 
maecten, tsi mit cueren of mit verbanden of mit enighen omghe- 
setten ghelde yement of te gaderen, ten wair bi consent van den 
ghemenen recht." 

Opmerkelijk is intusschen, dat men ook bij de ambachtsvereeni- 
gingen den naam „gilde" vermeed en maar steeds bleef spreken van 
„ambocht", blijkbaar uit vrees voor staatkundige pretentiën, die met 
den naam van gilden als het ware verbonden schenen. Zoo wordt 
te Leiden bij de nader te bespreken oproerige bewegingen 
van 1393, die in staatkundige richting gingen, wel degelijk van 
gilden melding gemaakt, waartegen verbodsbepalingen gericht 
werden; tusschen „gilden" en „ambochte" werd daarbij scherp 
onderscheiden. 

Het eerste bericht omtrent iets wat op gilden lijkt is uit het woelige 
jaar 1351, voor hetwelk men anders gerechtigd zou zijn tot de ver- 
wachting van iets meer dan dit, daar wij hooren van min of meer 
democratische instellingen te Leiden in dat jaar ^). Het is de 
mededeeling omtrent het „gheselscap" — de naam gilde wordt 
niet genoemd — der schutters, die blijkbaar vereenigd zijn in 
een dergelijk broederschapsverband 2). Maar het behoeft geen 
betoog, dat wij hier niet te doen hebben met een ambachtsgild 
zooals zij uit hetzelfde jaar te Dordrecht het eerst vermeld worden 3). 

De eerste eigenlijke ambachtsgilden, waarvan wij te Leiden 
hooren, zijn die van personen, betrokken bij de toen krachtig 
opkomende laken-industrie en wel ongeveer in denzelfden tijd als 
wij te Dordrecht het gildewezen als een georganiseerde instelling 
ook door de grafelijkheid zelve erkend zien 4). Dit geschiedde 
aldaar bij het bekende privilege van 1367, toen aan de gezamen- 
lijke Dordtsche gilden zoowel door het stadsbestuur als door de 
grafelijkheid werd toegestaan, dat „nyement wie hi si, die gheen 
porter Tordrecht noch in hoer gilde niet en is, werken en mach 
binnen der stede vriheit" — wat men gildedwang pleegt te 
noemen Sj. Zulk een gildedwang bezaten de Leidsche ambachts- 
gilden ten minste na 1393 gedurende eenigen tijd niet, want ieder 
poorter mocht sedert te Leiden „ambochte ende neringhe doen, 



i) Zie boven, blz. 88, 89. 

2) Zie boven, blz. 166. 

3) Van de Wall, Handvesten van Dordrecht, I, blz. 217. 

4) Van de Wall, I, blz, 219, 294 vlg. 

5) Vgl. Muller, Schetsen uit de Middeleeuwen, blz. 119. 

12 



178 

hoe dat ghenoemt mag wesen" ^). Spoedig evenwel ziet men in de 
na het begin der I5<^e eeuw gegeven gildekeuren de bepaling op- 
nemen, dat geen ambacht als meester mag worden uitgeoefend 
dan door hem, die poorter te Leiden is en in het ambacht is 
opgenomen, met betaling voor het eerste van het gewone poort- 
rechtsgeld, voor het laatste van een zekere som ten behoeve van 
het ambachtsaltaar. Zoo is dan dus de gildedwang reeds spoedig 
ook hier ingevoerd, ten minste voor de meesters ; voor de knapen 
was dat niet in ieder ambacht het geval 2), 

Ambachtsgilden waren er wel degelijk reeds vóór dien tijd, 
zooals blijkt uit het oudste keurboek en met name uit de oudste 
gedagteekende keur op de lakenindustrie, die van 1363 3), waar 
sprake is van boete, die men betaalt aan het „ambocht", en van 
de „ghesworen", die de leiding van het ambachtsgild hebben. De 
eerste instelling dezer gezworenen „van der draperie", die op alle 
takken der lakenindustrie hebben te letten, moet daarom van 
vóór dien tijd zijn en de oudste keuren dienaangaande 4) zijn der- 
halve op omstreeks 1360 te stellen. Zij spreken van de „laken- 
reders" of „drapeniers", ondernemers der industrie en tevens 
handelaars in lakens ; bovendien van de wolwevers en vollers, de 
voornaamste ambachten van de werklieden, die onder hen arbeid- 
den. Behalven dezen komen nog voor de „ambochte'' der smeden, 
bakkers, linnen wevers, vleeschhouwers ; omstreeks 14065) ook 
dat der schoenmakers, en 141 1 dat der brouwers; later nog 
die der snijders ^), platijn- (muilen) en holblok (klompen)makers 
(1429) 7), misschien die der brouwers 8) en schuitemakers 9). 

Al deze ambachten stonden echter onder scherp toezicht der 
stadsregeering, die alle „verbande" buiten hare toestemming uit- 
drukkelijk had verboden en deze bepaling ook in de verdere 
keurboeken met nadruk handhaafde. Zij hield dit toezicht door 
middel van door haarzelve aangestelde personen. 



1) Kb. Hamaker, n°. 3, n". 162: Acta vigilia Epiphaniae 1393 (5 Jan. 1394). 

2) Vgl. Kb. Append., passim (na 1406). 

3) Van Mieris, Handvesten, blz. 363. „St. Louysavont" zal hier wel moeten zijn 30 Nov., 
de avond vóór St. Eloy (Eligius), want de H. Lodewijk werd in het bisdom Utrecht niet 
vereerd (vgl. Muller, in Progr. Oorkdb. van het Sticht). 

4) Kb. n°. 3, n°. 128, blz. loi vlg. 

5) Kb. 1406, Bk. VI, n°. 34, blz. 61. 

6) Append., Bk. VI, n°. 36/7. 

7) Ib. n°. 33/4. 

8) Ib. n°. 57. 

9) Kb. 1406, Bk. VI, n°. 36. 



179 

Ten opzichte van de draperie was de leiding der daartoe behoo- 
rende ambachten opgedragen aan vier jaarlijks op St. Pietersavond 
gekozen „ghesworen" i), in 1396 „wardeyns" genoemd -) wegens 
hun onderzoek naar de deugdelijkheid van het gemaakte laken • een 
u.tgewerkte keur, waarop zij den eed moesten afleggen, wees hunne 
bevoegdheid aan, die hun toestond „alle punten te berechten" 3) 
en de opgelegde boeten van de schuldigen „in te panden mitten 
(gerechts) bode gheliken jof tgherecht selve wair", onder verplich- 
tmg van rekenschap aan het gerecht Voor de linnenwevers stelde 
het gerecht jaarlijks drie „ghesworen" aan, „die hem uten ambocht 
nuttehxte duncken" 4) en de keuren hadden te handhaven- voor 
de snijders vier gezworenen, voor de platijn- en holblokmakers ook 
gezworenen. Voor de smeden, de schoenmakers, de vleeschhouwers 
was het toezicht aan gezworen „vinders" opgedragen, die wel op 
dezelfde wijze gekozen zullen zijn. 

Zoo zegt dan ook Hildegaersberch over het gildenbestuur s) : 

„Soe neemt men van den vroetsten drie 
Die dat ghilde een jaer regieren 
Ende alle trecht daer in hantieren, 
Opdat si eendrachtich mogen bliven 
Ende in rusten sonder kiven. 
Ende alser drie dus is ghecoren 
Ende di eenen eet hebben ghesworen 
Elkerlyc by onsen Heren, 
Dat syt ghilde sullen eren, 
Soe souden die ander hoefden an: 
Hier om heet mense ouderman 
Entes ghilden goet sel an hem staen". 

Dat de hier uitgedrukte vrees geen hersenschim was, bewijst het 
gebeurde in 1391 en volgende jaren. 

Reeds in 1372 waren de vollers, die „uiterst roerige groep van 
arbeiders," wier zware werkzaamheid groote lichaamskracht eischte 6), 
bezig geweest „sameninghe ende yenichede int ambochte" te 
maken ?). Meesters en knechts hadden zich daarbij verbonden, 
zelfs een der gezworenen had medegedaan en toen zij hun zin 

1) Kb. n°. 3, n°. 128. 

2) Posthumus, blz. 153, noot 3. 

3) Kb. a°. 3, n°. 128, § 17. 

4) Ib. n°. 134, § 10. 

5) Uitg. Verwys n°. LXI, Van Ghilden. 

6) Posthumus, 1.1. blz. 308 vlg. 

7) Zoenboek Appendix, fol. 11 vlg. 



i8o 

niet hadden kunnen doorzetten, waren zij „uutghegaen'', hadden zij 
de stad verlaten. Het gerecht kwam nu tusschenbeiden, verbande 
vier hoofdaanleggers der oproerige beweging voor een jaar uit de 
stad, veroordeelde den betrokken gezworene bovendien tot een 
bedevaart, een der meesters tot een jaar verbanning en beval de 
uitgewekenen binnen acht dagen terug te keeren en „te werke te 
ghaen" op straf van verbanning — de poorters onder hen voor een 
jaar, de niet-poorters voor twee jaar — onder toezegging, dat het 
gerecht hunne klachten zou onderzoeken voor het vervolg en naar 
bevinding zou oordeelen ^). 

Waarop toen die klachten betrekking hadden, is niet duidelijk, 
maar in 1389 en 1390 hoort men weder van nieuwe beweging 
onder de vollers en ditmaal loopt het geschil over loonkwesties. 
De vollers wisten hunne eischen in belangrijke mate door te zetten 
en een aanzienlijke verhooging van loon te verkrijgen, terwijl ook 
de tijd van uitbetaling anders werd geregeld ^). De landsheer, hertog 
Albrecht, gebood hun voortaan met hun loon tevreden te zijn : 
het gerecht zou het wel vermeerderen, als het te gering bleek 3). 
Bij zulke bewegingen kwam het in dezen tijd ook reeds voor, 
dat „yemant den anderen mit driechlike woirden om uten werke 
mede te doen gaen quade ende onnutte woirde toesprake of mitter 
hant misdede", welke belemmering van den gewilligen arbeider 
op zware straf verboden werd door een keur 4), gelijk een andere 
hem, die „mit eenwille" niet werken wilde, die koppig in zijn onwil 
volhield s), eveneens strafte &). 

Nog ernstiger was de beweging van Pinksteren (25 Mei) 1393 7). 
Een „oploep" der „gemeynte" had toen plaats met het doel om 
de stadsregeering te dwingen „ghilden ende hoeftmans" te „oirloven 
ende consenteren" ^), al verboden de handvesten dit. De stads- 
regeering was genoodzaakt toe te geven en de „niewe quade 
ordonnantie'' werd ook, tegen de vermaning van den uit Den Haag 
toegeschoten raad des landsheeren in, „by hemselven" gehandhaafd 
door de bij de komst van dien raad „mit clockenslach ende vergade- 



i) Posthumus, blz. 333/4. 

2) Ib. 

3) Van Mieris, Handvesten, blz. 377 (3 Atig. 1391). 

4) Kb. n°. 3, n°. 163; Kb. 1406, Bk. VI, n°. 32. 

5) Vgl. Verdam, i.v. eenwille. 

6) Kb. n°. 3, n°. 163; Kb. 1406, VI, no. 31. 

7) Zie boven, blz. 95. 

8) Van Mieris III, blz. 595; verder Thes. rek. der grafelijkheid (Rijksarchief), over dat 
en het volgende jaar, passim. 



i8i 

ringe van der gemeynte gewapent" zich verzettende bevolking. Maar 
de landsregeering gaf niet toe: er was zelfs sprake van een beleg 
der weerspannige stad, die evenwel zeer spoedig tot rede werd 
gebracht met medewerking ook der andere Hollandsche steden. 
Een landsheerlijk „segghen" van den 4'^^'^ Juni veroordeelde een 
twaalftal belhamels tot een bedevaart naar Rome voor twee jaren 
en verder tot eeuwigdurende verbanning uit het land, meer dan 
honderd andere „verleiders" tot eeuwigdurende verbanning uit 
stad en land, terwijl aan de „gemeynte" een zware boete opgelegd 
werd. Uit de namen der gestraften blijkt, dat de beweging voor- 
namelijk van de handwerkslieden was uitgegaan: verscheidene 
vollers zijn weder onder de schuldigen. Het „rumoer" was met 
dit zeggen niet geëindigd en nog telkens moest de grafe- 
lijkheid de stadsregeering tegen de weerspannigen steunen; eerst 
acht jaren later verkregen een aantal ballingen vergunning tot 
terugkeer, op grond dat hunne onschuld gebleken was. 

Het bovengenoemde keur van 5 Januari 1394 tegen het maken van 
„overdrachten" en „verbanden" zal wel naar aanleiding van deze 
dingen gemaakt zijn. 

Maar de vollers waren nog volstrekt niet met hun toestand 
tevreden : ook in 1400 ^) en 1402 hooren wij weder van „onruste", 
van eischen betreffende loonsverhooging, waarbij in een stuk sprake 
is 2) van „misselycke gesellen uyt vreemden landen, die van ambachte 
syn, eendrachte ende vergaderinge maecken in onse steden", terwijl 
met name weder de vollers „vergaderingh ende uytghanc ghedaen 
hebben." Ofschoon wij geene nadere feiten uit Leiden kennen, 
mogen wij wel onderstellen, dat de opneming dezer oorkonde in 
de privilegiën van de stad, waar de lakenindustrie zoo krachtig 
opgegroeid was en de vollers reeds zoo dikwijls last hadden ver- 
oorzaakt, pleit voor het bestaan van nieuwe bewegingen, zooals 
uit het stuk blijkt, weder naar aanleiding van loonkwesties, 
die wederom aan het oordeel van het gerecht worden onderwor- 
pen. Ook de bepalingen omtrent onnoodige aanwezigheid op de 
Weversplaats, waar men knapen huren kon, en omtrent het 
verbod van „gheselscap" voor wevers en vollers in het keurboek 
van 14063) geven iets te denken omtrent het voorkomen van woe- 
lingen in dezen tijd. In 1416 echter beroepen de vollers zich zelf, 



i) Stadsrekening fol. 13, 22. 

2) Van Mieris, III, blz. 759. 

3) Bk. VII, n°. 23 en 44. 



l82 

als iemand hun ambocht met smadelijke woorden beleedigd heeft, 
op ,,sulke scarpe hantvesten, die wi hebben van onsen here" 
tegen hen, „die opsette of eendrachte maken'' ^). Zulk eene 
kwestie werd ook in 1432 veroorzaakt door den ongunstigen toestand 
der munt, die de vollers wederom tot klachten aanleiding gaf, 
waarop het gerecht inderdaad hun loon verhoogde 2). Van nieuwe 
ernstige woelingen hooren wij echter ook tijdens de onrustige 
regeering van hertogin Jacoba niet, al moesten de toenmalige 
omstandigheden dikwijls tot onrust in de stad en onder de hand- 
werkslieden gereede aanleiding geven en blijkt uit de strenge 
bepalingen in de keurboeken, dat men vooral beducht was voor 
bewegingen onder de wevers en vollers, de talrijkste ambachten 
in de stad aanwezig. 

Het is intusschen zeer opmerkelijk, dat, terwijl hertog Albrecht 
in 1393 met zooveel kracht opkomt tegen „ghilden en hoeftmans" 
binnen Leiden en het maken van „overdrachten" wordt verboden, 
„ten wair bi consent van den ghemenen recht" 3), wij reeds in 
het volgende jaar zoo niet een gild met staatkundigen invloed dan 
toch wel degelijk een van kerkelijken aard, een broederschap, 
onder leiding van „homans" met landsheerlijke en stedelijke toestem- 
ming zien ontstaan : de St. Nicolaasbroederschap in de Pieterskerk 4), 
door hertog Albrecht bevestigd 24 Oct. 1394 s), maar blijkens die 
bevestiging zelve reeds vroeger ingesteld en werkzaam. 

Op deze wijze schijnt men dus te gemoet hebben willen komen 
aan de wenschen der onrustige „ghemeynte" naar het bezitten van 
„gilden". De broederschap kreeg verlof voor het maken van een 
altaar in genoemde kerk, te bedienen door een kapelaan, die door 
haar onderhouden wordt en lederen Maandagmorgen vroeg, „voir 
dat men die (eerste) weversclocke luyt," voordat dus de handwerks- 
man aan den arbeid gaat, zielmissen moet houden voor de leden, 
die daarvoor hun „aelmissen" geven, en des Woendags nog een 
mis tot aanroeping der Heilige Drievuldigheid in het belang der 
broeders. Op St. Nicolaasavond moeten de „homans" — in een stuk 
van 1425 „procuratores" genoemd — de broeders oproepen voor 
de vesper en voor de hoogmis op den heiligendag zelven, waarbij 



i) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 50. 

2) Stedeboek, fol. 125'°. 

3) Kb. n°. i, n". 162. 

4) Van Mieris, Beschrijving, I, blz. 31 vlg. 

5) Ib. blz. 35. 



i83 

zij van lederen broeder 2 groot moeten „gaderen" ter bestrijding der 
onkosten van die en andere missen en van licht op het altaar. Op 
Zondag na St. Laurens (10 Aug.) wordt een maaltijd gehouden, 
„op ten minsten cost als men in redeliker wijs mach", aan welken 
maaltijd ieder broeder deel moet nemen na oproeping door de 
homans, behalve armen, zieken, afwezigen en stokouden („dat hi 
geen geselscap wesen en mach"i)), die ook niet behoeven te be- 
talen aan den maaltijd en tegen afgifte van hun „oircontspenninc" 
de „spise" thuis krijgen 2) „uter herberghen"; wie zonder dergelijke 
verontschuldiging thuis blijft, moet, gelijk ieder deelnemer, aan den 
maaltijd betalen, op straffe van uitzetting uit de broederschap, 
aangezien die anders te gronde zou gaan ; ieder broeder mag iemand 
medebrengen tegen betaling van diens gelag; deze kan met toe- 
stemming der andere broeders door de homans als lid ingeschreven 
worden tegen betaling van zekere geheim te houden som tusschen 
2 penningen en 40 schellingen, waarvoor hij den bovenbedoelden 
„oircontspenninc" ontvangt, die zijn lidmaatschap bewijst ; aan den 
maaltijd kiezen de homans op hun eed nieuwe homans, die een der 
aftredenden als derden man kiezen, „omdat hi van der ordinancie 
wet" ; niemand mag het ambt weigeren, op straffe van uitzetting 
uit de broederschap. Dinsdag en Woensdag na Allerzielen (2 Nov.) 
moet er „gemeene memorie" gehouden worden met vier „stal- 
kaerssen" en „onse tortijs," den broederschapsfakkel, voor de 
zielen der gestorven broeders, met name voor de stichters der 
broederschap, waarbij hoogstens 1 8 priesters aandeel mogen hebben 
in de voordeden 3) ; bij sterfgeval van een der broeders zullen alle 
broeders door de homans gewaarschuwd worden met een bode, 
waarna zij verplicht zijn den gestorvene ter kerke te dragen en 
zijne begrafenis benevens het offergebed en de zielmis voor den 
begravene bij te wonen ; de homans hebben te zorgen voor de ge- 
bruikelijke gave aan de armen bij die gelegenheid en voor het 
houden van 32 zielmissen voor den doode; ieder broeder legt een 
halven nobel op des dooden kist ten behoeve der kosten zijner 
uitvaart. De homans mogen niets koopen of laten maken voor de 
broederschap, tenzij met hare toestemming ; hebben zij die, dan 



i) Het bedrag van hun inbrengst bij hunne opneming? 

2) Zoo schijnt vertaald te moeten worden: „end dese voirg. personen ende nyemant 
anders, die en zal men gheen spise senden". 

3) Behalve deze geldelijke voordeden worden in 1425 aan den „cureyt" der kerk nog 
twee stoopen rijnwijn toegezegd voor het zingen eener mis aan het altaar van St. Nicolaas 
op den naamdag van den Heilige en den dag van den maaltijd. 



i84 

wordt het bedrag omgeslagen, ook weder „mitten oircontspenninc." 
Daar Sint Nicolaas de patroon is der zeevaarders en reizigers 
in het algemeen en in verband met het noemen van „Calissenobels", 
d. i. nobels te Calais geldig, en het herhaaldelijk onderstellen van 
afwezigheid, zal men hier wel te doen hebben met personen, die 
ter wille van den wolhandel naar Calais reizen, d. i. met de drape- 
niers of ondernemers van de lakennijverheid. 

Een dergelijke broederschap werd in 141 1 opgericht ter eere 
van het Heilige Kruis, in 1425 eene ter eere van St. Jacob en dus 
waarschijnlijk bestaande uit hen, die de bedevaart naar Santiago 
di Compostella hadden gedaan; in 1427 ter eere van St. Ewoud 
en van St. Pieter en Paul, welke laatste de broeder- en zuster- 
schap was van hen, die een bedevaart naar Rome hadden gedaan 
of van plan waren te doen i). Zoo had men ook in deVrouwekerk 2) 
de broederschap van Onser Vrouwe (1398) en van het Heilige Kruis 
(1423). Maar voor al deze broederschappen was nog de vergunning 
van den landsheer noodig, altijd in verband met de oude oorkonde 
van graaf Willem III, die immers alle „gilden" verboden had. 

Kende dus Leiden als gilden slechts zuivere ambachtsgilden en 
kerkelijke broederschappen, beiden zonder staatkundigen invloed 
en onder streng toezicht der landsheerlijke en stedelijke regeering, 
bevreesd voor ontwikkeling van het gildewezen in de richting, die 
elders was ingeslagen — de inwendige inrichting der Leidsche am- 
bachtsgilden en broederschappen vertoont groote overeenkomst 
met die in andere plaatsen ook buiten het gebied van het graaf- 
schap; dit blijkt vooral uit de Keurboeken der stad, waarin ten- 
minste de voornaamste bepalingen dienaangaande waren opgenomen, 
het uitvoerigst die betreffende de bij de lakennijverheid betrokken 
handwerkslieden. 

In ieder ambacht had men drie soorten van arbeiders : meesters, 
knapen en leerlingen. De leerling moest twee, later drie jaren bij een 
meester werken, kreeg geen loon maar slechts kost en inwoning en be- 
taalde daarvoor bij zijn intrede èn een klein bedrag aan het ambachten 
leergeld aan den meester. De „knaap" of gezel, die zijne geschikt- 
heid als zoodanig door zijn „leerbrief", zijn getuigschrift uit zijn 
leerlingstijd, moest aantoonen, was vrij man en verhuurde zich aan 
den meester, die hem noodig had. Was hij eenigen tijd knecht ge- 



i) Van Mieris, 1.1. blz. 36, vlg. 
2) Ib. 1.1. blz. 87. 



i85 

weest — bij de vollers en wevers was drie jaar daarvoor aangewezen, 
waarin hij gewerkt moest hebben in een stad, waar een vol- en 
weefambachtsgild was, hetgeen hij dus moest kunnen bewijzen — 
dan kon hij zich als meester te Leiden vestigen, wat hem natuurlijk 
alleen mogelijk was, als hij genoeg had oververdiend om de noodige 
werktuigen te koopen. Van meesterproeven wordt nog niet gerept. 
Zorgvuldig was in ieder ambachtsgild de arbeid geregeld, 
zoowel wat betreft de werkzaamheid van den arbeider, meester 
en knaap, als wat de hoedanigheid en den prijs en de verkoop- 
wijze van het produkt aanging. Des morgens, des middags en des 
avonds luidde „die werkclocke," die aangaf, hoe laat men „op ende 
van den wercke gaen" moest; de gezel, die bij het tweede 
luiden niet op zijn werk was, kreeg een boete van 8 penningen ^) ; 
op heiligendagen werd niet gewerkt. De broodbakker moest brood, 
tarwe- en roggebrood, bakken volgens voorgeschreven gewicht en 
het verkoopen tegen voorgeschreven prijs, terwijl een en ander 
door van stadswege aangestelde „weghers" streng werd nagegaan, 
die binnenkwamen in des bakkers huis; te licht brood werd 
„entwien" gesneden en aan het gasthuis geschonken, terwijl de 
schuldige bakker werd beboet 2). De smid mocht niet werken vóór 
de dagklok en na het invallen van de schemering 3) ; ook de schoen- 
maker en de kleedermaker mochten alleen „bi den daghe" werken 4) ; 
evenzoo de schuitemaker 5)^ wiens pek vooral niet minder gevaarlijk 
v/as dan de smidsoven, de schoenmakerspot en de kaars bij het kleed. 
De vleeschhouwer ^) stond met het oog op gevaar voor de gezondheid 
onder scherp toezicht der vinders op de deugdelijkheid van zijn vleesch 
en de wijze van verkoop in het groot en in het klein ; hij mocht 
niet anders versch rundvleesch verkoopen dan op de banken in de 
vleeschhal, waar aan ieder zijn „stal"' bij loting werd aangewezen ; alleen 
in den herfst mocht men het overal verkoopen in het klein, „bi vieren- 
delen of bi pennincwairde";hem was voorgeschreven, hoeveel „mael" 
(dagen) hij zijn vleesch te koop mocht bieden, naar mate van het jaarge- 
tijde; de vinders zorgden ervoor, dat „ghebreclic" vleesch niet te 
koop werd aangeboden of door handig „blasen" of „wint daartoe te 



i) Kb. n°. 3, n". 133. Dit staat niet telkens opgeteekend maar is blijkbaar algemeene 

regel, al wordt het voor sommige bedrijven uitdrukkelijk vermeld. Vgl. Muller, 1.1. ,blz. 142. 

2) Ib. n°. 134 ; Append. VI, n^ 27. 

3) Kb. 1406, Bk. VI, n°. 33. 

4) Ib. n°. 34/35; App. VI, n°. 36/37. 

5) Ib. n". 36. 

6) Kb. n°. 3, n°. 36, 146, 175; Kb. 1406, Bk. VI, n=. 19 vlg. 



i86 

doen" bedriegelijk het uiterlijk van goed vleesch kreeg; zeugen 
en nuchtere kalveren mocht men niet slachten, rammen en ooien 
niet van na Sint Maarten (ii Nov.) tot diep in den zomer ; vogels, 
die men te koop aanbood, moesten eerst door de vinders gekeurd 
zijn ï) en „ongave" vogels werden evenals „ongave" vleesch ten 
behoeve van het gasthuis verbeurd verklaard. De meester-linnen- 
wever 2)^ die „tou houden" wilde, moest poorter zijn; hij mocht 
ook niet „bi nachte" weven, blijkbaar weder wegens het gevaar 
van werken bij de kaars, en betaalde een pond was 3) voor het 
verlof om een getouw te plaatsen ; datzelfde moest ieder geven, 
die het weven leeren wilde; de „van buten" gekomen wever moest 
12 penningen betalen om te mogen werken en evenveel wie van 
een ander „ambocht" tot dat van het linnen overging. Het mutsen- 
maken was te Leiden ten eenen male verboden 4); na 1406 ook 
het uitoefenen der uitdragerij s), misschien uit vrees voor 
concurrentie met den lakenhandel en andere bedrijven, misschien 
ook wegens gezondheidsredenen. 

Bevatten de stedelijke keuren over bijna al deze bedrijven slechts 
enkele uitdrukkelijke bepalingen, veel uitvoeriger zijn die omtrent 
den voornaamsten tak van nijverheid te Leiden, de draperie, die 
reeds vroeg door de stadsregeering met nauwlettende zorg be- 
handeld werd en deze zorg steeds grooter omvang zag nemen, 
hoe meer de lakennijverheid zich uitbreidde. 

Geen tak van nijverheid kon zich in beteekenis voor de stad 
met dezen meten, ook niet de bierfabricage, die anders te Leiden 
niet onaanzienlijk geweest moet zijn. Hoewel deze laatste niet te ver- 
gelijken was met die in andere plaatsen, met name Delft en Haarlem, 
getuigt de beteekenis van het gruitrecht te Leiden ^}, de aankoop 
van aanzienlijke hoeveelheden bier te Leiden voor den krijgstocht 
tegen de Friezen in 1397 7) en het verzet van de Leidsche regeering 
tegen het tappen van Hamburger bier in de stad ^) voor zekeren 
omvang van het bedrijf. Het is wel waarschijnlijk, dat wij hier 
ten deele niet te doen hebben met brouwerij als nijverheid, maar 



i) Kb. n°. 3, n". 145; Kb. 1406, Bk. VI, n'. 22. 

2) Kb. u". 3. n°. 134. 

3) Voor het gilde-altaar. 

4) Kb. n°. 3, n'. 132; KI. 1406, Bk. VI, n". 38. Waarom? Ook elders, b.v. te Utrecht. 

5) Kb. 1406, Bk. VI, n°. 37. 

6) Zie boven, blz. 117. Verder Van Mieris, II, blz. 256. 

7) Verwijs, Friesche Oorlogen, blz. 108. 

8) Stadsrekening 1400. 



i87 

met het brouwen van de burgerij voor eigen gebruik, waarvoor zij 
ter verkrijging van de daarvoor noodige gruit of hop bij de 
grafelijke gruiters, die ook voor Rijnland hier gevestigd waren ^), 
terecht moest komen. Maar er waren toch ook vakbrouwers. In 
141 1 vinden we namelijk reeds een uitvoerige keur op de brou- 
werij, waarbij ook de arbeid van den vakbrouwer onder toezicht 
van twee „seghelaers" gesteld wordt. Deze zegelaars moesten er 
voor zorgen, dat het gewone bier, het „koeyt" of „kuit", dat op 
de wijze van Hamburger bier zonder hop gebrouwen werd, in den 
zomer 7, in den winter 10 dagen in het vat bleef, alvorens het 
getapt m.ocht worden, waartoe zij de vaten hadden te verze- 
gelen; alleen bij uitvoer uit Rijnland mocht men de vaten ont- 
zegden. Wie hopbier brouwde, mocht geen Hamburger bier 
brouwen 2). 

Maar veel scherper en uitvoeriger waren de draperiekeuren. 

In de eerste plaats werd gewaakt voor de hoedanigheid der 
grondstof, der wol 3), die nergens zoo goed was als in Engeland, 
in het bijzonder in Berkshire, Marshe, Oxfordshire, Nottingham, 
Warwickshire en andere weidenrijke deelen van Midden-Engeland 
tot Huil en Kent toe 4). 

Het is waarschijnlijk, dat men oudtijds, voordat de lakenindustrie 
te Leiden een zoo hooge vlucht had genomen, daar voornamelijk 
inlandsche wol gebruikte, gewonnen van de schapen, die reeds in 
de 8^^^ en 9^^^ eeuw in de kloostergoederen ook in onze streken een 
belangrijke plaats innemen ; de reeds vóór de 13'^^ eeuw uitEngeland 
aangevoerde Engelsche wol zal intusschen ook toen wel voor de 
fijnere soorten gebezigd zijn. In de tweede helft dier eeuw waren 
Engelsche wolkooplieden te Brugge gevestigd of kwamen ten minste 
daar geregeld 5), maar van Leidsche handelaars aldaar hooren wij 
niet, evenmin als in den tijd, waarin Brugge de stapelplaats gaat 
worden van de Engelsche wol, in de 14^^^ eeuw. Na de verovering 
van Calais door Eduard III (1346), wordt echter deze, nu Engelsche 
haven, weldra (1363) de stapelplaats voor den Engelschen wol- 
uitvoer en het is deze stad, waarheen omstreeks 1390 de Leidsche 
drapeniers in de eerste plaats gaan om* de fijnere Engelsche 
wol, die meer en meer de inlandsche verdrong, te halen, al 



i) Van Mieris, Handvesten, blz. 343. 

2) Kb. Append, VI, n°. 67 en 70. 

3) Posthumus, 1.1., blz. 183 vlg. 

4) Ib. blz. 7Ó. 

5) Hapke, Brügges Entwickelung zum mittelalterlichen Weltmarkt, S. 65 ff. 



i88 

kwamen zij ook nog wel in Engeland zelf hunne inkoopen doen ^). 
Naast die Engelsche wol bleef ook nog andere in gebruik ^), 
waarom sedert 1406 nauwkeurig aanteekening werd gehouden, wie 
Engelsche, wie wol van Schotsche of andere herkomst gebruikte. 
Eerst in 141 7 werd het gebruik van andere dan Engelsche wol 
verboden, de Schotsche reeds in 14 13, in verband met den uit- 
voer naar de Hanzesteden, waar deze toen verboden was als grond- 
stof voor het laken. 

Het kwam er dus voor Leiden in dien tijd ten zeerste op aan 
om te zorgen, dat de toevoer van Engelsche wol geregeld plaats had. 
Dit nu was niet altijd het geval. Afgezien van omstandigheden als 
het beleg van 1420, waardoor alle toevoer naar de stad belet werd 
en diepe ellende daarbinnen het onmiddellijk gevolg was 3), of als 
de opstand van 1393. toen hertog Albrecht eveneens de naar Leiden 
onderweg zijnde vellen had opgehouden '*), hadden staatkundige 
verwikkelingen tusschen Engeland en den landsheer een buitengewone 
beteekenis voor de stad. Als Humphrey van Glocester in 1422 en 
volgende jaren verschillen heeft met hertog Jan van Beieren en Philips 
van Bourgondië 5), die de landsheerlijke functiën waarnamen, is 
Leiden in last en heeft het de grootste moeite om zijn grondstof 
machtig te worden, daar de beide partijen uit- en invoer belemmeren. 

Het was een uitzondering, dat de handelaar in wol en laken, 
tevens werkgever, de drapenier — wiens Fransche naam aan 
Fransch-Vlaamsche immigratie van industriëelen of in ieder geval 
aan Fransch-Vlaamschen invloed op de ontwikkeling der Holland- 
sche lakenindustrie wijst — alleen en voor eigen rekening op reis 
ging ^). Men sloot zich in den regel aaneen tot een vennootschap, 
handelend voor gezamenlijke rekening van ieder der „ghesellen" 
of „fenten'", zoowel van hen, die alleen hun geld medegaven, als 
van de „uytreysers" zelf, die te Calais de inkoopen deden. Bij 
hun vertrek uit Leiden deden de „uytreysers" aan hen, die met 
het toezicht op de draperie belast waren, de „wardeins", bezegelde 
opgave op een lijst, „deeling", van de namen der vennooten 
en van het medegenomen kapitaal ; naarmate van het bedrag van 
dat kapitaal was het aantal der reizigers voorgeschreven : twee 



1) Kb. Appendix, Bk. VII, n°. 62. 

2) Posthumus, blz. 91 ; Kb. 1406, VII, n". 7 vlg. 

3) Zie boven, blz. loi. 

4) Zie boven, blz. 95 en 129. 

5) Vgl. mijne Geschiedenis, II. blz. 126 vlg. 

6) Posthumus, 1.1. blz. 224. 



i89 

voor het medenemen van 800, 4 voor 1600 nobel. De „uytrey- 
ser" mocht daarin niet minder dan 50 nobel eigen geld hebben, 
wellicht opdat hij voldoende belang zou hebben bij den inkoop i). 
De heenreis ging gewoonlijk langs de Vliet over Rotterdam, 
Dordrecht, de Zeeuwsche stroomen en door Vlaanderen naar de 
stapelstad, waar de wol werd ingekocht; liefst tegen klinkende 
munt, maar als het moest en onder beperkende voorwaarden ook 
op krediet, waarbij dan ieders aandeel werd vastgesteld. De in- 
gekochte wol, hetzij nog aan de vellen („vachtwoUe"), hetzij los in 
zakken („sacwolle"), werd meestal op gehuurde Zeeuwsche schepen ter 
zee naar een Zeeuwsche haven vervoerd en van daar over Dordrecht, 
den IJsel, de Gouwe en den Rijn binnen Leiden afgeleverd; ook 
werd de kortere weg over Rotterdam en Delft en van daarlangs 
de Vliet genomen, namelijk als men kleinere schepen gebruikte, 
die over den Leidschen Dam konden 2). De invoer mocht niet in 
het donker, alleen tusschen morgen- en avondklok plaats hebben 
en de wol moest dadelijk ten Wanthuize worden afgeleverd, alles 
opdat de noodige controle kon worden uitgeoefend 3). 

De „deeling", die bij het vertrek der „uytreysers" aan de war- 
deins overgegeven was, wees nu uit, hoeveel ieder der vennooten 
van de gekochte wol kreeg ; de reizigers hadden aan de vennooten 
van hun „gheselscip" „rekeninghe ende bewisinghe" te doen van 
wat zij met het medegegeven geld verricht hadden, in ieder geval 
voordat zij weder een reis naar Calais zouden gaan ondernemen. 
De ingekochte wol mocht niet buiten de stad aan vreemden ver- 
kocht worden, maar wel daarbinnen; in 1406 werd echter voorde 
beste Engelsche wol, de „puucwolle", de verkoop aan vreemdelingen 
geheel verboden 4), 

De ten Wanthuize gebrachte vellen werden dan gesorteerd door 
de „vellenschieters" en iedere vennoot nam zijn deel mede naar huis. 
Vooreerst moest zijn wol dan aan de vacht gewasschen worden, wat 
eerst wel in de naaste gracht, maar al spoedig in „der stede vest", 
liefst zoo ver mogelijk van het bewoonde gedeelte, geschiedde en 
niet zonder aanzienlijk verlies aan wol, die men per schuit mocht 
opvisschen. Na het drogen werd ten huize van den drapenier de wol 
door de „plootsters" of „ofsteecsters" — vrouwen worden bij deze 



i) Posthumus, blz. 227. 

2) Ib. blz. 217. 

3) Ib. blz. 43. 

4) Ib. blz. 233/4. 



190 

nijverheid veel gebruikt voor ondergeschikte werkzaamheden — 
van de vacht verwijderd, „geploot" of „afghestoken", oorspronkelijk 
wel met minder zorg uit de vacht losgeplukt, zooals elders later nog 
wel geschiedde ^) ; de „wolverscietsters" sorteerden vervolgens de 
te verwerken wol. Dan 2) ging men over tot het verven, een zeer 
belangrijke bezigheid, daar de kleur veel tot de verkoopwaarde 
afdeed. Men verkoos het verven van de losse wol boven die van het 
geweven laken, omdat in het eerste geval alle wolharen goed ge- 
verfd konden worden ; de beste soorten werden nog eens aan het 
laken geverfd. De kleuren waren in hoofdzaak rood en blauw. 
De „roedzieders", die licht- en donkerrood en verdere nuances 
van rood tot geel toe verfden, gebruikten daarvoor meekrap in 
de eerste plaats; de „blauwzieders" werkten voor hun licht- en 
donkerblauw tot groen en geel toe in hoofdzaak met de weede. In de 
kuip werd de wol een paar uur lang in het heete mengsel „gesoden" 
en met een stok geroerd, daarna „gescouwt", d, i. schoongemaakt 
en gespoeld en eindelijk wederom gedroogd. 

Uit de werkplaats van den verver gaat de wol over in de wo- 
ning van de kamster, die de wol uit elkander moet halen, eerst 
voorloopig met de hand, vervolgens, na het „smouten" (insmeren 
met olie en vet om de wolharen lenig te houden), met de wolkam, 
waarbij de korte wolharen als afval verwijderd werden; het kammen 
met de ruwe „wolkaerde", een scherp ijzeren instrument, was 
streng verboden 3). Vervolgens gaat de wol naar de woning van de 
spinster, die ze tot draden ineendraait, oorspronkelijk met de hand- 
spil en het overoude spinrokken, omstreeks 1400 al met het spinne- 
wiel. Men onderscheidde daarbij „warp", den kettingdraad, en „yef", 
den inslagdraad, welke eerste meer bij het weven te lijden heeft 
en dus zorgvuldiger en stijver moet worden ineengedraaid. Met den 
haspel windt de spinster het wolgaren dan in strengen op en 
brengt het daarna weder bij den drapenier terug. 

Dan begint de wever zijn werk aan het weefgetouw, een arbeid, 
waarvan natuurlijk buitengewoon veel afhangt ; hij moet zorgen regel- 
matig sterk te weven en zijn reeds nauw luisterend werktuig goed 
te bedienen. Hij heeft zijn getouw in huis en werkt daaraan met 
de knapen, die hij heeft, daar voor ieder getouw steeds twee 
personen noodig zijn 4). Zorgvuldig was bepaald, hoe dit weven moest 



i) Posthumus, blz. 50, 286. 

2) Ib. blz. 51 v!g. 

3) Kb. III, n". 174; Kb. 1406, Bk. VII, n°. 15, 16, 

4) Posthumus, blz. 301. 



191 

plaats hebben, hoeveel draden er in schering en inslag moesten zijn, enz. 

Is het laken nu uit warp en ief geweven, dan wordt het, van 
een „nopteiken" des eigenaars voorzien, dat in de lijst geweven 
wordt, met fijne scherpe ijzers of messen door jonge vrouwen, 
nopsters en wiedsters, thuis gelijk gemaakt („genopt" en „gewied") 
om er de oneffenheden uit weg te nemen. Vervolgens wordt het ter 
eerste „paertsinghe" naar het Wanthuis gebracht, waar de „meesters 
van der paertsen" het weefsel nauwkeurig bezien, de lengte meten 
en, als alles in orde is, toestemming geven om het verder te bewerken. 
Het wordt dan aan den voller gebracht, die het eerst nogmaals reinigt 
(„brieert") en het daarna kneedt door het in zijn met warm water, 
volaarde, urine en boter voorziene „comme" eenige uren achtereen 
met de bloote voeten in te trappen, soms door het op den grond 
zoo te bewerken; daardoor gaan schering en inslag zoo goed als 
onzichtbaar worden en krijgt het dikker geworden laken een vilt- 
achtig uiterlijk, terwijl het in breedte verliest. Hij zuivert en 
wascht nu het laken opnieuw en droogt het. Hij moet het dan 
nogmaals zorgvuldig laten meten op de „paertse" ten Wanthuize 
en gaat het dan „upmaecken". Hij kaardt het daartoe met den kaarde- 
distel, die met zijn kleine weerhaken de wolharen uit het viltige 
laken ophaalt, aan den tot voorzijde bestemden kant meer dan 
aan den „averechtschen" kant. 

Na deze bewerking is het laken gereed om op de juiste lengte 
en breedte gerekt te worden op de „ramen" — lange rijen („streec- 
ken") houten palen, door een dwarslat verbonden en met kleine 
haken bezet om het laken te kunnen spannen — op de stadsvesten, 
daar nog eens te worden schoongemaakt, gladgestreken en in de zon 
p-edroogfd. waarna de wardeins er komen om het nauwkeurig te 
onderzoeken en, zoo het deugdelijk bevonden is, van een zegel in 
den vorm van een aan het laken bevestigd lood te voorzien. Dit 
zegel, dat bevestigen moet, hoe van stadswege toezicht was ge- 
houden op de bewerking, was vóór 1420 het burggrafelijke zegel 
geweest ; na de feitelijke vernietiging van het burggraafschap zegelde 
men met dat van den landsheer en dat der stad ^), die toen zelf- 
standiger kon optreden. De afgekeurde lakens gaan naar den verver 
of den voller terug, met aanwijzing, door middel van een bepaalde 
formule, van wat eraan ontbreekt ^), of krijgen het lood in het 
geheel niet en worden als ondeugdelijk in stukken gescheurd. 

i) De sleutels: zie boven, blz. 103, 144; Van Mieris, IV, blz. 553. 
2) Veru bet = verf beter; meedt bet = meet beter; om qualiken gemaect, enz. Vgl. 
Posthumus, blz. 154. 



192 

De „uytreeder" vouwt het laken nu in de gewone „vouden" en 
legt het in de ,,sluytpers", terwijl eindelijk de persglans, door be- 
handeling met verwarming en begieting, in een vasteren glans 
veranderd wordt. 

De drapenier, die te midden van al deze bewerkingen zijn door 
het vaste van linnen draden gemaakt nopteeken, dat de wever 
in het stuk laken weefde, bevestigd eigendom in het oog had ge- 
houden, dat natuurlijk anders bij het voortdurend heen en weder 
gaan van het eene arbeidershuis naar het andere, naar de ,,paertse", 
naar de ramen ernstig gevaar liep, krijgt het nu als afgewerkt 
laken terug ten verkoop. Eerst de kooper — meestal wel hij, die het 
laken bij de el weder verkocht, de „wantsnyder" zooals men zeide, of 
anders de ,, marsman", die met de mars op den rug zijn waar ventte — 
laat het laken scheren door den ,,sceriaer," den droogscheerder, die 
de wolharen met zijn kaarde eerst op zijn scheertafel tegen den 
draad in opborstelt en ze vervolgens op gelijke hoogte afscheert, 
de beste soorten ook nog aan de achterzijde. 

Het geheele getal der zoo in 1400 te Leiden vervaardigde lakens 
mag op 9660 gesteld worden; dat der bij het bedrijf betrokken 
ondernemers en arbeiders op niet ver beneden de 1000 ^). 

Blijkt uit een en ander reeds, dat de verschillende bewerkingen 
door van stadswege aangestelde personen aan een nauwkeurig 
toezicht werden onderworpen, de keuren toonen aan, dat in dit 
opzicht al zeer weinig aan den arbeider werd overgelaten. Want de 
stedelijke regeering was reeds bij de oudste bekende regeling, die 
van 13Ó3, zeer overtuigd, dat de lakennijverheid te Leiden in het 
algemeen belang door keuren geregeld moest worden ^), „want 
hem vele van der ghemeenten dairmede ghenerende sijn" ; de 
„ghemeine oirbair" had er immers belang bij, dat „die stede in 
neringhe bleve", en „'t versoec van den coepluden" op dezelfde 
hoogte bleef, ook door het „biwilen veranderen ende verniewen na 
den loep van der neringhe". 

Met name de in 141 5 opgestelde bepalingen regelden de 
zaak in haar vollen omvang 3). De keuze der „wairdeyns" werd 
toen met de grootste zorg geregeld. Het gerecht vergaderde 
plechtig ieder jaar op Goeden Vrijdag om hen na het af- 
leggen van een heiligen eed „metter hant op een crucifix" te 



1) Posthumus, blz. 370. 

2) Van Mieris, Handv., blz. 363. Vgl. Kb. n'. 3, n°. 128 ; Kb. 1406, Bk. VII, Inleiding. 

3) Posthumus, blz. 87 vlg. ; Kb. Appendix, Bk. VII. 



193 

kiezen „by sijnre sielen ende oprechte conscienci", ten voordeel 
der stad en der draperie zelve. De schout mocht aan die keuze 
niet medewerken, maar er wel bij zijn en den anderen leden van 
het gerecht den eed afnemen. De wardeins mochten aanvankelijk 
wel drapenieren, maar met wol van minder soort. Zij moesten 
iedere 14 dagen alle breuken aanbrengen bij den schout, die zelf 
door de poortmeesters kon worden aangeklaagd, als hij de keuren 
niet behoorlijk handhaafde. De wardeins zelf moesten aan het 
gerecht vervolgens een voordracht doen voor de keuze van twee 
of drie „goede knapen", bestemd om ter wille van het toezicht 
„te gaen toten touwen", de „printers", 

In de eerste plaats werd op de techniek van den arbeid streng 
toegezien : de verver, de wever, de voller, de scheerder hadden 
zich te houden aan een aantal bepalingen, die door de wardeins 
streng werden gehandhaafd, om te zorgen, dat de kleur helder, het 
weefsel deugdelijk, het laken goed van maat en afwerking was; 
de kamster, de nopster, de spinster stonden evenzeer onder scherp 
toezicht op haren arbeid. Ook de invoer van de wol werd 
onder controle gehouden. Bij de bewerking werd vooral gelet 
op de „voorwolle", een tweede maar nog zeer goede qualiteit, 
welker prijs binnen het bereik der meeste afnemers viel. Op de 
eerste qualiteit, de kostbare „puuc", en de mindere qualiteiten, de 
„anderde", „derde" tot „vijfde wolle" toe, viel minder de aandacht, 
al werd er voor gezorgd, dat de laatsten niet al te veel door 
grofheid van haar verschilden van de puik- en de voorwol, waaruit 
men „lakens van sorten" maakte. Met name werd de hand ge- 
houden aan de vaste maat, oorspronkelijk 40 el lengte voor 
geheele, 20 el voor halve lakens, later resp. i en V2 el meer, van 
die hoedanigheid, terwijl de breedte op 3 el gesteld werd ^); met 
„der stede reep" werden zij aan de ramen gemeten en slechts 
weinig speling werd in dezen gelaten, zoodat de voor de Oostzee 
bestemde lakens niet korter dan 19 el mochten zijn ^). Later 
maakte men alleen „halve" lakens 3). 

Het toezicht onder het gerecht hadden dus de vier beëedigde 
wardeins, die na 1424 niet meer mochten drapenieren en overigens 
door het gerecht voor een jaar werden gekozen. Zij konden bij hun 
onderzoek der lakens aan de ramen ongestoord te werk gaan, daar op 



1) Kb. n". 3. n". 147. 

2) ib. n°. 148. 

3) ib. n°. 147, § 15. 

13 



194 

het luiden van hunne schel niemand zich in de buurt van de ramen 
mocht bevinden; zij letten op het behoorlijk kammen door de 
kamsters, enz., in het algemeen op het nakomen der keuren. 

Onder hen zorgden de „printers" ervoor, dat de wevers hun 
werk goed deden, als bewijs waarvan zij een teeken in het laken 
„printten" ; de „meesters van de paertse" onderzochten aldaar, of 
het geweven stuk goed van lengte was; dezelfde personen hadden 
ter zelfder plaatse ook het werk van den voller te beoordeelen. 
De gezworenen der ambachten van de ververs, wevers en vollers 
hadden ook te letten op de handhaving der keuren betreffende den 
werktijd enz. en op de nakoming van de verplichtingen tegenover 
het ambacht ; zij moesten waken, dat „alle knapen uut wat lande 
datsi comen of van wat ambacht datsi sijn, sijn si poirters of en 
gheen", aan het werk kwamen en werkten het bij „ordinancie" van 
het gerecht vastgestelde loon ^) ; zij moesten den knaap uit de stad 
voeren, „die een quaet gheruchte navolchde, dat hi van quaden 
fayten waer" ^) ; zij moesten zorgen, dat de arbeidswillige niet 
door stakers werd belemmerd, en die stakers zelf tot hun werk 
terugbrengen 3) ; ieder verversknaap en „joncwijf bij de ververij 
moest door den schout om de drie maanden onder eede gehoord 
worden, of er ook andere dan Engelsche wol gebruikt werd door 
hen, die deze bij de fabricage gebruiken 4). 

Bij een en ander moet in het oog gehouden worden, dat men 
geen fabrieken kende, waar de drapenier de verschillende werk- 
zaamheden deed uitvoeren. Bijna alle arbeid geschiedde thuis, bij 
de kamster en de spinster, bij den meesterwever, den meester- 
verver, den meestervoller, in wiens dienst knapen en leerhngen 
werkzaam waren. 

De wolwevers en knapen vormden een talrijk ambacht 5), welks 
vier gezworenen veel te doen hadden om er de orde onder te 
bewaren, bijna evenveel als dat bij de vollers het geval was. 

De knapen verdienden een door het gerecht bepaald loon ^), 
dat aan de vollers des Zaterdags door den meester moest worden 
uitbetaald ; voor de wevers was er een „Weversplaetse", waar men 
arbeidskrachten huren kon maar waar geen knaap komen mocht. 



1) Kb. n°. 3, n'. 163; Kb. 1406, Bk. VII, n". 29. 

2) ib. n°. 164 en n°. 30. 

3) ib. n°. i65;6 en n°. 31/2. 

4) Kb. 1406, Bk. VII, n°. 9 vlg. 

5) Posthumus, blz. 396 vlg. 

6) Zie boven, blz. 180. 



195 

die werk had, en geen meester, die „gheen knaap te doen hadde" i), 
opdat men geen samenscholing in de hand zou werken. Hetzelfde 
doel had het verbod voor de woelige wevers en vollers om „enich 
gheselscap elc mit anderen" te maken, „als tzamen te draghen 
caproene, rocken of ander cleedinghe, hoe dat ghenoemt mach 
wesen"; alleen de vier gezworenen en vier bloedverwanten mochten 
in het oog vallend gelijke kleeding dragen ^). 

Het ambachtsgild moet dus beschouwd worden niet als een 
instelling, bestemd om den arbeider te beschermen, maar veeleer 
als ingericht om den arbeider en zijn werk onder scherpe controle 
te houden, opdat hij de orde in de stad niet verstore en geen 
gevaar voor de andere inwoners oplevere door den aard van zijn 
werkzaamheid. Te Leiden werd vooral voor alles wat met de 
draperie samenhing reeds omstreeks 1400 met de uiterste zorg 
gewaakt, opdat de voor de gansche stad zoo belangrijke laken- 
nering, waarmede het grootste deel der burgerij haar levensonder- 
houd won, zou blijven bloeien gelijk zij in het laatst der 14de eeuw 
was begonnen te doen. 

Men dient er zich echter voor te wachten het getal der bij de 
nijverheid betrokkenen te hoog te stellen. In een voor dien tijd 
belangrijke stad van 5000 inwoners, welk getal ongeveer 1000 
hoofden van gezinnen mag doen onderstellen, kan het aantal der 
drapeniers omstreeks 1400 moeilijk hooger dan 50 3), dat der 
wevers en vollers, meesters en knechts, moeilijk hooger dan voor 
ieder ambacht een paar honderd worden gesteld 4) voor een tijd, 
waarin de lakennijverheid te Leiden nog verre was van haar 
toppunt van ontwikkeling s). Het aantal der overige handwerks- 
lieden van allerlei soort moet dan eveneens op niet hooger dan 
eenige honderden ^) worden gesteld, waarbij in het oog te houden 
is, dat bij de lakennijverheid ook een aantal vrouwen voor de 
lagere werkzaamheden gebruikt werden. 

Het land- en markstadje, middelpunt van Rijnland, dat wij 
omstreeks 1300 leerden kennen, was met dat al eene eeuw later 



i) Kb. n°. 3. n°. 128, § 12; Kb. 1406, Bk. VII, n". 23. 

2) Kb. 1406, Bk. VII, n°. 44. 

3) Vgl. voor het einde der 15de en de i6de eeuw: Posthumus, blz. 278. 

4) ib. blz. 306, 313. 

5) Vgl. over de verhoudingen der jaarlijksche lakenproductie : ib. blz. 370. 

6) Vgl. de opgave over 1498, die 340 ambachtslieden buiten de lakennijverheid telt 
voor eene meer dan eene verdubbelde bevolking (Posthumus, 1.1. blz. 398). 



196 

eene stad van naar middeleeuwsche verhoudingen aanzienlijke 
nijverheid geworden, die inzag, dat op dit gebied hare toekomst 
lag. Hare regeering legde er zich dan ook in de eerste plaats op 
toe om te zorgen, dat die nijverheid zich krachtig kon ontwik- 
kelen en dat de Leidsche drapeniers de Leidsche lakens, wat hoe- 
danigheid en hoeveelheid betreft, met goed gevolg op de markt 
konden werpen. Die markt moest in de eerste plaats toenmaals 
gezocht worden in de Oostzeelanden, het gebied van de omstreeks 
1400 op het toppunt van haren bloei staande Hanze, het machtige 
verbond der Noord- en Oostzeesteden, dat van Londen en Brugge 
in het Westen tot Novgorod in het Oosten, van Bergen in Noor- 
wegen tot ver in Frankrijk, Zuid-Duitschland, Polen en Rusland 
haar handelsgebied uitstrekte. 



HOOFDSTUK IX. 

Marktverkeer en handel. 

Van oudsher was Leiden het middelpunt eener bloeiende land- 
bouwstreek geweest, door zijne ligging aan een kruispunt van 
wateren als daarvoor aangewezen en zeker in verband met die 
1'faging als zoodanig meer en meer tot ontwikkeling gekomen. 

Reeds het toevoegsel op het oude stadsprivilege van 1266 ^) 
spreekt van de markten („nundinae"), die hier gehouden werden, 
en van de wanorde bij vechtpartijen, die er moest worden voor- 
komen, van schending van den marktvrede. Deze markten moeten 
wel gewone weekmarkten geweest zijn, anders dan de van ouds 
op Hemelvaartsdag gehouden „kerkmis" van St. Pieter, de plaat- 
selijke jaarmarkt ^), welker oorsprong men niet nader kan aanwijzen 
en die acht dagen lang placht gevierd te worden. Die jaarmarkt 
kan evenwel lang niet zoo belangrijk geweest zijn als de toen 
reeds aanzienlijke ontwikkeling der naburige Valkenburger en 
Voorschoter jaarmarkten, die — de eerste omstreeks St. Lambert 
(17 Sept.), de laatste omstreeks St. Jacob (25 Juli) — vooral 
als paardenmarkten binnen- en buitenslands reeds in de 13de eeuw 
grooten roep hadden; zij golden reeds in 1296 3) als gelegenheden, 
waarbij vaste betalingen plaats konden hebben, en werden al in 
het begin der 14de eeuw beschouwd als plaatsen, waar men be- 
langrijke inkoopen kon bewerkstelligen 4). 

Evenmin is het belang zoo groot geweest van de tweede jaar- 
markt, die Leiden in 1 303 verkreeg van den eersten graaf uit het 



i) üorkdb. III, n°. 152. Zie boven, blz. 30. 

2) Van Mieris, Beschrijving, II, blz. 522. 

3) Oorkdb. I, n°. 425 ; vgl. Grafelijkheidsrek. (1316), uitg. Hamaker, I, blz. 74. 

4) Grafelijkheidsrek, (1316), uitg. Hamaker, I, blz. 64. 



198 

Henegouwsche Huis, Jan II, die toestond ^), dat op den avond 
vóór St. Margriet, dus op I2 Juli, het „kruis", het teeken van 
de marktvrijheid voor allen, die de markt bezochten, mocht wor- 
den opgericht, ten gevolge waarvan bijzondere voor het markt- 
verkeer ingestelde rechtsregels in werking traden voor den tijd 
der markt. 

Ook deze markt, evenals de eigenlijke kerkmis, die evenwel 
niet zoo uitgebreide jaarmarktsrechten bezat, heette soms naar dat 
kruis de „Kruismarkt" en duurde acht dagen. Beide jaarmarkten 
bleven echter een plaatselijk karakter behouden en konden met 
de twee groote paardenmarkten in den omtrek nooit in beteekenis 
vergeleken worden ; zij worden in de stukken, die ons uit de 
14^^ eeuw overgebleven zijn, zoo goed als niet genoemd. 

Anders is het met de weekmarkt gesteld, die op Zaterdag ge- 
houden werd, tenzij het heiligendag was, wanneer de markt op 
Vrijdag gesteld werd ^), en die geregeld tal van buitenlieden reeds 
den vorigen dag naar de stad lokte. Zij werd gehouden langs de 
beide oevers van de rivier, die de stad doorstroomde 3). 

Vroeg in den morgen van Zaterdag begonnen de kooplui (zij 
betaalden niets voor hunne plaats) hunne banken, stalletjes en kramen 
daar „te beslaen" 4), elk op de voor zijn artikel aangewezen plaats, 
waarbij in het oog gehouden moest worden, dat men de uitgangen 
van de huizen en den afloop van de bruggen niet belemmeren 
mocht en voor de bezoekers een ruimte moest overhouden om 
tusschen de opstallingen door te loopen; tusschen de Maarsman- 
steeg en den Rooden Toren wees het met groote steenen gepla- 
veide middenstuk der straat aan, hoever de eerste rij kramen van de 
huizen moest blijven en hoever de tweede rij, langs den Rijn, van 
de eerste af moest staan. Ook de uitstallingen van „penwairden" op 
de „vensters", de naar voren openvallende luiken der beneden- 
verdiepingen van de op den Rijn uitziende winkelhuizen mochten 
de voorbijgangers niet al te zeer hinderen : zij mochten niet verder 
uitsteken dan „drie vierendel (% el) van den vensterstilen te 
meten" ; bovendien moesten ook de kramen en stallen onderling 
vijf bij vijf door open ruimten van elkander gescheiden zijn. 
Dezelfde regels golden voor de Kruismarkt, die ook hier gehouden 



i) Van Mieris, Charterboek, II, blz. 32. 

2) Kb. Append., Bk. VI, n°. 44. 

3) Zie boven, blz. 62. 

4) Kb. n'. 3, n^ 158; Kb. 1406, VI, n'. 7. 



199 

werd. In de druk beloopen en bereden Maarsmansteeg mocht 
niemand zijn vensters, luifels of vensterbanken verder dan ^j^ el 
doen uitsteken, evenmin als hij zijn waar verder op de straat 
uit mocht zetten ^). 

Deze steeg bij de Groote Brug 2) gaf het middelpunt van het 
marktverkeer aan. Dit begon aan den Rooden Toren en liep tot 
het hoekhuis bij den afloop van de Groote Brug, met een open 
ruimte voor de Wanthuisbrug en het Wanthuis, opdat het verkeer 
over die bruggen, vooral dat van de lakennijverheid, niet zou worden 
belemmerd; daar stonden de potten en pannen, het koren, de 
boter, kaas en eieren, de kippen en vogels, ijzerwerk, kolen en 
allerlei „comanscap" te kust en te keur, „marsemans" waren en 
andere zaken van stedelijke of landelijke behoefte. Wat men „bi 
wechten" kocht of verkocht, moest op de nabijgelegen Stadswaag 
gewogen worden tegen een vast waaggeld van i, na 1406 van 
2 penning per 25 pd., geheven door hem, die de waag gehuurd 
had voor het loopende jaar 3) ; het gebruik van „onrechter waghe" 
werd streng gestraft 4), evenzeer als dit geschiedde, als men bij 
het tappen van wijn, bier of mede in de „tavernen" een andere 
maat gebruikte dan die „van den lesten brande", den laatsten 
stadsijk S). 

Dan volgde de vischmarkt 6) bij de Groote Brug aan weerszijden 
daarvan. Streng toezicht werd hier gehouden op de hoedanigheid 
van de visch, die „gave ende goet" moest zijn, waartoe de visch- 
koopers en de vischvrouwen onder scherp toezicht hunner „ambachts- 
verwarers" waren gesteld; alle koop en verkoop van visch tus- 
schen Rijnsburg en Ter Wadding en de stad was verboden, opdat 
niet het verbod van verkoop voor de markt door marktbezoekers 
zou overtreden worden. Die visch was zoowel zeevisch als gewone 
zoetwatervisch en vroenvisch, welke laatste gevangen werd in de 
aan het grafelijke vischrecht onderworpen Vroonwateren naar het 
Haarlemer meer toe; ook haring en wel in de eerste plaats de 
zeer gezochte Schonensche haring uit de Oostzee werd hier te koop 
geboden. Voor het vleesch was de Vleeschhal aangewezen 7) gelijk 



1) Kb. n'. 3, n°. 158. 

2) Zie boven, blz. 51. 

3) Kb. n'. 3, n°. 97 ; Kb. 1406, Bk. VI, n'. 9 vlg. 

4) ib. Kb. n°. 3, n°. 95 en Kb. 1406, Bk. VI, n°. 11. 

5) Kb. n'. 3, n\ 175 en Kb. 1406, Bk. VI, n°, 12/3. 

6) Kb. n^ 3, n°. 35; 1406, Bk. VI, n°. 14 vlg. 

7) Zie boven blz. 52. Vgl. Kb. Append. Bk. VI, n°. 17 vlg. 



200 

voor de lakens het Wanthuis; alleen in den herfst mocht rund- 
vleesch en in October en November ook schapenvleesch bij 
„votijnghe" of vierendeelen „ghebruuct", d. i. in het klein ver- 
kocht worden, het laatste op de Breestraat. De turfmarkt werd 
gehouden noordwaarts van de Donkersteeg, waar alleen de turf- 
schuiten mochten liggen ^) ; de houtmarkt en borstelmarkt nog 
verder noordwaarts naar de „Uiterste Brugghe" toe ^j. 

Behalve de voordeelen, die dit marktverkeer voor hare be- 
woners in het algemeen opleverde, had Leiden nog belangrijke 
baten daaruit, sedert het van zijn burggraaf het waagrecht, de 
muddepenning, de ellen- en botermaat had verworven 3). Van 
alles wat men boven de zes pond „bi der wecht" kocht of ver- 
kocht, moest waaggeld betaald worden 4), gelijk van alles wat ter 
verzekering van goede maat van stadswege met de officiëele el 
of met de officiëele maat werd gemeten s), terwijl streng toezicht 
werd gehouden op het gebruik van „onrechter mate" of „onrech- 
ter wechte", waartoe men maten en gewichten met den stadsijk 
ijkte na nauwkeurige vergelijking met de ten stadhuize bewaarde 
standaardmaten en standaardgewichten. Zoowel het waagrecht als de 
maatrechten werden jaar voor jaar „verhuert", d. i. aan den meest- 
biedende verpacht en brachten blijkens de rekeningen niet onaan- 
zienlijke sommen op. Op de Kruismarkt in Mei werd niet aan de 
stad, maar aan den burggraaf, blijkbaar dus van oudsher, voor 
iedere kraam, die men opzette, een groot betaald ^). 

Bij dit marktverkeer zal ook de binnenlandsche handel, die voor 
Leiden zijn weg nam langs de Mare, de aloude verbinding met 
Kennemerland, langs de Leidsche vaart of Vliet, die zuidwaarts 
liep, en langs den Rijn zelven, niet zonder beteekenis geweest 
zijn. Reeds in 1285 7) hooren wij van den door den burggraaf 
„ende synen tolnare" te Leiden geheven tol, waarvan die van 
het in de 13^^ en I4«ie eeuw een levendig verkeerdrijvende Akersloot 
grootendeels vrijgesteld waren, „alse weder thuiswaert keren van 



1) Kb. n°. 3, n°. 94; 1406, Bk. VI, n=. 7. 

2) Kb. 1406, Bk. VI, n°. 7. 

3) Zie boven, blz. 90. 

4) Kb. n°. 3, n°. 97; Kb. 1406, Bk. VI. n°. 9. 

5) Kb. n=. 3, n°. 97; Kb. 1406, Bk. VI, n°. 10. 

6) Van Mieris, Beschrijving, II, blz. 395. 

7) Oorkdb. II, n°. 567. 



20I 

erghens." In 1355 werd Delft ^), in 1360 Amsterdam 2) daarvan 
bij overeenkomst, de laatste stad tegen betaling vrijgesteld. 

Ofschoon zeer veel van wat te Leiden vertold werd voorbij de 
stad gegaan zal zijn, kan toch ook op deze wijze het handels- 
verkeer der stad wel eenige beteekenis gehad hebben. Dat de 
inwoners van Leiden werkelijk ook met kleine vaartuigen zekeren 
binnenhandel gedreven hebben, ligt voor de hand. De tolvrijheid, die 
zij bij het privilege van 1 266 hadden verkregen 3) en door Willem III 
en Margaretha uitdrukkelijk bevestigd zagen ; de vrijheid van 
markttol, die zij in 1408 van Willem VI te Woudrichem, Heusden 
en Giessen ontvingen ter belooning voor de hem toegestane 
geldleening 4), zal wel niet geheel zonder beteekenis geweest zijn 
en de algeheele vrijstelling der Leidenaars van alle tol, staangeld 
en ander „ongeld", waarmede zij in 141 3 klaagden 5) „dagelijcx 
zeer belast" te worden door 's heeren dienaren, getuigt van zulk 
een binnenlandsch verkeer. 

Maar voortdurend werd in dit opzicht in Holland de handel der 
steden bemoeilijkt, ook door de tallooze tolheffingen der edelen, 
die bezitrechten uitoefenden op de land- en waterwegen, die men 
moest gebruiken. 

Een der belangrijkste, zoo niet de belangrijkste tol voor het 
handelsverkeer van Leiden was ongetwijfeld de tol te Alfen aan 
den mond van de Gouwe, waarlangs de handelsweg van Amsterdam 
naar de Maas ging. Hoe belangrijk het verkeer daar was, blijkt 
uit eene lijst van tolplichtige goederen uit 1339 ^). De tol was 
door de grafelijkheid in leen gegeven aan den burggraaf van 
Leiden; na den dood van den laatsten burggraaf uit den huize 
Kuik 7) was hij weder aan de grafelijkheid vervallen, maar werd 
vervolgens weder aan de Wassenaers in leen gegeven. 

Het stapelrecht, waarop Dordrecht voor zich aanspraak maakte s), 
moest ook voor Leiden ernstig bezwaar opleveren, want ook deze 
stad kon niet goedkeuren, dat Dordrecht zou worden „de Hol- 
landsche koopstad bij uitnemendheid, waar alles wat in de om- 



i) Van Mieris, Charterboek II, blz. 858. 

2) ib. III, blz. 119 tot 121. 

3) Zie boven, blz. 26. 

4) Van Mieris, Charterboek IV, blz. 114. 

5) ib. blz. 256. 

6) Zie Bijlage, uit Register Thollen (Rijksarchief), fol. 11/2. 

7) Zie boven, blz. 86. 

8) Vgl. Van Rijswijk, Geschiedenis van het Dordtsche stapelrecht ('s Grav. igoo). 



202 

liggende Nederlanden groothandel dreef, moest samenkomen" ^). 
Dordrecht, reeds in de I3<i« eeuw handelsstad van beteekenis, 
streefde voortdurend naar dit hooge doel, waarheen het in 1299 
door graaf Jan I verleende groote stapelprivilege, later en vooral 
in 1350 en 1355 nog aanzienlijk uitgebreid, den weg baande. Het 
kwam daardoor weldra in conflict met de andere Hollandsche 
steden, die zich reeds in 1325 met kracht tegen Dordt's aanspraken 
verzetten op grond harer eigene tolvrijheden ; de graaf gaf den 
tegenstanders gelijk en dwong de stad met geweld tot toegeven, 
zelfs door tijdelijke verbeurdverklaring van het stapelprivilege =). 
In den loop der 14^^^ eeuw ontstonden er telkens nieuwe moeilijk- 
heden, vooral toen Dordt tengevolge van twisten tusschen de 
Hanze en Brugge van 1358 tot 1360 en van 1389 tot 1392 inde 
plaats der laatste stad zetel van het groote West- en Noord- 
Europeesche handelsverkeer werd 3) en zoo een wereldstad scheen 
te kunnen worden. Het Dordtsche stapelrecht moest zelfs nu en dan 
feitelijk erkend worden, zooals geschiedde door Leiden in 1384 
voor den tijd van zes jaren, terwijl de Leidsche „scepemans" zich 
verbonden om niet te lossen en te laden, noch te markten, te 
stapelen of te „coopslagen" (handel te drijven) te Gorkum of in 
het land van Arkel 4). Maar in 1391 zien wij de gezamenlijke Hol- 
landsche steden zich weder tegen Dordt's beweerde rechten ver- 
zetten s), met steun van den landsheer, hertog Albrecht, die ze 
twee jaren later bepaald vernietigde, al stoorde de machtige stad 
zich daaraan weinig en ging zij voort met uitoefenen van haar 
rechten. Nog telkens hoort men in de 15^^ eeuw van afwisselende 
handhaving en loslating dezer aanspraken, die ook Leiden verre 
van onverschillig waren met betrekking tot de goederen, die den 
Rijn op en af werden gevoerd, met name wijn en hout afwaarts, 
zuivel en laken opwaarts. 

Zeer aanzienlijk kan echter het aandeel van Leiden in dezen 
Rijn- en Maashandel niet geweest zijn ; in hoofdzaak zal het zich 
bepaald hebben, wat den invoer van wijn en hout aangaat, tot de 
behoeften van het marktverkeer en overigens tot den uitvoer van 
de produkten van Rijnland en van het eigen fabrikaat. Maar de 
gegevens ontbreken ons om dit nader aan te wijzen ; alleen zien 



i) Vgl. Van Rijswijk, blz. 27. 

2) ib. blz. 33. 

3) ib. blz. 40 vlg. 

4) Van de Wall, Privil. van Dordrecht, blz. 329, 330. 

5) ib. blz. 347. 



203 

wij duidelijk, dat Leiden blijkbaar toch wel eenig belang heeft 
bij dien handel, dien men gereedelijk binnen- en buitenlandschen 
groothandel zou kunnen noemen. 

Behalve dezen handel, grootendeels steunende op het markt- 
verkeer, dat blijkens het aantal der dienaangaande gemaakte keuren 
omstreeks 1400 een wezenlijk belangrijken omvang had verkre- 
gen, had de Leidsche burgerij ook een niet onaanzienlijk aandeel 
in den toen juist krachtig zich ontwikkelenden buitenlandschen 
handel van Holland. 

In de eerste plaats moet hierbij weder gewezen worden op den 
wolhandel ten behoeve der lakenindustrie, welke handel ^) niet alleen 
gedreven werd op de bevoorrechte Engelsche stapelplaats Calais 
en op Engeland zelf, maar ook op de Brabantsche, Vlaamsche en 
Zeeuwsche middelpunten van verkeer met Engeland : Bergen op 
Zoom, Middelburg, dat van 1384 tot 1388 den wolstapel had, 
Antwerpen, Brugge, Gent. Soms zullen daar ook de vrije Engel- 
sche kooplieden, de Merchant-Adventurers, die sedert het midden 
der 14^^ eeuw en vooral sedert de 15 de in de Nederlanden ver- 
schenen 2), den Leidenaars wol verkocht hebben. 

Maar men houde wel in het oog, dat aanvankelijk van gewonen 
groothandel, van eigenlijke wolhandelaars te Leiden geen sprake 
was. Ofschoon die handel de grenzen van het marktverkeer verre 
te buiten ging, werd hier alleen gekocht met het oog op de 
verwerking door de Leidsche nijverheid zelve. Deze mocht zelfs 
hare grondstof op geen andere wijze inkoopen dan van hen, „die 
selve die veile ende die wolle over die zee ghebracht hebben" of 
van de deelgenooten, de „medereeders" dezer inkoopers 3). 

De hoofdzaak was hier de sedert het einde der 14^^ eeuw ge- 
dreven wolhandel op Calais, die in 1421 en 1428 door afzonderlijke 
traktaten tusschen Leiden en het bestuur van den Engelschen 
stapel nader geregeld werd 4). 

Het eerste traktaat had betrekking op ontstane moeilijkheden 
over de betaling van aan den stapel verschuldigde sommen, om 
welke reden een tijd lang de stapel voor de Leidsche kooplieden 
gesloten was, zoodat geen poorter „enich goet of comanscip" zelfs 
tegen gereed geld kon krijgen. De strijd eindigde toen met de 



i) Zie boven, blz. 187 vlg. 

2) Vgl. Te Lintum, De Merchant-Adventurers ('s Grav. 1905), blz. 8. 

3) Posthumus, blz. 231/2. 

4) Stedeboek, fol. 328 en 331 ; Posthumus, blz. 184 vlg. 



204 

verklaring, dat Leiden voortaan geen keuren zou maken, strijdig 
met het belang van den stapel en dat de door de Leidsche dra- 
peniers afgegeven schuldbekentenissen voor de Leidsche rechtbank 
gelijk gesteld zouden worden met schepenbrieven, die als volledig 
en onmiddellijk werkend bewijs golden. 

Maar de vrede was nog niet voorgoed hersteld. Nieuwe ver- 
schillen ontstonden over de al te zeer beschermende keuren te 
Leiden, voor de eigen industrie opgesteld, over de beteekenis der 
schuldbekentenissen, welker geldigheid slechts voor een jaar gold 
evenals dat met de schepenbrieven het geval was, over het beslag 
door Leidsche poorters gelegd op persoon en goed van Engelsche 
kooplieden. Opnieuw werd de stapel voor Leiden gesloten en 
daardoor de van den aanvoer van Engelsche wol geheel afhan- 
kelijke Leidsche nijverheid ernstig geschaad. Leiden zag zich na 
lange onderhandeling zijner „oratoers", die daartoe onder leiding 
van een burgemeester naar Calais waren vertrokken — een formeel 
gezantschap — opnieuw genoodzaakt toe te geven en deed dat bij 
het uitvoerige traktaat van 27 Juli 1428, Voortaan mochten 
Leidsche kooplieden ook in Brabant, Vlaanderen, Zeeland of waar 
ook de te Calais gekochte wol verkoopen en behoefden deze niet 
bepaald naar Leiden te brengen zooals gebeurd was; de tijd van 
geldigheid der schuldbrieven zou onbeperkt zijn, alleen mocht hij 
niet „onredelic langh" worden, tenzij de brief door een stapelzegel 
bevestigd was als daar gegeven; de kooplieden van Calais moch- 
ten voortaan ook vreemdelingen te Leiden voor schuld gijzelen, 
wat anders aan vreemdelingen niet veroorloofd werd; de „lettres 
de marque" (kaperbrieven), waarmede men lijf en goed der En- 
gelsche kooplieden kon aantasten, werden ten opzichte van dezen 
afgeschaft en zij zoowel als hunne vertegenwoordigers zouden 
voortaan de bijzondere bescherming der Leidsche regeering ge- 
nieten. 

Zoo regelden reeds in dezen tijd handelstraktaten de betrekkingen 
der Leidsche lakenhandelaars op Calais, de plaats van waar zij in 
het belang van het fabrikaat wel genoodzaakt waren hunne grond- 
stof te halen, daar geen wol met de Engelsche kon worden gelijk- 
gesteld . 

Hoe ver was men met de wederzijdsche onderteekening van 
dergelijke traktaten van den ouden tijd, toen het strandrecht 
onbeperkt had gegolden, toen de koopman alleen onder bescherming 
van een bijzonder koningsrecht zijn moeitevollen weg langs slecht 
gebaande wegen en onveilige wateren had moeten zoeken, toen 



205 

roovers van adellijke en lagere afkomst te land, Schotsche, Noorsche, 
Engelsche, Deensche, Friesche zeeroovers ter zee zijn eigendom had- 
den belaagd ! Nog omstreeks 1400 was echter de zeeroof op de Noord- 
zee niet uitgeroeid en schoten de Victaliebroeders uit de Oost- 
friesche kreeken en de Deensche en Noorsche inhammen te voor- 
schijn om zich van het koopmansgoed meester te maken. Daaraan 
hadden de Hanzeaten weldra een einde gemaakt, maar alle ge- 
varen was men nog niet te boven en de veiligheid liet nog veel 
te wenschen over. 

Van andere artikelen van invoer vinden wij omstreeks 1400 
het Hamburger bier genoemd, dat blijkbaar ook in groote hoeveel- 
heden door de hier te lande veel verkeerende Hamburger koop- 
lieden ï), soms ook door Leidsche, ingevoerd werd; daarnaast 
werd ook uit Delft en andere Hollandsche steden bier binnen 
Leiden gebruikt. De bieraccijns, reeds in het midden der eeuw 
ook van het in de stad zelve gebrouwen bier geheven ^), was van 
groote beteekenis, zoodat wij den bierhandel niet al te gering 
moeten aanslaan. De prijs van de pint bier, volle maat, was vast- 
gesteld op het maximum van 7 penningen voor kuit, 10 voor 
hopbier, 12 voor Hamburger bier 3). Ook de Rijnsche en andere 
wijnen moeten als belangrijke handelsartikelen genoemd worden, 
zooals uit de opbrengst der daarvan geheven accijnsen blijkt; 
vermoedelijk was Dordrecht, het middelpunt van den Hollandschen 
wijnhandel, de laatste plaats van herkomst hiervan. De houders 
der wijn- en biertaveernen zullen wel de handelaars daarin geweest 
zijn; Rijnsche wijn mocht niet hooger geprijsd worden dan zes 
„tunen" 4). 

Wat het koren betreft, geen des Zaterdags ter markt gebracht 
koren mocht sekocht worden om weder verkocht te worden : de 
markt diende alleen voor kleinverkoop aan den gebruiker, den 
bakker of den partikulier, die zelf bakte 5). Eene keur van 1410 
spreekt van den korenkooper, die hier tijdelijk in een herberg komt 
om zijn koren te verkoopen en zijne verkoopsvoorwaarden in een 
„coerncedule", met den waard van zijn logies en den gezworen 



i) Daenell, Die Blütezeit der deutschen Hanse, I, S. 267. 

2) Van Mieris, Charterboek, III, blz. 37. 

3) Kb. Append., Bk. VI, n°. 31. 

4) Ib. n=. 7. 

5) Kb. Append., Bk. YI, n". 8. 



206 

korenmeter opgesteld en bevestigd door twee schepenen, die door 
„der stede clerc" daarvan twee in elkander passende „uutsneden" 
stukken moeten laten opstellen. 

Ten opzichte van den handel in eetwaren in het algemeen gold 
de bepaling ^), dat „voircoop" — dat is koop buiten de markt om, 
voordat deze was begonnen — verboden was. De prijs, dien de 
korenkooper des Zaterdags kon maken, moest hij ook de geheele 
week handhaven en hij mocht zelfs den verkoop niet weigeren, 
„also verre als hijt hevet in scepen of in husen binnen Ley- 
den". Wie zijn koorn „mit voirrade", d. i. met opzet uitvoerde 
om het Zaterdags weder aan te voeren op de markt, verbeurde 
zijn waar 2). Dit deed dan ook niet de door den geestelijke, 
die het ons mededeelt, hooggeprezen koornkooper Willem Jans- 
manzoon, die nooit zijn graan aan anderen weigerde te verkoopen, 
nooit boven den marktprijs ging en nooit op den stijgenden prijs 
speculeerde 3). 

Zoo zorgde de stadsregeering vaderlijk voor hare burgers, in het 
bijzonder voor hunne belangen in zake de levensmiddelen, waar- 
buiten zij niet konden. 

Het is duidelijk, dat bij een dergelijke opvatting het begrip 
van handel, van groothandel, zooals wij ons dien voorstellen, niet 
kon gedijen. Er is bij al dezen handel, ook dien in zout, in turf 
en wat verder tot de levensbehoeften van allen behoort, te Leiden 
in dezen tijd dan ook van niets anders sprake dan van beperkt 
en gecontroleerd debiet aan den verbruiker, den inwoner der stad 
of den marktbezoeker. Al kon men zich op die wijze nog wel een 
vrij aanzienlijk vermogen verzamelen, zooals bovengenoemde Willem 
had gedaan, uit wiens nalatenschap aanzienlijke legaten konden 
worden uitgekeerd, van eigenlijken koophandel in het groot is geen 
sprake in het middeleeuwsche Leiden : de kooplieden, zij, die zich 
in het bijzonder met koophandel bezig hielden, waren óf mars- 
kramers, die met de mars op den rug „den boer op" gingen, of 
debitanten, die hun inslag deden op niet al te verren afstand van 
de stad; overigens dreef men slechts handel ter verkrijging van 
de grondstof, die men noodig had om ze zelf te verwerken: de 
smid in ijzer, de bakker in koren, de schoenmaker in leder, de 
timmerman in hout, enz. 



i) Kb. Append. Bk. VI, n". lo ; Kb. 1406, Bk. VI, n°. 2. 

2) Kb. n°. 3, n". 93 ; 1406, VI, n=. 3. 

3) Fruin, Verspr. Geschr. I, blz. 109. 



207 

Eene uitzondering op dezen regel maakte, niet de drapenier, 
die immers geen handel mocht drijven in de door of voor hem 
gekochte wol, maar de eigenlijke lakenhandelaar, de „wantsnider", 
die buiten het stadsdebiet van zijne uit die wol vervaardigde 
lakens, buiten het debiet aan den op marktdagen of verder nog 
in de stad komenden boer, nog een beteren afzet zocht en vond voor 
de duizenden stuks, die jaarlijks te Leiden gemaakt werden. 

Dien afzet vond hij in de markt van „Schoenrelant", de kust 
van Skonen in het zuidwesten van Zweden, toenmaals nog aan 
Denemarken behoorend, daar waar de Sont in de Oostzee uit- 
mondde; in het bijzonder waren het op een klein vooruitstekend 
schiereiland de oude visschersplaatsen Skanör en Falsterbo, die in 
de 14^^= eeuw een aanzienlijke handelsbeweging tot zich getrokken 
hadden ^). Dit handelsverkeer was opgekomen in het gevolg van 
de haringvisscherij, die in de 12^^ eeuw naar aanleiding der reus- 
achtige menigte hier kuitschietende haringschoolen was ontstaan. 
De kooplieden uit de Hanzesteden haalden er niet alleen de voor 
hunnen handel zoo belangrijke haring, die zij diep Duitschland 
in, naar Polen en Rusland, Frankrijk, Vlaanderen en Engeland ver- 
voerden, maar vestigden er in den tijd van de haringvangst (einde 
Juli tot begin October) een zeer omvangrijke markt, waar van 
alles te koop geboden werd aan de van heinde en verre toestroo- 
mende menigte handelaars, visschers, kuipers voor de haringvaten, 
enz. Om den handel behoorlijk en veilig te kunnen drijven hadden 
zij van de Deensche koningen stukken gronds, „vitten", gehuurd, 
waar zij houten huisjes, „boeden", oprichtten om er gedurende 
den tijd van hun verblijf te wonen en hunne goederen op te slaan. 
De Oostzeesteden hadden zich om Falsterbo gevestigd; de Noord- 
zeesteden hadden bij het een half uur meer noordwaarts gelegen 
Skanör, even ten noorden daarvan, haar vittenkamp opgeslagen. 
Op die vitten werd te midden der veelsoortige en roerige tijdelijke 
bevolking de orde gehandhaafd door Deensche en stedelijke 
„voogden". 

In 1355 hadden de gezamenlijke Hollandsche en Zweedsche 
steden nog een gemeenschappelijken stedevoogd ^), die naast den 
Deenschen den vrede had te handhaven en in het algemeen onder 
dezen ook het oog had te houden op de transacties en de geringe 



i) Vgl. Schafer, Das Buch des lübeckischen Vogts auf Schonen (Hans. Geschichtsquellen, 
Bd. IV), waarvan vooral de inleiding; Schafer, Die Hansestadte und König Waldemar, 
S. 255 ff- 

2) Vaderl Kroniek, bladz. 210. 



208 

verschillen, waarbij de verschillende stedelijke rechten geldig bleven. 
Later komen voor de steden met talrijker kooplieden, als Kampen, 
Zutphen, Amsterdam, afzonderlijke voogden voor ^). Ook Leidsche 
kooplieden hadden hier op het einde der 14^^ eeuw ^) zulke 
„boeden",die zij óf zelf gebouwd of gehuurd hadden en die het 
Leidsche wapen droegen ter aanwijzing van de herkomst harer 
bewoners ; maar die Leidsche kooplieden waren niet zóó talrijk, 
dat zij ook op een afzonderlijke „vitte" of een afzonderlijken 
voogd aanspraak konden maken. 

De eerste maal, dat wij Leidsch eigendom in deze streken ont- 
moeten is in 1401, als Gerrit de Bruyn klaagt over de Hambur- 
gers, die hem toebehoorend bier uit een schip hebben geroofd 3). 
Is het nog mogelijk, dat wij hier te doen hebben met een roof 
van uit Hamburg ingevoerd bier op de Noordzee door Ham- 
burger kapers, een brief van Leiden uit 1426 4) aan de Hanzesteden 
toont aan, dat het toen op Deensch gebied, dus wel op Skonen, handel 
wil blijven drijven, ook al liggen de Hanzesteden met dat rijk over- 
hoop s). En dat Leidsch laken onder de naar de Oostzeestreken uit- 
gevoerde goederen een belangrijke plaats bekleedt, blijkt in 141 7 
uit het besluit der Hanze om aan Leiden en Amsterdam te schrijven ^), 
dat zij alleen lakens hebben te maken van „erste" en „anderde" wol, dat 
geen andere lakens dan deze door de Hanze zullen toegelaten worden 
en dat zij daarom aanbevelen die lakens onderscheidenlijk met groot 
en klein lood te bezegelen en aan andere lakens geen zegel te 
hangen. Dat de Leidsche lakens hun weg naar Skonen, middel- 
punt van den Hanzehandel in genoemd jaargetijde, gevonden 
hebben, kan dus niet worden betwijfeld. Het is zelfs niet onwaar- 
schijnlijk, dat de Hamburger bierhandelaars, die in Holland een 
belangrijk uitvoergebied bezaten, op hun terugweg ook wel Leidsche 
lakens naar Duitschland zullen hebben ingevoerd, daar deze op 
verschillende Duitsche markten voorkomen. Reeds in 1400 wordt 
dan ook Leiden door Hamburg en Lübeck in Hanzezaken gekend 
en neemt deel aan een vergadering der Hanzesteden te Zutphen 7). 

Leiden had dan ook levendig belang bij de verhouding tusschen 



i) Schafer, Vogtsbuch, S. CXXXVIII. 

2) Kb. n°. 3. n°. 133; Kb. 1406, Bk. VII, n". 56. 

3) Hanserecesse, Bd. V, n°. 52, dd. 23 Oct. 1401. Vgl. Hans. Urkb. II. S. 304. 

4) Ib. Bd. VllI, n°. 116. 

5) Daenell, Die Blütezeit der Deutschen Hanse, I, S. 225 ff. 

6) Hanserecesse, Bd. VI, S. 317, Vgl. S. 375. 

7) Thes. rek. 1400, fol. 17/8. 



209 

Holland, later Bourgondië en het machtige handelsverbond, dat 
reeds in dezen tijd een zwaren kamp had te voeren tegen de 
mededinging der sedert hertog Albrecht's regeer ing als handels- 
steden krachtig opkomende Hollandsche havenplaatsen ^). Zoo 
hing ook de wolinvoer af van de goede verstandhouding tusschen 
den Koning van Engeland en den Bourgondischen vorst, welke 
verstandhouding in den gemeenschappelijken oorlog tegen Frankrijk 
meestal weinig te wenschen overliet. Zij gaf echter in de dagen van 
de twisten tusschen Humphrey van Glocester, den gemaal van 
gravin Jacoba, en Jan van Beieren, vervolgens Philips van Bour- 
gondië, aanleiding tot ernstige verkoeling, die zich in 1428/9 uitte 
door tijdelijke uitsluiting van Engelsche lakens 2), beantwoord door 
bemoeilijking van woluitvoer uit Engeland, waarbij Leiden zooveel 
belang had, dat het ook aan de beraadslaging over den maatregel 
had deelgenomen. 

De verhouding tusschen Holland en de Hanze, die van haar 
kant nog omstreeks 1380 weinig onmiddellijken handel op Hol- 
land dreef 3), nam vooral een minder gunstig karakter aan sedert 
in 141 7 4) de Hanze scherpe maatregelen tegen de gevaarlijke 
concurrenten begon te nemen, de Hollanders uit Lijfland, in 1422 
uit Pruisen trachtte te weren en in 1427 den Hollandschen handel 
op Denemarken wilde verhinderen. De moeilijkheden tusschen 
den Deenschen koning Erik en de Hanze gaven den Hollanders, 
die des Konings zijde kozen, gelegenheid hunnen handel in het 
Noorden uit te breiden. De verhouding werd steeds meer ge- 
spannen 5). Herhaaldelijk tastte men elkanders bezittingen aan; 
Hamburger en Wendische, Hollandsche en Zeeuwsche kapers 
deden den wederzijdschen handel weldra veel nadeel, totdat in 
1435 te Brugge een wapenstilstand werd gesloten onder bemid- 
deling der Vlaamsche steden. Ook de vijandschap tusschen keizer 
Sigismund en den Bourgondiër, ten gevolge waarvan in 1427 de 
rijksban over de landen van den laatste werd uitgesproken, moet 
voor den Hollandschen koopman, en dus ook voor den Leidschen, 
soms ernstige bezwaren hebben opgeleverd overal waar hij in het 
Rijk optrad en ten gevolge van dien ban voor de Hollandsche 



i) Daenell, Holland und die Hanse, in Hans. Geschichtsblatter, 1903, I, S. 3 ff. ; en 
zijne Blütezeit der deutschen Hanse, I, S. 261 ff. 

2) Van Limburg Brouwer, Bourg. Charters, blz. i vlg. 

3) Daenell, Hans. Geschichtsblatter, 1.1., S. 14. 

4) ib. S. 19 ff. 

5) Daenell, Blütezeit, I, S. 279 ff. 

14 



210 

kooplieden en goederen geen rechtszekerheid kon worden verkregen. 
De bescherming, die den handel ten deel viel door de macht 
van den Bourgondischen landsheer, die ook zeeroof met kracht 
bestreed, ging zoo wegens diens internationale verhoudingen ook 
gepaard met ernstige gevaren, waaraan de Holland sche koopman 
als zijn onderdaan was blootgesteld. 

Met dat al had ook Leiden deel aan het handelsverkeer, dat 
omstreeks 1430 zich krachtig begon te verheffen, en dientengevolge 
aan de welvaart, die zich meer en meer over Holland begon te 
verspreiden. En dat wel in de eerste plaats wegens zijne laken- 
industrie. Als hertog Philips in Juli 1428, getuigend, dat deze landen 
„meest staen ende gefondeert sijn op draperie", in het belang van 
handel en nijverheid den invoer van Engelsche lakens en wollen 
garens ten eenenmale verbiedt '^), ten einde „coepmanscepe ende 
neringe" te helpen, die door den toenemenden invoer daarvan „veel 
verloren hebben ende noch meer gescapen waren te verliesen", is het 
zeker niet zonder beteekenis, dat deze verordening te Leiden wordt 
gegeven: aan de produkten der nijverheid moest een ruim afzet- 
gebied verzekerd worden en de mededinging van Engelsch laken 
en garen moest even goed worden bestreden als de verbodsmaat- 
regelen der Hanze moesten worden verijdeld, zou de grondslag van 
de welvaart der stedelijke bevolking niet ernstig worden aangetast.. 

In nauw verband met handel en nijverheid beiden stonden geld- 
en muntwezen, waaromtrent zich in samenhang daarmede omstreeks 
1400 ook geheel andere denkbeelden, geheel andere toestanden 
begonnen te vertoonen. 

Lang waren de tijden voorbij, waarin de Kerk haar gebod r 
„geeft ter leen zonder te hopen op vruchten uwer vrijgevigheid", 
kon handhaven. Al mochten kerkgetrouwe juristen in hunne 
theorieën over eigendom en verkeer, al mochten wereldschuwe 
kloosterlingen in hunnen afkeer van de wereldsche zaken, al 
mochten moralisten in hunne bezwaren tegen den geest der eeuw 
dat gebod nog soms met nadruk in herinnering brengen, het 
toenemende verkeer stoorde zich daaraan weinig en alleen het 
zeer betwiste of verschillend uitgelegde woekerverbod bleef in 
de praktijk van die opvatting over. 

De Kerk zelve had reeds in de 12de en 13de eeuw in de praktijk 
haren weerzin tegen het nemen en geven van rente op geld 



i) Van Mieris, IV, blz. 923. 



211 

afgelegd en maakte van hare bezwaren daartegen alleen gebruik, 
wanneer de woeker wat al te hoog was, in welk geval de schuldigen 
met behulp der wereldlijke macht met verbeurdverklaring gestraft 
werden. Meer en meer echter werd ook daarvan afgezien en ook 
de geldhandel van kerkelijke en wereldlijke zijde vrijgelaten onder 
den invloed van vraag en aanbod, wat onder voor den geldnemer 
ongunstige omstandigheden tot hoog oploopen van rente aanleiding 
kon geven: het is geen zeldzaamheid, dat in de bronnen der 
I4^s eeuw van rente tot 20 7o toe gesproken wordt. Omstreeks 
1400 was de geldhandel zoo goed als geheel een gewoon handels- 
bedrijf geworden, al hadden nog velen ernstig bezwaar tegen zijne 
onbeperkte ontwikkeling. 

Toen Leiden in de 13^^^ eeuw eene stad werd, was reeds het 
geld als ruilmiddel bij het verkeer van overwegenden invloed in 
de West-Europeesche maatschappij geworden, al waren er nog 
wel enkele overblijfselen van den tijd, toen het ruilverkeer in 
voortbrengselen geschiedde, zooals b.v. het vat wijn, dat als 
recognitie voor de bevestiging van het stadsprivilege aan den 
vorst moest worden uitgekeerd ^). De eischen van het sedert het 
einde der Norentochten in deze streken weder opgekomen verkeer 
hadden de periode van het geld ook hier doen volgen op die van 
het natuurvoortbrengsel en den invloed van het kapitaal gesteld in 
de plaats van dien van het grootgrondbezit, dat nog tot in de 
ii^e eeuw het gansche oude rijk der Karolingers met zijn stempel 
had geteekend 2). 

Het oude Karolingische geld, door Pippijn en door Karel den 
Groote zelven ingesteld, was in den omloop reeds lang vervangen 
door de daarop als grondslag gemunte Friesche, Engelsche, Keulsche 
muntstukken, van welke de laatste, de aartsbisschoppelijke munt 
der oude moederstad van Neder-Germanië, met en naast de Engelsch- 
Vlaamsche, waaruit het Keulsche muntstelsel schijnt ontstaan 3), voor 
het algemeene verkeer dezer streken in de 13^^ eeuw nog hoofd- 
zaak was maar later door de eveneens op Karolingischen grondslag 
staande Fransche uit den tijd van den Heiligen Lodewijk meer en 
meer op den achtergrond werd gedrongen. De territoriale munt der 
Hollandsche graven, wier muntrecht in de 14^^ eeuw als een der 
voornaamste landsheerlijke rechten werd beschouwd, waaraan geen 



i) Zie boven, blz. 29. 

2) Lamprecht, Deutsche Geschichte, III, S. 23 ff. 

3) Kruse, Kölnische Geldgeschichte, Erganzungsheft IV der Westd. Zeitscbr., S. 8. 



212 

afbreuk gedaan mocht worden ^), begon zich in die eeuw met het 
verkeer in Holland en Zeeland zelf ook in de naburige streken 
en langzamerhand verderop bekendheid en vervolgens ingang te 
verschaffen, zooals van den anderen kant ook met de territoriale 
munten der naburige landsheeren van Brabant, Utrecht en Gelre 
geschiedde. 

Die vermenging van allerhande muntstelsels en munten nam bij 
de toeneming van het buitenlandsch verkeer natuurlijk toe. Men 
hoort van betalingen in Engelsche sterlingen en Keulsche en 
Leuvensche penningen, in Toursche en Vlaamsche grooten, van 
bedragen berekend in Keulsche marken en Fransch- Vlaamsche 
ponden, maar ook van Hollandsche penningen en Hollandsche 
ponden — een ingewikkelde toestand, die het bedrijf van den 
geldwisselaar, oorspronkelijk wel verbonden met dat van den lombard 
of den muntmeester, later ook met dat van den goudsmid, den 
bewerker van het ruwe goud en zilver en als zoodanig vertrouwd 
met de waarde daarvan, in het verkeer meer en meer op den voor- 
grond bracht. Weldra gaf die toestand aanleiding tot de ontwik- 
keling van den geldhandel, reeds in de ii^^ eeuw ook in nauw 
verband met het zich uitbreidende handelskrediet, noodzakelijk 
geworden bij de uitbreiding van het handelsverkeer. 

Die geldhandel werd in de Hollandsche steden der 13'^^ eeuw 
vooral gedreven door de lombarden ^), agenten of subagenten van 
groote Italiaansche bankhuizen, wier werkzaamheid zich van wis- 
selarij had uitgebreid over geheel westelijk Europa, in verband 
met de aanzienlijke sommen, die uit de verschillende bisdommen 
wegens allerlei verplichte uitkeeringen en geldelijke belangen met 
betrekking tot voorgenomen kruistochten naar Rome moesten 
worden overgemaakt en die men moeilijk altijd met afzonderlijke 
boden kon laten overbrengen. In 1283 3) wordt bij een optreden 
van de Utrechtsche geestelijkheid tegen hen wegens ongeoorloofden 
woeker, dien zij openlijk in het gebied van graaf Floris V reeds 
lange jaren („jum multis annis") hadden bedreven, hun eigendom, 
waarop door den graaf op aandrang zijner onderdanen beslag 
gelegd was, verbeurd verklaard ten einde pondspondsgewijze die 
onderdanen daaruit schadeloos te stellen. Het is wel waarschijnlijk, 
dat zij zich omstreeks 1250 van Utrecht en Dordrecht uit ook 



i) Phil. de Leydis, p. i6ó vlg. 

2) Endemann, Studiën in der röm. kanon. Wirtschaftslehre, I, S. 23 ff. 

3) Oorkdb. II, n°. 443. 



21 



in de HoUandsche steden zullen hebben verspreid. Te Leiden 

vinden wij in 1289 ^) een „Peter den lombarde", die geld in ont- 

vano-st moet nemen voor den heer van Wassenaer naar aanleiding 

eener schuld van de Dordtsche regeering aan dezen. En het kan 

ons niet verwonderen, dat men toen te Leiden lombarden had, 

als wij zien, dat zij zelfs in het kleine Ameyden gevestigd waren 2); 

wij vinden graaf Floris V telkens in geldelijke transactiën met 

hen, gelijk in de 14de eeuw zijn opvolgers tallooze malen bij hen 

hunne toevlucht moeten nemen voor leeningen, die zij sluiten, 

dikwijls onder garantie der steden, die in 1342 zelfs gewoon 

waren de schuldbrieven der lombarden te bezegelen 3). Van de 

toelating van de zich ook veelal met geldhandel bezig houdende 

Joden in Holland wordt niet uitdrukkelijk melding gemaakt, maar 

in de 14^^ eeuw 4) komen zij er sedert Willem III sporadisch voor, 

ook te Leiden, waar wij op het einde der eeuw een enkele maal 

van hen gewag gemaakt vinden. Nog op het einde der eeuw 

vinden wij echter ook te Leiden den wissel- en geldhandel nog 

in handen van lombarden, blijkens de namen nu ook van Neder- 

landsche afkomst, die in een vaste woning, een soort van grafelijk 

wisselkantoor en bankiershuis dus, gevestigd waren 5) en voor hun 

toelating den graaf eene recognitie betaalden ^). 

Het wisselrecht, dat met het den graaf toekomende muntrecht 
zoo nauw verband houdt, was diensvolgens een grafelijk domein- 
recht, dat evenwel, gelijk langzamerhand allerlei rechten van dien 
aard, voor gereed geld aan de steden werd afgestaan. Zoo verkreeg 
Leiden in 1351 tijdelijk het wisselrecht 7), welks uitoefening de 
stad blijkbaar overliet aan de daar gevestigde lombarden. Met 
deze vreemdelingen werd er in 1380 een overeenkomst gesloten 8), 
waarbij zij tegen betaling met St. Jan van 8 pond 'sjaars van 



i) Oorkdb. II, n°. 663. 

2) ib. n". 948. 

3) Van Mieris, II, blz. 659. 

4) Koenen, Geschiedenis der Joden in Nederland, bli. 87. 

5) Zie boven, blz. 55. 

6) Graf. rek. 1381: „van den lombarden van Delf, van Leyden ende van Oudewater, 
daer zi haren niewen antvesten verniewet hebben jeghens minen heren den hertoghe, 
daerzi of betaelt hebben 450 oude schilden." 

7) Van Mieris, II, blz. 807. 

8) Poorterboek 1380 (vgl. over iets dergelijks te Utrecht : Phil. de Leydis, p. 260). 
De aanteekening is echter met een kruis doorgeschrapt evenals de naam van „Vranc 
Grues die Lomberden", met „100 pd." achter dien naam. De even later genoemdenamen 
Jan, Gillis en Pieter van Werhem zijn misschien ook namen van een lombardenfamilie: 
het zijn blijkens den achternaam geen Hollanders. 



214 

weerszijden tot wederopzeggens toe het poorterrecht zouden ver- 
krijgen, maar verder zouden zijn „scotvri ende wakenvri ende alle 
onghel{t)s, ten sie kercghelt", tenzij „die stede enich onversien 
last toequame", in welk geval zij dezen „draghen souden mitter 
stede gheliken andren poortren". Bij de groote munthervorming 
van 1388 werd in elke stad minstens één grafelijke wisselaar aan- 
gesteld i), die zich aan de bepalingen van het muntplakkaat van 
dat jaar te houden had. Zulk een grafelijken wisselaar vinden wij 
in 1394 te Leiden 2) in den persoon van Antonijs Paling, lombard, 
die zich verplicht om de gangbare gouden en zilveren munten 
volgens de „settinge" te wisselen, de valsche munt naar de gra- 
felijke munt te zenden en tevreden te zijn met den gewonen 
wisselpenning, 2 penningen van het schild. 

Lombarden en wisselaars, door het grafelijk gezag gesteund en 
wegens hunne diensten bij den graaf zeer invloedrijk, waren in de 
stad zoo niet geëerde, dan toch zeer ontziene personen, daar ook 
de stadsregeering hen dikwijls noodig had. 

De inheemsche munt der 1$^^ eeuw was de minstens sedert 
graaf Floris III (1157 — 1190)3) gebruikelijke Hollandsche heele 
en halve zilveren penning („denarius" en „obolus") 4) met den grafe- 
lijken kop en naam aan de voorzijde en het kruis met „Holland" 
of „Moneta Holland." aan de achterzijde. Zij werden door het ge- 
bruik echter afgesleten of moedwillig verminkt, zoodat, „moneta 
nostra in valore et pondere claudicante" 5), zegt al Floris V in 1284, 
het noodig werd een nieuwe munt te slaan, waarvoor het zilver 
wel ten deele aan de afgekeurde munt zal zijn ontleend, maar 
overigens buitenslands ingeslagen moest Avorden om te Dordrecht 
en Medemblik in de grafelijke munthuizen door de muntmeesters 
bewerkt te worden. 

Maar verder heeft Floris V ook de Fransche, in zijn tijd door 



i) Van Mieris, III, blz. 505. 

2) Van Mieris, Handvesten, blz. 357. 

3) Van hem zijn de oudste met eenige zekerheid aan graven van Holland toe te schrijven 
munten over (Van der Chijs, Munten van Holland en Zeeland, blz. 67, vgl. 27 en 62). 

4) Eigenlijk zijn dit geen volle denariën, zooals de oude koninklijke Duitsche munten 
nog waren 6n waarvan er 240 in een Karolingisch pond van 367.2 gram gingen, maar 
halve denariën of obolen naar oude rekening (vgl. Wigersma in Tijdschr. voor Munt- en 
Penningk., dl. XIV, blz. iii vig., 140). De halve denariën zijn dus ook eigenlijk vierde 
denariën der oude rekening. 

5) Oorkdb., II, n°. S30. 



215 

Lodewijk den Heilige zeer verbeterde munt laten naslaan, gelijk 
ook in Vlaanderen, Gelre en elders gedaan werd ; en dat niet alleen de 
zilveren Toursche of Koningsgroot („grossus turonensis", „tournoys") 
maar ook zelfs de gouden „aignel", mottoen of lam ^). De meest 
voorkomende munt ook onder Floris V is echter de gewone Hol- 
landsche zilveren penning, die aan de keerzijde prijkt met den 
naam der muntplaats: Dordrecht of Medemblik, onder Jan I en de 
Henegouwers ook aan de voorzijde met den Hollandschen leeuw 
in plaats van den grafelijken kop of het Toursche muntteeken 2). 
Die o ude Hollandsche munt, waarvan de oorspronkelijke wettige 
zwaarte op 0.765 gram 3) gesteld moet worden, werd oorspronkelijk 
bij betaling van grootere sommen dan enkele penningen afgewogen 
in hoeveelheden van gewicht, die men van ouds „librae," „ponden" 
noemde naar de gewichten van dien naam, sedert Karel den Groote 
in gebruik in alle deelen van het Karolingische rijk en dus ook 
later nog in Holland en Vlaanderen. Een Karolingisch pond was 
verdeeld in 20 „sohdi," „unciae," „schellingen" van 12 penningen 
(„denarii") ieder en bevatte dus 240 penningen ; zoo bevatte ook het 
latere pond 240 zware Vlaamsche penningen of grooten (grossi) 4), 
geslagen naar het Fransche model, gelijk in Engeland, met welk 
land Vlaanderen in levendige handelsbetrekking stond, het pond 
20 schellingen (shillings) van 12 penningen (sterlingen) bevatte en 

nog bevat. 

De groot nu — Fransche, Vlaamsche of Hollandsche, meestal 
tournoys genaamd — stond tot den Hollandschen penning of 
denier in de verhouding van i tot 8, zoodat i groot 8 penningen 
HoUandsch was s). Een pond Hollandsch (d. i. Hollandsche penningen) 
stond dus met slechts 30 grooten gelijk; een pond Vlaamsch (d. i. 
Vlaamsche penningen) was 8 maal zooveel waard. De onder Lodewijk 
den Heilige bij diens groote munthervorming geslagen „groote of 
Coninx tournoysen" stonden gelijk met de Vlaamsche „grossi", 
maar men had hier in de 14de eeuw ook de later bij den achter- 
uitgang der Fransche munt alhier geslagen „swarte tournoysen" 



i) Van der Chijs, 1.1., blz. 127 vlg. Zoo genaamd naar de muntplaats Tours en het 
daarop afgebeelde Lam Gods. 

2) ib., blz. 143, 153. enz. 

3) Na langdurig gebruik nam dit gewicht natuurlijk af; het is zelfs niet uitgesloten, 
dat ook onze landheeren zich in den ouden tijd reeds veroorloofden minder zilver voor 
den penning te gebruiken. 

4) Grossi = dikke, zware penningen. 

5) Pierson, Staathuishoudkunde », I, blz. 662 vlg. 



2l6 

toegelaten, die met Vs penning gelijk stonden i), zoodat een pond 
„swarte tournoysen" slechts 15 groot uitmaakte. Goud- of zilver- 
stukken van een pond werden hier te lande niet geslagen. Het 
pond bleef dus slechts wat men een rekenmunt noemt : een waarde, 
waarin gerekend werd, zonder dat er een werkelijk geldstuk van 
dien naam in omloop was. 

In omloop waren van inheemsche zilveren munten in de I4<^^ 
en ten deele nog in het begin der 1$^^ eeuw in Holland vooreerst 
de oude penningen ; dan de heele en halve grooten, welke laatste in 
1336 door graaf Willem III werden geslagen 2) samen met hertog 
Jan III van Brabant en ter waarde van 1.43 gram zilver, in overleg 
ook met adel en steden van beide landen ter vergemikkelij- 
king van het handelsverkeer onderling ; vervolgens de plak, meeuw, 
stuiver of dubbele groot; dan de „tuyn" 3) of Dordrechtsche tuin, 
eveneens van twee grooten, sedert Willem VI ; de „botd regher" 4) 
en halve „botdregher" of het „botkyn", een sedert het midden der 
14de eeuw naar Vlaamsch model algemeen in de Nederlanden 
geslagen muntsoort; de „leeuw" of dubbele groot van Willem VI; 
de naar Vlaamsch model geslagen heele, halve en vierde „krom- 
staart" van hertog Philips, waarvan de eerste ook een dubbele 
groot was. Penningen s), halve, geheele en dubbele grooten van 
verschillenden naam naar den afwisselenden muntslag waren dus 
de zilveren munten, die men had en die men door elkander 
gebruikte, hoewel men goed oplette, dat de stukken „ghanc 
ende ghave" waren, „comans payment", d. i, waarmede de 
koopman als betaalmiddel genoegen nam, of, naar men het uit- 
drukte, „die ene coman van den anderen te nemen," zooals „die 
ghemeen onder die coeplude ghenghe ende daer men bier ende broet 
mede coft" ^). Koperen munt sloeg hier eerst Jan van Beieren 7), 
en wei een zeer kleine, gelijk hij ook een kleinen zilveren „duit" en 
zelfs een halven duit liet slaan, wat wijst op groote behoefte aan 
pasmunt in zijn dagen. 

Sedert den „mottoen" van Floris V duurde het tot onder Willem V, 



1) Pierson, 1.1. 

2) Van Mieris, II, blz. 575. 

3) Vgl. Van der Chijs, blz. 273, 349, 365. 

4) ib., blz 200 vlg., 289, 300. 

5) Ook de naam „duyl", „doeyt" komt omstreeks 1380 in de plaats daarvan voor (ib. 
blz. 221); de Vlaamsche „mijt" of „mite" (1/3 penning) was in dezen tijd in Holland wel 
gangbaar maar geen inheemsche munt {ib., blz. 169). 

6) Graf. rek. 1371 (Rijksarchief). 

7) Van der Chijs, blz. 349, 364. 



217 

eer de HoUandsche landsheeren eigen gouden munten sloegen. Hij 
liet dubbele en enkele mottoenen en in 1355 ^) Wilhelmus of 
HoUandsche schilden slaan — de laatste wederom in navolging 
van de „oude Vranxsche" schilden (écus) — gelijk na hem Al- 
brecht, de muntheer van den gouden „klinkert" van 1370 2) en 
van het beroemde Dordrechtsche schild van 40 grooten van 1388 3), 
geslagen naar aanleiding van den toenmaligen Rijnschen goudgulden 
en waarmede hij het gebrek aan goede gouden munt trachtte te 
verhelpen; in 1393 volgde de HoUandsche „gulden" van dezelfde 
waarde 4). Willem VI liet dubbele Wilhelmusschilden en dubbele, 
enkele en derde „engelen" maken, waarvan de eerste 60 grooten 
gold en zoo geheeten werd naar den gevleugelden engel, die 
het grafelijke wapen hield ; Jan van Beieren gouden schilden, 
halve gouden schilden en goudguldens; Philips van Bourgondië 
driedubbele, dubbele en enkele Philipsklinkerts of schilden en den 
later zeer gewonen gouden Philippus en halven Philippus van 1433 5). 
Op het einde der 14de en in het begin der 15de eeuw was, zooals 
uit de betalingsoorkonden en de rekeningen van stad en land blijkt, 
zoo een aanzienlijk getal van in waarde lang niet op deze Ifde hoogte 
gebleven zilveren en gouden munten van inheemschen muntslag in 
gebruik. Sommige van die stukken waren telkens weder in den omloop 
deerlijk gesnoeid, en werden dan ook niet langer op de oorspron- 
kelijke waarde aangenomen ; andere hadden reeds bij uitgifte innerlijk 
niet de waarde, waarop de muntheer, het voorbeeld vooral der 
Fransche koningen van de 15^^^ eeuw volgende, ze min of meer 
willekeurig had gesteld ; bovendien hooren wij telkens van door 
onbevoegden geslagen valsche, van nagemaakte munt, welker inner- 
lijke zilverwaarde nog veel geringer was. Niet het snoeien noch 
het rechtstreeks vervalschen was intusschen het ergste wat er met 
de munt gebeuren kon : men kon ten slotte een al te erg gesnoeid 
stuk afwijzen en een vervalscht stuk aan den groveren muntslag 
of andere fouten wel herkennen. Het ergste voor de munt was in 
het verkeer datgene, wat men officiëele vervalsching zou kunnen 
noemen, namelijk dat de muntheer, niet tevreden met den „sleyscat," 
de uitkeering van den muntmeester aan den vorst bij het slaan 



i) Van der Chijs, blz. i8i, i88. 

2) ib., blz. 216. 

3) ib., blz. 225; Van Mieris, III, blz. 504. 

4) Van der Chijs, blz. 232. 

5) ib.. blz. 392. 



2l8 

van de munt, in zijne munthuizen stukken liet vervaardigen, welker 
zilverwaarde verre beneden de toegekende waarde stond. Hij ging 
dan daarbij uit van de verkeerde, maar toenmaals bij het geringe 
inzicht in economische vraagstukken algemeen verspreide meening, 
dat de munt in het verkeer die door den vorst vastgestelde 
waarde zou blijven houden, alleen reeds omdat zij door haar 
uiterlijk als de door den muntheer wettig geslagene moest be- 
schouwd worden. De Fransche koningen vooral hadden dit gedaan 
gelijk zij ook reeds aan de bestaande munt een hoogere waarde 
hadden toegekend dan die, welke zij oorspronkelijk had vertegen- 
woordigd i), en in beide gevallen werd de hoeveelheid zilver, die 
een pond, een schelling, een penning vertegenwoordigde, steeds 
geringer: de metaalwaarde der rekenmunt verzwakt. 

De invoer van vreemde gouden en zilveren munten verergerde 
den toestand der munt nog meer, aangezien men op de samen- 
stelling en de oorspronkelijke waardebepaling niet den minsten 
invloed had. Bij de toeneming van het verkeer met het buitenland 
in de tweede helft der 14"^^ eeuw moest ook dit euvel hand over 
hand toenemen. Fransche schilden, mottoenen en royalen, Engelsche 
nobels, Florentijnsche, Rijnsche, Hongaarsche, Boheemsche goud- 
guldens, Utrechtsche, Geldersche, Bergsche, Luiksche, Brabantsche, 
Henegouwsche, Vlaamsche munten in zilver en goud stroomden 
het handeldrijvende Holland binnen, en de verwarring werd nog 
grooter, als men die vreemde muntstukken niet in Hollandsche 
ponden enz. maar b.v. in Keulsche marken berekende, dus in 
eene geheel andere dan de hier inheemsche rekenmunt. 

Vooral ten opzichte van de buitenlandsche munten trachtte nu 
de landsheer het euvel te stuiten door tarifeeringen, waarbij de 
waarde van bepaalde buitenlandsche munten in Hollandsche munt 
werd vastgesteld. Zoo had al Willem III in 13302) een aantal van 
die munten in grooten gewaardeerd en vastgesteld, in overleg met 
edelen en steden des lands — een bewijs van het hooge belang, 
dat aan deze zaak werd toegekend — dat zij tegen die waarde 
„gaen" zouden in het graafschap. Zoo deed Willem IV in 1337 
opnieuw 3); zoo deed Albrecht herhaaldelijk, „aenghesien den 
groten scade ende zwaer verlies bi den groten verlope van den 
paymenten", in en na 1388 4), evenals na hem Willem IV dergelijke 



i) Pierson, Staathuishoudkunde, I, blz. 355 vlg. 

2) Van der Chijs, blz. 162 vlg. 

3) ib., blz. 172. 

4) ib., blz. 229, 233, 239, 248, 249, 257. 



219 

„valuatie" vaststelde ^), ook met betrekking tot Hollandsche gouden 
en zilveren munten van vroegeren muntslag. Ook Jacoba gaf 
dergelijke valuaties ^) en onder Jan van Beieren en Philips den 
Goede volgden weder andere muntordonnantiën van dien aard 3), 
die echter telkens weder gewijzigd moesten worden bij het toenemend 
verloop van de munt. 

Dat het ruilmiddel bij dit alles in een treurigen toestand ge- 
raakte, is duidelijk. Vooral omstreeks 1370, zegt eene Leidsche 
aanteekening 4), „attenuari notalibiter coepit moneta", zoodat het 
oude Fransche schild, dat „ab initio" 18 grooten gold, toen op- 
geloopen was tot 50 en in de volgende jaren zelfs tot 60 grooten 
en de schrijver in 1376 uit moedeloosheid en droefheid maar 
ophoudt met zijn aanteekeningen over dit punt. En zoodra het 
met het ruilmiddel zoo gesteld was, als dit verzwakte in zilver- 
waarde, in waarde in het algemeen, kon men er ook minder voor 
koopen, m. a. w. waren de prijzen gestegen s), hetgeen van on- 
berekenbare gevolgen moest zijn voor den economischen toestand 
van stedeling en landbewoner, daar de loonen volstrekt niet even- 
redig daarmede klommen. En het gevolg daarvan was armoede, 
ellende, ontevredenheid, oproer, waaraan alleen door gewelddadige 
onderdrukking of door loonsverhooging een einde was te maken ^), 

De regeering zon dus op middelen om den toestand der munt te 
verbeteren. Zij trachtte zeer minderwaardige vreemde munt door 
verbodsbepalingen te weren. Zij probeerde het door andere munt 
te slaan, maar wij zagen reeds, hoe de herhaaldelijk noodige toe- 
passing van dit middel tijdens Albrecht kon bewijzen, dat dit niet 
hielp ; te minder omdat die andere munt, ten gevolge van de ver- 
keerde meening bovengenoemd, of dikwijls misschien zelfs eenvoudig 
om winst uit den muntslag te behalen, volstrekt niet altijd betere 
munt was. De steden verzetten zich dan ook weldra tegen de 
invoering van nieuwe munt, die eenvoudig de verwarring nog deed 
toenemen, aangezien men zich bij de aanwezigheid van groote 
hoeveelheden oude en „quade" munt volstrekt niet hield en niet 
kon houden aan het verbod om anders te betalen of te ontvangen 
dan in de nieuwe munt alleen. Zoo hebben zij in 1393 de nieuwe 



i) Van der Chijs, blz. 273, 276, 279, 287, 295, 302. 

2) ib., blz. 322 vlg. 

3) ib., blz. 338 vlg. 

4) Fruin, Over muntverzwakking, in Yerspr. Geschr. VIII, blz. 191 vlg. 

5) Pierson, Staathuishoudkunde, I, blz. 328. 

6) Zie boven, blz. 179 vlg. 



220 

Hollandsche schilden ^) alleen aangenomen onder voorwaarde, 
dat er in twintig jaar niet weder gemunt zou worden, waaraan 
echter de hand niet werd gehouden. Na herhaald overleg tusschen 
de steden en den landsheer aangaande de munt werd in Mei 1395 
nog eens bepaald, dat niemand zou mogen koopen en verkoopen 
dan met het nieuwe schild en de nieuwe grooten, dat geen rech- 
ters recht mochten wijzen in schuldzaken dan in die munt te betalen, 
dat alle vreemde munt op de markten streng geweerd zou worden 
door met het toezicht daarop belaste personen 2), Om den vorst 
in het goede spoor te houden werd hem zelfs als „sleyscat", als 
muntbelasting, eene jaarlijksche som door de steden beloofd, 
waarvan het bedrag, gedurende vijf jaren op St. Maarten en i Mei 
te betalen, door de steden en dorpen des lands bij „kaveling" 
werd omgeslagen tot een gezamenlijk bedrag van 800 Dordtsche 
guldens voor Rijnland alleen 3). Ook onder Willem VI werd deze 
belasting geheven, telkens na een nieuwe aanmunting 4). 

Maar alles wat van regeeringswege, vooral sedert de dagen van 
hertog Albrecht, toen de munt zeer veel bezwaren opleverde, 
werd uitgedacht om het „verloop van den paymente" tegen te 
houden, kon dit doel niet bereiken en de metaalinhoud van het 
pond Hollandsch verminderde s) tusschen 1336 en 1432 van 85.8 
gram tot 24.29 gram zilver fijn, terwijl de zwaarte in goud even- 
eens van 7.27 gram in 1342 daalde tot 2.1 1 gram in 1421. 

Niet alleen de muntmeesters, wisselaars en lombarden, maar alwie 
in de Middeleeuwen zich met handel bezighield, wie financieel 
beheer had te voeren, wie zich in het algemeen met geldzaken van 
eenige beteekenis had in te laten, moest zich derhalve voortdurend 
ingewikkelde berekeningen en herleidingen van de eene munt in 
de andere, soms ook van de eene rekenmunt in de andere laten 
welgevallen. Dit moet dergelijke zaken tot een uiterst bezwaarlijk 
werk hebben gemaakt en maakt onze bewondering gaande voor 
de rekenmeesters, die bij dat alles betrekkelijk zoo weinig fouten 
hebben begaan, als uit onze middeleeuwsche rekeningen blijkt dat 
in den regel geschiedde, al bleven natuurlijk fouten niet geheel uit. 
De gewone burger, al kon hij zijn levensbehoeften in den regel 
wel voor vrij vertrouwbare kleine zilveren of later koperen munt 



i) Van der Chijs, blz. 232 vlg. ; Van Mieris, III. blz. 593. 

2) Vaderl. Kroniek, blz. 289. 

3) Stedeboek, fol. 260. 

4) Grafelijkheidsrekeningen (Rijksarchief). 

5) Pierson, 1.1., blz. 664 vlg. 



221 



machtig worden, zal dikwijls met de waardebepaling van de munt 
verlegen geweest zijn en te rekenen gehad hebben met den 
feitelijken toestand. Zoo vinden wij in 1401 in eene voogdij- 
rekening ï) aangeteekend, dat men, nog wel ingevolge grafelijk 
bevel, de verschuldigde renten voor de helft mocht betalen met 
„licht" of „quaed" geld. 

Men zocht naar allerlei middelen om zich tegen verlies te vrij- 
waren, b.v. bij contracten door bepaling van de muntsoort, waarin 
betaald moest worden, of door algemeene aanwijzing der nood- 
zakelijkheid van betaling in gangbare munt, die de koopman als 
„ghanc ende ghave" aannam en \vaarin men op de groote markten 
te Voorschoten en Valkenburg de landhuur betaalde 2). Het is 
-evenwel duidelijk, dat dit alles steeds tot groote bezwaren aan- 
leiding moest geven en de economische verhoudingen, zoo af- 
hankelijk van de deugdelijkheid van het ruilmiddel, in deze periode 
allesbehalve groote vastheid vertoonden. 

Eerst de aanwezigheid eener krachtige landsregeering kon aan 
dezen toestand een einde maken, aan de misbruiken paal en perk 
.stellen en dientengevolge aan handel en nijverheid den onmisbaren 
grondslag schenken, waarop zij zich verder konden ontwikkelen. 
Eerst toen de hertog van Bourgondië de regeering in Holland 
voorgoed in handen kreeg, kon men verwachten, dat betere tijden 
izouden aanbreken. 



i) Voogdijrekening der kinderen Blijf hier (Leidsch archief). 
.3) Voogdijrekening der kinderen van Poelgeest (Leidsch archief). 



HOOFDSTUK X. 
Recht en rechtspraak. 

Tweeërlei bronnen waren er, waaruit het in de stad geldende 
recht voor burger en vreemdeling voortsproot : het van ouds voor 
de geheele streek, waarin de stad lag, geldende landrecht en het 
bijzondere recht, dat volgens de privilegiën den stedeling toekwam 
en in de door de stadsregeering vastgestelde stadskeuren nader 
was uitgewerkt. Voor beide categorieën golden bovendien de in- 
geschreven „costuymen", de rechtsgewoonten van ouden, soms 
overouden datum. 

Wat het eerste aangaat, de geldigheid daarvan werd beperkt 
van het oogenblik af ^), waarop de stad uit het omliggende land 
was geëximeerd, waarop zij een eigen rechtskring begon te vor- 
men, waarop zij tot een stad was verheven 2). Ook voor de be- 
woners van het dorp Leiden moet in de eerste eeuwen van zijn 
bestaan in het algemeen het Rijnlandsche recht gegolden hebben, 
het gemeene recht van alle bewoners van Rijnland, welks beteekenis 
voor Leiden afnam in de mate als het afzonderlijke rechtsstelsel, 
op de stadsprivilegiën gegrond endoor de stadskeuren in het bijzonder 
ontwikkeld, zich uitbreidde en afrondde. Daarmede kan intusschen 
zeer wel samengaan, dat ook voordat het dorp tot een stad ge- 
worden was, ook voordat deze uitdrukkelijk als zelfstandig lichaam 
uit den rechtskring van het gemeeneland was afgezonderd, reeds 
de dorpsbewoners onder elkander zekere rechten tot regeling hunner 
dorpszaken bezaten. Het bleef zoo, hoewel steeds in beteekenis 
afnemend, naarmate het stadsrecht zelf zich ontwikkelde, als aan- 



i) Zie boven, blz. 24 vlg. 

a) Fockema Andreae, in Hand. en Mededeel. Maatsch. van Letterk. 1890/1, blz. 36 vlg. 



223 

vullend recht voor den burger van belang, wanneer het stadsrecht 
te kort schoot ^). 

Dat recht van Rijnland 2) werd gehandhaafd door den graaf of 
liever namens dezen door zijn vertegenwoordiger, den sedert het 
midden van de 13de eeuw ook in Rijnland gelijk in anderen voor- 
malige gouwen voorkomenden baljuw, die ook hier „es als grave 
in des coninx stede" 3). Het is een vermenging van oud-Friesche 
met oud-Frankische rechtsbeginselen overeenkomstig de menging 
der bewoners van Frieschen en Frankischen stam en in verband 
ook met de opeenvolgende heerschappij van Friesche en Frankische 
heerschers, die hun recht aan de bevolking oplegden, hier in beide 
opzichten evenals dit in het naburige Kennemerland het geval was 4), 

Eén gebied was er, waarop het recht van Rijnland tot 1434, 
toen aan Leiden's schepenbank zelve de hooge jurisdictie en als 
bewijs daarvan de „roede" des opperrechters bij privilege werd toe- 
gekend, ook voor den burger in zijn vollen omvang gold : het 
terrein, waarover die hooge jurisdictie „van 's heren weghen" zich 
uitstrekte. Dit terrein, dat oorspronkelijk veel uitgestrekter zal 
geweest zijn, was in de tweede helft der 14de eeuw, waaromtrent 
de rechtsbronnen te Leiden overgebleven S) ons inlichten, beperkt 
tot zaken van moord en zware „leemte" (verwonding), terwijl 
opstand tegen het grafelijk gezag door 's Graven Raad zelf gestraft 
v/erd, gelijk deze tusschenbeiden kwam als het stedelijk bestuur 
onmachtig bleek tot handhaving van rust en orde 6). De baljuw 
zat als opperrechter voor Leidsche burgers in zijn rechthuis 7) 
terecht met den burggraaf en het gerecht van Leiden 8) en spande 
de vierschaar „van den hoechsten rechte" over den van misdrijf 
betichten burger juist zoo als hij voor de dorpen van Rijnland de 
dorpers met zijn „welgeboren mannen" berechtte, dus volgens het 
in Rijnland geldende recht. 

Het spannen van de vierschaar door den baljuw zal in de 



1) Vgl. Nortier, Bijdrage tot de kennis van het burgerlijk proces binnen Leiden, blz. 9. 

2) Vgl. S. van Leeuwen, Costumen van Rijnland (Leyden en Rotterdam, 1667). 

3) Oorkdb. I, blz. 246. Zie boven, blz. 21, log. 

4) Fruin, Verspr. Geschr., dl. VI, blz. 321; Fockema Andreae, Bijdragen tot de Nederl. 
Rechtsgeschiedenis, IV, blz. 369 vlg. 

5) Het zijn, behalve de losse oorkonden, de Zoenboeken sedert 1370; het Stedeboek, 
dat in denzelfden tijd begint; de Keurboeken, iets vroeger aangevangen. Vgl. Leidsche 
Rechtsbronnen, blz. VIII en IX. 

6) Zie boven blz. 92 en 129 vlg. 

7) Zie boven, blz. 53. 

8) Dit is in deze functie schout en schepenen alleen, niet de burgemeesters of raden. 



224 

14^^^ eeuw ook te Leiden nog wel geheel geschied zijn over- 
eenkomstig de oud-Germaansche rechtsgebruiken, die den grond- 
slag uitmaken ook van de nog eeuwen later in gebruik gebleven 
„dingtalen", de overoude plechtige formules, volgens welke de 
verschillende rechtshandelingen in vaste volgorde plaats hadden, 
ten einde ze zooveel mogelijk aan de willekeurige opvattingen van 
den rechter te onttrekken en dus de rechtszekerheid te vergrooten. 
Ook hier zal de baljuw met de opgerichte roede in de hand zittend 
op zijn rechterstoel tot de schepenen de plechtige vragen over 
den tijd van den dag en de plaats der handeling hebben gericht, 
voordat zij zich zetten op de zodenbanken ^), die de „vierschaar" 
vormden, en zonder welke en welker in vaste formules, terugslaande 
op de zijne, door schepenen uitgebrachte beantwoording geen rechts- 
spraak wettig geacht werd. De baljuw zal, gelijk later de schout ^), 
als hij „van mijn genadighen heren van den hoechsten rechte" 
recht sprak, gezorgd hebben „alsoe goets tijts voer den middach" 
in zijn rechterstoel te gaan zitten, dat hij, volgens de oude voor- 
schriften recht mocht doen; hij zal „de bancke alsoe beset" hebben 
als noodig was ; hij zal stilte geboden, den „gerichtsvrede ghebannen" 
hebben ; hij zal van schepenen gevraagd hebben een vonnis, of hij 
alles naar behooren had voorbereid en volgens recht onderzocht, 
wat tot een goede rechtspraak behoorde; daarna zal hij de aan- 
klacht in even plechtige woorden hebben geuit en, nadat de schuld 
van den aangeklaagde gebleken was, het vonnis, dat bij de mis- 
daad paste, „eenwerf, anderwerf, derdewerf" hebben geëischt en het 
van schepenen hebben verkregen; eindelijk zal hij dit vonnis op 
plechtige wijze hebben uitgesproken, nadat schepenen zich volgens 
hun plicht hadden vergewist, of „de sonne haer hoechste ghedaen 
heeft van den daghe". Eerst dan kon namelijk het vonnis, hetzij de 
doodstraf, hetzij ballingschap, hetzij boete opleggend, wettig gewezen 
worden. 

Zoo ongeveer moet de terechtzitting hebben plaats gehad, waarbij 
in 1395 Hannekijn Clawert, Colijn Jansz., Thomaes Jansz. en 
Hannekijn die Enghelsche tot den dood „mitten swaerde ende 
mitten rade" veroordeeld werden inet medewerking van het Leidsche 
gerecht 3). Onder geleide van den schout werden toen de gevangenen 



1) Baljuwrekening 1395/6 (Rijksarchief) waar melding gemaakt wordt van het leggen 
van 300 zoden „upter vierscaer", met „pricken" daarop vast gemaakt om te dienen voor 



„seedzen". Zie boven blz. iio. 



a) Vgl. Orlers, Beschryvinge, blz. 37 vlg. 
3) Baljuwrekening 1395/6, 1397/8. 



225 

uit den „carcer", waar de „stienwaerder" ^) hen bewaard had, door 
een gehuurden „scipman" met „die ghereescip" naar de „galghe" 
buiten de stad gevoerd, waar de uit Haarlem ontboden ervaren 
„stocker", zekere „meester Jan" — Leiden had toen blijkbaar geen 
ambtenaar van die soort — de vier masten en vier „wylen" liet 
opstellen, de 32 „sparren" door een timmerman aan de raderen liet 
spijkeren en scherpen. Toen werd het vonnis : onthoofding, gevolgd 
door radbraking met tentoonstelling der gebroken ledematen op 
de gepunte sparren, voltrokken aan de eerst nog met een „stoep 
wijn" verkwikte misdadigers. Daarna vertrok de beul, met twee 
paar handschoenen en 8 pd. holl. voor loon en reis- en verblijf- 
kosten begunstigd, weder te wagen naar Haarlem. 

Zoo moet ook ongeveer „de hellebreker" berecht zijn, die in 
tegenwoordigheid van hertog Albrecht zelven met vrouw en zoon 
op 18 Jan. 1392 te Leiden onthoofd werd 2). Zoo moet in 1396 
gehandeld zijn met Aerntkijn Burchartsz, toen hij aan de galg 
berecht werd, en met Copsnel, toen hij in tegenwoordigheid van 
de heeren van Arkel, van Egmond en Commengijs door meester 
Jan „ontlijfd" werd 3). 

Van zulke door deze rechtbank geslagen doodvonnissen zijn 
slechts enkele berichten tot ons gekomen in de Baljuwrekeningen 
van Rijnland 4), waar van de kosten der terechtstellingen melding 
wordt gemaakt. Daarentegen hebben wij meerdere aanteekeningen 
van de door deze vierschaar uitgesproken zoenen, waarbij het 
„zegghen" zich bepaalt tot geldboete, verbanning enz. Tusschen 
1370 en 1390 gebeurde dit laatste gemiddeld eens per jaar 5), 
waarbij ook nog de enkele gevallen gerekend moeten worden, dat 
de schepenen der stad, volgens het oudste privilege bij staking 
van stemmen ^) of verlegen met eene zaak, die men „wat duyster 
vont" 7)j zich tot den baljuw begaven om zijn raad of beslissing 
in te roepen, welke gang „ten hove" van den baljuw, de „hof- 



i) Zie boven, blz. 54. Zij hadden ondanks de boeien, waarin zij „beslaghen" waren, 
nog getracht te ontsnappen door „uutbreecken" van eenige planken „uyt den vanghen- 
huyse". 

2) Stadsrekening 1392. 

3) Baljuwrekening 1396/7. 

4) Rijksarchief, een bundel uit verschillende jaren van de 14'ie eeuw. 

5) Vgl. Zoenboek A (aanhangsel) en Stedeboek over deze periode. Het zijn zes ge- 
vallen van moord en zestien van leemte, die daarin over dit tijdvak als „gezoend" voor- 
komen. 

6) Zie boven, blz. 27. 

7) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 18. 

15 



226 

vaert", evenwel zeer zeldzaam werd gedaan, daar men erop uit 
was zijn invloed op stadszaken zooveel mogelijk te beperken. 
Een enkele maal werd in gevallen van dergelijken ernstigen aard 
de zoen door het gerecht alleen uitgesproken, wanneer namelijk 
de zaak „an den gherechte ghebleven" was, natuurlijk met toe- 
stemming van den baljuw. 

Zulk een door „die bailiu van sheren wegen", burggraaf en 
gerecht van Leiden getroffen zoen ^) was die naar aanleiding van 
den moord op Hughe Ghibenen, waaraan Jan Gheret Florenssoen 
schuldig bevonden was. Op oud-Germaansche wijze werden de 
„maghen" van beide zijden, die van den moordenaar en die van den 
vermoorde, met elkander verzoend en wel op deze voorwaarden. Jan 
zou vooreerst loo zielmissen moeten laten lezen voor de rust van 
Hughe's ziel en bovendien „cloesterwinninghe te doen twisken 
Mase ende Zipe, alse zedelec ende woentelec is," d. i. ^) naar de 
Hollandsche abdijen te Loosduinen, Koningsveld (bij Delft), ter 
Lee 3) (Leeuwenhorst), Rijnsburg en Egmond moest hij een 
„goeden" man zenden ten einde de heeren of vrouwen van het 
klooster te verzoeken, natuurlijk tegen goede betaling, de ziel 
van den doode op te nemen in hunne broeder- of zusterschap, 
waarvan „betoech" moest worden ingeleverd zoo goed als van de 
gelezen zielmissen. Verder moest Jan met lOO man een „voetval" 
doen voor de beleedigde familie en met 50 man haar leenhulde 
bewijzen. Als boete werd hem bovendien de betaling van 1000 pd. 
hoU. opgelegd, waarvan 120 pd. als „voirsoen" gedeeld moest 
worden door den baljuw, den burggraaf, het gerecht en 4 van de 
magen des dooden; 50 pd. als „erfsoen" ten behoeve der erfge- 
namen, van wie de broeders en zusters van Hughe 20 pd. kregen ; 
100 pd. werd als „maechsoen" aan de magen toegekend; 140 pd. 
door de rechters toe te kennen aan hen, „dies best wairdich sijn" ; 
50 pd. aan Hughe's dochter, kleinere sommen aan andere met 
name genoemde verwanten, 10 pond aan den schout van Leiden 
„voir sijn cost", 140 pd. aan den graaf, 60 pd. aan baljuw en 
burggraaf ieder, 70 pond aan elk der schepenen „voir haren cost" ; 
het overige aan andere belanghebbenden „ter wisinghe" der rechters. 
De betaaldagen werden aangewezen met bepaling, dat de rechters 
op den eersten betaaldag moesten afbetaald worden; geschiedde 
de betaling niet volledig, dan moest het verlies verder pondsponds- 



i) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 27. 

2) Matthijssen, Rechtsboek, blz. 225. 

3) Bij Matthijssen is verkeerdelijk gedrukt: „Ter Loe". 



327 

gewijze („na sineii ghelde even ghelijc") worden gedragen. De 
oorvede („overeet"), de eed van geheel voldaan en verzoend te 
zijn, die het gansche geval moest beëindigen, moest op den laatsten 
betaaldag schriftelijk worden overgegeven. Op dergelijke wijze 
werd in 1392 ook de doodslag op Jan Hellebreker begaan, gezoend ^) 
met 200 zielmissen, kloosterwinning, voetval en overeed benevens 
betaling van 449 pd. en voldoening van den baljuw en den burg- 
graaf „mid ghevoeghe jof mid recht", wat ook wel op betaling zal 
zijn uitgeloopen. 

Een enkele maal veroorloofde de graaf zich in de stad de 
„waerheyt'' te „besoecken" of te „ondervinden", gelijk hij op het 
platteland in belangrijke crimineele gevallen placht te doen. Dan 
werden commissarissen benoemd, die zich naar de betrokken plaats 
begaven en er een getuigenverhoor deden plaats hebben, hetwelk 
ter vierschaar schriftelijk werd ingebracht 2), Voor Leiden is 
ons slechts één geval van dien aard bekend geworden, uit 1300, 
toen de bij 's graven afwezigheid het bewind voerende landsregeering 
met Leiden overeenkwam gedurende korten tijd, van St. Maarten 
tot Kerstmis, „ter waerheyt" te mogen optreden tot onderzoek 
naar „misdadighe luyden", met uitdrukkelijke bepaling, dat daarna 
de stadsrechten weder geldig zouden zijn 3). 

Alleen in twee gevallen 4) werd ook in de steden 's heren 
„waerheyt" ondervonden: in geschillen, waarin zoowel vreemde- 
lingen als poorters betrokken waren of waarin poorters buiten het 
stadsgebied gemoeid waren, en wanneer het stedelijk gerecht de 
zaak niet ten einde kon brengen. Maar ook dan „besit" de graaf of 
wie hem vertegenwoordigt, de baljuw, de „waerheyt" alleen met de 
schepenen der stad zelve. 

Buiten de hooge jurisdictie en de gevallen, waarin men vrij- 
willig „te hove" voer, hadden de burgers van Leiden met den 
baljuw als rechter niets uit te staan. Ten platten lande mocht 
deze de overoude rechtspraak in het „burenghericht" met den 
oud-Frieschen „azighe", den rechtskenner, met den schout van het 
ambacht en de „geburen" uitoefenen, in de stad had hij de 
gewone dagelijksche rechtspraak, de lagere jurisdictie, aan schout 
en schepenen over te laten. De schout moest hem evenwel jaarlijks 



i) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 35. Staat deze zaak misschien in verband met de 
berechting van „den hellebreker", waarvan boven sprake was ? 

2) Vgl. Fruin, Verspr. Geschr., dl. VI, blz. 327 vlg. 

3) Zie boven, blz. 39. 

4) Fruin, 1.1., blz. 342. 



228 

rekening komen afleggen i) van de opbrengst der „smaele" boeten, 
die den landsheer toekwamen ook uit de lagere jurisdictie, met name 
uit de toepassing der stadskeuren en naar aanleiding van die zaken, 
„die men niet wel mitten recht verwinnen en mach" maar die 
door „dading", minnelijke schikking, tot een eind werden gebracht. 
De baljuw zelf legde daarvan, gelijk van zijn gansche financieele 
beheer, weder jaarlijks rekening af aan daartoe aangewezen leden 
van den grafelijken Raad in Den Haag: deze ^) „hoorden" zijne 
rekening, die ook schriftelijk werd ingediend, „af, d. i. lieten zich 
deze door hem of zijn vertegenwoordiger voorlezen, en hechtten dan 
aan de aldus gedane verantwoording, soms dadelijk, soms na 
opmerkingen of wijzigingen, hunne goedkeuring. Eerst onder de 
Bourgondiërs zou een behoorlijk ingerichte Rekenkamer deze taak 
overnemen. 

Het belangrijke privilege van 24 Juli 1434 2)^ waarbij aan schout 
en schepenen van Leiden door Philips van Bourgondië werd toe- 
gestaan „voirtan van onser weghen" recht te doen „sonder onsen 
Baliu van Rijnlandt dairby te wesen of dairover te roepen als 
hy tot desen dage toe geweest heeft", bracht ook de hooge juris- 
dictie in de stad ten volle aan de stedelijke rechtbank, welker 
voorzitter, de schout, voortaan zelf in functie zou mogen dragen 
„een roede in sijnre hant in een teycken van kennessen". 

Voor de lagere rechtspraak in Leiden vóór 1434 hebben wij 
meer gegevens dan voor de hoogere. De handvesten en privilegiën, 
zorgvuldig bewaard als zij van ouds werden 3), zijn voor een groot 
deel in het origineel of anders in vrij goede afschriften tot ons 
gekomen; de stadskeuren zijn sedert omstreeks 1360 in de Keur- 
boeken opgeteekend ; het Stedeboek bevat in zijn bonte verzame- 
ling aanteekeningen behalve losse keuren ook eenige belangrijke 
uitspraken van het gerecht ; de Zoenboeken 4) teekenen de getroffen 
zoenen aan ; een aantal oorkonden bevatten gegevens voor de 
rechtspraak van schout en schepenen. Toch is het ook ten opzichte 
van deze rechtspraak niet mogelijk haar in bijzonderheden na te 
gaan, daar wij met dat al toch slechts zeer fragmentarisch daarom- 
trent ingehcht zijn. 



i) Zie de Baljuwrekeningen, passim. 

2) Van Mieris, Charterboek, IV, blz. 1044. Zie boven, blz. iio en 115. 

3) Zie boven, blz. 39. 

4) Loopende voor deze periode over de j;iren 1370 — 1390 en 1390 — 1443. Vgl. mijne 
bloemlezing daaruit in Leidsche Rechtsbronnen, blz. i — 59, uit het Stedeboek, blz. 63—68. 



229 

De gewone „dingdag" van schout en schepenen te Leiden was 
oudtijds de Zaterdag geweest. Misschien wegens de overgroote 
drukte op dien marktdag i) stelde de graaf den rechtsdag in 1303 
op Dinsdag „om gemeen oirbaer onses landts ende onser poorte 
van Leyden" 2). Dan werden de gewone civiele zaken behandeld, 
die voorkwamen. Men kon er overdracht van eigendom, ook 
elders gelegen, voor schepenen doen plaats hebben, inventarissen 
laten vaststellen, testamenten doen bezegelen of herroepen, in 
het kort alles behandeld krijgen, waarbij men rechterlijke sanctie 
krachtens de keuren of wetten noodig had of deze zonder meer 
wenschte, en daarvan bezegelde „schepenbrieven" verkrijgen, door 
den „clerc" of zijn ondergeschikten geschreven. Dan werden ook 
de uit overtreding der stadskeuren voortvloeiende boeten opgelegd, 
andere zaken van „correxie" behandeld en zoenen tusschen twis- 
tende partijen uitgesproken. 

Het is duidelijk, dat bij de toeneming der bevolking en van het 
verkeer in Leiden in de tweede helft der 14de eeuw daar één 
wekelijksche rechtsdag niet meer voldoende kon blijven. Wij zien 
dan ook in de Zoenboeken de schepenen, of ten minste eenige 
van hen, ook op andere dagen van de week werkzaam, maar toch 
voor de in die boeken aangeteekende zaken hoogstens slechts 
eenmaal per week meer, dan eens op den eenen, dan weder op 
den anderen werkdag. Men dient daarbij nog in het oog te houden, 
dat de schepenen, hoewel door raden of burgemeesters bij het 
stadsbestuur bijgestaan, toen bovendien nog een aanzienlijk aandeel in 
dat bestuur hadden. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, 
dat wij uit een aantal oorkonden kunnen zien, dat de meeste 
zaken door twee schepenen worden afgedaan, terwijl het geheele 
college slechts in de belangrijkste zaken voorkomt. Reeds in het 
oudste privilege zien wij aangewezen, dat voor een aantal zaken 
de aanwezigheid van twee schepenen voldoende geacht wordt 3). 

Een drukke werkzaamheid dus, waarbij wij sedert om.streeks 
1373 de „scepenmeesters" 4) ontmoeten, telkens twee s), onmiddellijk 
na de schepenkeuze op St. Jacob (25 Juli) optredend en waar- 
schijnlijk belast met het afdoen van bepaalde zaken van gerech- 



I) 


Zie boven, blz. 198 vlg. 




2) 


Van Mieris, Charterb. II, blz. 32. 




3) 


Zie boven, blz. 27. 




4) 


Zie boven, blz. 138. 




5) 


Zoenboek A fol. 20'", 49, 66, 70'", 80^°, 86-", 


lOl" 



230 

telijken aard en met de inning der aan schepenen toekomende 
boeten ^) en voor hunnen meerderen arbeid door eene buitengewone 
vergoeding van stadswege schadeloos gesteld. 

Behalve den gewonen dingdag en de andere rechtsdagen kende het 
Leidsche recht nog het „poortding", niet alleen, zooals in Haarlem, 
Delft en Dordrecht ingesteld ter berechting van zaken over bezit 
van onroerend goed 2) — dit wordt ten minste in de hierover 
handelende keur 3) in het geheel niet vermeld, wat echter de zaak 
zelve niet uitsluit — maar ook van schuld, waarvan geen schepen- 
brieven voorhanden zijn, van „onbekende" schuld 4). Viermaal per 
jaar had men zulk een poortding : op Maandag na St. Pontiaan 
(14 Jan.), op Maandag na Beloken Paschen, op Maandag na 
St. Jacob (25 Juli), op Maandag na Allerheiligen (i Nov.) werd 
met het poortding begonnen en drie dagen achtereen, de „aften 
dagen" of wettige dagen 5), werd daarmede voortgegaan, tenzij 
er een heiligendag op een dier dagen viel, in welk geval men 
den naasten werkdag erbij nam, mits dien dag „ten hove" 
van den baljuw niet werd rechtgesproken en het geen marktdag 
in de stad was. 

Hoe het op het poortding of op den gewonen rechtsdag toeging, 
is ons niet bekend: de oude Keurboeken — het eerste geregeld 
ingerichte is van 1406, maar de bepalingen zijn grootendeels 
overgenomen uit het oudere van omstreeks 1360 — bevatten slechts 
betrekkelijk weinige artikelen ^) van gerechtelijken aard, die dan 
soms nog verre van duidelijk mogen heeten, terwijl wij van de 
toepassing ervan slechts zeer onvoldoende onderricht zijn bij gemis 
aan de gerechtsboeken. Zooveel is zeker, dat geen poorter voor den 
rechter, voor den „dincstal", op of „voir der stede hues", behoefde te 
verschijnen, wanneer hij niet behoorlijk ten aanhoore van ieder op den 
„Blauwen Steen" 7) door dezen op verzoek van den aanklager gedaagd 
was 8) : bij ontbreken van deze daging mocht men weigeren op te 
komen en de aanklager kreeg boete. De schout zelf was verplicht de 



1) In 1358 wordt een „rentmeester"' van schepenen genoemd (Cartul. Hoogl. Kerk, 
fol. 61). 

2) Vgl. Fruin, Verspr. Geschr. dl. VI, biz. 238, 243, 245 vlg. 

3) Kb. 1406, Bk. III, n". 6, vgl. Kb. n'. 3, n°. 127. 

4) Fruin, 1.1. blz. 247. 

5) Fruin, 1.1. blz. 385 vlg. 

6) Dit Keurboek bevat in Bk. III „van der vierscaer, pandinghe, scepenbrieve", slechts 
24 artikelen, in Bk. IV „van wapen, vechtelic, vreden" slechts 26. 

7) Zie boven, blz. 49. 

8) Kb. 1406, Bk. III, n". 10. 



231 

overoude rechtsvormen stipt in acht te nemen, zoowel bij de leiding 
van de zaak als in het bijzonder bij zijn eisch; anders kon de 
beklaagde niet gestraft worden ^). De beklaagde, „hi si poirter of 
landman", mocht altijd een „tael-" of „talman", advokaat, nemen, 
„die syne tale hout" ; deze behoefde geen stedeling te zijn ^). 
Wanneer de schout iemand den eed oplegde om voor schepenen 
te zeggen wat hij wist, was men verplicht onder eede te getuigen 3). 
Wie tegen de keuren handelde, kon door den schout alleen voor 
schepenen beboet worden 4). Wanneer iemand, een vreemdeling, 
iets binnen de vrijheid der stad misdreven had, waarvoor hem 
boete kon worden opgelegd, terwijl hij geen huis had binnen 
Leiden, waarop men eventueel beslag („beset") kon leggen, en 
hij de stad had verlaten, kon hij door den rechter ten overstaan 
van twee schepenen gedaagd worden op den Blauwen Steen, 
terwijl de stadsbode deze daging moest bekend maken in de kerk 
van de stadsparochie, waar het misdrijf had plaats gehad 5). Binnen 
jaar en dag moest de schout de boeteschuldigen aanspreken ; anders 
behoefden zij de opgelegde boete niet te betalen, waren zij „dairof 
quyt" 6). Beslag in geval van schuld, „beset", mocht alleen op de 
persoon of het goed van den wanbetaler gelegd worden, als de 
klager voor den stadsbode, dien hij in de vaste daarvoor aan- 
gewezen vormen beslag liet leggen, en voor (twee) burgers ver- 
klaarde, hoe groot zijne vordering was 7); de gearresteerde 
wanbetaler moest of bij den stadsbode in bewaring blijven tot den 
dag, waarop hij voor het gerecht moest verschijnen, óf borgstellen 
„bi daghes sonnenscijn'' ; „ontghaet" hij den bode, dan verbeurt 
hij 40 pd. De niet-poorter mocht den poorter niet aanklagen dan 
voor schepenen, „up sinen rechten dincstal" ^), terwijl de poorter 
den niet-poorter mocht beklagen of hem of zijn goed doen 
arresteeren, „soe wien hi wil'' ; geen poorter mocht een ander 
poorter buiten de stad aanklagen en hem of zijn goed doen 
arresteeren dan voor de stadsschepenen zelve, „soe men up enen 
poerter sculdich is te doen" 9). Alle „lijfscoude", schuld voor 



1) ib. n°. II. 

2) ib. n'. 12. 

3) ib. n°. s 

4) ib. n°. 2 

5) ib. n°. 3 

6) ib. n°. 4 

7) ib. n\ 7 

8) ib. n°. 8 

9) ib. n°. 9 



232 

levensonderhoud gemaakt, moest door man of vrouw op aanmaning 
van den bode betaald worden „voir hair doer" met geld of pand 
of met belofte van betaling, gedaan voor den stadsbode. Werd 
pand aangeboden, dan zou de bode twee poorters mogen vragen 
het pand te schatten ^). 

Het schuldrecht was, zooals in een stad van handel en markt- 
verkeer te verwachten is, betrekkelijk in de Keurboeken nog al 
uitgewerkt 2). Schepenbrieven, die men aangaande geldschuld liet 
opmaken, bleven van kracht jaar en dag na den laatsten betalings- 
termijn, die in den brief vermeld werd; wanneer zij onmondige 
kinderen betroffen, bleven zij „in hoire macht" een jaar nadat de 
kinderen — op hun ly^^ jaar — „selfmondich" waren geworden; 
borgtocht bleef in dezen echter geldig, zoolang de borg niet 
ontslagen was van zijn verplichting. Bij testament 3) mochten man 
en vrouw elkander niet meer „bespreken" dan van ouds recht 
was, tenzij het testament door twee schepenen en door poortmeesters 
met het stadszegel bezegeld was; evenmin mocht een erfgenaam 
meer dan andere erfgenamen bij testament bevoordeeld worden, 
wederom tenzij het testament op die wijze bezegeld was. 

Het recht van vrouwen was zeer beperkt. Zij moesten zich, als 
onmondigen, in rechten laten bijstaan door een „ghecoren mom- 
boir", een voogd. Dat van vreemdelingen kenmerkte zich over het 
algemeen hierdoor, dat hun op korten termijn recht werd gedaan 
en dat hun recht niet zoo groot was als dat van den poorter; 
vooral gold dit ten opzichte van vreemdelingen, die zich niet 
konden beroepen op eigendom in de stad en op wie men dus 
weinig verhaal had. 

Deze en enkele andere in de Keurboeken opgenomen bepa- 
lingen wijzen aan, hoe reeds het recht in bijzonderheden, hoewel 
nog in een weinig gesloten systeem, begon geregeld te worden, 
al werden die bepalingen telkens blijkbaar eerst naar aanleiding 
van voorkomende gevallen gemaakt en gold overigens ook in de 
stad het recht van Rijnland 4), 



x) ib. n''. 15. 

2) ib. n". 17 vlg. 

3) ib. n°. 21/2. 

4) Dit laatste is in deze richting nog weinig door onze juristen stelselmatig onderzocht, 
ten minste voor deze periode. Vgl. in het algemeen Fockema Andreae, Oud-Nederl- 
Burgerlijk Recht (Haarlem, 1906). Het boekje van Nortier, Bijdrage tot de kennis van 
het burgerlijk proces in de isde eeuw (Leiden, 1874), is uit de latere Kenningboeken ge- 
trokken. 



233 

De rechtspraak der Leidsche schepenen had buitenaf een goeden 
naam. De stadsrekeningen uit het begin der 15de eeuw maken 
herhaaldelijk melding van de komst van vreemde schepenen te 
Leiden „om raet van vonnessen", ter „hofvaert'', zooals men placht 
te zeggen. Bij het in 1355 aan Weesp geschonken privilege i) was 
zelfs bepaald, dat het in moeilijke gevallen in de eerste plaats te 
Leiden („oft daer sijs beste wijs mogen werden binnen onsen 
lande") vonnis moest halen. Andere steden hadden in dat opzicht 
geheel de vrije keus en het pleit voor de Leidsche schepenen, dat 
wij b.v. tusschen 141 3 en 1425 herhaaldelijk die van Gouda, Alkmaar, 
Delft, Haarlem, Naarden, Rotterdam, misschien zelfs Den Briel, dat 
toch wel wat ver af lag, hier „om vonnesse" zien komen 2). Voor 
het uit Rijnland losgemaakte Leiden zelf was de rechtbank van den 
baljuw de aangewezen plaats voor „hofvaert", waarbij dan wel 
deze met zijn „welgeboren mannen" de vierschaar heeft uitge- 
maakt, daar het moeilijk aan te nemen is, dat schepenen zelf 
onder zijne leiding alleen beter tot een vonnis meenden te kunnen 
komen dan onder die van den schout, al is dit niet geheel 
uitgesloten. 

Een geheel afzonderlijk boek wordt in het Keurboek van 1406 
volgens het opschrift gewijd aan „wapen, vechtelic, vreden", aan 
de handhaving van rust en orde in de stad, welke ook reeds in 
het oudste privilege als eene der gewichtigste functiën van 
schepenen was aangemerkt en vrij uitvoerig was geregeld 3). De 
bepalingen in het Keurboek breiden uit wat er in dat en de latere 
privileges was aangegeven. Terwijl daar in hoofdzaak het begrip 
„matewonde" was behandeld, werd in de latere keuren vastgesteld, 
dat het lemmet van een gedragen wapen niet langer mocht zijn 
dan V2 el behalve voor het „ghesinde" van den graaf, van diens 
kinderen en van den burggraaf 4) ; iedere waard moest zijn gasten 
langere wapens doen afleggen ; het trekken van een geslepen 
wapen, het bij een opstootje komen met lansen, scherpgepunte 
stokken, pieken, hand- of voetbogen was op zware boete verboden s) ; 



i) Van Mieris, Charterboek, II, blz. 849. 

2) Overvoorde, in Leidsch Jaarb. 1909, blz. 45 vlg. Vgl. nog het vonnis gegeven aan 
het gerecht van Monster: Leidsche Rechtsbronnen, blz. 28. 

3) Zie boven, blz. 27. De oudere Correctieboeken, die hierover nog meer licht zouden 
kunnen verspreiden, zijn verloren gegaan ; het oudste, dat wij bezitten, loopt van 1434 af. 

4) Kb. 1406, Bk. IV, n°. i. Bijna al deze artikelen zijn uit het een halve eeuw oudere 
Kb. n°. 3 overgenomen. 

5) ib. n°. 2/3. 



234 

beleediging met woorden in tegenwoordigheid van het gerecht, een 
ander werpen met water of sneeuw, vooral met steenen of metalen 
werptuigen werd streng gestraft ^); nog strenger natuurlijk het in 
een stad met zooveel grachten voor de hand liggende in het water 
werpen van zijn tegenstander, waarop lo pd. boete gesteld was 2), 
het maximum van boete, waartoe schepenen mochten veroordeelen ; 
gekijf van vrouwen werd gestraft door de schuldige „den stien", 
een zwaren om den hals gebonden steen, te laten dragen, van den 
Blauwen Steen tot de poort of barrière, waar zij het dichtst bij 
woonde, en weder terug 3). 

Bij alle geldboeten was een gedeelte als emolument bestemd 
voor de schepenen zelf, de zoogenaamde „ritsoenboeten" 4). De 
boeten werden namelijk oorspronkelijk gelijkelijk verdeeld tusschen 
den graaf en den burggraaf, wier aandeel jaarlijks door den schout 
werd afgerekend s), en de schepenen, die dus gezamenlijk ','3 ont- 
vingen. Later in de 14de eeuw zien wij den graaf de helft kregen, 
burggraaf en de gezamenlijke schepenen ieder W In het Keurboek 
van 1406 6) werd vastgesteld, dat voortaan de schepenen, behalve 
hun aandeel in de lakenuitdeelingen aan het gerecht, alle boeten 
van 12 en 18 schellingen zouden ontvangen, terwijl alle overige 
„vervalle" aan de stad zouden komen. Veertien dagen na St. Maarten 
(11 Nov.) moest de schout zijne rekening hebben gedaan en het 
verschuldigde hebben betaald 7). 

Zeer uitvoerig 8) was de instelling van den vrede bij keur 
geregeld. Deze overoude, reeds in de dagen van Karel den Groote 
vrij wel geregelde instelling had ten doel bij heftigen twist of 
handgemeen de twistenden door tusschenkomst van het gerecht 
gedurende zekeren tijd uit elkander te houden ten einde het 
verschil langs gerechtelijken weg of bij minnelijke schikking op te 
lossen 9). Oorspronkelijk mocht alleen de baljuw of de schout dit 
doen, in tegenwoordigheid van (twee) schepenen ^°), maar bij het 
privilege van 1306 wordt het toegestaan aan baljuw, schout of 



I) 


n'. 4. 5. 7- 


2) 


n°. 6. 


3) 


ib. n°. 8. 


4) 


Vgl. Middeln. Wdb. i. v. rantsoen. 


5) 


Zie boven, blz. 228. 


6) 


Kb. 1406, Bk. 11, n°. 8. 


7) 


ib. n°. 3. 


8) 


ib. n°. 9 vlg. 


9) 


Zie boren, blz. 27 ; Fruin, 1.1. blz. 284 vlg, 



10) Privilege 1266. Zie boven, blz. 26. 



235 

schepenen zonder meer, later ook aan den raad of burgemeester 
of zelfs aan ieder, die lid van het gerecht geweest was ^). 

De gang dezer rechtshandeling is als volgt. De vreder begeeft 
zich tot ieder der beide twistende partijen en „vermaent" hen 
voor zekeren tijd „eens vreden eenwerf, anderwerf ende derdewerf 
als een wittich man sculdich is enen rechten hantvrede te houden", 
en „wairt'' (handhaaft) hen dezen, totdat hij dien „wedersegt 
mitten monde" 2). Partijen antwoorden bij handslag: „ie gheef u 
den vrede"; weigert een harer, dan wordt de wederspannige door 
schepenen tot het maximum van boete, 10 pd., veroordeeld, terwijl 
hem ten overstaan van twee poorters wordt „gheboden", den 
vrede te houden „up sijn lijf ende up sijn goet." Bij afwezigheid 
van een der partijen, als „die hantdadighe over side gaet, dat 
men niet en weet te vinden", dan wordt hem de vrede na 
„eyschen bi sinen name" thuis voor zijn deur, „up sinen dreppel", 
aangezegd „ende doent twie van den buren te weten, dat sijt hem 
segghen moghen, als hi thuys comt" 3). Loopt een schuldige ijlings 
weg bij de komst van den vreder, als er een twist of gevecht plaats 
heeft, dan volgt de vreder den „loper" of „scuulre" zes „sijnre 
treden", roept hem luide na bij zijn naam en vermaant hem ten 
overstaan van twee goede getuigen driewerf tot vrede ; komt hij 
dan in het geheel niet, dan gebiedt de vreder hem den vrede te 
houden en beboet hem met 10 pd. ; komt hij later nog 4), dan 
is de vreder, die „den vrede an hem verniewen" moet, voldaan 
met eene boete van 5 pd., omdat hij hem „so langhe voirghinc". 
Wie den vreder „enich mistant doet" met woord of daad, moet 
dat beteren 5) zoo goed als ieder, die het gerecht in zijne functiën 
belemmert. Is de vrede gemaakt, dan moeten de twistenden „in- 
legghen" 6)^ in gijzeling gaan, en wel dadelijk („rechtevoirt"); 
heeft men een huis binnen Leiden, dan in zijn huis, anders in een 
herberg, als de waard het ten minste goed vindt ; een handwerksman, 
die in den regel slechts een weinig beteekenend eigendom had, moet in 
een herberg zijn intrek nemen, veertien dagen lang, en mag alleen op 
zijn „hiemwerf" gaan, blijkbaar om er het bepaald noodige werk te 
doen of te laten doen. De duur van den vrede is verschillend 



ï) 


Kb. 1406; Bk. IV, n". lo, 15, 22. 


2) 


Matthijssen, blz. 214. 


2) 


Kb. 1406, Bk. IV. n°. 20. 


4) 


ib, n°. 21. 


5) 


ib. n°. 22. 


6) 


ib. n°. 10 en ii. 



2^6 

maar wordt bij het vreden precies aangegeven; de partijen zijn 
gehouden hem voor dien duur te eerbiedigen, „sterven se leven se", 
tenzij de zoen eerder getroffen wordt, „ende dan is die vrede 
uut" i). Vreden, welker termijn verloopen is, kunnen viermaal 's 
jaars „verniewt'', verlengd worden: op Allerkinderen dag (28 Dec), 
Beloken Paschen (Zondag na Paschen), St. Jan (24 Juni) en 
St. Lambert {17 Sept.). Vredebreuk werd streng gestraft 2). 
Van de genomen vreden werd in een Vredeboek aanteekening 
gehouden 3). 

Het doel van den vrede was de beide partijen door een zoen 
voorgoed te bevredigen. Daarnaar werd dus in den tijd van den 
vrede door het gerecht gestreefd en in de Zoenboeken vindt men 
het resultaat van dat pogen opgeteekend. Bovendien staan daar 
ook de zoenen aangeteekend, die het gerecht, zonder dat er van 
het leggen van vrede gesproken wordt, tusschen partijen heeft gelegd. 

De voorwaarden van de getroffen zoenen zijn zeer verschillend 
naar den aard van het te beslechten geschil 4). Soms spreekt het 
gerecht na twisten, die zich tot het wisselen van scheldwoorden 
bepaald hebben, eenvoudig uit, „dat si wesen sullen an beyden 
siden goede vriende". Soms moet de beleediger zijn verontschul- 
diging aanbieden of wordt hij tot geldboete veroordeeld ; dikwijls 
is eene tijdelijke verbanning de straf of het doen eener bedevaart 
of wel het leveren van eenige duizendtallen steenen aan de stad 
ten behoeve van den bouw harer in dezen tijd aangelegde 5) muren. 
Bij het opleggen eener bedevaart naar een of ander bekend hei- 
ligdom, naar St. Yen wout bij Namen of naar Aardenburg in Vlaan- 
deren, naar O. L. Vrouw te 's Hertogenbosch of te Hall in Bra- 
bant, naar Parijs, Aken, Keulen, Lübeck, Einsiedeln, Wilsnack in 
Brandenburg, zelfs naar S. Jago di Compostella in Gallicië, naar 
Rome, naar het Heilige Graf te Jeruzalem, was de bedevaart- 
ganger verplicht een „betoech" terug te brengen, waarin de 
geestelijken van bedoelde plaats verklaarden, dat hij er werkelijk 
geweest was ^). Zulk een bedevaart was bij de toenmaals heer- 



i) ib. n°. 9. 

2) Vgl. Fruin, 1.1., blz. 292. 

3) Ook van deze Vredeboeken zijn slechts eenige uit het einde der i$^' eeuw voor 
tot ons gekomen. 

4) Vgl. de bloemlezing uit de Leidsche Zoenboeken, in mijne Leidsche Rechtsbronnen 
blz. I vlg. 

5) Zie boven, blz. 70 vlg. 

6) Vgl. Overvoorde, in Kerkhist. archief, IV, blz. 300 vlg. ; Leidsche Rechtsbronnen, 
blz. 24, 46 en 52. 



237 

schende onveiligheid een zware straf, waaraan niet gering levens- 
gevaar verbonden was, maar zij had voor den misdadige het 
voordeel, dat zij hem van alle schuld ook uit een zedelijk of 
godsdienstig oogpunt onthief. Dikwijls wordt een der partijen 
veroordeeld tot het „maken" van „een beloken hant" en wel 
met den eed, dat, met „dat hi dairin brenget" zijne tegenpartij 
„al volbetert" is, welke eed soms door eedvolgers versterkt wordt, 
die met hem zweren. Wat in die gesloten hand „ghebrocht" moet 
zijn, is soms aangewezen, soms niet : in den regel is het een 
geldsom, maar dikwijls ook een andere genoegdoening, een bede- 
vaart naar een heilige stede binnen of buitenslands of bij een processie 
„voir die crucen" te gaan „barvoet ende blootshoofts". De rechts- 
vorm schijnt speciaal Leidsch geweest te zijn en in verband te 
staan met de „manus promissa", de „beloofde" of „ghewedde 
hant", waarvan elders sprake is, maar zij is totnogtoe niet geheel 
verklaard ^). 

Voor elke zoen werd aan het gerecht een kleine vergoeding 
gegeven, meestal door het gerecht zelf vastgesteld. Het gerecht 
der stad legde partijen soms den zoen op ook zonder dat zij de tus- 
schenkomst ervan hadden ingeroepen, evengoed als het dit deed 
op verzoek der partijen. Zoenbraak werd ten strengste gestraft^ 
met verlies van hand of oor, dikwijls met den dood, een enkele 
maal met zware geldboeten, wat alles pleit voor het groote belang, 
dat naar algemeene opvatting met de zaak gemoeid was. 

Het stadsrecht gold voor een ieder, hij zij volgerechtigd burger 
of inwoner der stad, hij zij van hooge of geringe afkomst; het 
gold volgens het stadsrecht onder bepaalde voorwaarden ook voor 
den in de stad vertoevenden vreemdeling, hetzij hij in Rijnland, 
hetzij hij elders thuis behoorde, al zal deze in den regel wel ge- 
tracht hebben zich bij voorkomende gevallen op het recht van de 
plaats zijner inwoning te beroepen en meestal zijn pogen met 
succes bekroond hebben gezien; het gold ook voor den burger, 
al bevond hij zich buiten de stad, ja buitenslands, b.v. in Skonen 2) 
of in Calais 3). 

Slechts ééne categorie van burgers en inwonenden stond buiten 
het stadsrecht, de geestelijken 4). Reeds van ouds had de geeste- 



i) Vgl. Middeln. Wdbk. i. v. hant, gewet, beloven. Vgl. Overvoerde, 1.1. blz. 305. 

2) Zie boven, blz. 207. 

3) Zie boven, blz. 204. 

4) Vgl. Fockema Andreae, Het Oud-Nederlandsch burgerlijk recht, I, blz. 106 vlg. 



238 

lijkheid getracht hare leden aan de wereldlijke rechtspraak te 
onttrekken en in de 14^^ eeuw was zij daarin wel geslaagd. 
Algemeen, ook te Leiden, werd toen echter aangenomen, dat 
de geestelijke als zoodanig moest bekend staan. Was hij dit 
en droeg hij, zooals in het concordaat van 1434 tusschen Philips 
van Bourgondië en bisschop Rudolf van Utrecht stond, „cruyn" 
en „clerchabyten" en leefde hij „als een clerc sculdich is te 
doen", dan mocht hij wel door den wereldlijken rechter gevat 
worden, als hij vredebraak beging, vocht, dronken was of andere 
„ondaedelycke saecken"' deed, maar hij moest dan door de gees- 
telijke rechtbank van den provisor van Rijnland berecht worden ^), 
tenzij deze van dat recht afstand deed. Hij mocht echter ook wel 
als eischer of verweerder voor de burgerlijke rechtbank berecht 
worden en dan een vertegenwoordiger, een „voogd", kiezen. Zoo 
zien wij te Leiden zekeren broeder Jan Paridaen, die een burger 
had uitgescholden, door schepenen met dezen gezoend ^) voor zich 
en zijn „maghen ende hulperen". Een andere maal vinden wij de 
heeren van het Duitsche Huis met een aanzienlijk ridder gezoend, 
nadat zij bij hun twist „alijnghe ghebleven sien an den gherecht", 
dat dus blijkbaar vrijwillig door hen erkend was, wat overigens meer 
bij geestelijken voorkomt, ook bij overdracht van eigendommen 
door of aan hen, blijkbaar om meerdere zekerheid te verkrijgen. 

Zoo begon het stadsrecht zich meer en meer te ontwikkelen 
te gelijk met de ontwikkeling der stad als zoodanig ; het Appen- 
dix 3), dat welhaast ontstond naast het Keurboek van 1406, wijst 
steeds weder een iets verder stadium dezer ontwikkeling aan, die 
in de verdere Keurboeken der 15^^ en ló^e eeuw weder nieuwe 
phases doorloopen heeft. Meer en meer week het recht van den 
burger dus af van dat van den Rijnlander ; meer en meer ontgroeit 
het aan de oude Germaansche rechtsgebruiken en rechtsbeginselen, 
die met die van het langs allerlei wegen indringende Romeinsche 
recht, met die ontleend aan de behoeften der eigenaardige omgeving, 
waarin hij zich bevond, ten slotte het geheel van stadsrecht zouden 
vormen, waarop hij als passende voor zijn behoeften trotsch was 
en voor welks handhaving hij niet minder in de bres zou willen 
springen dan voor de privilegiën zelf, waarop het was gegrond. 



i) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 36. 

2) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 20. 

3) Keurboeken, blz. 469 vlg. 



HOOFDSTUK XI. 

DE STEDELIJKE GELDMIDDELEN. 

De stadsrekeningen, die ons uit den tijd tusschen 1392 en 1434 
bewaard zijn i), geven ons gelegenheid duidelijk te zien, hoe het 
geldelijk beheer der stad was ingericht, wat de poorter zoowel 
als de ingezetene zonder poortrecht aan de gemeenschap had te 
betalen. Daarbij zal blijken, dat ook Leiden gelijk andere Holland- 
sche steden toen de wegen had ingeslagen, die de steden van 
oudere herkomst zoowel in Frankrijk en Vlaanderen als in het 
Duitsche Rijk reeds lang te voren hadden gevolgd =). 

De raden, poort- of burgemeesters voerden op het einde der 
I4^e eeuw het financieele beheer der stad, terwijl schout en 
schepenen, het eerste stadsbestuur, zich reeds sedert lang niet 
meer daarmede inlieten 3), behalve in zooverre als de poortmeesters 
verplicht waren binnen eene maand na hun aftreden (St. Maartens- 
avond, 10 Nov.) rekening te doen van hun beheer 4). Dan ver- 
scheen ten stadhuize evenwel niet alleen het gerecht der stad 
maar kwamen ook op „veel goeder lude van der vroescip", ten 
einde kennis te nemen van wat er was ingekomen en uitgegeven, 
hetgeen natuurlijk de algemeene belangstelling wekte. Het ligt 
voor de hand, dat de geheele vroedschap daartoe was opgeroe- 



i) Wij bezitten er uit de jaren 1392, 1400, 1413, 1419, 1420, IA23, 1425, 1426, 1427, 
1430 en 1434 (Leidsch Archief j. 

2) Vgl. vooral Biicher, Der öffentliche Haushalt der Stadt Frankfurt, in Zeitschr. für 
die gesammte Staatswissenschaft Bd. 52 (1896); Kuske, Das Schuldenwesen der deut. 
schen Stadte im Mittelalter (Tübingen, 1904): Erganzungsheft XII der Zeitschr. für die 
gesammte Staatswissenschaft; De Calonne, Une ville (Amiens) au quinzième siècle (Paris, 
18S0); Van der Linden, Geschiedenis der stad Leuven (Leuven, 1899), biz. 82 vlg. ; 
Pirenne, Histoire de la ville de Dinant, p. 56 suiv., enz. 

3) Zie boven, blz. 140 vlg, 

4) Kb. 1406, Bk. II, n°. 5 ; vgl. Kb. n°. 3, n°. 25. 



240 

pen ï). Wat er te kort kwam („alle hoir ghebrec"), moest in die 
rekening worden aangegeven en verrekend ; verzuimden de reken- 
plichtigen dienaangaande iets op te teekenen, dan kwam dit later 
niet op kosten der stad maar hadden zij zelf de schade te dragen 2). 
Zij werden sedert 1398 af en toe bijgestaan door de homans, op 
wier werkzaamheid zij toezicht hielden en die in dit beheer allengs 
hunne plaats innamen 3), gelijk zij zelf vroeger de schepenen eerst 
hadden terzijde gestaan, daarna vervangen. 

Het is niet onwaarschijnlijk, dat burgemeester en homans jaar- 
lijks, zij het dan in het ruwe, bij het begin hunner werkzaamheid 
een soort van budget hebben opgemaakt en daarbij te rade zijn 
gegaan met wat hunne voorgangers in hunne rekening verantwoord 
hebben ; verder dan tot een vermoeden kunnen wij in dezen echter 
niet komen, daar er nergens eenige toespeling op zulk een budget 
wordt gemaakt. Het financieele beheer was intusschen zoo los 
geregeld, dat zulk een budget moeilijk meer dan een globale 
berekening kan geweest zijn. In ieder geval zullen zij alleen voor 
eigen gemak eene berekening omtrent vermoedelijke inkom- 
sten en uitgaven hebben gemaakt; verplicht waren zij er zeker 
niet toe, want de keuren noch de rekeningen maken er mel- 
ding van. 

De bestuurders der stadsfinanciën hadden te beschikken over 
tweeërlei soort van inkomsten, gewone en buitengewone. 

Tot de eerste kon men in de eerste plaats rekenen „der stede 
oude goeden ende renten", waarbij de volgende vaste posten 
moeten genoemd worden : 

a. De opbrengst van de verpachting der visscherij in de stadsvesten, 
welke evenwel sedert 135 1 ten deele als emolument aan het 
schuttersgilde was afgestaan 4). Men houde daarbij in het oog, 
dat de visscherij in den Rijn zelf, ook in dat deel der rivier, 
dat door de stad liep, den burggraaf toekwam s). 

b. De opbrengst van de verpachting der „stallen", staanplaatsen 
op de visch-, turf- en houtmarkt ^), in de Vleeschhal ^) en 
het Wolhuis. 



i) Zie boven, blz. 145. Aan het slot van andere rekeningen ook alleen de „vroescip". 

2) Kb. 1406, Bk. II, n^ 4, 

3) Zie boven, blz. 148 vlg. Hunne rekeningen zijn er uit 1426, 1427, 1434. 

4) Zie boven, blz. 167. Vgl. Stedeboek, fol. 289. 

5) Zie boven, blz. 83. Vgl. Bakhuizen van den Brink, Piscatio, blz. 192. 

6) Zie boven, blz. 199. 

7) Zie boven, blz. 52. 



241 

c. De opbrengst van de verpachting der waagrechten ^)', van de 
stedelijke wijnkraan ^), waarmede zware wijnvaten en ook andere 
goederen uit de schepen gelost moesten worden; van de van 
stadswege opgestelde ramen 3), waarop de lakens werden ge- 
droogd en onderzocht; van het strijkgeld voor het meten der 
lakens 4) ; van de boter-, linnen-, brood- en mudde- of koren- 
maat 5), het gebruik der geijkte stadsmaten bij het marktverkeer. 
Tot 1397 hadden bij deze categorie nog behoord de „dobbel- 
scoel" en de „quaecscoel" ^), waar onder leiding van een meester 
en onder toezicht van het gerecht gedobbeld werd ; dit werd toen 
echter bij stadskeur verboden 7) gelijk ook elders in dezen tijd 
dergelijke spelen verboden zijn 8). 

Deze verpachtingen hadden plaats op St. Pietersavond en wel 
door de burgemeesters, later door de homans ; voor de stallen ge- 
schiedde de verpachting in vier termijnen. Leden van het gerecht 
waren bij de verpachting uitgesloten. De pachters stelden borgen 
en hadden zich te houden aan de verpachtingsvoorwaarden, die 
in het Stedeboek waren aangeteekend en waarbij was aangegeven 
wat zij van de marktbezoekers, de gebruikers der ramen enz. 
mochten eischen. Zoo werd 9) voor het „opslaen", het lossen, met 
de wijnkraan 2 groot per Dordr. aam wijn en evenveel voor 400 pd. 
zwaarte gevraagd, terwijl hij, die zijne goederen loste zonder de 
kraan te gebruiken, den pachter resp. 6 of 4 penn. moest betalen ; 
alle schade, bij het lossen aan de goederen gekomen, was voor 
rekening van den pachter; hij moest den Rijn bij, de kraan op 
behoorlijke diepte houden, opdat de schepen erbij konden komen ; 
deed hij dit niet, dan zorgde de stad op zijn kosten voor uitdieping; 
als er een tweede kraan zou worden opgericht, zou de pachtsom 
der oude verminderd worden. 

Bij de oude renten werd ook nog gerekend, dat sommige gelden 
of ambachten jaarlijks een zekere som aan de stad betaalden ; zoo 
de vleeschhouwers nog in 141 3, de schoenmakers nog in 1400 
3 pd. 'sjaars, welke inkomsten echter op den duur vervallen zijn. 



I) 


Zie boven, blz. 82, 89, 90, 199, 200. 


2) 


Zie boven, blz. 82. 


3) 


Zie boven, blz. 191. 


4) 


Zie boven, blz. 193. 


5) 


Zie boven, blz. 200. 


6) 


Zie Middeln. Wdbk. i. v. 


7) 


Meerman, Beleg van Leyden, blz. 163 vlg. 


8) 


Van Mieris, III, blz. 630 enz. 


9) 


Stedeboek, fol. 327. 



16 



242 

Onder de gewone inkomsten mag vervolgens het „poortgeld" 
gerekend worden, de som, die ieder nieuw aangenomen poorter, 
hetzij inwoner, hetzij vreemdeling, bij zijne aanneming had te 
betalen. Het bestond vooreerst uit een derde deel van de reeds 
bij het oude privilege van 1266 ^) vastgestelde bijdrage van 
40 sch.; in de tweede helft der 14de eeuw was het daarvan aan 
de stad komende van de helft op ^j^ teruggebracht, blijkbaar 
sedert ^), behalve de burggraaf, ook de graaf daarin een aandeel 
had verkregen 3). Behalve deze som, die dus 13 sch. 4 d. bedroeg, 
betaalde de nieuwe poorter bij zijn intrede gewoonlijk i groot 
van ieder pond, dus den 3osten penning (3^/3 7o)> van zijn ver- 
mogen zooals hij dit op zijn eed had aangegeven ter opteekening 
in het stedelijk schotboek 4). De eerste som werd blijkbaar be- 
stemd voor den bouw van den stadsmuur, want zij wordt genoemd 
„voer sinen stien". 

Dan het „pondgeld", betaald door vreemdelingen, die een erfenis 
hadden te ontvangen van de „besterfte" van een Leidsch poorter. 
Voor en aleer dan „enich goet ghedeelt" werd, moest de erf- 
genaam van elk pond 2 sch. (dus 10 °/o) van het in het schot- 
boek vermeld bedrag der erfenis betalen benevens het laatste schot, 
dat in de stad betaald was geworden 5). De poorter, die zijn poort- 
recht vrijwillig opgaf of daarvan vervallen werd verklaard („uut- 
gheset"), betaalde aan poortgeld, behalve het laatste schot, 12 
penningen (dus i sch. of 5 7o) van zijn in het schotboek opge- 
teekend vermogen ^), „dat" door zijn heengaan „uter stede ghinc". 

Vervolgens de opbrengst van de verhuring of den verkoop van 
stedelijken grond of huizen. Verder sommige van ouds gebruike- 
lijke accijnsen, met name op het brood 7), Eindelijk het stads- 
aandeel in de door schepenen opgelegde boeten. Ten slotte toe- 
vallige baten. 

Uit al deze gewone inkomsten, de „oude goede", trok de stad in 
hoofdsom ^) : 



i) Zie boven, blz. 28, 40, 160. 

2) Wanneer weten wij niet; in ieder geval na 1306, wanneer het aandeel nog de 
helft is. 

3) Vgl. Kb. n°. 3, n°. 102 en 119; Kb. 1406. Bk. II, n°. 14 en 13, waarin ook de 
graaf als belanghebbende vermeld wordt, bij het opnemen van een poorter. 

4) Zie boven, blz. 160. 

5) Kb. n°. 3, n°. 107 en 178; Kb. 1406, Bk. II, n°. 22 en 24. Vgl. Rek. 1392, fol. 6t. 

6) Kb. n". 3, n°. 105; Kb. 1406, Bk. II, n°. 25. Vgl. Rek. 1392, 1.1. 

7) Zie boven, blz. 168. 

8) Zie de Bijlage, waarin deze statistieke gegevens. 



243 

In 1392 820 pd. 

1399 ') 750 pd. 

1400 I t8o pd. 

1413 980 pd. 

1426 2) 1100 pd. 

1427 2150 pd. 

1434 1150 pd. 

Maar een en ander was volstrekt onvoldoende om de totale 
uitgaven te dekken. Deze toch bedroegen in genoemde jaren in 
hoofdsom: 

In 1392 1725 pd. 

1399 8300 pd. 

1400 9000 pd. 

1413 13000 pd. 

1426 22500 pd. 

1427 27000 pd. 

1434 20000 pd. 

Aanzienlijke verschillen dus, waarbij omstreeks 1400 de zeer kost- 
bare 3) Friesche oorlogen, omstreeks 1426 de burgeroorlog tijdens 
Jacoba, waarin Leiden een groote rol speelde 4), in aanmerking 
genomen moeten worden. 

De stedelijke uitgaven worden in de rekeningen onder de vol- 
gende posten gebracht, waarvan echter sommige dikwijls worden 
verbonden onder één hoofd. 

a. „Daghelixe reysen", door leden van het gerecht in het belang 
der stad gedaan naar den landsheer, den burggraaf, den gra- 
felijken raad, de dagvaarten der steden, de lijfrentenhouders, enz. 

b. Wijnschenkingen s) en andere „presencien". 

c. Bodenloonen en vertering op het stadhuis of in herbergen 
,>mit heren ende goeden luden". 

d. Verplichte lakenuitdeeling aan ambtenaren enz. ^) 

e. Salarissen van lagere ambtenaren 7). 



i) Accijnsrekening van dat jaar geeft 250 pd. aan als ontbrekende aan de 1000 pd., 
die volgens eene verloren keur de oude renten moesten opleveren. 

2) De rekeningen van 1419 en 1420 zijn wegens het beleg van 1420 zeer verward en 
onregelmatig gehouden, zoodat zij hier buiten vergelijking gehouden zijn. 

3) Zie boven, blz. 119/20. 

4) Zie boven, blz. 121, 171. 

5) Zie boven, blz. 138, 143, 153 vlg. 

6) Zie boven, op dezelfde bladzijden. 

7) Zie boven, blz. 154. 



244 

ƒ. „Tymmerijnghe", uitvoering van stadswerken. 

g. Krijgstochten, hetzij ten behoeve van den heer, hetzij voor 

de stad zelve ï). 
h. Uitbetaling van lijfrenten. 
i. Beden aan den landsheer toegestaan. 

Het zijn meestal zeer afwisselende bedragen, die men voor al 
die posten noodig had. Maar het geld moest er zijn. Er waren 
dus buitengewone inkomsten noodig. 

Voor die buitengewone inkomsten had men verschillende 
bronnen. 

Het eenvoudigste middel om aan geld te komen, en ongetwijfeld 
het oudste, was de hoofdelijke omslag, het „scot" 2). Daartoe 
waren alle poorters met hun vermogen, volgens scherp gecon- 
troleerde eigen opgave onder eede 3), aangeteekend in het „scot- 
boec", van welk soort van boeken reeds in verschillende stedelijke 
privilegiën en dorpsaangelegenheden in Holland melding wordt 
gemaakt 4), Vreemdelingen, die binnen Leiden een huis of ander 
eigendom bezaten, werden eveneens met het schot belast, waarbij 
dan schepenen als schatters der waarde van het goed optraden 5). 

Oorspronkelijk zal, gelijk in 1392, slechts één poortmeester het 
schot geïnd hebben, maar in 1400 gingen de vier poortmeesters, 
later de homans, ieder met twee schepenen de stad bon voor bon 
rond ter inzameling van het verschuldigde, terwijl het ingekomene 
nauwkeurig werd aangeteekend. Wie het verschuldigde weigerde, 
werd, nadat hij driemaal door den klerk der poortmeesters of 
der homans gemaand was, aan zijn eigendom gepand. 

Voor Leiden bezitten wij evenmin als, voorzoover bekend, voor 
andere Hollandsche steden zulk een hoogst belangrijk register. 
Wij weten echter uit de rekeningen, dat in 1392 het geheele be- 
drag van het gezamenlijk vermogen der ingezetenen — voor 1344 
kan het op 7500 pd. geschat worden — 47000 pd., in 1400 



i) Zie boven, blz. 164 vlg. 

2) Zie boven, blz. 162. Het was in de dagen van Philips van Leyden, omstreeks 
1355 zeer gewoon (Phil. de Leyden, p. 157). 

3) Valsche aangifte werd gestraft met 18 sch. boete en de som door het gerecht ver- 
hoogd „tot horen wille" : Kb. n°. 3, n°. 102 ; Kb. 1406, II, n°. 15. 

4) Zie boven, blz. 115. 

5) Kb. n°. 3, n°. 108. Het schijnt, dat deze maatregel slechts tijdelijk was ; de keur 
is ten minste in het Kb. 1406 niet opgenomen, misschien echter alleen omdat men in dat 
Kb. het schot zelf had opgeheven. 



245 

53000 pd., in 1413 72000 pd. bedroeg ^), terwijl het schot in 
1392 op 4 d. (dus i| °lo), in 1400 bij verschillende heffingen ge- 
zamenlijk op 2 sch. (10 0/0) werd gesteld van het bedrag, waar- 
mede men „te scote" stond. Omstreeks 1400 nu was van de 
schotheffing in verband met de Fransche oorlogen een overdadig 
gebruik gemaakt. Zagen wij, dat in 1400 10 0/0 betaald was, in het 
voorafgaande jaar was het bedrag in vier of vijf heffingen zelfs 
16 0/0 geweest 2). 

Dat werd te erg, In het nieuwe Keurboek van 1406 3) staat 
dan ook aangeteekend, dat wegens al te drukkende lasten, door het 
„in corten jaren" ten behoeve van den landsheer zoo herhaaldelijk 
opgelegde schot geleden, het den poorters „zwairliken anecomt 
ende veel lude qualiken ghewesen moghen ende seer te onwille 
wort", vooral den armen 4), „dair tscot zwairliken upstaet" en 
„dair mens langhe niet of ghecrighen en can". Daarom heeft het 
gerecht in overleg met de vroedschap besloten „voir cost ende 
onraet" voortaan geen schot meer te gaderen maar het benoodigde 
geld te vinden door het, zoo noodig, instellen van „excisen", van wege 
het gerecht en de vroedschap „bi den meesten ommesegghen", 
d. i. bij meerderheid van stemmen. Zeer waarschijnlijk is het, dat 
daarvoor ook de toestemming van den landsheer is gevraagd 
moeten worden gelijk in 1414 te Alkmaar geschiedde 5). Ieder 
inwoner, arm of rijk, behalve het St. Katrijnen gasthuis — dus ook 
alle geestelijken en geestelijke instellingen, die van schot vrij gesteld 
waren — zouden daaraan moeten betalen. Later kwam men op dezen 
maatregel tegenover de geestelijkheid terug en gaf soms ook 
andere vrijstellingen. Zoo werden in 1424 behalve de landsheer 
en zijn hofgezin ook de baljuw, 's heeren raden, alle priesters en 
begijnen, de heilige geest- of armhuizen, zelfs een ambtenaar 
als de stadsbogenmaker (deze waarschijnlijk volgens bijzondere 
overeenkomst) vrijgesteld; in 1429 werden de tresorier der grafe- 
lijkheid (een burger der stad), de baljuw en de commandeur van 



i) Vgl. Posthumus, I, blz. 385. Is de vermeerdering misschien toe te schrijven aan 
de werking der ongedagteekende en dan op ongeveer 1400 te stellen keur omtrent het 
schot der vreemdelingen? 

2) Rekening der kinderen Blijfhier (Leidsch archief). 

3) Bk. II, n°. 9. De keur is blijkens het bovenstaande van na 1400, in welk jaar nog 
van geen accijns als stedelijke belasting in de rekening gesproken wordt. 

4) In 1392 was reeds een aantal armen „om des kouts winters willen bi bevelen van 
der vroescip" vrijgesteld (Rek. 1392, fol. 8). 

5) Van Mieris, IV, blz. 239. 



246 

St. Pieter geheel vrijgesteld, benevens twee kloosters, de gast- 
huizen, de armhuizen en het Lazarushuis, mits zij geen bier aan 
anderen verkochten, terwijl alle parochiegeestelijken elk kwartaal 
2 vat, de Gefaliede Begijnen 26 vat, de Begijnen op de Papen- 
gracht 9 vat, de deken van St. Pancras en de provisor van Rijn- 
land 4 vat vrij van accijns mochten hebben; in 1430 werden ook 
de schoolmeesters vrijgesteld; in 1434 werden alle vorsten en 
vorstinnen, de bisschop van Utrecht, de „kapiteynen van den 
lande" met hun gevolg en de raden van het kort te voren ingestelde 
Hof van Holland van stadsaccijns vrijgesteld ^). Den poortmeesters 
werd aangezegd, dat zij geen schuld mochten aangaan boven het 
bedrag van de oude renten dan na kennisgeving aan gerecht en 
vroedschap 2). 

Maar men kon zich op den duur niet aan dit besluit houden. 
In de rekeningen van 14 13 en 1426 wordt weder melding ge- 
maakt van „schot" tot een bedrag van respectievelijk 1200 en 
2700 pd. en zelfs reeds in 1407/8 was men genoodzaakt geweest 
voor den tocht naar Woudrichem 3) van den gestelden regel af 
te wijken. 

Dat nieuwe schot heet dan echter met een anderen naam: „ommeset 
ghelt". Het was bepaald noodzakelijk geweest, zegt de rekening, 
het te heffen „so men onse poirteren uphelt voir die tollen om 
des ghelts wille, dat onsen here van Hollant ghebrac", terwijl 
Willem IV zelf bitter „sijn noet claghede". Geheel als bij het 
„ghaderen" van het schot ging elk der vier poortmeesters met 
twee schepenen in zijn bonnen rond en teekende de ontvangst op 
in zijn boek. Maar het kostte blijkbaar veel moeite om de gelden 
binnen te krijgen. Er wordt ten minste door de poortmeesters bij 
de afrekening vermeld, dat de schout „ghinc tot veel tiden mit 
ons panden om dat ommeset ghelt", waarbij de schout echter van 
de nalatigen geen „pontghelt" nam, waarom hij met zijn knecht 
een schadeloosstelling van 8 pd. van de stad ontving. Dergelijke 
moeilijkheden had men ook met den hoofdelijken omslag 4), weder 
„schot" genaamd, van 1426: „vroedschap en rijkdom" kwamen 
toen met schepenen op het stadhuis samen, nadat driemaal de 



i) Stedeboek, fol. 266 vlg. en stadsrekeningen. 

2) Kb. 1406, n°. II. 

3) Zie boven, blz. 168. 

4) Ook in 1309 is er sprake van een rhoeftghelt", voor welks wanbetaling gepand 
wordt. 



247 

stadsklerk bij de huizen der onwilligen was rondgegaan, en liet 
dezen voor zich komen ; eindelijk moest tegenover 40 onwilligen 
gepand worden aan hun eigendom. De oorzaak van het geldgebrek 
der stad was toen blijkbaar de bede van hertog Philips ten behoeve 
van den oorlog tegen Jacoba. In 1430 werd bepaald ^), dat de 
onwillige, eerst door poortmeesters gemaand, op bevel van het 
gerecht moest „inlegghen", totdat hij betaald zou hebben. 

Het middel der accijnsen lag, als hier te lande van ouds niet 
ongewoon, voor de hand ter vervanging van het schot, wegens 
welks onvoldoende opbrengst reeds vroeg accijnsen op bier en 
wijn waren ontstaan, op het bier ook te Leiden zeker al omstreeks 
1350 2). De bieraccijns had er in 1392 reeds 271 pd. opgebracht 
en in 1396 was daarnaast een wijnaccijns ingesteld, terwijl ook 
die op het bier nader was geregeld, d, w. z. verhoogd 3). Toen 
werd bepaald, dat van elk Dordr. aam Rijnwijn, binnen Leiden 
getapt, 40 gr. betaald moest worden, van het aam gewonen („koyt") 
wijn, die meer kostte dan 5 gr. de stoop, de helft; van elk vat 
uitheemsch bier 12 gr., van buiten Leiden maar binnen Holland 
gebrouwen bier 8 gr., van binnen Leiden gebrouwen bier 4 gr,, 
terwijl de brouwer zelf nog 2 penn. moest geven van elk vat 
binnen Leiden gebrouwen. Men houde daarbij in het oog, dat de 
bieraccijns nog meer dan andere accijnsen niet alleen op den 
burger maar ook op den buitenman drukte, die hier zijn bier 
kocht, meestal wel op den marktdag, wanneer hij in de stad kwam : 
andere met accijns belaste artikelen, met uitzondering van het 
zout, kon hij ook in zijne omgeving wel krijgen en wijn zal hij 
niet veel gedronken hebben. Ook de turfaccijns komt in 1392 
al voor. 

In 1398 4) vinden wij nu den accijns reeds op allerlei andere 
artikelen gelegd. Behalve van accijns op het bier, die verreweg het 
meest opbracht, en dien op den wijn hooren wij van accijns op vleesch, 
visch, zout, wol en vellen, koren en gemaal in het algemeen. 

Hij bracht toen 7256 pd. op, in het volgende jaar 7105 pd. ; 
de verhoogde bieraccijns gaf in 1398 wel 3400 pd. en had ook 
later steeds de grootste beteekenis, daar het een last was op den 



i) Kb, 1450, Bk. II, n°. 12. 

2) Zie boven, blz. 163. Vgl. Phil. de Leyden, p. 157 ; Muller, Schetsen uit de Middel- 
eeuwen, blz. 45 vlg. 

3) Rek. 1392, fol. 2; Stedeboek, fol. 265V. 

4) Accijnsrekening, passim. 



248 

algemeenen volksdrank; in 1413 gaf hij 2600 pd. van de totale 
accijnsopbrengst van 4200 pd. Naar de behoefte werden de ac- 
cijnsen met goedvinden der vroedschap telkens verhoogd. Zoo in 
141 3, toen er geld noodig was om den zoon des burggraven uit 
de gevangenschap los te koopen ^) ; in 1426, toen de burgerkrijg 
tusschen Jacoba en Philips woedde en men het bedrag der accijnsen 
ziet stijgen tot + 10900 pd., waarvan de bieraccijns tot 6800 pd. 
klom; in 1427 zelfs tot 17250 pd. ; in 1434 was het bedrag 14000 
pd., waarvan de bieraccijns alleen weder 8700 pd. bedroeg. Naast 
den bieraccijns komt ook de molenaccijns, die op het gemaal, als 
belangrijke post in aanmerking: in 1434 bedroeg hij 2200 pd. 
Ook de vleeschaccijns bracht nogal veel op. 

De accijnsen werden tot een door gerecht en vroedschap voor 
elk artikel bepaald bedrag geheven door degenen, die bij de 
verpachting in de vier daarvoor vastgestelde termijnen 'sjaarshet 
meeste geld daarvoor hadden geboden. Geen lid van het gerecht 
mocht zelf als „exsisenair" optreden noch borg voor den pachter 
zijn noch diens vennoot („gheselle") ^). De pachter moest borg 
stellen voor goede betaling en had geen recht op afslag; bij 
wanbetaling verbeurde hij of zijn borg een zware boete; in 1423 
werd vastgesteld 3), dat de wanbetaler of zijn borg op bevel van 
den schout zou moeten „inlegghen", totdat het verschuldigde betaald 
zou zijn, en dan het dubbele bedrag in geld of het vierdubbele 
in panden. 

Voor de hand lag verder het sluiten van leeningen, waarbij de 
lombarden natuurlijk een rol gespeeld zouden hebben, wanneer 
zij niet de aangewezen geldschieters geweest waren van den graaf 
zelven 4). Wij hooren dan ook in de stadsrekeningen niet van door 
de lombarden aan de stad geleend geld. Reeds de wisselbank, 
van ouds een grafelijke instelling, die van 135 1 s) tot 1388 aan de 
stad was afgestaan en in het laatste jaar weder, gelijk in andere ste- 
den, ook te Leiden bij de nieuwe muntregeling aan de grafelijkheid 
Avas overgelaten ^) maar omstreeks 1400 weder in het bezit der 



i) Zie boven, blz. 97. 

2) Kb. 1406, Bk. II, n°. 12. 

3) Kb. 1450, Bk. II, n°, 11. 

4) Zie blz. 55 en iii. 

5) Van Mieris, II, blz. 807. 

6) Van Mieris, III, blz. 605. 



249 

stad is teruggekeerd ^), zou intusschen aanleiding gegeven hebben 
tot financieele transacties met deze geldschieters, die door de 
stadsregeering in 1380 in zeer gunstige conditie werden geplaatst 2). 

Men nam in dergelijke buitengewone gevallen soms zijn toe- 
vlucht tot blijkbaar gedwongen leeningen, zooals in het zware jaar 
1399, toen ieder, misschien volgens het schotboek, op zekere som 
werd geschat en daarvoor gedurende zijn 'leven den S^^n penning 
(20 7o) ^Is jaarlijksche rente zou ontvangen 3). 

Zulk een leening werd ook in 1420 aangewend, toen voor het 
verzet tegen Jan van Beieren 4) „toter scattinge" betaald moest 
worden 5). Van die leening staat opgeteekend, dat toen bijna 500 
personen gezamenlijk 5812 pd. opbrachten en wel volgens een 
omslag, die ons in het onderstelde geval eenig inzicht geeft om- 
trent de vermogensverhoudingen in de stad ^). 



19 


personen 


geven 


50 pd. 


950 pd. 


2 




» 


40 pd. 


80 pd. 


26 






) 


30 pd. 


780 pd. 


27 






> 


25 pd. 


675 pd. 


27 






> 


20 pd. 


540 pd. 


44 






f 


15 pd. 


660 pd. 


I 






)) 


12 pd. 


12 pd. 


lOI 






) 


10 pd. 


loio pd. 


254 






» 


4 pd. 


1016 pd. 


501 






> 


totaal 


5723 pd. 



Een zeer gebruikelijk middel der steden om aan het noodige 
geld te komen was de uitgifte van rentebrieven. Dit middel was 
reeds eeuwen vroeger door de Kerk in practijk gebracht 7) en 
heeft zijn oorsprong in door vrome leeken aan de Kerk gedane 
schenkingen onder bepaalde voorwaarden, die reeds in de 12de 
eeuw den vorm van lijfrente en erfrente aannamen, de lijfrente 



i) Dit schijnt te mogen worden opgemaakt uit het feit, dat in 1404 Leiden niet meer 
genoemd wordt in de eedsformule der wisselaars (Rek. 1404, Rijksarchief). 

2) Zie boven, blz. 213. 

3) Accijnsrekening 1399. Een dergelijke schatting moet in 1393 hebben plaats gehad 
(zie boven, blz. 130) ter betaling der toen ongelegde boete. In Jan. 1394 wordt n.1. iemand 
veroordeeld, omdat hij niet betaald had (Correctieb. Jan. 1394). 

4) Zie boven, blz. 103. 

5) Stedeboek, fol. 245 vlg. 

6) Vgl. Posthumus, blz. 384. 

7) Kuske, Das Schuldenwesen der deutschen Stadte, S. 12 ff. 



250 

eindigend met den dood der daarmede in ruil voor zijne schenking 
begiftigde persoon of personen, de erfrente van langeren duur. In 
de Fransche, Vlaamsche ^) en Duitsche steden der 13de eeuw wordt 
er reeds geregeld gebruik van gemaakt door de stedelijke besturen, 
die even goed als de Kerk geacht konden worden als verkoopers 
van rente op den duur voldoende zekerheid te waarborgen 2). De zaak 
was meer en meer een koop geworden : iemand schonk een zeker 
kapitaal aan de stad en verkreeg daarvoor te zijnen behoeve of 
ten behoeve van zichzelven en zijn echtgenoot en kinderen voor 
zijn of hun leven een jaarlijksche rente, van welke transactie een 
stuk, de lijfrentebrief, werd opgemaakt. Het kwam nu voor, dat 
de gerechtigde of gerechtigden lang leefden, zoodat ten slotte het 
door hem of haar gedurende een reeks van jaren ontvangene het 
bedrag van het geleende overtrof. Dit was natuurlijk een nadeel 
voor den uitgever van den rentebrief, vooral wanneer de renteheffer 
een jong man was, die vermoedelijk nog lang te leven zou hebben. 

Zoo ontstond de behoefte aan een ander middel, het uitgeven 
van aflosbare rentebrieven, van losrenten, waarbij of een zekere 
termijn van te voren bepaald werd óf eenvoudig werd vastgesteld, 
dat de uitgever van den brief ten allen tijde tot afkoop gerech- 
tigd zou zijn tegen teruggave van het geleende kapitaal. 

De Hollandsche steden kenden in hare financieele verhou- 
dingen lijfrenten zeker reeds sedert het midden der 14^^ eeuw 3), 
maar zij moesten nog in het begin der 1^'^^ eeuw voor het uit- 
geven van rentebrieven de toestemming van den vorst vragen 4), 

Voor Leiden hooren wij het eerst van de zaak in 1352, als 
schout, schepenen en „gemenelycke raed" met „alle dieghemeente" S) 
van de stad, „die men heet Leyden", „ten lyve" van Peterkijn 
en Coelkijn, bastaardkinderen van Jan de Wollecoper, verkoopen 
jaarlijks 20 sch, Vlaamsch, d. i. 160 penn. Holl. 

Wij ontmoeten evenwel zulke lijfrenten, ofschoon ook de reke- 
ningen van 1392 en 1400 ervan gewagen, niet geregeld in de 
financieele geschiedenis der stad vóór 1402. Hertog Albrecht heeft 
dan geld noodig voor den Arkelschen oorlog en vraagt het ter 



i) Vgl. de rekeningen van Brugge uit 1285 bij Warnköng, Flandrische Staats- und 
Rechtsgeschichte, I, S. 363. 

2) Kuske, S. 22. 

3) Phil. de Leyden, p. 26, 158. 

4) Van Mieris, III, blz. 763; IV, blz. 29. Te Leiden werd in 1413 3 nob. voor deze 
vergunning betaald (Rekening 1413). 

5) Repertorium I, XVIII, 6 (Rijksarchief). 



251 

leen aan verschillende steden: Amsterdam, Rotterdam, Leiden 
worden erbij genoemd ^). Leiden krijgt voor de 3000 oude schilden, 
die het leent, een aantal grafelijke tienden in zijne omgeving tot 
zekerheid van de jaarlijksche rente van 300 schilden, die de 
landsheer daarvoor heeft te betalen. Om het kapitaal van 3000 
schilden bijeen te krijgen verkocht de stad op hare beurt met 
garantie en toestemming van den vorst een aantal lijfrenten ^). 

De voorwaarden van uitgifte waren, dat de rente lijf- of losrente 
zou zijn, op een bepaalden dag van het jaar te betalen, terwijl de 
erfgenamen het tot den dood van den renteheffer verschuldigde 
uitbetaald kregen. Bij uitlandigheid van den rentehefifer mag deze 
uitbetaling eischen op een plaats, die 10 mijl van de landpalen van 
Holland verwijderd is; wordt de rente niet betaald, dan mag de 
heffer 14 dagen na zijne maning aan den poortmeester binnen de 
stad een bepaalde som per week komen verteren, totdat het bedrag 
van zijne rente bereikt is. 

De stad vond hare renteheffers vooreerst onder hare burgers 
en burgervrouwen, die met haar, ieder voor zich en zijn vrouw 
of zoon of dochter, een contract aangingen tegen betaling van 
verschillende sommen, waarvoor verschillende rente werd betaald 
en verschillende afkoopsommen werden bedongen. Zoo kocht 
Gheertrui Pieter Heermans wijf met haren zoon Jan 25 Eng, nob. 
jaarlijks op St. Urbaan tegen afkoop met 200 nobelen; Willem 
Heerman en zijn vrouw Baertraet Foutkensdochter 15 nob. op 
St. Urbaan tegen 100 nob. afkoopsom; Jan Jan Grietenzoon en 
zijn vrouw Gheertrui heren Jacop Goetsotsdochter 2^ nob. op 
St. Bonifacius tegen 150 nob. afkoopsom; Alijt Symon Hermans- 
soensdochter, Willem Jan Willegins zijn wijf, en haar zoon 
Tedema 15 nob,, tegen 100 Eng. nob. afkoopsom. Zoo kreeg 
heer Dammes Coenraetsz. 5 Eng. nob. op St. Bonifacius tegen 
23^ nob. afkoopsom, Gherijt Gheraertsz., een vreemdeling blijk- 
baar, kocht een rente van 6 Eng. nob. op St. Bonifacius tegen 
43 1 nob., de rente, als hij ze niet kwam halen, te betalen bij den 
Haarlemschen goudsmid heer Hughe of anders op zijn woonplaats. 
Een „Oosterlync" (Hanzekoopman) „hiet Aernt Joest Noytsz", gaf 
128 nob,, waarvoor hem op St. Bonifacius 42 nob. moesten betaald 
worden „vri buten sinen cost binnen der stat van Utrecht" of, als 



i) Van Mieris, III, blz. 763 vlg. 
2) Privilegieboek A, fol. 66 vlg. 



252 

dit niet kon, in Den Bosch of Brugge, mits hij „wete dede, waer 
hijt hebben wil", en dan binnen 14 dagen daarna. 

De betaalde rente was dus nog al hoog in vergelijking met de 
geleverde som, gewoonlijk 12 a 15 %. Men ging toen reeds ^) 
naar Brugge, Gent, Brussel, Mechelen en elders in het kapi- 
taalrijke Vlaanderen en Brabant om rentehefifers te zoeken, een 
bewijs, dat de zaak reeds zeer gewoon was en de renteheffers in 
de onmiddellijke omgeving niet zoo gemakkelijk te krijgen waren. 
Dit geschiedde ook in 1407/8 ten behoeve van steun, die aan 
Willem VI werd verleend voor zijn oorlog tegen Arkel, met name 
voor het beleg van Gorkum en Hagestein 2). 

Onder Willem VI werd van het middel steeds meer gebruik 
gemaakt en begon de post van lijfrenten een vaste post op het 
budget te worden. 

Het eerst vinden wij dien in de ons bewaarde rekening van 
1413, het zware jaar, toen een groote bede betaald moest worden 
en men alle middelen gebruikte om aan geld te komen 3). Om schul- 
den van den landsheer, die, zoo zegt deze 4) in zijne confirmatie, 
„ons ende hoir ongelegen was", m. a. w. waarom de burgers door 
de schuldeischers buitenaf werden lastig gevallen s), verkocht de 
stad toen tot een bedrag van 347 Eng. nob. aan „lijfpensien". 
Zekere Gillis van den Wijnghaerd, blijkbaar een Brabantsch ban- 
kier, kwam daartoe half Mei in Den Haag en onderhandelde met 
drie afgevaardigden der stad over de voorwaarden ^). In de eerste 
dagen van Juni gingen twee leden van het gerecht naar Antwerpen 
om de overeenkomsten met de rentehefifers te sluiten en nog in 
dezelfde maand deden zij een tweede reis daarheen om het geld 
te innen. Ook te Brussel en Mechelen werden renten geplaatst, 
waarbij nog op te merken valt, dat in deze rentebrieven de leef- 
tijd van den renteheffer vermeld wordt, hetgeen reeds wijst op kans- 
rekening betreffende het bedrag der rente. Zoo werd in dit jaar 
in het geheel tot een bedrag van 5200 pd. aan kapitaal verkre- 
gen, terwijl de uitgaaf aan renten voor deze en vroegere leeningen 
reeds een post van 2600 pd. vormde. 



1) Privilegieboek A, fol. 69 vlg. 

2) ib. fol. 71 vlg. Zie in de Bijlagen den lijfrentebrief. 

3) Zie boven, blz. 246. 

4) Oork. Leidsch archief dd. 25 Juli 1413. Vgl. Rekening 1413, fol. 75'^'. 

5) Zie boven, blz. 129. 

6) Rek. 1413. De Eng. nobel was toen omstreeks 90 groot of 3 pd. waard. Hij klom 
in 1426 tot 100 groot. 



253 

Onder Jacoba ging het opnemen van kapitaal tegen lijfrente 
ten bate van de landsregeering voort. In 141 7 beloofden de steden 
Haarlem, Delft en Leiden haar met hulp der zes andere steden 
529 Eng. nob. te zullen verschaffen door lijfrenten, die zij zouden 
betalen, mits de landsvrouwe hen (voor dit jaar?) niet met beden, 
muntlasten of verzoek om soldijbetaling lastig viel ^). Ook in 141 9 
vermeldt de stadsrekening weder nieuw uitgegeven lijfrenten, die 
door twee leden van het gerecht in Brabant, waarheen zij op 
stadskosten reisden, verkocht werden. Bij de betaling van de 
boeten en de groote onkosten van het beleg van 1420 kwam weder 
de verkoop van 200 nob. lijfrenten de stad goed te pas. In de 
rekening van 1426 vinden wij 1600 pd. aan nieuw lijfrentekapi- 
taal ontvangen, waartegenover het bedrag der te betalen renten reeds 
tot 8300 pd. en in het volgende jaar tot 9400 pd. gestegen was. 
Dat men de renteheffers goed behandelde, was natuurlijk in het 
belang der stad, welker crediet daarmede nauw samenhing: zij 
betaalde dus prompt hare schuldeischers en hunne erfgenamen, die 
dan moesten bewijzen, dat de overledene nog tot dien of dien 
datum geleefd had; wij vinden zelfs vermeld, dat zij zekeren 
Aernt van Rollant, die door gevangenschap arm geworden was, 
het kapitaaltje van 20 kronen, waarvoor hij 2 kronen rente kreeg, 
teruggaf. Het gemiddelde percentage der rente was toen, zooals 
hier, 10°/, 2). 

Onder hertog Philips werd de last der lijfrenten ondragelijk. Men 
begon achterlijk te worden in de betaling en kreeg ernstige moeilijk- 
heden met Gent, Brugge en andere steden 3) ; men begon zelfs de rente 
in te houden van hen, die Jacoba's zijde hielden en „slants viande 
sien". Die moeilijkheden namen allengs toe en de onbetaalde schulden 
der grafelijkheid, die zelve ook lijfrenten te Gent, Brugge, Mechelen, 
Antwerpen en Bergen op Zoom had verkocht, werden op de handel- 
drijvende burgers verhaald, zoodat de stad ook deze ten slotte van de 
grafelijkheid moest overnemen tegen kwijtschelding van een deel 
der door haar toegestane beden 4). Men behoeft zich dus niet te 
verbazen, dat in de stadsrekening van 1434 het rentebedrag tot 
12.300 pd. geklommen was. 

Hoe deze betaling van lijfrenten in Brabant en Vlaanderen 



i) Van Mieris, IV, blz. 443. 

2) Rekening 1426. 

3) Rek. 1426 en 1427. 

4) Oork. 12 Oct. 1429. 



254 

toeging, weten wij door uitvoerige rekeningen daarover uit 143 1/4. 
Leiden behoorde toen tot de vijf Hollandsche steden — met haar 
Haarlem, Delft, Amsterdam en Gouda — ]die om de genoemde reden 
ten slotte beloofd hadden de „lijfpensiën" der grafelijkheid in Brabant, 
Vlaanderen en „anderswair" te betalen, mits haar korting op de 
eigen loopende tienjarige bede werd gegeven en bovendien het 
bedrag van die bede uit Kennemerland en West-Friesland werd 
toegewezen ^). Middelpunt der geheele administratie was voor deze 
zaken Haarlem, van waar uit de beden in Kennemerland en West- 
Friesland door twee commissarissen, de edelen Jan van Bekensteyn 
en Jan van Berkenrode, niet zonder veel moeite telkens met Kerstmis 
en St. Jan werden ingezameld ; dikwijls was het noodig daarvoor 
de schepenen van sommige onwillige dorpen te arresteeren of te 
panden of de bewoners van dorpen en steden met hunne goederen 
voor de tollen der grafelijkheid aan te houden. De klerk dezer 
administratie, Hughe Scriver van Haarlem, zal heel wat te schrijven 
gehad hebben voor de 100 phil. schilden salaris, die hij jaarlijks 
beurde. 

Met het uit die beden verkregen geld ging dan een der leden 
van het gerecht van een der betrokken steden of een aanzienlijk 
burger met goede relatiën samen met Hughe Scriver en een paar 
flinke kerels ter bescherming („wanttet sorghelic is after lande te 
trecken mit ghelde") naar Vlaanderen en Brabant. Het goud- en 
zilvergeld werd in wagens en zakken meegevoerd. Was men te 
Brugge, Antwerpen, Mechelen, Brussel, Leuven, Lier, Herenthals 
aangekomen, dan werd de stadsbode („garsoen") aldaar te hulp 
geroepen om de ongeduldige renteheffers in en om de stad bijeen 
te roepen ter ontvangst van het verschuldigde. Ieder renteheffer 
moest voor het ontvangene een kwitantie geven, die thuis kon 
worden overgelegd. Soms kreeg men moeielijkheden over de munt, 
waarin betaald werd; toen dit in 1432 te Mechelen voorkwam, 
gaven Hughe Scriver en de zijnen het geld aan een ambtenaar 
dier stad en pakten zich weg met hulp van eenige aanzienlijke 
burgers, die voor den bewezen dienst rijkelijk werden beloond. Wie 
berichtte, dat een renteheffer dood was en dus diens rente ver- 
vallen, ontving voor dit heugelijke bericht een belooning, evenredig 
aan het bedrag van het zoo vrijgekomen kapitaal. Zulke reizen 
brachten dus heel wat onkosten mede, daar zij in den regel een 



i) Van Mieris IV, blz. 988, 990, dd. 5 en 6 Dec. 1430. 



255 

drie weken tijds namen en vrij wat „ongeld" aan wagenhuur, 
belooningen, fooien medesleepten. 

Had men rentehefifers in meer in de nabijheid liggende plaatsen 
te voldoen, dan placht men minder omslag te maken en zond 
een bode met het geld. Een enkele maal vindt men vermeld, dat 
het geld naar Brabant en Vlaanderen medegegeven werd aan een 
ambtenaar van den landsheer, die min of meer geregeld viermaal 
's jaars in die laatstgenoemde landen de grafelijke lijfpensiën ging 
betalen. 

Bij een zoo aanzienlijke toeneming van de lijfrenten, welker 
last zeer moeilijk op een vasten norm te schatten viel, in verband 
met het bij gemis aan gegevens onberekenbare gemiddelde sterfte- 
cijfer der gezamenlijke renteheffers, is het duidelijk, dat deze in- 
stelling op den duur het financieele systeem der stad geheel in 
de war moest brengen. Daarbij kwam dan, dat men er al spoedig 
toe gekomen was de rente van oude rentebrieven door uitgifte van 
nieuwe te dekken i). Maar dit ging niet altijd met voordeel ge- 
paard. Zoo moest de stad in 1434 den schout Boudijn van Swieten, 
die toen in verband met het nieuwe privilege over de hooge 
jurisdictie aftrad, en andere rechthebbenden af koopen voor wat de 
stad schuldig was „op horen dienst". Zij verkocht daartoe een 
aantal lijfrenten op ongunstige voorwaarden, voor 10 °/o op twee 
levens, voor i2'/2 7o op één leven en moest eenige renten op niet 
minder ongunstige voorwaarden in andere omzetten ^). 

Zoo zien wij, dat het financiewezen van Leiden reeds in dezen 
tijd veel overeenkomst vertoont met wat men in later dagen ziet 
geschieden. De toenemende uitgaven maakten aanhoudend toeneming 
der inkomsten noodig en de vindingrijkheid der middeleeuwsche 
stadsregeering doet weinig onder voor die van later. Dat een en 
ander ten slotte op failliet moest uitloopen, behoeft geen betoog, 
maar het zou nog lang duren, eer het zoover kwam, want de 
gansche burgerij had belang bij het handhaven van het crediet 
der stad en betaalde, zoolang het nog eenigszins gaan kon, wat 
de stadsregeering van haar eischte. 



i) Vgl. Stedeboek, fol. i45\ 
2) ib. fol. 143 vlg. 



HOOFDSTUK XII. 

Welvaart, armoede en armenzorg. 

Omstreeks 1400 kon Leiden eene voor middeleeuwsche verhou- 
dingen betrekkelijk welvarende stad genoemd worden, die hare 
welvaart voortdurend zag toenemen ^). Weliswaar hebben wij aan- 
gaande de vermogensverhoudingen in de stad voor dien tijd slechts 
zeer spaarzame gegevens ^), maar uit de toenemende bedragen der 
stedelijke inkomsten en uitgaven bij het ontbreken — op een 
enkele uitzondering na — van klachten over onmacht om te be- 
talen mogen wij wel opmaken, dat ook de draagkracht der inge- 
zetenen aanzienlijk is toegenomen. Zelfs in den zwaren tijd der 
Friesche en Arkelsche oorlogen en in den nog zwaarder tijd der 
regeering van Jacoba van Beieren, waarin het beleg van 1420 
is gevallen, zien wij het stedelijk budget aanhoudend en aan- 
zienlijk stijgen 3) en wanneer met de volledige zegepraal van 
hertog Philips van Bourgondië (1428) de burgerkrijg voorgoed 
geëindigd is, begint onmiddellijk een periode van bloei, die zich 
door allerlei bemoedigende verschijnselen op het gebied van handel 
en nijverheid kenmerkt 4). 

Maar bij dat alles houde men in het oog, dat ook in dien 
tijd een groot deel der bevolking van de hand op den tand leefde 
en dat dit toenmaals in zekeren zin met nog grooter bezwaren 
gepaard heeft moeten gaan dan tegenwoordig. Hoeveel gemak- 
kelijker kon er stilstand komen in den aanvoer van voedingsmid- 



i) Zie boven, blz. 245. 

2) Vgl. Posthumus, I, blz. 384 vlg. 

3; Zie boven, blz. 243. 

4) Zie boven, blz. 210. 



257 

delen waardoor eerst „diertijt", daarna al spoedig hongersnood 
kon ontstaan ! Vooral wanneer het koren uit de Oostzee uitbleef 
en de toen nog onvoldoende opbrengst van dat uit de oostelijke, 
zuidelijke en noordelijke grenslanden van Holland om de een of 
andere reden beneden de verwachting opleverde, ontstonden zulke 
toestanden. Hoe sterk schommelden bovendien de prijzen! Hoe 
gebrekkig was de armenzorg geregeld ! Aan den anderen kant 
mag men niet vergeten, dat de behoeften ook gering waren; dat 
het verschil tusschen rijk en arm, de kloof tusschen vermo- 
genden en behoeftigen niet groot was ; dat in eene beperkte omge- 
ving de menschen elkander kenden, elkanders behoeften spoedig 
gevoelden en dientengevolge de meer vermogenden spoedig geneigd 
waren de minder vermogenden te steunen in den moeilijken strijd 
om het bestaan. 

De daglooner — metselaar, stratenmaker, timmerman ^) — ver- 
diende in 1427 2) door elkander 4 kromstaarten, d. i. 3/10 pd. of 
6 sch. holl. per dag. 

Mogen wij de prijzen in de gelijktijdige gasthuis- en dergelijke 
tot ons gekomen rekeningen, opgegeven als voor levensmiddelen 
betaald, als normale prijzen beschouwen, dan kon men daarvoor 
koopen een der volgende levensbehoeften : 3) 

3/5 van een achtendeel erwten of boonen (d. i. 7 liter); 

80 haringen ; 

1/3 zak meel (d. i. 8 liter); 

1/5 van een gemiddeld schaap; 

1/7 van een vaars; 

1/12 van een mager varken; 

1/30 van een koe. 

Is het ten opzichte van het hier genoemde vee moeilijk de 
beteekenis van deze cijfers nauwkeurig te schatten, daar men niet juist 
het gewicht van ieder aangekocht beest kan bepalen met de onvol- 
ledige g-eo-evens, die ons ten dienste staan — wat b.v. de haringen, 
de erwten en boonen en het meel aangaat, kunnen wij een iets 



i) Van de arbeiders bij de lakenindustrie, omtrent wier loonen wij onvolledig zijn 
ingelicht, is het dagloon niet goed te bepalen. Vgl. Posthumus, blz. 298, 324, 350. 

2) Zie de loonopgaven in de stadsrekeningen van dat jaar, toen er veel getimmerd 
werd voor stadsrekening. 

3) De berekening kan natuurlijk niet volkomen juist zijn, maar is te beschouwen als 
een streven naar het gemiddelde uit een groot aantal posten van rekeningen omstreeks 
1427. Vgl. de prijzen der levensmiddelen, van 1395 af in lijsten verzameld, bij Posthumus, 
blz. 434 vig. 

17 



258 

zekerder resultaat bereiken. Afgezien van het feit, dat ook de 
vrouw en de kinderen, ten minste de laatsten, wel wat verdiend 
zullen hebben, kon de daglooner met zijn loon ruim in de levens- 
behoeften van zijn gemiddeld op 5 personen te stellen gezin voor- 
zien ^). Maar men neme hierbij in aanmerking, dat de prijzen, in 
weerwil van alle pogingen der landsoverheid om het opkoopen 
en uitvoeren van koren tegen te gaan, in weerwil van alle po- 
gingen der stedelijke overheid om ten minste de broodprijzen 
binnen een bepaalde grens te houden 2) in de dikwijls voorko- 
mende tijden van oorlog en hongersnood, pestziekte en ander 
ongemak of bij belangrijke gebeurtenissen in het land van herkomst 
van het koren, de Oostzeelanden, soms plotseling stegen. Zoo 
zien wij 3) den prijs van de tarwe, die in 1395 op 9 gr. kwam, 
in 1402 geklommen tot gemiddeld 15, tot 19 gr., in I403'4 weder 
dalen tot gemiddeld 10 gr., in 1405 klimmen tot 13 gr., in 141 1 
weder dalen tot 9 gr., in 1416 stijgen tot 17I en 20 gr., in 1423 
en volgende jaren herhaaldelijk tot 20, 22, 24, 25 groot, om in 
1434 tot 15 te dalen. En de prijzen van andere voedingsmiddelen, 
gerst, haver, erwten stijgen en dalen ongeveer in dezelfde ver- 
houding, dus onregelmatig en met plotselinge sprongen. Dan konden 
de stedelijke en bijzondere instellingen van liefdadigheid slechts 
met moeite aan de behoeften der talrijke dagloonersfamiliën te 
gemoet komen. Want talrijk waren zij, die men het proletariaat 
dier dagen zou kunnen noemen, toen reeds. 

Neemt men aan, dat de schattingslijst van 1420 4) in hare 
laagste schattingsbedragen de grens der vermogenden aangeeft, 
dan is het duidelijk, dat de 500 andere gezinnen tot de onver- 
mogenden gerekend mogen worden, de helft, een hoog percen- 
tage, dat echter een betrekkelijk nog gunstig licht werpt op de 
vermogensverhoudingen eener toenmalige industriestad van om- 
streeks 5000 inwoners s). De werkelijke armen en behoeftigen zijn 
blijkens de rekeningen der inrichtingen voor armenzorg misschien 
op 100 gezinnen te stellen ^). 



1) Voor Amiens komt De Calonne, Une ville au quinzième sièle, p. 99, tot minder 
gunstige resultaten. 

2) Zie boven, blz. 185. 

3) Posthumus, blz. 434/5. 

4) Zie boven, blz. 249. 

5) Zie boven, blz. 74. 

6) Vgl. Ligtenberg, Armezorg, blz. 13, 



259 

En de rijken zijn blijkens de uit de inventarissen van goederen 
van weeskinderen, die tot ons gekomen zijn ^), niet bijzonder rijk. 
De vermogens bestaan slechts voor een zeer gering deel uit baar geld, 
grootendeels uit schuldvorderingen, uit enkele landerijen en enkele 
huizen, waarvan huur wordt getrokken, verder uit renten op huizen 
en landerijen. De aanzienlijke heer Ghijsbrecht van den Horn 2)^ 
leenhouder des Graven voor het bode-ambacht van Kennemerland, 
bezat behalve zijn lijfgoed en harnasch 80 nob. aan zilverwerk en 
had 670 nob. schuldvorderingen uitstaan; verder bezat hij een 
aantal land- en huisrenten, een huis te Leiden en een tuin in Den 
Haag, maar weinig of geen huizen of landerijen. Het inkomen 
van den in 1406 gestorven heer Dirk van Poelgeest, een der aan- 
zienlijkste edelen uit de omgeving, bedroeg niet meer dan 400 pd. 
aan renten van dien aard 3). In den regel lagen de goederen, waarop 
die renten rustten, niet ver van de stad in een der omliggende 
ambachten van Rijnland. 

Het leven der bewoners van stad en land moet overigens in 
het algemeen zeer eenvoudig geweest zijn. Men mag wel aanne- 
men, dat de kost in de gasthuizen verstrekt 4) ongeveer het peil 
aangeeft van de voeding der gewone burgers, en dan treft ons 
het geregeld gebruik van versch rund-, schapen- en varkensvleesch, 
toebereid met allerlei kruiden, van zee- en riviervisch, op Kerstmis 
en Paaschavond van den Kerstgans en kippen en eenden, van 
tarwe- en roggebrood, van melk, bier en eieren, van appelen en 
noten, vijgen en rozijnen, op feestdagen van koek en wijn naast 
het dagelijksche bier, van warmoes en hutspot, erwten en boonen. 
Menigeen zal het wel met minder hebben moeten doen, maar over 
het algemeen wordt de indruk gewekt van betere voedingstoe- 
standen dan in onze eigen omgeving, ook voor den arme. Wat 
kleeding aangaat, de inventarissen spreken van wollen ondergoed 
en linnen bovenkleeding, bij de meer aanzienlijken van laken en 
pelswerk, fluweel en zijde. Voor het onderhoud van de weezen 
van den vermogenden koopman Blijfhier, die op reis in Skonen 
overleden was, blijkbaar een lakenkooper, werd tusschen 1397 en 
141 1 door den betrokken voogd of voogdes aanvankelijk 4 pd., 



i) Stedeboek, fol. 3. vlg. (sedert 1383). 

2) ib. fol. 73 vlg. 

3) Rekening kinderen Dirk van Poelgeest (Bijzondere rekeningen, Leidsch Archief). 

4) Vgl. Ligtenberg, Armezorg, blz. 69. 



26o 

toen de kinderen grooter werden 6 pd. per halfjaar voor hun eten 
en drinken in rekening gebracht i). 

Wat de woning betreft, in dezen is het eenvoudige groenge- 
schilderde houten huis met rieten dak nog de regel, terwijl de 
steenen woning en het harde dak nog uitzondering zijn, al begint 
het getal der steenen woningen met de welvaart toe te nemen en 
bevordert de overheid zeer het maken van ticheldaken 2). Over het 
algemeen zal men zich die woningen moeten voorstellen als gelijkend 
op die onzer Noordhollandsche dorpen vóór 25 jaren, voordat 
de houten gevels daar in grooten getale begonnen te verdwijnen. 

En de inrichting dier woningen met hare betrekkelijk kleine 
vertrekken en ruime erven, waarop nog hooibergen dikwijls een 
plaats zullen hebben gevonden en kleine stallen en varkenskotten 
voor het huisvee aanwezig waren, zal niet minder eenvoudig 
geweest zijn. Enkele inventarissen 3) spreken ons van houten borden 
en lepels, van houten bekers en tinnen kroezen. Onder het zilver- 
werk 4), nagelaten door bovengenoemden Ghijsbrecht van den Hom, 
gemaal van Machtelt Hoochstraet, uit de verwantschap dus der 
Van Leydens en met haar wonend in een aanzienlijke „huysinghe" 
op de Breestraat naast het Katrijnengasthuis, vinden wij 18 lepels 
en I (kleinere) kruidlepel, 10 schalen, 2 „kenen" (schalen ?) 5), een 
kruis in étui, een kruidnap, een waterkan, 2 kruisen, een schaaltje, 
een „voortgen", twee gordels, een „raex" (ketting) ^), twee riempjes, 
eenige wapenschilden en mantelhaken („britsen"), alles gezamenlijk 
geschat op 80 nobelen voor de ruim 500 lood, terwijl de weduwe de 
ringen en het paternoster van haren man houdt tegen afstand van 
haar mans harnash, dat evenals zijn kleedingstukken aan zijn 
vrienden gaat. In den rijken inboedel van den gestorven Claes van 
Swieten (141 1) ontmoeten wij 7) n bedden, van 2 tot 4 el lang, 
14 dekens, 24 blauwe zitkussens voor de banken, 30 kussens „mit 
compassen" (borduursel) S), 8 paar oorkussens, 6 gordijnen, 1 8 paar 
slaaplakens, 16 dekens „goet ende quaet", 5 „voetkleeden" (tapijten), 
13 fraaie en 7 daagsche tafellakens, 13 „dwaelen" (handdoeken), 



i) Rek. kinderen Blijfhier (Weeskamer, n°. 603). 

2) Zie boven, blz. 73. 

3) Vgl. vooral Stedeboek, fol. 3 vlg., waar men opgaven vindt over „goeden" van 
weeskinderen, onder toezicht van poortmeesters beheerd. 

4) Leidsche Rechtsbronnen, blz. 67. 

5) Zie Middeln. Wdbk. i. v. 

6) ib. i. v. 

7) Stedeboek, fol. 80 vlg. 

8) Vgl. Middeln. Wdbk. i. v. 



201 

4 zilveren schalen, 9 zilveren lepels, 20 „platielen" (groote schotels), 
21 (houten) eetschotels, 19 sausvaten, 5 vischspanen, 4 zoutvaten, 
9 tinnen „taeleoren" (borden), 9 tinnen en 5 metalen kandelaars, 
2 (kaarsen)branders, 3 kronen, 5 (glazen) flesschen, 2 (tinnen) 
mengelen- en 2 pintswijnkannen, 7 (tinnen) bierkannen, 3 (ijzeren) 
roosters, 5 (ijzeren) ketels, 6 koperen potten, 2 ijzeren (braad)- 
speeten, 2 ijzeren pannen en i metalen pan, 2 ijzeren (keuken)lepels, 
I bekken, i watervat, i lancet, 6 kisten, 3 „coetsen" (ledikanten), 
I lange „seeds" (rustbank), i „tresoer" (kast), 2 paar schragen 
(voor tafels). Een dergelijke inboedel van den omstreeks 1430 
gestorven schout van Voorschoten, Dirc van Delf "^ en een derde 
van de in het Gasthuis overleden jonkvrouw Lijsbet van Leyen- 
berg 2) zijn geheel van denzelfden aard ; bij den eerste wordt geen 
zilver verm.eld, de laatste had 3 zilveren schalen, 4 zilveren koppen, 
6 zilveren lepels in haar bezit. Ook die van Dirk van Poelgeest 
is niet aanzienlijker 3). 

Betrekkelijk groot was de zorg, die in het middeleeuwsche 
Leiden aan de werkelijk behoeftigen werd besteed, gelijk overal 
in de Middeleeuwen ter opvolging van het oud-christelijke gebod 
en in verband met kerkelijke werkzaamheid. Reeds omstreeks 
12704) had men er het door mgr. Gerard van Leyden 5) gestichte 
Katrijnengasthuis, „hospitalis pauperum", bestemd voor zwervers, 
die geen onderkomen hadden, zoowel als voor armen in het alge- 
meen, waar broeders en zusters dienst deden en de nakomelingen 
van den stichter, de Steenvoorde's, het collatierecht hadden in de 
bijbehoorende kapel, die overigens stond onder toezicht van den 
pastoor van St. Pieter. De stadsregeering hield hier toezicht op het 
beheer door middel van twee aan haar rekenplichtige „gasthuys- 
beraders" of gasthuismeesters 6), sedert 135 1 alleen te kiezen uit 
hen, die zeven jaar poorter waren geweest; zij hadden binnen 
eene maand na hun aftreden op St. Pietersavond (21 Febr.) reke- 
ning te doen op boete van 3 pd. 7), waarbij de pastoor, twee 
schepenen en eenige parochianen aanwezig moesten zijn. De dienst- 

i) Stedeboek, fol. 112. Hij had 35 zitkussens, 7 mengelen- en 7 pintswijnkannen, i wijn- 
watervat, 32 saucieren, 4 ketels, een vuurpan, 18 stoelen, 9 schrijnen (kasten) enz. 

2) Oork. Leidsch archief. 

3) Hij bracht 168 pd. op. 

4) Hand. en Meded. Letterk. 1907/8, blz. 129 vlg. Zie boven, blz. 50. 

5) Zie boven, blz. 29. 

6) Ligtenberg, Armezorg, blz. 27. 

7) Kb. n°. 3, n°. 25; Kb. 1406, Bk. II, n°. 5. 



202 

doende broeders en zusters, die oorspronkelijk een broeder- en 
zusterschap, een kerkelijk gild, vormden, waren met al hunne be- 
zittingen voor het leven in het gasthuis opgenomen met verplichting 
voor het huis tot onderhoud en kleeding dezer vaste inwonenden, 
naast wie op het einde der 14.'^^ eeuw reeds andere gewone pro- 
veniers, waarschijnlijk wel in de eerste plaats hulpbehoevenden, 
aanwezig waren ^j. Een der zusters, met de leiding belast, heette 
„moeder", welke titel echter weldra de gewone werd voor de ge- 
noemde zusters, die allengs samen de leiding van het huis verkregen; 
broeders komen sedert 1394 niet meer in de stukken voor ^), wel 
mannelijke en vrouwelijke proveniers, die soms eigen dienstboden 
hadden. De armen en zwervelingen, voor wie het gasthuis oor- 
spronkelijk bestemd was, waren met de dienstdoende zusters toen 
reeds niet meer de eenige, zelfs niet de voornaamste bewoners: 
wij hooren eigenlijk alleen van zieke armen en zoo was het 
gasthuis feitelijk een ziekenhuis geworden 3), waarvoor weldra de 
aankoop van belendende woningen tot uitbreiding noodig was. 

Behalve uit de renten van den inbreng der proveniers trok het 
gasthuis zijne inkomsten uit testamentaire en andere schenkingen, 
gedaan in de hoop op belooning hiernamaals voor het daarmede 
volbrachte goede werk; op het einde der 14^^^ eeuw namen deze 
schenkingen zeer toe 4). Voor buitengewone behoeften dienden 
weder de minstens sedert 1389 ten laste der stichting verkochte 
lijfrenten, terwijl het aannemen van de verplichting tot het houden 
van memoriediensten, dikwijls verbonden met uitdeeling aan de 
armen, kapitalen van beteekenis aan het gasthuis bracht ; ook het 
aan het gasthuis opgedragen beheer van nieuw gestichte kapellen 
in de Pieterskerk leverde voordeel op 5) ; de bezittingen van hen, 
die in het gasthuis overleden, kwamen „van ouder gewoente" aan 
het gasthuis ^). Het kapitaal dezer zich uitbreidende instelling werd 
zoo langzamerhand zeer aanzienlijk en zij had een goeden naam, 
zoodat zij in 1401 „veel versoecs ende anvals van armer zieker 
luden" had 7). 

Bij de inkomsten uit het aangroeiende kapitaal kwamen dan nog 



i) Ligtenberg, Armezorg, blz. 28. 

2) ib. blz. 30. 

3) ib. blz. 31, 

4) ib. blz. 34 vlg. 

5) ib. blz. 38. 

6) ib. blz. 41 vlg. 

7) ib. blz. 43. 



203 

die uit collecten in de Pieterskerk, op het kerkhof en langs de 
huizen, uit de opbrengst van sommige door het gerecht aan het 
gasthuis toegewezen boeten, uit verbeurde levensmiddelen van 
slecht gehalte, uit het smeer en de huid van geslachte dieren, uit 
allerlei rommel, waarvan de burger anders last had en die voor 
het gasthuis nog iets kon opleveren. Zoo stegen de totale 
inkomsten omstreeks 1400 soms tot 900 pd., omstreeks 1430 zelfs 
tot 2000 pd., al wisselen de cijfers zeer af; de uitgaven hielden 
daarmede gelijken tred. 

Voor de geestelijke belangen zorgde de kapelaan ^), maar volgens 
oude gewoonte mochten alleen de heeren van het Duitsche Huis 
bij St. Pieter in de reeds spoedig gestichte eigen kapel prediken, 
terwijl in 1421 een kerkhof voor de arme zieken bij het huis werd 
ingericht. 

Druk moet het in dit gasthuis aan de Breestraat geweest zijn, 
vooral wanneer ook haveloozen en dakloozen als van ouds tijdelijk 
in een bijgebouw, „der ghesellen huys" onderdak kregen en er 
brooduitdeeling volgens testament plaats had. Het nut door deze 
instelling gedaan mag onbetwistbaar heeten en het Katrijnengasthuis 
was zeker de belangrijkste instelling van liefdadigheid te Leiden 2). 

Omstreeks 1400 had men in Leiden echter nog andere gast- 
huizen : iedere parochie had er toen een. Dat van O. L. Vrouw 
in de parochie van St. Pancras 3), al vóór 1395 gesticht door den 
voormaligen oud-schepen Claes Rengher, naar wien het in de 
wandeling heette, en zijne vrouw Machtelt van der Zijl, was veel 
kleiner. Het huis, door het bijeentrekken van een paar naast elkander 
gelegen woningen ontstaan, lag sedert 1403 op de Hooglandsche 
Kerkgracht, waarheen het van de Hooigracht verplaatst was, en 
werd eerst door de stichters, na hun dood door twee door het gerecht 
benoemde gasthuismeesters beheerd. Het was lang niet zoo aan- 
zienlijk als dat op de Breestraat en bezat eerst omstreeks 141 8 een 
kapel, die door de verleening van aflaten allengs grooter beteekenis 
kreeg. Ook de derde parochie, die aan de Mare, kreeg in 1428 haar 
gasthuis 4) door de liefdadigheid van den vermogenden Jan Dirc 
Coenenzoon en zijn vrouw Katrijn Willem Teedensdochter, die het 
in het bijzonder wijdden aan St. Elizabeth en bestemden voor 



i) Ligtenberg, Armezorg, blz. 48 vlg. 

2) Vgl. de levendige beschrijving van inrichting en werkzaamheid, ib. blz. 54. vlg. 

3) ib. blz. 85 vlg. 

4) ib. blz. 106 vlg. 



204 

„arme, ellendige, sieke vrouwspersonen" ; de stichters stelden het 
onder het toezicht van het nabijgelegen klooster St. Margriet. Een 
merkwaardig en uitvoerig reglement bepaalde, dat men er geen 
proveniers zou opnemen en de zieken het huis moesten verlaten, 
zoodra zij in staat waren om de parochiekerk te bezoeken en haar 
levensonderhoud te verdienen ; met groote zorg was in dat reglement 
bepaald, hoe de verpleging en de voeding moesten plaats hebben. 
Ook hier hadden twee gasthuismeesters van wege de stadsregeering 
het beheer in handen; een paar jaren later, in 1432, werd de kerk- 
dienst er geregeld door de stichting van een eigen altaar, het begin 
eener eigen kapel. De stichters begiftigden het huis met bezittingen 
en renten, waarbij welhaast ook schenkingen van anderen kwamen. 

Naast deze drie gasthuizen moet ook melding gemaakt worden 
van het voor de melaatschen, die zeker al in 1385 buiten de Witte 
poort woonden, bestemde Leprozenhuis ^). Het eigenlijke Leprozen- 
huis zal op een reeds vroeger door de stad daartoe bestemd 
„erfkijn" omstreeks 1399 ingericht zijn door den aanzienlijken 
burger Willem Foytkijn 2) en verkreeg weldra van de stad allerlei 
voordeden en voorrechten. Het stond omstreeks 1430 onder twee 
door de stad benoemde „ziekhuismeesters" en had toen al het 
recht op eigen missen, weldra in een eigen St. Anthoniskapel. 
Daar leefden de arme zieken, afgezonderd van de voor besmetting 
bevreesde burgerij, die ze zoo spoedig mogelijk uit de stad ver- 
wijderde, soms na onderzoek te Haarlem, waar de keurmeesters 
(„besienders") der grafelijkheid woonden ; een portier en een wasch- 
vrouw bestuurden de treurige kolonie, welks bewoners niet dan 
met toestemming der leprozenmeesters in de stad mochten komen en 
kenbaar waren aan hun „vliegers", lange, wijde, in tweeën gedeelde 
zwarte mantels, behalve de klep, waarmede zij de hen ontmoetenden 
moesten waarschuwen voor de gevaarlijke nabijheid ; de nabijgelegen 
singel tot de Naakte sluis was hun als w^andeling afgestaan. 

Behalve deze inrichtingen voor arme zieken en zwervelingen 
kende het Leiden van omstreeks 1400 nog verschillende andere 
algemeene instellingen van armenzorg. 

De belangrijkste dezer was ongetwijfeld de Heilige Geest, eene 
instelling van armenzorg, waarvoor sedert de tweede helft der 
12^^^ eeuw door Guy de Montpellier voor Frankrijk een organisatie 
onder dien naam was ingericht in den gewonen vorm eener geeste- 



i) Ligtenberg, blz. 125. Zie boven, blz. 74. 
2) Zie boven, blz. 146. 



205 

lijke broederschap, die voor de armen zorg had te dragen ^). Naar 
hetFransche voorbeeld ontstonden weldra te Kamerijk, te Doornik, te 
Bergen in Henegouwen, te Gent en elders in Brabant en Vlaan- 
deren dergelijke broederschappen, eindelijk in bijna iedere stedelijke 
parochie ; van deze streken breidde zich de zaak over Holland en 
Zeeland uit. Wij weten zeker uit het testament van Pieter van 
Leyden 2) (13 16), dat in zijn tijd de Heilige Geest te Leiden al 
bestond ; hij vermaakte daaraan zekere inkomsten ten behoeve der 
armen in de eenige toen nog in de stad bestaande parochie, die 
van St. Pieter. Behalve geld en brood werden ten behoeve van 
deze instelling in de 14"^^ eeuw ook kleederen en schoeisel bij 
testament besproken 3) aan de armen, met name aan de „arme 
huyssitten", d, i. aan de van de bedelende zwervelingen en ge- 
wone bedelaars wel te onderscheiden gevestigde armen 4), die in 
verschillende testamenten bepaaldelijk v/orden bedacht. Aan het 
hoofd der instelling stonden de twee Heiligegeestmeesters, op de 
gewone wijze met St. Pieter door de stadsregeering uit de aan- 
zienlijke burgers gekozen; ook zij moesten sedert 135 1 zeven jaar 
poorter geweest zijn en legden binnen eene maand na hun aftreden 
rekening af van hun beheer s). Toen de stad zich uitbreidde, namen 
zij ook de zorg voor de armen in de andere twee parochiën op 
zich, blijkbaar omdat het op den duur bezwaren opleverde de 
armen der eene parochie van die der andere te scheiden. 

De armen, wier getal in 1425 op minstens 500 gesteld moet 
worden ^), ontvingen toen geen geld meer van de Heiligegeest- 
meesters en evenmin de voor hen bestemde artikelen zelve, 
maar loodjes, waarop zij ter bepaalde plaats bepaalde levensbe- 
hoeften krijgen konden 7). De Heiligegeestmeesters hadden, behalve 
voor de uitdeelingen aan de armen, ook te zorgen voor de hun 
bij testament door de erflaters opgedragen memoriediensten, op 
welker trouwe behandeling door de betrokken priesters zij het 
toezicht moesten houden. Zij mochten in de kerk en op het kerk- 
hof ten behoeve der armen bedelen ^). Hunne administratie werd 

i) Vgl. Alberdingk Thijm, De gestichten van liefdadigheid van Karel den Groote tot 
aan de i6de eeuw (Leuven, 1883); S. Muller Hz., Het Heiligegeesthuis te Rotterdam 
(Rotterdam, 1896). 

2) Van Mieris, Charterboek, II, blz. 175; Beschrijving van Leyden, I, bh. 38. 

3) Vgl. Ligtenberg, blz. 160 vlg. 

4) ib. blz. 163. 

5) Kb. 1406, Bk. II, n°. 2; Kb. n°. 3, n°. 124. 

6) Ligtenberg, blz. 169. Zie boven, blz. 258. 

7) ib. blz. 168. 

8) Kb. 1406, Bk. V, n°. 15-, Kb. n°. 3, n°. 33. 



266 

op die wijze zeer omvangrijk, te meer omdat zij krachtens sommige 
testamenten ook lijf- en andere renten van het geschonken kapitaal 
hadden uit te keeren ; uit hunne „Maanboeken" van 1425 blijkt, 
dat zij toen reeds over aanzienlijke inkomsten hadden te beschikken. 

Voor de huiszitten-armen, de „pauperi magis indigentes, non 
tamen publice mendicantes" ^), werd in den beginne ook door de 
geestelijkheid der parochiekerken zelve gezorgd. Menig testament 
besprak renten te hunnen behoeve, met name in de parochie ten 
Hoogen Lande, waar de zorg voor de huiszitten sedert 1382 door 
het kapittel aan drie kanunniken was opgedragen. Omstreeks 141 5 ^) 
werden voor de huiszitten door de stadsregeering echter twee 
paren afzonderlijke „huiszittenmeesters" voor St. Pieter en St. Pan- 
cras ten Hoogen Lande 3) benoemd en daarmede het beheer geheel 
aan de geestelijkheid onttrokken. Aanzienlijk waren weldra de 
inkomsten, die deze huiszittenmeesters hadden te beheeren, zoodat 
in 1427 op het Hooge Land een huiszittenhuis : „Der mynnen pot"» 
werd gekocht, waar zij de uit te deelen goederen konden opslaan, 
het eten koken en de uitdeelingen doen plaats hebben. Dit huis 
„de Minnepot", het huiszittenhuis van St. Pancras, heette in dezen 
tijd ook wel St. Barbaragasthuis 4) naar de heilige, aan wie de 
hier weldra gevestigde kapel gewijd was; men kon zich ook hier 
als provenier inkoopen op de gewone voorwaarden, die in 1427 
door Philips van Bourgondië in een privilegebrief geregeld werden. 
Ook in de parochie van St. Pieter werd in 1428 zulk een Huis- 
zittenhuis ingericht 5). In 1426 vinden wij dan ook in de Vrou- 
wenparochie voor het eerst ^) twee huiszittenmeesters, die er door 
testamenten, giften en collecten konden zorgen voor den „aelmis- 
pot", welks inslag voorloopig nog in het Elizabethsgasthuis werd 
bewaard en bestond uit gezouten en versch vleesch en visch, turf, 
lakens enz., wat ook wel de hoofdzaak van den inslag in de andere 
huiszittenhuizen zal geweest zijn. 

In verband met deze voortdurende uitbreiding van de armen- 
zorg werd de bedelarij meer en meer door keuren beperkt. Wij 
vinden reeds in het oudste Keurboek verbod van bedelen in de 
kerk, op het kerkhof en tot 3 roeden daaromheen, tenzij men 



i) Ligtenberg, blz. 209 vig. 

2) ib. blz. 213. 

3) Voor de aanvankelijk weinig door gewone burgers bewoonde derde parochie scheen 
dat minder noodig. Vgl. boven, blz. 70. 

4) Ligtenberg, blz. 214. 

5) ib. blz. 220. 

6) ib. blz. 225. 



26/ 

alleen voor zichzelf bedelde ^) ; wie in het algemeen „binnen der 
stede" bedelde, moest verlof hebben van den schout, een poort- 
meester of twee schepenen; hij mocht niemand lastig vallen en 
alleen vragen : „geeft om Gode desen man, desen wive, desen 
kinde" of iets dergelijks. Later ^) werd het bedelen langs de 
huizen of op de straat, ook in de kerk, op zware boete geheel ver- 
boden en, wat de kerk betreft, mocht men het daar bijeengebedelde 
den bedelaar afnemen om het te verdeelen onder de armen, die 
buiten de kerk stonden in afwachting van de goede gaven van 
weldadige stedelingen. 

Eene andere wijze om voor de armen, in het bijzonder voor 
oude behoeftigen, te zorgen, was het stichten van vrije woningen 
door welgestelden. Zoo had reeds „joffer" Meyne Uut den Waerd, de 
dochter van den bezitter van het nabijgelegen kasteel 3), in 1368 
haar huis op het Rapenburg onder toezicht van den pastoor der 
Pieterskerk bestemd voor eerzame arme vrouwen zooveel als daarin 
te plaatsen waren 4). Zoo had de rijke Pieter Symonsz, s) reeds 
bij zijn leven een klein huis op zijn erf door kinderlooze arme 
vrouwen laten bewonen en bij testament ook zijn groote huis 
daarvoor bestemd onder toezicht van denzelfden pastoor en de 
beide gasthuismeesters van St. Katrijn, waaruit echter weldra een 
klein begijnhof voor 12 vrouwen ontstond, zeker niet geheel naar 
de bedoeling van den stichter : het toezicht der gasthuismeesters 
is er omstreeks 1430 opgehouden en de beide van den beginne af 
aangestelde „bewairsters" kregen meer en meer het beheer in 
handen van „Pieter Symons zusterhuis" of „begijnhof" zooals het 
later heette ^). Ook een „Heyn Reynsz. huys" voor armen wordt 
in 1429 genoemd 7), 

De weezenverpleging stond nog geheel onder het toezicht der 
poortmeesters, die voor de arme zoowel als voor de vermogende 
weezen, in overleg met de magen, personen hadden aan te wijzen, 
die de zorg voor hen en hunne bezittingen onder toezicht der 
poortmeesters op zich zouden nemen. 



i) Bij Ligtenberg, blz. 285 is deze keur (Kb. 1406, n°. 15) niet goed begrepen. De 
bepaling is blijkbaar gericht tegen de bedelorden. 

2) Appendix, V, n°. 15, 17. Vermoedelijk nog uit deze periode. 

3) Zie boven, blz. 55 en 75. 

4) Ligtenberg, blz. 235. 

5) Zie boven, blz. 55. 

6) Ligtenberg, blz. 241/2. 

7) ib. blz. 247. Hiervan is echter niets naders bekend. 



268 

Een uitvoerige keur ^) regelde reeds in de tweede helft der 
I4<^^ eeuw deze belangrijke zaak, waarbij scherp toezicht werd 
gehouden zoowel op de behandeling ten minste der vermogende 
kinderen als op het beheer van hunne goederen, waarvan jaarlijks 
ook ten overstaan der magen rekening moest worden gedaan 2). 

Zoodra onmondige kinderen ergens in de stad „bestorven" waren, 
stonden de magen onder de verplichting voor poortmeesters te 
komen en schriftelijk opgave te doen van de door de ouders na- 
gelaten goederen. Was daaronder „verderflic" of roerend („tilbair") 
goed, dat beter te gelde gemaakt was, dan werd dit gedaan om 
er eventueele schulden mede te kunnen betalen ; het overblijvende 
werd onder het beheer der voogden gesteld, bij wier keuze het 
belang, ook het stofifelijk belang der kinderen in het oog moest 
worden gehouden. Reeds vóór den afloop van het zeventiende jaar, 
waarin eigenlijk het toezicht der poortmeesters ophield, kon met 
toestemming van het gerecht en alle magen in het belang der 
kinderen dezen het vrije beheer der goederen worden toegestaan, 
maar overigens kon geen kind iets van het eigendom beleenen, 
beloven of vervreemden; in ieder geval kon men naar aanleiding 
daarvan in rechten geen aanspraak laten gelden dan als het zeven- 
tiende jaar voorbij was. 

Zoo kennen wij iets van de lotgevallen 3) der drie dochtertjes van den 
boven genoemden lakenhandelaar Jan Blijf hier Jacobszoon, die over- 
leden was op Skonen (St. Jan. 1397), van waar zijn lijk gekist naar 
Leiden werd overgebracht. Hij was weduwnaar en liet na: Ermtruud, 
Katrine en Lisebet, die werden gesteld onder de voogdij van Hughe 
Claessoen van der Burch, haren grootvader, en Jan Blijfhier 
Claessoen, een neef. Zijn nagelaten vermogen bestond uit drie 
huizen en erven te Leiden en een „ledich erve", die ten deele 
verhuurd, ten deele ten behoeve der kinderen verkocht werden ; 
van het ontvangen bedrag kochten de voogden land en renten op 
huizen. Verder liet hij ongeveer 200 pd. na aan gouden en zilveren 
munt; zijn inboedel, die voor 19 pd. verkocht werd ; verder lakens, 
haring, vellen en geld, alles te zamen omstreeks 600 pd. tegen 
140 pd. schuld. 

Na zijn plechtige uitvaart te Leiden, waarbij aan de priesters, 
de kaarsen, de ,,bidster" en aan meel tot brood voor de armen 
,,over die ziele'* meer dan 5 pd. werd gegeven, worden de kinderen 



i) Kb. 1406, Bk. II, n. 17; Kb. n°. 3, n°. 116. 

2) Vgl. Stedeboek, fol. 3 vlg., waar een aantal dezer rekeningen te vinden is. 

3) De meergenoemde voogdijrekening Blijfhier. 



269 

uitbesteed bij verschillende personen : Ermtruud bij de grootmoeder 
Margriete Hughen, die bovendien schoolgeld en kleeding betaald 
kreeg, terwijl het meisje met Sinterklaas 1403 voor een jaar naar 
een klooster te Utrecht werd gebracht; Katrine bleef aanvankelijk 
voor 4 gr. in de week bij ,, vrouw Gheertruit" aan wie haar vader 
haar reeds had toevertrouwd ; de kleine Lisebet, die nog een 
„minne" noodig had, kwam bij Lisebet Ghisebrechts, die al spoedig 
de beide jongste kinderen samen voor 10 gr, bij zich kreeg. Later, 
met den leeftijd der kinderen, stegen de bedragen voor haar onder- 
houd, die wij kennen tot 141 1 toe uit de niet ieder jaar maar 
soms eerst om de twee of drie jaar afgelegde rekening. Van haar 
schoolgeld, hare naailessen, de onkosten harer kleeding spreken 
de rekeningen telkens, ook van de opbrengst harer bezittingen. 
Ontvangst en uitgaaf bedroegen voor de drie kinderen samen ieder 
jaar door elkander ongeveer 100 pd. 

Uit een en ander leeren wij de groote zorg kennen, waarmede 
de stadsregeering bezield was ten opzichte van armen en hulp- 
behoevenden. Evenals de bijzondere personen zelve onder kerkelijken 
invloed ernstig luisterden naar het christelijke gebod van armen- 
zorg, dikwijls (zoo niet altijd) met de bijgedachte daarmede ook 
een der goede werken te verrichten, die de ziel na den dood ten 
goede kwamen, zoo meende ook de stadsregeering tot die zorg 
verplicht te zijn. Door de ondervinding geleerd, dat de armenzorg 
in de handen der geestelijkheid lang niet altijd veilig was, en met het 
oog op het dikwijls omvangrijke financieele beheer, had zij reeds 
vroeg controle op dat beheer ingesteld ; bovendien begreep zij meer 
en meer, dat die controle ook anderszins noodig was, ja zelfs dat zij 
liefst de armenzorg zooveel mogelijk zelve in handen moest houden, 
omdat het bestrijden van de armoede, het bevorderen van de 
welvaart der burgerij in de eerste plaats haar ter harte moesten 
gaan. Zoo zien wij het aandeel der regeering in de armenzorg en 
de daarmede in verband staande weezenverpleging steeds meer 
toenemen en dat der geestelijkheid kleiner worden, zoodat ten slotte 
de armenzorg een der belangrijkste plaatsen in het stadsbestuur 
gaat innemen, terwijl de geestelijkheid zich meer en meer beperkt 
tot het wijzen op het christelijk medelijden met de armen en op 
de verdiensten, die de Christen zich kon verwerven door opvolging 
van het oude voorschrift. 



HOOFDSTUK XIII. 

Geestelijke belangen. 

In het middeleeuwsche leven onzer voorvaderen nam de Kerk 
eene zeer aanzienlijke plaats in. Nog meer dan de markt, waarop 
of in welker nabijheid men ze gewoonlijk vindt, was de parochie- 
kerk het middelpunt van het dagelijksch leven der burgerij en de 
priester, de bemiddelaar tusschen het goddelijke en het menschelijke, 
die kort na de geboorte het menschelijk leven wijdde door den 
doop, de belangrijkste dingen des levens met zijn zegen verge- 
zelde, aan het sterfbed stond met de genademiddelen der Kerk en 
na den dood belast was met de leiding der uitvaart van den in 
of bij de kerk begraven doode, met de behartiging zijner eeuwige 
belangen hiernamaals, mocht een hoogst invloedrijk persoon heeten. 
De talrijke kapellen en altaren van broeder- of zusterschappen en 
gilden in de kerken, met zorg onderhouden en met liefde versierd, 
getuigen van de gehechtheid aan kerkelijke wijding; de gasthuizen 
en kloosters van den algemeenen godsdienstzin, die ook de talrijke 
memoriediensten en zielmissen had in het leven geroepen, waarvoor 
bij testament aanzienlijke sommen plachten vastgesteld te worden. 
„De heilighe kercke", zoo dicht vroom Willem van Hildegaers- 
berch ^) : 

„De heilighe kercke is onse moeder 
„Ende si is spieghel ende roeder, 
„Onse ghelove staet daermede." 

Maar in de 14^^ eeuw dreigden ernstige gevaren het kerkelijke 
leven en daarmede op den duur den daarmede zoo nauw ver- 



I) LVIII, VS. 9 vlg. 



2/1 

bonden godsdienstzin. De hoofden der Kerk zelve, de pausen, 
de kardinalen, de bisschoppen, de hooge geestelijkheid in het 
algemeen bleken op verre na niet te voldoen aan de hooge 
eischen van godsdienstzin, zedelijkheid en geestelijke ontwikkeling, 
die men met recht aan hen mocht stellen. 

Na den heftigen strijd tusschen Paus en Keizer, waaraan ook het 
sticht Utrecht deelgenomen had en waarin godsdienst en staatkunde 
op voor beiden verderfelijke wijze vermengd waren, was in de 
14de eeuw de „ballingschap" der pausen naar Avignon gevolgd, 
die van de hoofden der Kerk had gemaakt de dienaren der 
Fransche koningen. Na den terugkeer van Gregorius XI naar Rome 
(1377) openbaarde zich weldra de dringende behoefte aan ver- 
betering en hervorming, niet het minst van de opperste leiding der 
Kerk, maar het Groote Schisma en de daarmede sedert den aanvang 
der 15de eeuw opkomende strijd tusschen de groote Conciliën van 
Pisa, Constanz en Basel en de pausen over die leiding bracht nieuwe 
tweespalt in de hoogste kerkelijke kringen. 

Daarbij kwam, dat het sticht Utrecht in de 13de en den aanvang 
der 14^^^ eeuw bestuurd was door kerkvorsten als de elect Jan van 
Nassau en Gwy van Henegouwen, als Jan van Diest ^), die op het 
wereldlijk gezag minstens zooveel letten als op hunne kerkelijke 
plichten en hunne geestelijkheid voorgingen in het stellen van 
wereldlijke boven geestelijke dingen, in het streven naar macht en 
vorstelijken glans of naar goede verstandhouding met de machtige 
graven van Holland en Gelre meer dan naar verheffing van het 
kerkelijke leven, al sloten zij de oogen volstrekt niet geheel voor 
het laatste. 

Wel was op den zwakken Jan van Diest, toen het einde van 
het Sticht nabij scheen ^), de krachtige, strijdbare, geleerde en 
het goede ernstig willende Jan van Arkel 3) gevolgd, maar deze, 
die door talrijke synodale bijeenkomsten zijner geestelijkheid de 
kerkelijke tucht handhaafde, had na zijn vertrek naar Luik zijn 
zetel zien innemen door den welwillenden maar zwakken Jan van 
Vernenburg en den krachtigeren maar weinig kerkelijken Arnold 
van Hoorn. Op dezen volgde de vrome en ernstige maar niet 
krachtige Floris van Wevelikhoven en eindelijk Frederik van 
Blankenheim, die er in slaagde als regent van het Sticht zijne 



i) Vgl. over hen: Moll, Kerkgeschiedenis, II, blz. 120 vlg. 

2) Vgl. Muller, in Verslag Prov. Utr. Gen. 1887, blz. i vlg. 

3) Over hem : Beyssens, in de Katholiek, dl. 104, 105, 106, 108. 



2/2 

wereldlijke macht te handhaven en met ernst de in zijn tijd krachtig 
opkomende beweging tot hervorming en verbetering van de ker- 
kelijke toestanden steunde ^). De regeering van dezen laatsten 
kerkvorst, bij wien ook weder sterke wereldlijke neigingen zijn 
waar te nemen, wordt geroemd als de gouden eeuw van het Sticht : 
„patrie Trajactensis aurea secula", maar toen hij (Oct. 1423) 
stierf, begon eene lange periode van anarchie op wereldlijk en 
kerkelijk gebied, het Utrechtsche Schisma, dat meer dan iets 
anders zoowel de wereldlijke als de kerkelijke toestanden in het 
Sticht voorgoed bedierf 2). Met den dood van Frederik van Blan- 
kenheim eindigde voor het Sticht een tijd, die door Thomas a 
Kempis beschreven wordt als een, „waarin eerzaamheid was bij 
de prelaten, vroomheid bij de priesters, devotie bij de klooster- 
lingen, kuischheid bij de maagden, godsdienstijver bij het volk, 
ernst bij de rechters, welvaart in de steden." 

Maar deze schildering van den vromen monnik mag in geen 
geval gelden voor den laatsten tijd der 14de eeuw, voor den tijd 
zijner onmiddellijke voorgangers. Op hen en hunne omgeving 
past zij niet, wanneer wij de getuigenissen raadplegen van Hilde- 
gaersberch en van Geert de Groote zelven, die met name in zijn fel 
vertoog „contra turrim Trajectensem", tegen den nieuw opge- 
richten Domtoren, werk van een eeuw van arbeid, tegen de 
praalzucht der hooge prelaten, in zijn scherpe zedepreek „contra 
focaristas", in zijn optreden tegen de geldgierigheid der priesters, 
de ambtenjagers onder de hooge en lage geestelijkheid, de koopers 
en houders van vele kerkelijke waardigheden tegelijk, de toe- 
nemende zedeloosheid der kerkelijken te velde trekt. Vooral de 
Utrechtsche kanunniken, die sedert 1341 4), om te ontkomen aan 
de bezwaren van de bezetting der van hun kapittel afhankelijke 
ambten en posten, deze bij tourbeurten onder elkander verdeelden, 
wekten ergernis door hun weelderig en ongebonden leven, door 
hun ambtsbejag en hun streven naar geldelijk voordeel voor zich 
en de hunnen, alles ten koste van hunne kerkelijke plichten en 
van de inkomsten der Kerk uit de betrekkelijk hoog opge- 
voerde kerkelijke lasten der geloovigen, zoowel uit de kerkelijke 



i) Vgl. Schmedding, De regeering van Frederik van Blankenheim (Leiden, 1899). 

2) Vgl. De Hullu, Bijdrage tot de geschiedenis van het Utrechtsche Schisma ('s-Gra- 
venhage, 1892). 

3) Chronicon Montis S. Agnetis, p. 49. 

4) Vgl. Muller, Schetsen, blz. 27 vlg. 



^7Z 

rechtspraak als uit de kerkelijke eigendommen en uit de kerkelijke 
verplichtingen der geloovigen zelven. 

En de dekens en onderdekens van hun kerkelijk rechtsgebied 
volgden hun voorbeeld. Velen scheen de Kerk, niet geheel ten on- 
rechte, toe ontaard te zijn in een geldelijke instelling tot onderhoud 
van weelderig levende geestelijken van hoogen en lagen rang, wier 
hoofddoel was de kerkelijke plechtigheden en genademiddelen, 
den nog altijd bestaanden godsdienstzin der geloovigen te gebruiken 
in hun persoonlijk belang, tot vermeerdering hunner eigen in- 
komsten. 

Wantter heyligher kercken rent. 

Die den armen soude bliven. 
Die wert verteert mit wanckelen wiven, 

Onnuttelicken als ghi wel siet. 
Dat is der kercken groet verdriet. 
Dat Lijskijn, Trijskijn hebben verworven 
't Goet, daer God om is gestorven ï). 

En wat de hoogeren deden, volgden de lagere geestelijken weldra 
na. De „prochipapen" en de kloosterlingen 2) stonden in de tweede 
helft der i\^^ eeuw al evenmin in den reuk van heiligheid: 

Papen, clercke al gemien, 
Hoe veel onrechts datsi sien, 
Sie worden doeff in haer verstaen; 
Maer als men siet die hant ontdaen 
Om uut te tellen die florine. 
Dan slachten si na den everswine. 
Dat altoos scarper is int horen 
Dan enich dier, dat hevet oren 3). 

Ontelbaar is het aantal der getuigenissen, die men zou kunnen 
ontkenen aan de talrijke moralisten in rijm en proza dier dagen 
en al neemt men in aanmerking, dat zij, als moralisten, menig- 
maal zullen hebben overdreven, de zaak zelve der ontaarding van 
het kerkelijke en daarmede van het godsdienstige leven valt 
tegenover zoo ernstige getuigenissen niet te ontkennen. 

Is het wonder, dat er juist toen eene beweging is opgekomen, die 
ten doel had beiden. Kerk en leven, te verbeteren? 



i) Hildegaersberch, LVIII, vs. i66 vig. 

2) Acquoy, Windesheim, I, blz. 7 vlg. « 

3) Hildegaersberch, XLVII, vs. 51 vlg. 

18 



274 

Meer dan eens waren in vroeger dagen monniksorden ontstaan, die 
een dergelijk doel nastreefden. De Praemonstratensen en Cister- 
ciënsen der I2<^e, de bedelorden, Franciscanen en Dominicanen, der 
13de eeuw hadden zich dit ten doel gesteld. Thans ontstond de 
beweging onder den machtigen invloed der mystieke vroomheid 
van mannen als Jan van Ruysbroeck in het Brabantsche, welke 
invloed zich op het leven der geestelijken en door middel van 
toenemende prediking in de volkstaal op het volk zelf, ook in 
Holland, krachtig deed gelden. Gerrit de Groote van Deventer ^) 
begon in 1379 met goedkeuring en steun van den juist opge- 
treden bisschop Floris zijn korte maar zegenrijke werkzaamheid 
— hij stierf in 1384 — in het Sticht, met name in Utrecht, Overijsel 
en Holland. Hij trad op als reizend prediker, toegerust met een ton 
vol boeken om uit de Heilige Schrift en de werken der heiligen 
zijne meeningen te kunnen staven en vergezeld door een notaris 
om zich gerechtelijk te kunnen verdedigen tegen de geestelijken, 
die hem het prediken wilden beletten. Zoo is hij omstreeks 1380 
ook te Leiden, en dan wel in de Pieterskerk, geweest en heeft hij 
er zijn vurige prediking doen hooren 2). 

Uit zijne werkzaamheid kwam de vereeniging voort, die den 
naam droeg van „Broederschap des Gemeenen Levens", oorspron- 
kelijk een vrije vereeniging van jonge klerken der Deventer 
kapittelschool, die onder leiding van De Groote's geliefden vriend 
en leerling Floris Radewynsz. gingen bijeenwonen. Uit die Broe- 
derschap ontstond weldra het klooster der Reguliere Kanunniken 
van Windesheim, het middelpunt van eene nieuwe hervormings- 
gezinde kloostervereeniging, die niet alleen in de Nederlanden 
maar ook ver in Noordduitschland hare kloosters stichtte, in de 15de 
eeuw tot grooten bloei geraakte en belangrijken invloed oefende 
op het kloosterleven zoowel als, in samenwerking met de ge- 
noemde Broederschap, waarbij zich ook talrijke zusters aansloten, 
op de ontwikkeling van het onderwijs en de wetenschap ten onzent. 
Om zich te vrijwaren tegen de van den beginne af heftige vijand- 
schap der ketterjagende Dominicanen en Franciscanen sloten 
sommige der vrije vereenigingen zich aan bij de Derde Orde van 
St. Franciscus, de Tertiarissen, met hun niet zeer drukkende 
kloostergeloften, maar vele andere bleven in hare Frater- en. 



i) Acquoy, Windesheim, I, blz. 15 vlg. 
2) Busch, Chronicon Windesh., p. 4. 



275 

Zusterhuizen volkomen vrij, samenleven zoekend, wat de zusters 
aangaat ongeveer op de wijze der begijnen, met wie zij dikwijls 
verward worden ^). 

Ook van Rome en de Dominicanen gingen intusschen wel po- 
gingen uit om het leven der geestelijken te verbeteren, getuige 
de zending van den Dominicaan magister Eylaert Schoneveld tot 
onderzoek van dat leven in het Duitsche Rijk, ook in Holland, 
waar hertog Albrecht nog in 1404 zijnen rechters beval dezen 
pauselijken inquisiteur te steunen =^). Hij richtte zijn onderzoek 
sedert de laatste jaren der 14^^ eeuw vooral tegen de boven- 
genoemde zusterhuizen der Gerardinen of „Zwestriones" (Zusters), 
die hij van ketterij beschuldigde en heftig vervolgde als vijan- 
dinnen van het echte kloosterleven, als aanhangsters der inzichten 
van de kettersche Lollarden 3). 

Het kerkelijk bestuur, waarmede men te Leiden, afgezien van 
den Keulschen aartsbisschop, te maken had onder den bisschop 
van Utrecht, dien men in de 14^^ eeuw buiten Utrecht in de 
overige deelen zijner diocees nooit te zien kreeg 4), stond onder 
de leiding van den domproost, hoofd van het domkapittel, als 
aartsdeken („archidiaconus") van zijn omvangrijk aartsdekanaat, 
dat een groot deel van Zuid-Holland en Utrecht, geheel Zeeland 
met de Vier Ambachten, Amstelland, Tessel, de Betuwe, Groningen 
enz. omvatte 5). Hij deelde met den bisschop en diens vicaris of 
officiaal de kerkelijke rechtspraak, die hij voor zijn deel in Rijn- 
land uitoefende door den door hem aangestelden „provisor" of 
landdeken voor dat district ; terwijl de vicarissen ^) de moeielijke 
rechtskwestiën, als dispensatiën enz., hadden te behandelen en de 
ofificialen de ketterij, de kwestiën over tienden, beneficiën, huwe- 
lijken, geboorten, begrafenissen, de verschillen tusschen geestelijken 
en leeken berechtten, handhaafde de aartsdeken vooral de kerkelijke 
tucht 7) en dit wel voornamelijk door den provisor, die het synodale 



1) Vgl. Delprat, Verhandeling over G. Groote en den invloed der Fraterhuizen {Arn- 
hem, 1856). 

2) Fredericq, Corpus Inquisitionis, I, blz. 264/5. 

3) Fredericq, Corpus Inquisitionis, I, blz. 251 vlg. ; II, blz. 181 vlg. 

4) Voor de ordening van geestelijken, wijding van kerken en altaren, bediening van 
het vormsel enz. had hij zijne suffraganen of wijbisschoppen, die hem vervingen; voor 
de jurisdictie zijn vicarissen en officialen. 

5) MoU, Kerkgeschiedenis, II, i, blz. 316. 

6) ib. blz. 281. 

7) ib. blz. 321. 



276 

gericht en de bijeenkomsten der pastoors leidde, de werkzaamheid 
der geestehjken, hunne kleeding en hun leven, ook hunne leer in 
het oog hield en de opperzorg voor kerken en kapellen had ^). De 
aartsdeken bevestigde verder de hem door de coUatoren voorge- 
stelde parochiepriesters. De kerkelijke inkomsten werden door den 
provisor, de meer in het bijzonder bisschoppelijke door den officiaal 
beheerd. 

Van het kerkelijk leven te Leiden in de 14^^ eeuw is ons niet 
alles in bijzonderheden bekend maar wat wij ervan weten toont, dat 
het den algemeenen ontwikkelingsgang heeft gevolgd. Het had zijn 
middelpunten in de drie parochiekerken, die er na het midden der 
eeuw bestonden 2). Aanvankelijk was de oudste, de St. Pieters- 
kerk, nog de aanzienlijkste en met hare sedert het begin der 
14^6 eeuw genoemde talrijke kapellen en de omstreeks 40 bedienende 
kapelaans, die ook de gilden- en andere altaren te bedienen hadden, 
hare in 1377 tot drie 3), in 1421 tot vier vermeerderde hoofd- 
priesters 4), hare door testamentaire en andere beschikkingen allengs 
zeer vergroote inkomsten, nam zij steeds een belangrijke plaats in 
het kerkelijk leven der burgerij in. Die inkomsten werden van ouds 
beheerd door vier „godshuysberaders" of kerkmeesters, jaarlijks op 
St. Pieter door de stadsregeering aangesteld en verplicht tot het 
doen van verantwoording, wederom binnen eene maand na hun 
aftreden s). De inkomsten bestonden uit de opbrengst van het bezit 
van landerijen, huizen en erven en van renten daarop, uit jaar- 
lijksche giften in geld, uit collecten en offergelden, uit de opbrengst 
van den verhuur van de ramen, die de kerk had opgericht op een 
stuk lands tusschen Hoogewoerd en Vliet (St. Pieters hoeve ^)), 
uit die van het kerkgeld, dat op het einde der 14^^ eeuw, ten 
minste tijdelijk als „omset", tweemaal per jaar door de regeering 
in overleg met de vroedschap van bon tot bon geheven werd om 
den bouw der kerken te steunen 7), uit die van het zeer begeerde 



i) Moll, blz. 325. 

2) Zie boven, blz. 54, 66, 69. 

3) De Geer, Archieven der Duitsche Orde, II, n'. 610. 

4) ib. n°. 612. De vierde zou in het bijzonder voor het St. Katrijnen gasthuis dienen. 

5) Kb. 1406, Bk. II, n°. 2 en 5; Kb. n°. 3, n°. 25 en 124. 

6) Over het gebruik dier ramen of misschien over het weiderecht aldaar was een 
verschil tusschen de stedelingen en de kerk (Phil. de Leyden, p. 177). In 1392 huurde 
de stad ze (Stadsrek. fol. 25). 

7) Kb. 1406, Bk. V, n°. i ; Kb. n°. 3, n°. 150 en 158. De homans inden het in de 
bonnen, in 1400 tot een bedrag van omstreeks 200 pd. 



277 

begraven in de kerk, waarvoor men 40 sch. had te betalen en 
verder voor een zerk te zorgen ^), enz. Uit deze inkomsten, die 
in 1400 omstreeks 1000 pd. bedroegen, hadden de kerkmeesters 
met medewerking van den overkoster en onderkoster, die door de 
stadsregeering benoemd werden, het onderhoud van het gebouw 
te bezorgen, het salaris van de kerkedienaren te bekostigen, bene- 
vens den aankoop en het onderhoud van kerkmeubelen, o. a. van 
de orgels, van welke in 1400 een klein en een groot genoemd 
worden, bespeeld door een organist 2). Omstreeks 1400 schenen de 
inkomsten niet meer voldoende, waarom door de stadsregeering tot 
uitgifte van lijfrenten vergunning werd gegeven, waarschijnlijk in 
verband met de zware onkosten van het afbouwen der kerk, die 
blijkens de stadsrekening einde Maart 1425 gewijd werd. De rente- 
betaling begon allengs zoo drukkend te worden, dat zij een groot 
deel van de inkomsten verslond: in 1428 zijn de inkomsten tot 
2500 pd., maar de uitgaven tot 3280 pd. gestegen 3). Ook hier 
dus allengs groote verwarring in het financieel beheer. 

De benoeming der priesters stond voor deze kerk aan de broeders 
van het naburige Duitsche Huis 4), dat het patronaat der kerk, 
dat nog in 1266 door den graaf voor zich was voorbehouden, twee 
jaren later van dezen had ontvangen. De opperste leiding van deze 
geestelijke ridderorde berustte in de diocees Utrecht sedert het 
midden der 13de eeuw, toen zij daar eene „balye" vestigde 5), bij 
den te Utrecht wonenden landkommandeur, onder wien te Leiden 
een „kommandeur" de goederen der orde bestuurde; daar en in 
de onder hem staande huizen te Katwijk, Maasland en Valken- 
burg 6) was het hoofd die „kommandeur" met enkele „broeders", 
die behalve aan het bestuur der rijke goederen, zich wijdden aan 
ziekenzorg en betrachting der onderhnge zachtmoedigheid en 



1) Kb. 1406, Bk. V, n°. 2/4 ; Kb. n". 3, n°. 28 en 158. In de kerkerekening van 1412 
wordt melding gemaakt van een gift van Dirk van Swieten voor een steen, „dair sijn 
beelt of wort gemaict", van 26 sch. S d. 

2) Onder die kerkmeubelen enz. worden in 1402 genoemd ook boeken : een „historie 
van O. V. visitasi", op perkament geschreven en geïllumineerd door die van Engelendaal 
onder Leiderdorp, en een ingebonden „gradael" op perkament met „quadraten noten". In 
1402 neemt de stadsregeering voor 5 jaar den organist mr. Claes Boerken aan om voor 
de klok (die blijkens de Stadsrek. in 1392 gegoten was) te zorgen en het kerkorgel te be- 
spelen (Stedeboek, fol. 279'). Hij mocht afzonderlijk rekenen voor eerste missen van 
priesters en buitengewone feesten. 

3) Deze cijfers uit de bewaarde kerkrekeningen. 

4) Zie boven, blz. 58. Over de kommandeurs der 14de eeuw vgl. de Bijlagen. 

5) Vgl. Moll, II, 2, blz. 141 vlg. 

6) Willem II had in 1241 deze aan het Duitsche Huis geschonken (Oorkdb., I, n°. 380). 



2/8 

weldadigheid. De „commelduyr" — zooals het volk zeide — zelf 
was „cureit" of pastoor der kerk; zijn „accessorius" of „coad- 
jator" stond hem ter zijde. Hun bestuur over de St. Pieterskerk 
leidde reeds omstreeks 1325 tot twisten met aanzienlijke burgers, 
die in hare parochiekerk voor eigen rekening verschillende 
kapellen hadden gesticht en nu de „ghifte" daarvan, de aanstelling 
der kapelaans, voor de erfgenamen wilden behouden en niet aan 
het Duitsche Huis wilden overlaten ^). De stadsregeering steunde 
krachtig dit verzet van hare aanzienlijkste inwoners, daar de stichting 
van kapellen anders op den duur elders zou plaats hebben en 
daarmede aanzienlijke kapitalen buiten de stad zouden gaan. Reeds 
in 1303 had het Duitsche Huis er de oprichting van twee kapellen 
toegestaan, onder voorwaarde dat de kapelaans daarvan slechts 
„simplic in die voornoemde kercke haer misse spreken" mochten 
en niet bij een eigen altaar noch in de rechten der parochiepriesters 
mochten treden ^j; maar in 1320 was het aantal der kapellen 
reeds tot 10 gestegen 3) en daarmede ook het aantal der kapelaans, 
wat tot toenemende bezwaren aanleiding gaf, die echter eindigden 
met het behoud der rechten van de erfgenamen der stichters van 
kapellen. Sedert nam het aantal der kapellen voortdurend toe 4), 
zoodat het op het einde der eeuw een dertigtal bedroeg. 

De zaak was eigenlijk weder eene geldkwestie. De beide 5) door 
het Duitsche Huis aan den domdeken voorgestelde en door dezen 
benoemde parochiepriesters trokken rijke inkomsten uit de uit- 
oefening hunner plichten : het bidden aan de graven, het bedienen 
der zieken, het maken van testamenten, het hooren van de biecht, 
het doopen, het bezorgen van de uitvaart, het bedienen van het 
altaar enz. ; zij vreesden nu de concurrentie der kapelaans, die zij 
alleen de voorgeschreven drie missen per dag, de vroegmis, de 
hooge mis en de vesper, wilden laten „spreken" en wilden uit- 
sluiten van de opbrengst van het „offertorium" het offeren 
vóór de mis, dat voor het onderhoud der bedienende priesters 
diende. 



i) De Geer, Archieven der Duitsche Orde, II, n'. 603. De cureit heette in 1320 heer 
Dirk (Memorieb. Pietersk., fol. 44). Hij leefde nog in 1335 (Gasthuisbrieven, fol. 3). 

2) Van Mieris, Charterboek II, blz. 35 ; hernieuwd in 1318, vgl. De Geer II, n°. 602. 

3) Daarvan had heer Pieter van Leyden er in 1316 bij testament 4 gesticht ; in 1304 
was die van Katrijn Poes ontstaan, de eerste, waarvan men hoort. 

4) Stichtingen van 1321, 1331, 1350 enz. in het Memorieboek der Pieterskerk, met 
het zegel der stadsregeering bevestigd. 

5) De Geer, Archieven, n°. 606. 



279 

Nog erger werd het in Sept. 1369 ^), toen op de klachten 
van de stadsregeering over kommandeur Dirk van den Rijn, 
die kort te voren zijn voorganger, heer Jacob, was opgevolgd en 
„surdis auribus in vituperium nostrum et opidanorum", tijdens 
eene groote sterfte, die vele aanzienlijken wegsleepte, alle klachten 
over de altarenkwestie en het begraven had ontvangen, hertog 
Albrecht zelf, op grond van het stadsprivilege van 1266 2), twee 
priesters aan den domdeken voorstelde zonder het Duitsche Huis 
daarin te kennen. In den daarop ontstanen twist beriep zich het 
Duitsche Huis, bevreesd de rijke inkomsten uit zijn bestuur van 
de kerk te Leiden te verliezen, zich op de schenking van Floris V, 
maar de stadsregeering op het oude stadsprivilege van 1266 en 
op de bepaling in de schenking zelve, dat het Duitsche Huis geen 
goederen mocht koopen in de parochie ten nadeele van de grafe- 
lijkheid of van de stad. Na een paar jaren van oneenigheid, ge- 
durende welke de nieuw aangestelde priesters de kerk rustig 
bestuurden, werd in 1371 het recht van het Duitsche Huis op 
aandrang van keizer Karel IV zelven en van den grootmeester 
der Orde weder erkend bij scheidsrechtelijke uitspraak en over- 
eenkomstig een plechtige rechtshandeling een half jaar te voren 
in het koor der kerk gehouden en geleid door den landkommandeur 
Hendrik van Alkemade, die bekend staat als een vroom en streng 
man, evenals zijn opvolger Splinter Uten Engh 3). 

De zaak had intusschen aan beide partijen heel wat geld gekost. 
In 1392 bevestigde hertog Albrecht nog eens het Duitsche Huis 
in zijn rechten op de kerk 4), maar nog zes jaren later vinden 
wij den twist, ditmaal in het bijzonder om het bedienen van het 
St. Katrijnengasthuis, opnieuw aan den gang 5). 

Een andere kwestie, waarbij geldelijke belangen van de Pieters- 
kerk een belangrijke rol speelden, was de vraag, of de huizen in 
den Burchstreng gelegen, tusschen de Burggracht en de brug 
over den Rijn, bij die kerk of bij de nieuw ontstane tweede pa- 



i) Vgl. Nijh. Bijdr. (2de reeks) II, bl. 128/9; Matthaeus, Analecta, blz. 348; Phil. de 
Leyden, p. 175 en 223. Het blijkt vooral het St. Katrijnengasthuis gegolden te hebben. 
Ligtenberg (Armezorg, blz. 24), heeft deze geheele zaak in hare strekking niet goed be- 
grepen. De nieuwbenoemden waren Philips Thomasz. en Philips Jacobsz., welke laatste 
later werd vervangen door Floris van Alkemade. 

2) Zie boven, blz. 29. 

3) MoU, II. 2, blz, 147. 

4) De Geer, n°. 612. 

5) Van Mieris, Beschrijving van Leyden, I, blz. 165 vlg. Vgl. Ligtenberg, 1.1. 



28o 

rochie behoorden ^). Deze kwestie werd in 1292 2) en 1338 3) ten 
gunste van St. Pieter en het Duitsche Huis, maar in 1370 bij 
sententie van den officiaal van Utrecht definitief ten gunste van 
St. Pancras beslist 4). 

St. Pieters parochie omvatte dus sedert dien de oude stad tus- 
schen Rijn en Rapenburg en wat daar door de vergrooting van 
1386 aan de zuidzijde bijgevoegd was. 

De Pieterskerk was en bleef de hoofdkerk van Leiden. Daar 
werden jaarlijks een aantal „hoechtiden" gevierd 5) op de groote 
(„dubbelde") kerkelijke feestdagen, op het feest der Heilige Drie- 
vuldigheid (na Pinksteren), op St. Michiel (29 Sept.), op St. Maarten 
(II Nov.), op St. Andries (30 Nov.), op den Heiligen Kruisdag 
(14 Sept.), op de met grooten glans door de zusterschappen van 
St. Barbara, St. Elizabeth, St. Maria Magdalena en St. Catharina 
gevierde naamdagen harer heiligen, op St. Nicolaas, den patroons- 
dag der rijke broederschap van dien naam, op de groote memorie- 
dagen van vermogende stichters en stichtsters van memoriediensten 6). 
Zulk een feest begon al op den vooravond met schitterende ver- 
lichting door middel van lange „stalkaersen", voor iedere koorpilaar 
eene en midden in het koor drie, verder op het hoogaltaar en 
op de betrokken kleinere altaren. Op den dag zelf werden van 
den morgen af de groote klokken plechtig geluid en de kleinere 
vroolijk gebeierd, het groote orgel werd bespeeld, de priesters 
zongen de mis met gepaste afwisseling van „responsorium" en 
„antifonen", de schoolmeesters stelden zich met hunne „choralen" 
op ter weerszijden van het koor en lieten hunne fraaiste kerkliederen 
zingen, de priesters kwamen in vollen getale op tot de vervulling 
hunner kerkelijke plichten bij vesper, metten en hoogmis onder 
aanvoering van den kommandeur zelven, de beste wierook ver- 
vulde het kerkgebouw, de zilveren wierookvaten en kandelaars en 
schalen werden te voorschijn gehaald. Soms werd een plechtige 
preek „ad populum" gehouden op het daarvoor bestemde preek- 



1) Zie boven, blz. 63 en 66. Zie de kaart, bij de stippellijn om den Burcht. 
z) De priesters van St. Pieter waren toen heer Petrus en heer Jacobus. 

3) De Geer, n°. 607. 

4) Vgl. de oorkonden, vermeld in Elsevier's Inventaris, blz. 172/3. 

5) Vgl. het Memorieboek der Pieterskerk (Leidsch archief), waar (fol. 87) vlg. ver- 
scheidene feesten nauwkeurig worden beschreven. 

6) Die van Vos Hoochstraet, van Gerrit van Hillegom en Jan Coman Jacobssoen 
worden in het bijzonder genoemd. 



28l 

gestoelte in het midden der kerk ^), en hadden rijke brooduitdee- 
h'ngen aan de armen plaats voor rekening der gemelde vereenigingen 
en door deze. 

Maar het grootste kerkelijke feest was wel de processie van den 
Heiligen Sacramentsdag, den tweeden Donderdag na Pinksteren =). 
Dan werd van de Pieterskerk uit, waar de schoolkinderen zongen, 
de heilige Hostie in plechtigen optocht van parochie tot parochie 
onder leiding der parochiale geestelijkheid langs de hoofdstraten 
door de gansche stad gedragen onder het luiden der klokken. 
Vooropgingen 8 geestelijken, dragende het wapen van den landsheer ; 
dan volgden een of twee geestelijken met de schel en een, die de 
kostbare wierookvaten zwaaide ter aankondiging van de heilige 
Hostie zelve, die onmiddellijk werd voorafgegaan door 4 pijpers 
met een trompetter en 2 minstrelen, tokkelend op hun mandoline- 
vormig instrument. De Hostie werd door een priester onder een 
door zes mannen gedragen baldakijn („craem") voortgedragen, 
vergezeld door den „prochiepaep" der parochie. Achter de Hostie 
volgden in lange rij de geestelijken, het gansche gerecht, de 
vroedschap, de schutters, de schoolkinderen, benevens gemaskerde 
personen, die de Evangelisten en de Apostelen voorstelden, en 
een groot deel der bevolking zelve, mannen, vrouwen en kinderen. 
Na afloop van den optocht door de stad trok men de Noordpoort 
uit langs den Singel, waar zich dan geen leprozen mochten be- 
vinden, naar de stadsweide, die aangewezen was voor de te houden 
volkspreek, waarna de Hostie weer plechtig naar de Pieterskerk 
werd teruggebracht. De geheele dag was een feestdag; aan de 
stadsregeering, de schutters, de geestelijkheid, de stadsambtenaren 
werd wijn uitgereikt, alle arbeid werd gestaakt, gelijk op hooge 
feestdagen in het algemeen het geval was. 

De tweede parochie, die der Hooglandsche Kerk, was in 131 5 3) 
na de toevoeging van dit gedeelte aan de oude stad ontstaan. 
Zij strekte zich na de derde vergrooting, die van 1386, uit over 
dat deel van het oude ambacht Leiderdorp, dat toen bij de stad 
kwam 4), dus van de stadsvest aan die zijde en het midden van 



i) Fundatieboek, fol. i6. 

2) Vgl. de Stadsrekeningen uit het begin der 15de eeuw. Omstreeks 1435 werd wegens 
de hooge kosten de feestviering wat minder schitterend. 

3) Zie boven, blz. 66. 

4) Zie blz. 67. De stukken over de stichting in de Historia Episcopatuum, I, p. 455 sq. 



282 

de Mare tot den (Nieuwen) Rijn. De kerk, aan St. Pancras gewijd, 
kreeg een groote beteekenis, toen zij 14 Aug. 1366 door bisschop 
Jan van Vernenborch en zeker niet zonder de krachtige mede- 
werking van den geleerden en invloedrijken heer Philips van Leyden 
en zijne vermogende verwanten ^), tot eene collegiale kerk, een 
kapittelkerk werd verheven. De eerste proost van het nieuwe 
kapittel was Gijsbrecht van Walenborch, daartoe door den bisschop, 
die de benoeming van den proost aan zich en zijne opvolgers hield, 
aangesteld. Van de eerste kanunniken, waartoe ook heer Philips 
zelf behoorde, hebben verscheidene aanzienlijke sommen aan de 
nieuwe kapittelkerk geschonken, waarom zij als „fautores" in het 
memorieboek der kerk 2) met dankbaarheid vermeld worden, evenals 
zoovele andere burgers, die hun voorbeeld volgden. Bij de plech- 
tige wijding der kerk als kapittelkerk hield heer Philips een fees- 
telijke Latijnsche preek 3), De bevestiging der stichting door paus 
Gregorius XI werd in 1372 verkregen vooral door de krachtige 
hulp van Dirk Voppensz., pastoor te Haarlem, wiens nagedach- 
tenis daarom ten zeerste door het kapittel in eere werd gehouden 4). 

In 1368 werd 5) „om twiste te verhoeden" door proost, deken 
en kapittel met de stadsregeering overeengekomen, dat deze laatste 
op St. Pieter „bi rade ende consent" van deken en pastoor der 
kerk 4 godshuismeesters of kerkmeesters zou aanstellen, die, evenals 
bij de Pieterskerk geschiedde, het beheer zouden hebben over de 
kerkelijke goederen — niet die van het kapittel natuurlijk — en 
jaarlijks rekenschap zouden afleggen aan deken, pastoor en 2 of 3 
kapittelheeren ; het geld der kerk zou bewaard worden in een in 
de kerk geplaatst „blok" (kist), waartoe de kerkmeesters onder 
toezicht van het kapittel vrijen toegang zouden hebben; de kerk- 
meesters hadden ook den kerkbouw te leiden „bi rade ende goet- 
dencken" van deken, pastoor en stadsregeering. 

De kerk nam spoedig in beteekenis toe. Zij werd een prachtig 
monumentaal gebouw met talrijke altaren, van welke er reeds in 
1381 vijf gewijd werden 6), terwijl in hetzelfde jaar de grondslagen 



i) Zie over hem en zijn geslacht: Fruin, Verspr. Geschr., I, blz. 125 vlg. Over de 
stichting, hemzelven in zijn boek, p. 63. 

2) Leidsch archief (archief Hoogl. kerk, n". 7). 

3) Reg. D. Hoogl. kerk, fol. 5 sq. 

4) Nijh. Bijdr. 2de Reeks, VI, blz. 130. 

5) Reg. D. Hoogl. kerk, fol. 16'. 

6) Nijh. Bijdr. 1.1. blz. 136. 



283 

van het nieuwe koor werden gelegd ^). Een orgel en een organist 
worden er in hetzelfde jaar vermeld 2). Omstreeks 1406 was er 
veel geld noodig voor kerkornamenten 3) en kerkbouw, waarvoor 
ook in deze parochie reeds kerkgeld was geheven; men stelde 
daarvoor een bijzondere Vrijdagsmis in, waarbij onder toezicht van 
den deken en de vier godshuismeesters drie collecten werden 
gehouden, waarvan het bedrag in een met 2 sleutels gesloten 
ofiferbus werd gestort 4). 

Ook deze kerk ontving talrijke schenkingen bij testament van 
vermogende Leidsche burgers. Hare inkomsten stonden dus onder 
het toezicht van kerkmeesters, maar de eigenlijke kapittelgoederen 
werden bestuurd door een der kannuniken als „thesaurarius" ; in 
die functie ontmoeten wij in 1372 s) onzen Philips van Leyden, 
toenmaals vicaris van bisschop Arnold van Utrecht, ook kanunnik 
in den Dom aldaar, in Condé en in het nieuwe kapittel van Den 
Haag, bezitter der pastoorsplaats van Zierikzee enz. en dus een 
der invloedrijkste geestelijken van het bisdom. Hij stichtte er bij 
testament uit zijne rijke goederen ter gedachtenis zijner ouders 
twee vicarieën, die van St. Andries en St. Nicolaas. 

De derde parochie was die van O. L. Vrouw, de minst aan- 
zienlijke, die in 1365 werd ingesteld ten behoeve van het nieuwe 
stadsdeel, dat kort te voren 6) was losgemaakt uit het ambacht 
Oestgeest en tot dien tijd ook kerkelijk tot de parochie van dien 
naam behoorde. Haar grenzen waren oorspronkelijk het midden 
van de Mare, de Rijn en de stadsvest tusschen Rijn en Mare, maar 
ook het terrein van Lopsen buiten die vest behoorde er later bij 7), 

De drie kerken, waarvan er twee in den loop der tweede helft 
der 14de eeuw op kosten der betrekkelijk weinig talrijke bevolking 
oprezen als de thans nog bestaande monumentale gebouwen en 
de derde als een bescheidener kerk, in overeenstemming met de 
kleine parochie, waarvan zij het kerkelijk middelpunt was, telden 



i) Nijh. Bijdr. 1.1. blz. 137. 

2) Register D. Hoogl. kerk, fol. 126. Omstreeks 1400 was dit „per multos annos" 
dominus Jacobus Hongher, dus een priester (Reg. B. fol. 82). 

3) In 1403 waren reeds een ciborie en andere ornamenten gekocht. 

4) Reg. D. Hoogl. kerk, fol. 23 sq. 

5) Zie zijn testament in de uitgave van Fruin en Molhuysen, p. 459- Hij woonde blij- 
kens dat testament (p. 461) aan het Pieterskerkhof naast het Duitsche Huis. 

6) Zie boven, blz. 69. 

7) Zie de kaart. De stippellijn wijst de oude parochiegrens aan, de volle lijn de latere ; 
de bewoners over de Mare hadden in de eerste helft der 14'^" eeuw bij St. Pancras gekerkt. 



284 

in het begin der 15^^ eeuw minstens een 70 tal geestelijken ^). 
Bovendien had men nog enkele zelfstandige kapellen. Onder 
deze was de bekendste de Vischkapel, die reeds vóór 1376 bestond 
en gelegen was aan den afloop der Groote Brug bij de Maars- 
mansteeg en de Vischmarkt 2). Zij was op burggrafelijken grond 
gesticht door de vischkoopers, die er driemaal per week door een 
kapelaan een mis mochten laten houden, te eindigen vóór de 
hoogmis in de Pieterskerk ; zij stond onder het beheer der meesters 
van het vischkoopersgilde, die voor het recht op de aan de kapel 
geschonken gelden of goederen jaarlijks aan den pastoor der 
Pieterskerk 3 pd. holl. hadden te betalen benevens een goeden 
snoek („heynckaert") 3). Verder had men nog de burggrafelijke 
St, Hubertskapel bij den Burcht, de St. Joostkapel aan de gelijk- 
namige gracht en misschien ook reeds die van St. Valentijn aan 
de St. Jacobsgracht. Zij werden met toestemming der pastoors 
door kapelaans bediend, maar wij weten van die kapellen verder 
niet veel; van groote beteekenis zijn zij niet geweest. 

De kerken, met name de Vrouwen- en de St. Pancraskerk^ 
zagen zich weldra omringd door een aanzienlijk getal kloosterlijke 
instellingen, naast de gasthuizen ook zij getuigen van den kerke- 
lijken zin der burgers en burgeressen van het oude Leiden. 

De oudste dier instellingen was wel, buiten het Duitsche Huis 
gerekend, het groote Begijnhof aan St. Agnes gewijd 4), dat reeds 
in 1293 bestond en bestuurd werd door een „meystersche", die 
toen onder goedkeuring van het stadsbestuur in overleg met hare 
begijnen in een reglement bepaalde, dat al het eigendom der be- 
gijnen, ook al werden zij wegens ongehoorzaamheid of om eenig 
ander misdrijf uit het hof verwijderd, aan de instelling zou blijven. 

Uit de bewoordingen der oorkonde 5) schijnt te blijken, dat iedere 
begijn in het hof een eigen huisje had, dat bij haar dood aan de 
gemeenschap verviel, die er een andere ongehuwde vrouw of weduwe 
in mocht plaatsen ; de nieuwe bewoonster had dan het huisje te 
koopen of te doen koopen van de gemeenschap ^). Toen in het 



i) Dit getal wordt genoemd bij de wijnuitdeelingen op de groote feesten, waarvan de 
stadsrekeningen spreken. 

2) Van Mieris, I, blz. 159; Phil. de Leyden, p. 79. 

3) Van Mieris, I, blz. 160; De Geer, Archieven, II, n". 611. 

4) Zie boven, blz. 57. 

5) Oorkdbk. II, n°. 852. 

6) Vgl. ook de oorkonde van 1348 bij Elsevier, Inventaris, I, blz. 202/3. 



285 

begin der is<^^ eeuw van wege de Kerk het toezicht op de begijnen 
in het algemeen uit vrees voor ketterij bij deze vrije gemeen- 
schappen verscherpt werd, gaf hertog Jan van Beieren, kort na 
de verovering der stad, in 1421 een oorkonde, v/aarin hij opnieuw 
een en ander omtrent de gemeenschap vaststelde ^), opdat zij een 
„godhc, eerlic, zedelic, vreedzaemlic ende gheestelic leven leyden" 
zouden ,,ende Gode vlitelic dienen in gehoersaemheit der H. Kercken 
sonder enich bewint van waertlike saken". Hij regelde de macht 
der meestersche in het Begijnhof, die soms met de „outste ende 
vroetste" der begijnen in overleg moest treden tot handhaving der 
tucht; de begijnen mochten geen kinderen „houden ofte leren" 
dan met vergunning der meestersche, in geen geval in het „grote 
huus" van het Begijnhof; geen man mocht er komen eten, laat 
staan slapen, dan met dezelfde vergunning. 

De stadsregeering bepaalde er later nog vrij wat bij 2): de be- 
gijnen m.ochten geen koopmanschap drijven of jaarmarkten be- 
zoeken, alleen voor zichzelve wollen lakens bereiden, slechts kort 
haar, eenvoudige kleederen en grof schoeisel dragen zonder kost- 
baar pelswerk of pluimen en zijde, fluweel en borduurwerk; zij 
mochten buitenshuis geen kleederen snijden noch bedelen of ter 
bruiloft of begrafenis gaan; getrouwde vrouwen noch verloofde 
maagden mochten zij in het hof opnemen noch huwelijken sluiten; 
zij mochten slechts om vleesch, bier en brood te koopen buiten 
het hof komen ; de poort moest gesloten zijn, zoodra de nacht- 
waker in de straten begon te kleppen; niemand der bewoonsters 
mocht dan buitenshuis zijn, tenzij er gewaakt moest worden; zij 
moesten zorgen voor haar goeden naam en niemand opnemen, die 
daarin te kort kwam; de meestersche of „mater" moesten zij op 
St. Pieter in Banden (i Aug.) voor twee jaar kiezen met ver- 
plichting tot verantwoording. Uit een en ander blijkt, met hoeveel 
zorg men ervoor waakte, dat de begijnen, die leefden van eigen 
inkomsten, onderwijs in het naaien en lichten handenarbeid, niet 
mededingsters werden der nijvere burgerij en zich goed zouden 
gedragen zooals het zedigen begijnen paste. 

Van dergelijke begijnhoven had de St. Pieters parochie nog, tegen 
de bedoeling van den stichter, Pieter Symonsz van den Oerde, 
het op het einde der 14^^ eeuw opgekomen kleine Pieter Symonsz. 



i) Van Mieris, Beschrijving, I, blz. 148. 
2) Elsevier, blz. 203. 



286 

begijnhof, eerst op het Pieterskerkplein, later in de Houtstraat ^). 
Een klein begijnhof had men sedert 1403 ook op de Hooglandsche 
kerkgracht, het St. Pancrasbegijnhof, welks 7 begijnen, weder 
onder leiding eener „mater", op St. Lucie (13 Deo.) een regle- 
ment kregen gelijk andere begijnhoven en in hoofdzaak overeen- 
stemmend met het boven beschrevene 2). 

Groote kloosters had men niet in, maar wel buiten de stad. Daar 
verhief zich het Reguliere mannenklooster Engelendal onder Leider- 
dorp, in 1400 gesticht door geestelijken, als wier leider de bekende 
voorstander der „moderne devotie" te Leiden, Petrus van den Poel 
optreedt, onder medewerking van de bekende volgers van Geert 
Groote, Floris Radewynsz. en Wermbolt van Boskoop, den leider 
van het zusterhuis te Utrecht en stichter van vele zusterhuizen in 
Holland, en zeker sedert 1403 behoorend tot de Windesheimsche 
congregatie van Reguliere kanunniken; het bloeide aanvankelijk 
niet, zoodat in 1408 een aantal kloosterlingen naar Warmond ver- 
trok, maar het bleef zich op den duur toch handhaven 3). Onder 
den rook der stad en nog in de Vrouwenparochie lag het zeker 
in 1433 bestaande 4) Franciscaner klooster St. Hieronymusdal of 
Lopsen, de laatste naam naar zijne ligging in het onmiddellijk 
buiten de Rijnsburgerpoort gelegen vroeg bewoonde terrein. Niet 
ver van de stad aan den weg naar Oestgeest werd door heer 
Boudewijn van Swieten, den bekenden Hollandschen staatsdienaar 
van hertog Philips den Goede, in 1428 het nonnenklooster Podi- 
kenpoel gesticht op de plaats van het kort te voren verwoeste 
Wassenaersche kasteeltje 5), in het volgende jaar verdoopt in 
Marienpoel ^). 

In de stad zelve had men slechts één mannenklooster, dat der 
zwartgekleede Cellebroeders of Alexianen, leden eener vrije kloos- 
tervereeniging, die zich ten doel stelden om voor gevaarlijke zieken,, 
vooral pestzieken te zorgen. Zij komen in de rekeningen van het 
begin der 15*^^ eeuw niet voor. Wij vinden hen eerst in 1442 als 
„arme broederkens" in hun klein klooster op de Cellebroersgracht 



i) Zie boven, blz. 55. 

2) Het oorspronkelijke reglement onder de papieren van het St. Pancrasbegijnhof 
(Leidsch archief). 

3) Vgl. den inventaris der stukken bij Elsevier, I, blz. 212 vlg. ; Acquoy, Windesheim,, 
III, blz. 38. Over Petrus van den Poel : aldaar, blz. 241. 

4) Elsevier, I, blz. 233. 

5) Zie boven, blz. 95. 

6) Elsevier, I, blz. 236. Vgl. het thans geordende archief dier stichting. 



28; 

gevestigd i) onder toezicht en bescherming der stedelijke armen- 
verzorgers, de heiligegeestmeesters. Misschien bestond ook al het, 
naar men wil, in 1400 door hertogin Margaretha gestichte aan- 
zienlijke klooster der Witte Nonnen of Jacobinessen op het Rapenburg. 
Te Leiden ziet men in denzelfden tijd de beweging der „moderne 
devotie" krachtig optreden met de stichting van zusterhuizen. Zij 
ontstonden in den regel door de aaneensluiting van enkele onge- 
huwde vrouwen en weduwen, die samen gingen wonen volgens het 
voorbeeld van het beroemde Meester Geertshuis te Deventer =), in 
eenvoud van leven en kleeding, in het zoeken van levensonderhoud 
door lichten handenarbeid zich richtend naar dat der begijnen, 
evenals deze zonder gelofte maar met verplichting tot kuischheid, 
zedigheid en tot gehoorzaamheid aan de zelfgekozen „meestersche", 
die ^'ook de vrome overpeinzingen der zusters leidde. Te Leiden 
heeft zeker ook de in 141 3 gestorven „communis pater devotarum 
in Hollandia", de „apostolus Hollandiae" Wermbolt van Boskoop 3) 
de stichting van zulke huizen bevorderd en zonder eenigen twijfel ook 
de reeds genoemde Leidsche priester Petrus van den Poel, misschien 
wel in dien tijd pastoor der Vrouwenkerk, in welker onmiddellijke 
omgeving verscheidene ervan ontstaan zijn. 

Het oudste dezer huizen is waarschijnlijk St. Margrieten zuster- 
huis achter de Vrouwenkerk 4), waar twee vrouwen : Heylwich 
Pietersdochter en Margriet Symonsdochter, in 1398 eene kapel 
stichtten en in het volgende jaar „zusteren achter de Vrouwekerk" 
vermeld worden, die, blijkbaar om zich tegen vervolging te vrij- 
waren, zich weldra bij de derde Orde van St. Franciscus, de Ter- 
tiarissen of „zusters van penitencien", hebben aangesloten. Het 
klooster van St. Ursula te Warmond werd van hier uit in 141 o 
gesticht uit een schenking van heer Jan van den Woude en zijne 
vrouw 5). In 1416 vinden wij ze onmiddellijk buiten de Rijns- 
burgerpoort aan den „nieuwen weg" gevestigd. 

Een tweede stichting van dien aard was het eveneens buiten 
de Rijnsburgerpoort in de Vrouwenparochie gelegen klooster 
van St. Aagten, dat in Mei 1432 door de vrome weduwe Aechte 



i) Van Mieris, I, blz. 134. 

2) Acquoy, "Windesheim, I, blz. 30 vlg. 

3) ib, blz. 326, noot 2. , . , . u„» 
4 Vgl. Elsevier, I, blz. 222/3. Het is blijkens de stichtingsoorkonde gesticht naar het 

voorbeeld van St. Cecilia te Utrecht en St. Aagten te Delft, stichtingen van Wermbolt. 

Vgl. ib. blz. 246. 

5) ib. blz. 246. 



288 

Albarensdochter werd opgericht ^). Achter het koor van de Vrouwen- 
kerk lag ook het zusterhuis van St. Agnes of Agnietenklooster, dat 
eveneens tot de orde van St. Franciscus was overgegaan ^), en het 
zusterhuis van St. Michiel 3) in den Vrouwenkamp naar de zijde van 
de Mare. Verder had men het in 1429 in de Jan Vossensteeg in 
St. Pancrasparochie bestaande zusterhuis van Abcoude, dat toen een 
eigen altaar verkreeg; dat van Schagen 4); het omstreeks 141 5 ver- 
brande zusterhuis van St. Catharina, herbouwd op St. Pieters Achter- 
gracht, en het zusterhuis van St. Hieronymus of Roma, dat omstreeks 
141 8 als klooster der Augustijner nonnen naar het Rapenburg 
verplaatst werd 5). Misschien zijn in dezen zelfden tijd ook de 
zusterhuizen van St. Maria Magdalena, St. Ursula in den Vrouwen- 
kamp en St. Barbara of Bethanië op den hoek van de Vollers- 
gracht en het Rapenburg gesticht, vermoedelijk ontstaan uit de 
gelijknamige zusterschappen. 

Wij mogen bij het nagaan van al die kloosterlijke instellingen 
wel aannemen, dat het geheele aantal der geestelijken in de stad, 
wereldlijke en geordende of daarmede gelijk te stellen, omstreeks 
1430 wel tot 3 of 400 zal gestegen zijn. Zij waren vrij „ab omni 
exactione personali et reali" ^), wat aan de bestuurders der stad reeds 
door Philips van Leyden omstreeks 1355 zeer ten goede gerekend 
werd, immers „ex ecclesiasticorum studiis salus hominibus datur". 
Maar het stadsbestuur bleef niet bij die vriendelijke opvatting, die 
tal van inwoners aan de stadslasten onttrok, en hij begon in het 
begin der 15 de eeuw ook de geestelijken met het oog op de 
accijnsen niet geheel en al vrij te stellen 7). 

Over het algemeen is al spoedig een streven duidelijk om de 
macht der geestelijkheid te breidelen. De verbodsmaatregelen van 
Willem III (1328) tegen den aankoop van ambachtsheerlijkheden, 
land en tienden door de geestelijkheid ^), ter verhindering van de 
opeenhooping van goederen in de „geestelijke hant", kon op den 
duur niet gehandhaafd worden maar toont toch, dat er in die 
richting gedacht werd. De krachtige houding der Leidsche regeering 

i) Elsevier, I, blz. 229. 

2) ib. blz. 254. 

3) ib. blz. 257. 

4) ib. blz. 267. Reg. D. Hoogl. kerk, fol. 100. 

5) Reg. D. fol. 8. 

6) Phil. de Leyden, p. 286. 

7) Zie boven, blz. 245. 

8) Van Mieris, Charterb. II, blz. 464. 



289 

in de zaak der kapellen en altaren ^) wijst op hetzelfde. Ook het 
bespreken bij testament van renten, ten behoeve van kerkelijke 
lichamen, op erven binnen Leiden werd weldra in zooverre tegen- 
gegaan, dat de erfgenamen die renten mochten aflossen ; als men 
bij zijn leven zulke schenkingen van goed of rente wilde doen, 
kon men dit ongehinderd volbrengen, mits men dit deed „wetende 
sijnre zinnen, bi sinen gaen ende bi sinen staen" ^), zoodat ver- 
rassingen op het sterfbed uitgesloten bleven. Het erfrecht van 
ordebroeders werd in 141 3 beperkt door de bepaling, dat als een 
leek in een orde werd opgenomen, hij voortaan niet meer dan 
100 pd. mocht erven en deze som later aan zijne erfgenamen en 
niet aan de orde moest komen 3). 

Maar de meeste bezwaren ontstonden uit de geestelijke rechtspraak, 
die op allerlei punten van huwelijksrecht, testament, meineed, mis- 
drijven tegen de zedelijkheid enz. met de wereldlijke in conflict 
moest komen. In 1376 werd, naar aanleiding van allerlei last door 
inwoners en vreemdelingen „uit alle hoeken der wereld" veroor- 
zaakt, bij beschikking van bisschop Arnold aan Leiden een ernstige 
beperking van het kerkelijk asylrecht toegestaan 4) : misdadigers, 
die in de kerken of kerkhoven zelve allerlei bedreven of van daaruit 
uitgingen, bedrijven van nachtelijken roof „an den ghemenen weghe 
ofte openbaer strate" zouden geen recht op asyl hebben in kerk 
of op kerkhof; anderen niet langer dan 40 dagen ; ook zij, die in kerk 
of op kerkhof verboden spelen „hantierden", waaruit twist kon rijzen, 
of er onzedelijkheid begingen, de kerkebanken stuk sloegen om vuur 
te maken, kippen en eenden, varkens en vleesch stalen en die op 
het kerkhof brachten, zouden er geen asyl genieten; zij mochten, 
als hun misdrijf door goede getuigen bewezen was, zonder meer door 
schout en dienaren uit de kerk of van het kerkhof weggehaald worden. 

Bij hetzelfde bisschoppelijke privilege, zeker niet buiten den 
vicaris Philips van Leyden om gegeven, werd den Leidenaars 
vrijheid verleend om op heiligendagen lakennering te drijven, 
akkerbouw uit te oefenen en dijken te verbeteren; de bij nacht en 
ontijden rondzwervende, bordeelen en herbergen afloopende kler- 
ken, van wie Leiden toen veel last had, mochten, als zij kwaad 
deden en vrede weigerden, door den schout en zijn dienaars gevat 



i) Zie boven, blz. 278. 

2) Kb. 1406, Bk. III, n". 23; Kb. n°. 3, n°. 27. 

3) Van Mieris, IV, blz. 242. 

4) Van Mieris, III, blz. 321. 

19 



290 

worden, maar moesten door den provisor worden berecht. Ook in 
andere opzichten werd door allerlei bepalingen getracht de ker- 
kelijke rechtspraak zooveel mogelijk tot de geestelijke, tot de 
kerkelijke belangen te beperken en men verkreeg daarbij den 
krachtigen steun der landsregeering zelve, die meer dan een verbod 
uitvaardigde tegen het brengen van wereldlijke zaken voor den 
geestelijken rechter ^), welk misbruik in de hand gewerkt werd 
door het in het midden der 14de eeuw nog zeer voelbare gebrek 
aan juridische kennis bij de wereldlijke rechtbanken, terwijl daaren- 
tegen de geestelijke rechters in den regel wetenschappelijk gevormd 
waren 2). Allengs echter kwam in dit laatste verbetering, terwijl 
daarentegen de geestelijke rechtspraak tot steeds ernstiger klachten 
aanleiding gaf 3). 

Wat er in de kerk en op het kerkhof gebeurde, werd intusschen 
volstrekt niet buiten de controle van het stadsbestuur gehouden. 
Dit zorgde voor de handhaving der goede orde ook daar. Het 
lette erop, dat niemand anders dan de verwanten de eerste mis 
van een nieuwen priester of eene begrafenis bijwoonde, bevreesd 
als het was voor „vergaderinghe" van onbevoegden 4). Het regelde 
de bepalingen voor het begraven in de kerk en op het kerkhof 5); 
in het koor van St. Pancras mochten alleen priesters, ridders, 
overheidspersonen begraven worden ^) ; het beval, dat de graven 
diep genoeg gegraven zouden worden, „twie voete diep slechter airde 
boven eiken viercanten scrien, datmen er set" 7); het hield toe- 
zicht op de dikwijls zeer overdreven belichting van den doode 
bij de uitvaart; het zorgde er voor, dat de vrouwen in de kerk 
de haar aangewezen plaatsen achter de voorste pilaren beschei- 
denlijk innamen en er geen matten, planken of andere dingen 
neerlegden om niet op de koude steenen te staan, wat alleen aan 
de burggravin en de riddersvrouwen geoorloofd was ^); het ver- 
bood het tot misbruiken leidende geven van geschenken aan het 
kind, als men het „hoeve uten vonte" 9); het schreef voor, dat 



i) Vgl. Van Mieris, UI, blz. 748. 

2) Fruin, Verspreide Geschriften, I, bl?. 149. 

3) Joosting, De kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht, in Bijdr. en Meded. 
Hist. Gen., dl. XXX, blz. LXXXVI vlg., vooral Cl vlg. 

4) Kb. 1406, Bk. II, n°. 36; Kb. n°. 3, n°. 170. 

5) Kb. 1406, Bk. V, n°. 2 vlg. 

6) ib. n". 5. 

7) ib. n". 7. De vierkante schrijn is de doodkist. 

8) ib. n°. 10 vlg. 

9) ib. n". 13. 



291 

de ter eerste mis gaande kraamvrouw slechts de vroedvrouw en 
twee buren mocht medenemen ^); het belette het bedelen in kerk 
of op kerkhof 2); het verbood beesten te weiden of vellen te hangen 
op het kerkhof en er andere „onreynlichede" te brengen, ook er 
te „morellen" (hinkelen) of andere geruchtmakende spelen te doen, 
met bogen te schieten of op vogels te jagen, tenzij gerecht of 
kerkmeesters het veroorloofden 3). 

Tot de zedenpolitie achtte de overheid zich in het bijzonder 
geroepen. Zij lette op de „stoven", waar niemand „met wive of 
sonder wive" na de nachtklok slapende mocht gevonden worden 4); 
zij verbood „dansinghe ende wanderinge mit verdecten aensich- 
ten" 5) ; zij, die sedert omstreeks 135 1, en nog in 1392, het dobbelspel 
als een monopolie had geëxploiteerd, verbood later alle „onredelic 
spel" en gaf in 1397 een merkwaardige keur tegen „boeverie ende 
dobbelen" ^), waarin allerlei met name genoemde spelen, binnen 
de vrijheid der stad verboden worden : dobbelen en „quaerten" 
„quaken" en „zeylen", kruis en munt werpen, „koten om geld", 
„effen en oneffen", „pysen" en „beylen", in het algemeen het 
gebruik van dobbelsteenen; schijfspelen daarentegen waren geoor- 
loofd. Alleen als de landsheer of zijne vrouw of kinderen in de 
stad waren, mocht men ter gelegenheid van die heugelijke komst 
dobbelen zooveel men wilde „sonder „verbuernisse", gelijk het 
„mommen" dan ook veroorloofd schijnt geweest te zijn 7). Trou- 
wens, dat zal op den vooral met uitbundigheid gevierden Vasten- 
avond ook niet verboden geweest zijn evenmin als op Driekoningen, 
dat algemeen in den lande gevierd werd, al moet het de geeste- 
lijkheid verdroten hebben, die ook wel optrad tegen het vieren 
van het Meifeest: nog in 1404 weigerde Thomas, pastoor der 
Pieterskerk, de Hostie over de straat te voeren s), zoolang er, 
zeide hij, in zijn parochie nog één stond van die „heidensche 
boomen, die men tegen Mei pleegt op te richten" 9). 



1) Kb. 1406, Bk. V, n°. 14. 

2) Zie boven, blz. 267. 

3) Kb. 1406, Bk. V, n^ 17 vlg. 

4) Kb. 1406, Bk. II, n°. 35; Kb. n". 3, n°. 123. 

5) Kb. 1406, Bk. II. n°. 37 ; Kb. n°. 3, n°. 164. 

6) Kb. 1406, Bk. VI, n°. 39: Kb. n°. 3, n°. 169 en i8o. Zie boven, blz. 91. 

7) Zie boven, blz. 129. 

8) Hetzij voor zieken, die op het uiterste lagen, hetzij bij de processie van het H. 
Sacrament op 29 Mei van dat jaar. 

9) Dumbar, Analecta, I, blz. 32. 



292 

Een der belangrijkste zaken, waarbij Kerk en overheid met 
elkander in nauwe aanraking kwamen, was het onderwijs. Wie 
de collatie van de parochiekerk had, stelde ook den schoolmeester 
aan ^); te Leiden deed dit de graaf zelf, die alleen het pastoor- 
schap aan het Duitsche Huis had gegeven. Wij vinden omstreeks 
1324 als schoolmeester te Leiden eerst mr. Andries, die in dat 
jaar op 's graven aanwijzing keizerin Margaretha als klerk ging 
dienen ; daarna meester (magister) Nicolaas Merre ^), een priesters- 
zoon, die jaren lang onder Willem III en IV grafelijk klerk en 
hofmedicus was; hij was „in artibus et medicina magister", trad 
bij het aftreden van mr. Andries, opdat „onser goeder lude kinder 
niet versumet en werden", wezenlijk in diens functie als „regier- 
der" 3) (rector) en bezat nog in 1333 in ieder geval de inkomsten 
van het ambt. Het schijnt echter, dat onder den eersten burggraaf 
uit het geslacht Wassenaer de school tegelijk met de kosterij 
door dezen verkregen is of wel dat zij aan de stad zelve was 
gekomen: in 135 1 ten minste betwistte de stad haar aan den 
burggraaf, op grond dat zij „van outs ende van rechte" de school 
bezat 4). In ieder geval bezat de stad haar voorgoed sedert 1357, 
toen burggraaf Dirk er afstand van deed, al moest er later steeds 
nog een „pacht" betaald worden aan de geestelijkheid der Pie- 
terskerk. 

De school bevond zich sedert 1358 ongeveer waar wij haar 
ook later nog vinden s) : op den hoek van het erf, dat hertog 
Albrecht na demping van de hofgracht had afgestaan, voorzoover 
het „behoeflic is tot ere scole". Te haren behoeve werden later 
verschillende keuren gemaakt 6) ; eene ter verzekering van de rust 
in de school, waarom het spelen en rumoer maken in hare nabij- 
heid werd verboden, gelijk het nederwerpen van vuilnis ook hier 
verboden was 7) ; eene andere ter regeling van het schoolgeld, dat 
op 8 sch., later 16 gr. 'sjaars gesteld was. Het was een eenvoudig 
met riet gedekt huis, waar ook de meesters woonden 8). 

De eerste rector, van wien wij verder hooren 9), was de in 1387 



i) MoU, Kerkgeschiedenis, H, 2, blz. 250 vlg. 

2) Vgl. over hem : Van Riemsdijk, De tresorie en kanselarij, blz. 52. 

3) Van Mieris, Charterb., II, blz. 345. 

4) Zie boven, blz. 89. „Van outs" is dan zeer betrekkelijk op te vatten. 

5) Zie boven, blz. 59 ; Knappert, in Leidsch Jaarboekje 1904, blz. 104. 

6) Kb. 1406, Bk. V, n°. 23 vlg.; Kb. n". 3, n". 12. 

7) Zie nog de keur van 1384, bij Knappert, blz. 100. 

8) ib. blz. 103. 

9) Stedeboek, fol. 319. 



293 

aangenomen Jan van Hokelem, vroeger rector te Geertruidenberg, 
die voor vier jaren werd aangesteld en wien werd ingescherpt 
vooral te zorgen voor „gramerien ende logiken", d. i. voor het 
latijn en de redeneerkunde, dus niet alleen voor den koorzang, 
waarvoor men dikwijls meende, dat de school eigenlijk moest 
dienen. Wilde hij in de laatste twee jaren „tot studium vaeren", 
dan moest hij een half jaar te voren waarschuwen en zorgen voor 
een opvolger, een „goeden clerc", in zijne plaats. Werkelijk vinden 
wij in 1392 eerst mr. Costijn van Culemborg, in het volgende 
jaar mr. Bette en mr. Claes van Delft, onder wie nog twee „sub- 
monitoers" werden aangesteld ten behoeve van den koorzang. 
Bette en Claes werden samen voor zes jaren met de leiding der 
school belast en ook hun werd bij reglement ^) gelast te zorgen 
voor de Latijnsche „grammarien", waarbij met name de verbuiging 
en vervoeging bedoeld zijn, en voor de logika, de redeneerkunde 
volgens de scholastieke middeleeuwsche opvatting; de kinderen 
mochten echter geen gevaarlijke „boeken van philosophien" lezen 
en moesten zooveel mogelijk onderling Latijn spreken „inder scole 
ende buten", verder naar behooren in de kerk zingen op de hier 
ter stede gebruikelijke manier; de meesters zouden beschermd 
worden tegen onrechtmatige klachten over behandeling of onder- 
wijs der kinderen. 

Na verloop der zes jaren kwam als rector de zeer gewaardeerde 
stadsmedicus, mr. Jan van Haarlem, ook weder voor zes jaren, 
met een „ghesel", dien men naast hem zou benoemen ; wij vinden 
ook spoedig weder twee „submonitoers" onder hem werkzaam, 
totdat hij na 1410 door mr. Bartholomeus en mr. Heynric uten 
Hove vervangen werd, die wij tot 1436 ontmoeten 2). Zij schijnen 
toen afgetreden te zijn wegens voorgekomen mishandeling van 
den schout door een der leerlingen. 

De „Grote Scole" was niet de eenige school in de stad, maar 
deze andere scholen mochten niet bezocht worden „buten oirlof" 
van de meesters der groote stadsschool, die recht hadden op een 
deel van het schoolgeld in die zoogenaamde „bijscholen". Zoo 
vernemen wij van een school op de Hoogewoerd, waarop de meisjes 
van de familie Blijfhier 3) gingen, voordat zij de groote school 



1) Stedeboek, fol. 276/7. Vgl. Knappert, blz. 105 vlg. 

2) Vgl. Knappert, blz. 112 vlg. 

3) Zie de meermalen vermelde voogdijrekening, waarin afrekening wordt gedaan ook 
van het schoolgeld, telkens per half jaar met Mei en Allerzielen betaald. 



294 

bezochten, en van eene school van zekeren „mr. Pouwels". Ook 
bij de kerk ten Hoogen Lande had men een school, waarover echter 
niets naders bekend is. 

De schoolmeesters leefden van de opbrengst der schoolgelden, 
waren vrij van accijns en ontvingen jaarlijks een tabbaard van 
de stad, zooals ten minste voor Jan van Haarlem werd bepaald; 
zij hadden uit hun inkomen de vrij hooge „pacht" aan de Pie- 
terskerk en het klooster Marienpoel te betalen ^); op de hooge 
kerkelijke feesten en bij vorstelijke intochten hadden zij aan het 
hoofd der kinderen te zorgen voor den zang, waarvoor door de 
vorsten dan kleine belooningen werden toegekend ^) evenals dit 
het geval was, wanneer zij voor broeder- en zusterschappen op 
de hooge feestdagen harer patroons of patronessen zangstukken 
in het koor der kerk uitvoerden. 

Van eigenlijke wetenschappelijke studie melden onze bronnen 
ons bijna niets. Dat behalve de schoolmeesters en de stadsmeesters 
hoogere geestelijken ook te Leiden aan vreemde hoogescholen 
hunne opleiding hadden genoten, ligt voor de hand. In Holland was 
het bezoeken van de hoogeschool te Parijs of van die te Orleans, 
ja zelfs van Italiaansche hoogescholen als die te Padua en Bologna 
geen zeldzaamheid, maar van leeken hooren wij dienaangaande 
weinig. Van Philips van Leyden weten wij 3), dat hij, geboren 
uit een vermogend geslacht van aanzienlijke burgers, dat vele 
met roem bekende klerken aan de grafelijkheid geschonken had, 
zorgvuldig was opgevoed en te Orleans had gestudeerd, waarna 
hij jaren later, in 1369, te Parijs „doctor decretorum" werd. Be- 
gonnen als klerk van graaf Willem V, wien hij zijn beroemd boek 
van omstreeks 1360, het van groote geleerdheid en staatkundige 
en juridische kennis getuigende „De Cura Republicae et sorte 
principantis" opdroeg, bleef hij onder Albrecht in die functie, hoewel 
niet in diens Raad. Later diende hij bisschop Arnold van Hoorn 
als vicaris en was een invloedrijk Utrechtsch prelaat; de laatste 
levensjaren tot zijn dood in 1382 sleet hij in zijne Leidsche woning 
naast het Duitsche Huis 4). Daar had hij „in den loop zijns levens 
met groote kosten en moeite" een fraaie bibliotheek verzameld. 
Haar liet hij bij testament in wezen, omdat vele geschikte en 



i) Zie Knappert, blz. io6. 

2) Zie boven, blz. 129. 

3) Fruin. Verspreide Geschriften, I, blz. 125 vlg. 

4) Phil. de Leyden, p. 473. 



295 

bekwame mannen de studie hadden opgegeven bij gebrek aan 
boeken, tot groot nadeel van de kerk zoowel als van den staat, 

die zeo-t hij ^) — geleerde mannen ten zeerste noodig heeft. Hij 

stelde het gebruik, het leenen van boeken daaruit onder zekere 
fïnancieele waarborgen, gesteld naar de waarde der boeken, en 
onder het toezicht der voltrekkers van zijn laatsten wil, open voor 
allen „cupientibus proficere in scientia juris canonici et civilis", in 
de eerste plaats voor de kanunniken of vicarissen, die leefden van 
zijne familievicarieën en prebenden; dan voor de kanunniken uit zijn 
geliefd kapittel van St. Pancras, die behoorden tot zijne verwant- 
schap; dan voor andere dezer kanunniken, de verwanten altijd 
voorgaande, en daarna de stadgenooten. Wilde niemand uit de 
genoemde rubrieken van personen de boeken gebruiken, dan 
moesten zij goed bewaard blijven en niet buiten het gebouw ge- 
bracht worden, waar zij thans lagen, zijne woning of anders, als 
dit veiliger scheen, de kerk van St. Pancras zelve of wel eene 
andere veilige plaats. Als bewaarders van den boekenschat stelde 
hij den deken van St. Pancras, den beheerder zijner prebenden, 
en den oudsten kanunnik uit de stichting zijner ouders aan, die 
ieder een der sleutels van de bibliotheek ontvingen. 

In het huis mocht als „gubernator" wonen óf de bezitter der 
door hem gestichte vicarie van St. Andries in de kerk van St. 
Pancras óf een der kanunniken van de door hem gestichte ka- 
nunnikplaatsen óf de vicaris van de eveneens door hem gestichte 
vicarie van St. Nicolaas; wilde geen dezer er wonen, dan mocht 
de vicaris van St. Andries het huis verhuren, bij voorkeur aan 
een geestelijke 2), maar anders „viro modesto ac quieto cum modica 

familia". 

De bibliotheek bevatte, behalve een aantal kostbare theoretisch- 
juridische werken, ook vele theologische en wijsgeerige geschriften, 
formulierboeken, procesakten, oorkonden betreffende de stichting 
van zijn kapittel, zijn brevier, bijbel en preeken, misboeken, his- 
torische, vooral kerkhistorische, geschriften (o. a. een Beka), pri- 
vilegieboeken, handschriften van zijn eigen boek, boeken over 
natuurkennis, over rekenkunde, Persius en Aesopus, middeleeuwsche 
Latijnsche gedichten, heiligenlevens, kalenders enz. — een merk- 
waardige verzameling handschriften, die getuigenis aflegt van de 
veelzijdige geleerdheid van dezen merkwaardigen man, die zijn 



i) Phil. de Leyden, p. 475. 

2) Vgl. ook het testament van 1382, 1.1. blz. 491 vlg. 



296 

land en zijn vaderstad tot hooge eer heeft mogen strekken. De 
in het laatste zijner twee testamenten genoemde heer Gijsbrecht 
van Gheesdorp, zijn „scriptor" ^), zal wel voor deze boekerij in 
dienst genomen zijn en daarvoor verder zorg gedragen hebben. 

Welk gebruik er van de boekerij gemaakt is, blijkt niet, maar 
op het einde der 16'^e eeuw bestond zij niet meer, daar zij „van 
eenighe niet al ten grooten genegentheyt totte gheleertheyt ende 
voortplantinge derselver gehadt hebbende" is uiteengehaald „mette 
wechneminge ende verduysteringe derselver boecken" ^). Men 
noemde later deze bron der wijsheid met den naam van „Salo- 
mons tempel", waaronder het huis, waar zij gestaan had, nog 
omstreeks 1600 bekend was. 

Dat te Leiden in de 14'^^ eeuw het onderwijs betrekkelijk goed 
mocht heeten, blijkt uit de opmerkingen omtrent de school zoowel 
als uit het groote aantal grafelijke klerken, die uit Leiden af- 
komstig zijn geweest 3). Van geestesbeschaving in het algemeen 
spreken onze bronnen hier ter stede niet, al is het niet onwaar- 
schijnlijk, dat rondreizende sprekers en „segghers" als Augustijnken 
van Dordt en Willem van Hildegaersberch meermalen ook te 
Leiden hebben vertoefd. Van den laatste mogen wij zelfs aan- 
nemen 4), dat hij te Leiden bij „heer Dirc die Commeldeur", den 
bovengenoemden 5) tusschen 1369 en 1375 hier voorkomenden 
Dirk van den Rijn, aan huis, immers „tot eens papen huus", heeft 
gesproken, al klaagt hij erover, dat hij daar weinig voor zijn 
moeite heeft ontvangen ^). Ook zijn gedicht „Van den Sloetele" 
getuigt van nadere bekendheid met Leiden, welks „schilt van 
sulver wit, daerin twee sloetelen van kele, doerghevlucht in cruus- 
ghewise" hij met eere vermeldt in dat gedicht, dat dienen moest 
om hertog Albrecht in 1393 gunstig te stemmen voor de onrus- 
tige stad 7). De nabijheid van Den Haag en het grafelijke hof, 
waar velen van die sprekers optraden, van de aanzienlijke abdij 
Rijnsburg met hare adellijke bevolking en van de verblijfplaats 
van den machtigen en aanzienlijken heer Philips van Wassenaer 
en andere edelen in den omtrek, kan hem en anderen zeer wel 



i) Vgl. Phil. de Leyden, p. 494. 

2) Orlers, blz. 31. 

3) Vgl. Van Riemsdijk, I.I., passim. 

4) Te Winkel, Gesch. der Nederl. Letterk. I (Haarl. 1887), blz. 483/4. 

5) Zie boven, blz. 279. 

6) Uitg. Verwijs, blz. 171 vlg. 

7) Zie boven, blz. 129. 



297 

ook naar Leiden hebben gevoerd, maar ook van het geestelijke 
leven in de omgeving weten wij niets. 

Zoo mogen wij ook wel onderstellen, dat de vroolijke volks- 
liederen van liefde en wijn, de melancholieke wijzen van „het 
daghet in den Oosten" en andere liederen uit dien tijd ook hier 
te Leiden gehoord zijn, en zelfs, dat de oude processiedag niet 
zal zijn voorbijgegaan zonder die „abele spelen", waaraan de als 
apostelen en evangelisten verkleede deelnemers aan den optocht ons 
misschien zouden kunnen herinneren. Van eenige verdere aanwijzing 
in dit opzicht is echter voor deze periode geen sprake, noch in de 
stedelijke noch in de kerkelijke rekeningen, die tot ons zijn gekomen, 
noch in eenige oorkonde of eenig kroniekenbericht van dezen tijd. 

Op het gebied der kunst en kunstnijverheid kan gewezen wor- 
den op de fraaie woningen der familie Van Leyden uit de eerste 
helft der 14^^ eeuw, waarvan de bereisde Philips van Leyden, die 
Parijs, Orleans en Avignon gezien had, zegt, dat zij de stad 
„mirifice" en „amictu splendidissimo" versierden ^) ; het eene was 
gelegen aan de Breestraat „juxta Blaviam Petram", het andere aan 
het Pieterskerkhof; op de monumentale kerkgebouwen der Pieters- 
en Hooglandsche kerken, welker uitheemsche bouwmeesters ^) zeker 
van Leidsche werklieden gebruik maakten ; op het tegen het 
einde der eeuw herbouwde raadhuis 3) ; op de reeds door Floris V 
gestichte grafelijke woning 4) en andere gebouwen van beschei- 
dener afmeting ; op de fraaie stads-, kerk-, klooster- en vooral op 
de talrijke schepenzegels, waarvan het evenwel niet met zekerheid 
te zeggen is, waar zij gesneden zijn; op de een enkele maal ver- 
melde gebeeldhouwde grafsteenen, versierde en met kleeden be- 
dekte altaren en door organisten met Hollandsche namen bespeelde 
orgels; op de zilveren schalen, ringen en kandelaars, de zilveren 
wierookvaten, ciboriën en andere kerksieraden, welker bewerking 
wij voor een deel wel mogen toeschrijven aan de herhaaldelijk in 
de burgerlijsten genoemde goudsmeden s); op de fraai gestikte stads- 



i) Phil. de Leyden, p. 361. 

2) Zie boven, blz. 55. 

3) Boven, blz. 60. 

4) Boven, blz. 55. 

5) Vgl. de opmerking van mr. Overvoerde in het Bulletin van den Oudheidk. Bond 
(Dec. 1909, blz. 221) omtrent den Leidschen goudsmidsleerling Dirk Poes Vranckensoen 
te Keulen in 1419; in Memor., fol. 25'' (Rijksarchief) wordt melding gemaakt van Symon 
Vranckensoen van Leyden, „borger to Coillen", van wien hertog Johan van Beieren en 
zijne gemalin bij het begin hunner regeering „alrehande cleinoden ende gulden juweelen 
mit gescheynte", koopen tot een bedrag van 1600 gulden. 



298 

banieren en de geborduurde kleederen, waarvan in rekeningen 
en inventarissen sprake is — alles in verband met de toenemende 
welvaart, die aan Leiden omstreeks 1400 een aanzienlijke plaats 
verzekerde onder de opkomende Hollandsche steden, aanzienlijk 
niet alleen als marktplaats voor het welvarende Rijnland, waarvan 
het van ouds het middelpunt was, maar ook als stad van industrie, 
die zich krachtig begon te ontwikkelen en welker geestelijk leven 
den invloed moest ondergaan van die meerdere welvaart. 



B IJ L A G E N. 



B IJ L A G E I 
(zie blz. 71). 

Van der nuwer vriheden. ^) 

't Gherechte van Leyden hebben ghecoert tsVridaghes na Paseken int 
jaer van negen ende tachtig die nuwe vryheden van den uutkant van 
der ouder vesten, te meten twie ende tsestich roeden tot an den uutkant 
van der Nuwer Zingelgrafte ende also ommegaen van den Rijn tot an 
die vaert, daer die Naecte Sluyse in leyt ende ghehieten is die Leydsche 
Vaert, ende van daen voirt buten der scutte Doelen ter goeder scepen 
andwoirde, ommetrent den poorthuyse ghehieten Costverloren. 

Ende hier up is der scepene scattinghe nae haren daghelixen rechte bi 
horen eede, dat die stede betalen sel van eiker morghen lants, die gheno- 
men worden tot der vesten ende grafte, singhel ende singhelgrafte, tach- 
tich pond payments, te betalen tot Meyendaghe naestcomende sonder een. 

Ende so wes tot der vesten of ter vestengrafte, singhel of singhel- 
grafte coemt ende uutghegheven hofsteden sien, daer sel men weder 
voir bewisen an renten binnen der vrihede, ponde voir ponde, schellinghe 
voir schellinghe nae den beloep, of men sel hem gheven voor elc pond 
tsjairs nae den beloep achtien pond payments binnens jaers betaelt. 
Voirt so wes toter grafte ofte straten ghenomen wort binnen der nuwer 
vrihede, des so sel men ghelden elc hont lands twintich pond payments, 
te betalen alse voirscreven; ende straten ende graften voirscreven en 
sullen niet ghelden tot enighen last ter vriheden voirscreven. Voirt so 
sel hebben elcke grafte ende haer straten die brede van vijf roeden 
ende alle ander yenwissel straten, hoe ze comen, sullen breet wesen 
twie roeden ende niet min. 

Item alle lant, dat binnen den inkant van der vesten ter stedewairt 
ancoemt, dat sel die stede ghelden, elke morghen hondert pond payments, 
te betalen tot Meyendaghe naestcomende sonder een. Ende des sullen 



i) Stedeboek fol. 291»- tot en met fol. 292^^. Vgl. Kb. 1406, Bk. I, n". 33. 



302 

dieghenen, die binnen der veste comen mid horen lande, horen coer 
hebbe tusschen hier ende Meyendaghe naestcomende, weder si hoir lant 
houden willen of der stede daervoir laten. Ende houden si dat lant, 
so sullen zijt uutgheven tot hofsteden binnen Bamisse nu naestcomende 
openbairlic mitter cannen. Ende daer zullen bi wesen twie poertmeesters, 
twie scepens of meer. Ende ghenen coep daer op te gheven, ten sie bi 
goedencken tsgerechts, die daerbi ziin. Ende alle renten, die van den 
lande ghemaect worden, daer sel die stede of hebben den rechten derden 
penninc; des moghen dieghene, die dit lant hoir was, die renten annemen 
't pond voor twalif pond binnens jaers betaelt den burghermeesters, die 
nu ziin of naemaels wesen sullen. Ende des sullen die ghene, die dat lant 
hoir was ende uutghegheven hebben, den burghermeesters segghen voir Ba- 
misse nu naestcomende, of si den renten houden willen voir zulcker lossenin- 
ghe als voirscreven is of dat si die stede die renten laten willen. Endezwighen 
si stille, so blijft die stede an die renten. Ende die moghen si vercopen of 
houden tot der stede behoef hem selven mede te helpen, wanneer si willen. 

Voirt alle lant, dat binnen den inkant van der vesten coemt ende 
binnen Bamisse nu naestcomende niet te renten ghebrocht en worde, 
alse voirscreven is, so sullen die ghene, die hoir lant binnen coemt 
ende dan niet uutghegheven is noch te renten ghebrocht, alse voirsz. 
is, delen ende cavelen an drien dat lant, dat binnen coemt. Ende des 
so sel die stede hebben een derdendeel ende di dit lant hoir is die 
twee delen tot rechten lote. Ende en quamen si tot gheenre delinghe 
of lotinghe, alse voirscr., so soude die stede dat lant alinghe an hem 
nemen ende gheven van der morghen hondert pond payments binnens 
jaers, nadat die stede aencoemt. 

Voirt wair dat sake, dat yemant dochte, die siin land comen sel 
binnen der vriheden voirscr., dattet hem te nae ghinghe, dat die stede 
den derden penninc of den derden voete hadde of an hem name voir 
sulc ghelt, alse voirscr. is, des ghunnet die stede den ghenen ende gheven 
hem haren coer, dat si di vesten ende graften, singhel ende singhelgrafte 
dat lant copen ende doen maken mitter Naecter Sluyse ende mitter 
brugghen, die legghen sel inden Rijndijc. Ende alse die brugghen ghe- 
maect sien, dat raense loeft, so sel die stede die brugghen anhouden 
ter stede behoef. Des sel die vest breet wesen beneden vijf roeden, die 
grafte van der veste sestalve roede, die singhel vier roeden ende die 
singhelgrafte anderhalve roede, elcs luttel min of meer. Ende dat zullen 
si doen delven bi des gherechts overdracht ende behieten sonder enich 
vertrec. Ende daer mede so sel haer lant, dat hiermede ghebetert is, 
ghevryet wesen van allen oost, die die stede tot desen daghe toe hier- 
om gheleden heeft. Ende daer sullen si of segghen hoir andworde binnen 
viertien daghe, nadat sy vermaent worden van den poertmeesters. Ende 
doen si des niet, so sel die stede die veste doen maken alse voirscr. is. 
Ende alle dinc tot des gherechts verclaren. 



303 

BIJLAGE II 
(zie blz. 82). 

Onder de papieren van het huis van Wassenaer vond C. van Alkemade 
omstreeks 1700 de volgende lijst, die hij afschreef in zijn ms. {n°. 1204 
van de Bibl. van het Leidsch archief): 

Dit is tgoed van der borggraafschap van Leyden, 
Item die tolle tot Leyden. 

half die gruyte ende hoppe tot Leyden. 

die visserye in den Rijn. 

die bottinghe tot Leyden. 

den hof tot Oestgheest mit zynen toebehoren. 

die hofstede opt Zand mit zynen toebehoren. 

die lopende thinse tot Oestgheest ende tot Sassenem. 

die visserye tot Sassenem. 

die tollen tot Katwijk. 

uitter schote tot Katwijk 8 pond. 

die Hofvis tot Katwijk. 

dat Pontgelt tot Katwijk. 

van Riemgelde van eiken hont 12 stuyvers ende van eiker pinke 
6 stuyvers. 

die tollen tot Alphen, 

die gruyte ende hoppe tot Delf. 

die tolle tot Rijnsterwoude ende tot Aelsmeer. 

die gruyte ende hoppe tot 's Gravesande. 

die korentiende tot Oestgheest. 

die smaltienden tot Oestgheest. 

dat huys van Poel mit sinen toebehoren staande in Oestgheester 

ambocht. 
dat Veen tot Katwijk, 
dat Veen tot Valkenborch. 

Alkemade zegt, dat hij deze lijst uit een „oud manuscript" had; het 
is m.i. zeer waarschijnlijk, dat dit manuscript jonger was dan 1649, 
toen de burcht van Leiden aan de stad werd afgestaan; anders zou 
deze aanzienlijke bezitting in de lijst wel genoemd zijn. 



304 

BIJLAGE III 

(zie blz. 83). 

Van der tolle van Alfen. ^) 

Dit is besceyt alsoe als die tolle verhuert wordt te Alfen na des 
borchgraven Dircs doet 2), doe si ghecomen was aen minen here den 
grave, na der bester waerheit, die men vant, dat men van outs sculdich 
was te gheven, ende ghevonden was voer die tiit, alse bi heren Jan van 
Polanen 3), heren Symoen van Benten ^), heren Jan van Stienvoerde 5), 
ende bi Gherit Alewiins soen 0) ende bi beveelnisse van minen here 
na dien besceyde van heren Jan van Polanen ende van anders sinen 
rade alle goet gheset was, hoe vele dat men gheven soude, ende daerbi 
verhuert wordt int jaer ons Heren MCCCXXXIX. 

In den eersten 

van I tonnen bontwercs, van eiken bodem ^) II gr. 

van I halver tonnen, van eiken bodem I gr. 

van I groet bodem was IIII gr. 

van I minre, alsoe vele (min) alst beloept. 

van I packe lakens II gr. 

van I taerninc ^) lakens I gr. 

van enen groten sac wollen van eiken horn 5) IIII d. 

van I minre, alsoe vele (min) alst beloept. 

van I groten sac hoppen II gr. 

van enen minre, alsoe vele min alst beloept. 

van I ton boteren, harinc, stael, yser, asschen, biers of desgheliics van 
goede, van eiken bodem I d. 

van I tonnen greyns ^O), van den bodem II gr. 

van enen last harinx, die ghegoten is in een scip buten tonnen, II gr. 

van I tonnen lesuers ^') of des ghehics van goede, van eiken bodem II gr. 

van I groten tonnen vlas, van den bodem II grote. 



i) Register Thollen, Cas K. 1322— 1358 (Rijksarchief), fol. 11» en 12 r. 

2) Jan. of Febr. 1339. Zie blz. 86. 

3) Lid van 's graven raad, vgl. Van Mieris, II, passim. 

4) Simon van Bentheim, lid van 's graven raad en heer van Teylingen (Leidsch Jaar- 
boekje 1905, blz. 109 vlg.) 

5) Zie over hem blz. 50, het is waarschijnlijk niet de nog in 1390 levende. 

6) Zie de Bijlage VI, hierachter. 

7) Gesloten vat. Zie Verdam, i. v. 

8) Taerninc of taerlinc = teerling, vierkant pak, 28 of 30 stuks omvattend. Vgl. 
Schiller und Lubben, Wörterbuch, i. v. 

9) Van elke soort van schapen? 

10) Peperachtige specerij, paradijskoren. Vgl. Verdam, i. v. Misschien kamelot bedoeld. 

11) Verfstof voor lakenbereiding. Misschien ook blauw laken zelf. Vgl. Verdam, i. v. 



30S 

van I traveltonnen ') vlas, van den bodem I gr. 

van I steen vlas I d. 

van I hoet gaghels 2), die tolbaer is, II gr. 

van tarwe, rogghe, haver, boenen, gheerst of des gheliics van goede, 
niet dan van roedertoUen 3j. 

van I peerde IIII d. 

van I runt II d. 

van I varken I d. 

van I scaep I d. 

van C casen II gr. 

van I daker 4) huyde IIII d. 

van een hondert ysers II d. 

van I deker calfsvellen, scaepsvellen of des gheliics van goede, van der 
deker II d. 

van enen hoede hennepsaets of des gheliics van goede I gr. 

van I hoet coelen II d. 

van een aem olyen IIII d. 

van I coppel coye 5) II d. 

van I screyne IIII d., van i bedde IIII d. 

van I kist IIII d.; van i matte ^), daer een bedde in is, IIII d. 

van C waghenscots I gr. 

van I meze 7) copers I gr. 

van I bael cruyts II d. 

van een hondert linwaets II d. 

van I rollen banis S) im d. 

van I scip met i hantroeder 9) I gr. 

van I scute met i hantroeder 9) HH d. 

van I cleyn scuyte II d. 

van I groten bodem smeers II d., van enen cleynen bodem smeers i d. 

van enen waterscip, van eiker dochte lO) IIII d. 

van I sceep zouts, ist cleyn ist grote, IIII achtendeel zouts. 

van enen scoeve loep ii) of ayuns I d. 

i) Lübecksche maat, kleine ton. Vgl. Schiller und Lubben, i. v. 

2) Mirtedoorn, gebruikt bij het brouwen van bier. 

3) Roertol, tol naar den aard van het roer geheven. Vgl. Verdam, i.v. Roedertol, Roedergeld. 

4) Daker, deker, tiental. Vgl. Verdam, i v. 

5) Lees „froyt", fruit. Koeien komen hier vreemd tusschen en een koppel koeien 
is dan nog vreemder. Vgl. de volgende lijst. 

6) Zak. Vgl. Verdam, i. v, 

7) Vat. Vgl. Verdam, i. v. 

8) Een lakensoort, zoo genoemd naar de Normandische stad Bernay (zie Verdam, i. v. 
Baynais). Misschien te lezen „bavis"', dan naar de Fransche stad Beauvais, die veel laken 
fabriceerde (vgl. Gaillard, Gloss. bij den Inventaire de Bruges). 

9) Of „hancroeder"; dit dan in verband met de volgende „kleine schuit", dus hier 
een grootere bedoeld. Vgl. Verdam i. v. 

10) Roeibank. Vgl. Verdam, i. v. en ook de tolheffing naar het roer. 

11) Lees „loec", knoflook. Zie volgende lijst. 

20 



3o6 

van meerserien of van onslachteghen goede den hondersten penninc. 
van I meerserien, die i man draghet op siin hoeft ') sonder arch, niet. 
item van i groter tonnen harinx, smeers of traens of des gheliics van 

goede, als leversmeers, van den bodem II gr. 
van I waghen IIII d., van i karren IIII d. 
van een waghe casen II d. 
van I laken II d. 



BIJLAGE IV 

(zie biz. 92). 

Dit is des borchgraven recht vander tollen te Leyden na allen haer- 
comen 2). 

In den eersten 

Van eenre tonne mid werc 3), van eiken bodem II groet. 

Van eenre halver tonne, van eiken bodem enen groten. 

Van enen groten bodem was vier groet. 

Van enen minren also veel min alst beloept. 

Van enen pac lakens drie groet. 

Van enen taernijnc *) enen groten, des so mogen si twie in enen 

taernijnc tsamen beslaen om enen groten, enen groten gherekent 

voer twie placken. Ende si drie of si vier om twie groet. 
Van enen groten sac wolle, vander horne 5) vier pennijnghe. 
Ende also veel min alst beloept 6). 
Van enen pac wolle enen groten ende van enen cleynen also veel 

min alst beloept. 
Van enen groten sac hoppe twie groet ende also veel min van enen 

deinen alst beloept. 
Van eenre tonne buckings, harincs, staels, ysers, biers, asche of des 

ghelycs van goede, van den bodem enen pennijnc. 
Van een last harincs, die gheghoten is in een scip buten tonnen, twie 

groet. 



i) De volgende lijst heeft „hals", 

2) Stedeboek, fol. 282'°. Vgl. in de vorige bijlage de lijst, die blijkbaar met deze in 
verband staat en vermoedelijk op dezelfde wijze is samengesteld, dus wel uit denzelfden 
tijd (1339) maar in veel later afschrift, daar het Stedeboek in zijn oudste stukken niet 
ouder dan 1380 is. 

3) Met „werc" is blijkens de vorige lijst bontwerk bedoeld. 

4) Zie de vorige lijst. 

5) Zie de vorige lijst. 

6) Deze zin loopt niet af, moet in verband met de vorige lijst en de volgende posten 
gelezen worden: „Ende van enen cleynen also veel min alst beloept." 



307 

Van een tonne greyns •), van den bodem twie groet. 

Van een tonne lazuuirs 2j of des ghelijcs van goede, van eiken bodem 

twie groet. 
Item van eenre groter tonne vlas, vanden bodem twie groet. 
Item van eenre traveltonne 3) vlas, vanden bodem enen pennijnc. 
Item van een stien vlas een pennijnc. 
Item van een hoet gaghels ■*), die tolbaer is, twie groet. 
Item van een vierden butters een hallij nc. 
Item van tarwe, rogghe, haver, gherst, bonen, of des ghelijcs van 

goede niet dan van roedertoUen 5), 
Item van enen paerde vier penninghe. 
Item van enen ruinde twie pennijnghe. 
Item van enen verken enen pennijnc. 
Item van enen scaep enen penninc. 
Van een hondert casen twie groet. 
Van een deker &) huyden vier penninghe. 
Van een hondert ysers twie pennijnghe. 
Van een deker calfvellen of des ghelijcs van goede, vanden deker twie 

penninghe. 
Van een hoet henpsaets jof des ghelijx van goede enen groten. 
Van enen hoet colen twie pennijnghe. 
Van een aem wijns vier pennijnghe. 
Van een aem oly vier pennijnghe. 
Van een coppel 7) froyts twie pennijnghe. 
Van een scrien vier pennijnghe. 
Van een kist vier pennijnghe. 

Van een matte ^\ daer een bed in is, vier penninghe. 
Van een hondert wagenscots enen groten. 
Van een mese 9) copers enen groten. 
Van eenre bael cruyts twie pennijnghe. 
Van een hondert linwaets twie pennijnghe. 
Van een rolle balijs 1°) vier pennijnghe. 
Van enen sceep mit enen hantroeder ii) enen groten. 
Van eenre groter scuyt vier pennijnghe. 



I) 


Zie vorige lijst. 




2) 


Zie vorige lijst. 




3) 


Zie vorige lijst. 




4) 


Zie vorige lijst. 




5) 


Zie vorige lijst. 




6) 


Zie vorige lijst. 




7) 


Dubbele maat. Vgl. Verdam i. v. 


Zie vorige lijst, 


8) 


Zie vorige lijst. 




9) 


Zie vorige lijst. 




10) 


Of „bavijs". Zie vorige lijst. 




") 


Hancroeder ? Zie vorige lijst. 





3o8 

Een cleyn scuyt twie pennijnghe. 
Van enen groten bodem smeers twie pennijnghe. 
Van enen cleynen bodem enen pennijnc. 

Item van enen watersceep ist van elke doer ^) vier pennijnghe. 
Van enen scepe souts, ist groot ist cleen, vier achtendel souts. 
Van eenre scove loets 2) of uien i pennijnc. 

Van maerserye of van onslachtighen guoede den hondersten penninc. 
Van eenre maers, die een man draecht op sijn hals sonder arghelist, niet. 
Van eenre groter tonne harinc, smeers jof traens of des ghelijcs van 
goede, als van leversmeer, van den bodem twie groet. 

Ende so wie hier en boven naem, die verboerde lo pd., half den 
heer, den burchgrave 50 se. ende die stede 50 se. ende dit sel 
staen ter scepen proevinghe. 

Voert gheviel daer croen of voer onsen heer van denghenen, die meer 
soud ofghenomen wesen dan voirscreven staet, des en soude hem 
tgherecht niet te baten comen, noch sijn poortrecht. 

Voert waer dat zake, dat die tolnaer iement ancalengierde van ver- 
boernesse, dat sel staen tots gherechts proevinghe ende die dan 
brokich ghevonden worde, van dier broke sel hebben die burchgrave 
die helft, die stede tvierendel ende die tolnaer tvierendel. 



BIJLAGE V 

(zie blz. 102). 



Brieven van en aan jan van beieren. 

In een pak grafelijke rekeningen vond men indertijd op het Rijks- 
archief een Memoriaal uit den tijd van Jan van Beieren 3), waarin de 
volgende kopieën van brieven ^) voorkomen. 

I. Johan 5) etc. laten u weten met desen brieven, heren Philips van 
Wassener, borchgrave van Leyden, ende der stede van Leyden, dat wy 
enen brief gesien hebben, die ghy onsen lieven getruwen heren Henric 
Nothaft, heren tot Wernberghe, onsen vitzdom in Nederbeyeren, ge- 
screven hebt, dat wy openbair geboden inden steden van Hollant souden 
hebben doen doen, dat nyemant met u en soude moeten copen noch 
vercopen, des ghy in geenre wijs gebleven en wairt ende u recht ende 



i) Lees „docht" : roeibank. Zie vorige lijst. 

2) Zie de vorige lijst. 

3) Mem. X b (ms. Rijksarchief). Deze brieven niet bij Meerman, Beleg van Leyden. 

4) 1.1. f. 10 vlg. 

5) ib. fol. 47'. 



309 

vonnisse deden weygheren. mit meer anderen woorden als ghy scrijft 
inhoudende ende begrypende; wairaff wy u weten laten, dat gy ons 
off den onsen gebroect of misdaen hebt, dat wy des gheerne ten rechten 
staen willen an onsen neve, den hertoge van Brabant, ende an synen 
Rade of anden baenroedzen, ridderen, knechten ende steden der drie 
lande, als Henegouwen, Hollant ende Zeelant. Dochten dien, dat ghy 
ons of den onsen na onser aensprake ende na uwer antwoerde gebrect 
hadde of misdaen, dat ghy ons dat ten rechte by hem beterde. Ende 
weert oic, dat wy u vercort hadden na uwer aensprake ende na onser 
antwoerde, dat wy u dat wederomme ten rechten verrichte by denselven 
onsen neve van Brabant ende by synen Rade of by den baenroedzen, 
ridderen, knechten ende steden voirsz. Ende dit male den anderen te 
verzekeren ende te verwissen mit goeden seker ende wisheit, dat wy 
op beyden zyden dairan gehouden zijn om elc den anderen te houden 
ende te voldoen also als voirsz. staet. Ende weert sake, dat ghy des an 
gheen van beyden doen en woudt, so claechdi ende scryfdi mit groten 
onrecht ende ongelijmp ende weder God ende recht over ons ende die 
onse, als wy meynen, dat allen vorsten, heren, ridderen, knechten, ste- 
den ende allen goeden luden duncken sall. Ende so willen wy dan dat 
over alle te kennen gheven als ons dat sal genoegen . . . Ghescreven ter 
Goude opten y'^en dach in Junio int jair 20. 

II. Johan 1) byder genaden Goids palensgrave upten Ryn, hertoge 
in Beyeren, soon van Henegouwen, van Hollant ende van Zeelant. Wy, 
Philips, here van Wassenneer, burchgrave van Leyden, ende die stede 
van Leyden begeren u te geweerdigen te weten, dat wy uwer Genaden 
brieff plackert, ons gesendt, inhoudende hoe dat uwe genaden enen brieff 
gesien hebben, die wy uwen getruwen heren Henric Nothaft . . . gescreven 
hebben (volgt de inhoud als boven), aldair ghy voirt op scrijft (volgt de 
inhoud als boven) . . . hebben wy verstaen, wairoflf wy uwer Genaden geven 
oetmoedeliken te kennen, dat wy om des groets gewelts ende onrechts 
wille, dat vuer geruert staet, aldair van noets wegen toe sijn gedrongen, 
dat wy op desen tijt gheen daige noch verwissinge doen en connen 
noch houden en mogen mit uwer Genaden buten onsen lieven heere van 
Wtrecht ende der stat van Wtrecht ende bidden uwe Genaden, dat ghy 
dit voir gheen ovel nemen en wilt. Wy willent gairne versueken ende 
vervolghen aen onsen lieven here ende der stat voirsz., ende tot wat 
tyden him dat genuegen sall dage inder formen voirsz. mit uwer Genaden 
te houden, soe willen wy mitter hulpe Goids wel bibrengen ende wair 
maken alle, dat wy gescreven hebben, mit meer gewelts, onrechts ende 
overlasts, dat ons geschiet is; twelck wy in goeden gansen betruwen 
sijn, dattet ons nyet gebuert en soude hebben, hadden uwe Genaden 
him beraden mitten eerbaren heren Henric Nothaft . . . onsen gemijnden 



I) 1.1. foi. 48 '. 



3IO 

vrient ende lieven here, up wes coemste wy lange tijt verbeydende, 
hopende ende verlangende waren omder eerbairliker duechden wille, die 
wy alle tijt wel van him gehuert ende vernomen hebben, ende mit 
andere goeden mannen, die uwe eer bet voertgeset ende gecavelt souden 
hebben dan heer Jan van Egmond ende heer Gerijt van Eemskerk ende 
sommige andere mit him gedaen hebben, als uwe Genaden ten uuteynde 
bet vernemen sullen ... 7 Juni 1420. 

III. Lieve i) geminde neve 2), alsoe ghi wael vernomen mocht hebben, 
hoe dat die burchgrave van Leyden, Willem van Brederode ende die 
stede van Leyden mit meer anderen tegen ons opstaen, u lant, branden, 
schinnen, roeven, vangen ende slaen, dat sy mit groten onrecht doen 
ende boven hulde ende eede, die sy ons gedaen hebben, soe hebben 
wy den burchgrave ende der stede van Leyden voirsz, dairaf enen 
openen brief ghescreven, dair sy ons enen openen brief tot hoere ant- 
werde weder opgescreven hebben, van welken beyden brieven wy u dair- 
uut een uutscrift ende copie senden in desen brieve besloten, inden 
welken horen brief ende antwerde ghi wael vernemen ende verstaen 
moecht, hoe dat sy hem verenicht hebben mit den bisscop ende staet 
van Wtrecht, die der greefflicheit van HoUant nye doechde bewijsden 
noch en deden, wairom, lieve geminde neve, wy uwer Liefde zere 
gunstelic ende truwelic bidden, oft sake weer, dat u anders van ons 
dairaf bigebracht worde, dat ghi ons dair af verantwerden wilt, aen- 
gesien tgrote besceyt, dat wy hem gescreven hebben ende geboden; 
des ghi onser machtich sult wesen, dat wy dat noch op deze tijt doen 
sullen. Ende, lieve geminde neve, of ghi yet begheert, dat wy vermoegen, 
dair en wilt ons ummer nyet in sparen. Onse lieve here Got bewair u 
al tijt lanclivich, vrolich ende gesont. Gescr. ter Goude opten i^'^^^ dach 
in Junio. 

IV. Johan etc. laten u weten allen ende enyegeliken onsen leen- 
mannen in Zeelant, als ghy wail weten moicht, dat wy hier liggen mit 
ons selffs lyve voir onse ongehoirsamige stede van Leyden om die palen 
ende graeflicheit van Hollant onvermindert te houden ende te bescudden 
ende sonderlinge oic te benemen, dat die selve stede van Leyden nyet 
an vraemder heren handen en come noch vander graeflicheit verscheyden 
en werde. So verzuecken ende vermanen wy u allen ende enyegeliken 
van u bysonder op u leen, dat ghy vander graeflicheit houdt, met desen 
tegenwoirdigen brieven, als wy neernstelixte moigen, dat ghy onvertoigen 
bij ons selfs lyve voir Leyden coempt om onse vyande mit den anderen 
onsen vrienden te helpen weren ende doen, des ons ende der graeflicheit 
noet is te weren ende te doen gelijck dat gebueren sall. Ende soe wye 



1) 1.1. f. 70 '. 

2) De „neve" is Jan van Brabant, de eigenlijke heer van Holland. 



311 

ons dyent op deser reyse, die suUent wy afcorten vander yerster bede, 
die ons in Zelant gegeven sall worden ... ii Aug. anno 20. 

V. Johan etc. i) laten u weten, allen onsen steden, amptluden, dyenren, 
vrunden ende goeden luden, also wy u anderen daiges screven, dat wy 
tydinge hadden, dat ons die van Wtrecht meynden te versuecken voir 
Leyden ende mit ons te stryden, dat wy u corts derna wederboden, 
want sy doe weyndich worden 2), des so hebben wy nu warafftige tydinge 
van sbiscops ende der stat brieven van Wtrecht, die sy dien van Leyden 
gescreven hadden ende wy gekregen hebben by Goids ende vrunde 
hulpen, dair wy u copie aff seinden, inden welken wy niet anders en 
verstaen dan dat sy him groteliken gesterct hebben ende enteliken 
meynen die van Leyden tontsetten. Ende om dat wy u gansseliken be- 
trouwen, dat ghy niet willen en soudt, dat wy dairijn verrascht worden, 
so bidden, begeren ende versuecken wy u, ontbieden oic ende bevelen 
mit alre nernsticheit, dat wy moigen, dat ghy mit alle uwer macht comen 
en wesen wilt tot Alphen op Vrydach naestcomende tavontyde ten alre 
langsten by ons ende onsen vrunden, die daer dan oic wesen sullen, 
ende dat dair binnen geen gebreck ijn en valle, ten ware off wy u eer 
by ons ontbieden, ende dat ghy u binnen hier en tusschen rede houdt 
om over dach ende nacht alsdan by ons te comen. Hier bewijst u ijn 
alse goede getruwe lude sculdich sijn te doene ende also wy u gansselijc 

toegetruwen, ende des niet laten also lieff als ghy ons hebt Zond. 

na Lamb., 12 daghe in Aug. 

hertoge Jan van Beyeren, 

sone van Henegouwen, van 
HoUant ende van Zelant. 



In ditzelfde Memoriaal vindt men vele belangrijke onuitgegeven stuk- 
ken over den oorlog met Utrecht in 1420. 



B IJ L A G E VI 
(zie blz. 108). 



Gerard Alewijnsz. en zijne familie. 

In de eerste helft der i4'^« eeuw, onder Willem III, werden de aange- 
legenheden van den graaf voor een belangrijk gedeelte bestuurd door 
een burger van Leiden, Gerard of Gerrit Alewijnsz., die zich zeer in de 



i) fol. 10. 

2) Weyndich worden = aftrokken. 



312 

gunst zijns meesters mocht verheugen. Het is wel de moeite waard zijn 
levensloop na te gaan, daar hij het type is eener geheele klasse van 
invloedrijke personen aan het grafelijk hof ^). 

Zijn vader Alewijn is ons overigens niet bekend. Zijne moeder heette 
Volcwi. Wij weten verder, dat Gerard zelf in 132 1 gehuwd was met Machteld 
van Leyden. Deze familie was reeds onder Floris V aan het hof bekend, 
waar magister Gerard van Leyden herhaaldelijk als 's graven kanselarij- 
ambtenaar, klerk, genoemd wordt 2). Een ander bekend persoon aan het 
grafelijk hof van Floris V was heer Pieter van Leyden, ook klerk, 
later kapelaan van Willem III; deze Pieter was in het begin der 14^ 
eeuw rentmeester van Zeeland en had te Leiden en in Zeeland uitge- 
strekte bezittingen; hij was een zwager van Gerard Alewijnsz., daar 
Gerard met zijne zuster Machteld gehuwd was ^), en nog rentmeester 
in Zeeland in 1312 "*). Verder kent men van deze familie in het begin 
der i4«^^ eeuw: Hughe van Leyden, klerk van Willem III, kanunnik 
van St. Jan te Utrecht; Jan Philipsz. van Leyden, kapelaan en tresorier 
van Willem III en IV, en nog anderen. 

Dit alles getuigt, dat de Van Leyden's, in wier familie Gerard Alewijnsz. 
door zijn huwelijk was gekomen, aan het hof van Holland zeer bekend 
waren; behalve hij was ook Gerard Heynensoen, in 1329 bewaarder van 
's graven boomgaard en hof te Leiden ^), rentmeester van Noord-Holland 
van 1334 tot 1347 en in 1352, gestorven in 1360 0), al spoedig te 
Leiden voorkomend, in 1315/6'^) als huurder van een huis van den graaf, 
aan de familie van Leyden verwant. 

Gerard Alewijnsz. zelf zal omstreeks 1280 geboren zijn, daar hij in 135 1 
een oud man genoemd wordt, en vond zijn werkkring in het beheer der 
grafelijke inkomsten. Het eerst vinden wij hem als grafelijk rentmeester 
in Zeeland, waar hij Pieter van Leyden opvolgde en waar in 13 18 Fre- 
deric voor het eerst dien post bekleedde, zoodat men het rentmeesterschap 
van Gerard tusschen 1315 en 1318 moet plaatsen ^). 

Nadat Gerard in den Haag voor 's graven Raad rekening en verant- 
woording van zijn beheer had gedaan, bleef hij in Holland, waar 
Willem III hem allerlei voordeden schonk ; zoo had hij te Leiden reeds 



i) Vgl. over hem en zijn werk thans : Van Riemsdijk, De registers van Gerard Alewynsr., 
in Verslagen en Mededeelingen Kon. Akad. 1890, en diens : De Tresorie en Kanselarij van 
de Graven van Holland en Zeeland uit het Henegouwsche en Beyersche Huis ('s Graven- 
hage, 1908). 

2) Zie boven, blz. 29, 41, 50. 

3) Testament bij Van Mieris, Charterb., II, blz. 176; vgl. verder blz. 657, 658, 661. 
Van Riemsdijk, Tresorie, blz. 71, waar blijkt, dat haar vader Aernout (van Leyden) was. 

4) Van Mieris, III, blz. 128. 

5) Van Mieris, II, blz. 485. 

6) Van Riemsdijk, Tresorie, blz. 390, 391, 617, 655. 

7) ib. blz. 73. 

8) ib. blz. 72. 



313 

in 132 1 het huis met de klok i) van den graaf in huur en kreeg er in 
1322 de grafehjke Krijthoeve met twee boomgaarden achter het Begijnhof, 
die vroeger aan Hughe van Leyden waren verleend : de laatste bezitting 
was 4 morgen groot. Voor de Krijthoeve en de boomgaarden gaf hij den 
graaf jaarlijks 4 pond Holl. 

Hij was een der meest op den voorgrond tredende van 's graven klerken 
en werd als zoodanig door Willem III vermoedelijk sedert 1318 2) in den 
Raad van Holland gebruikt, zooals blijkt uit allerlei stukken van 1320 
tot 1354. Wij vinden hem als gemachtigde des graven in 1323 in Zeeland, 
waar hij met bovengenoemden Jan Philipsz. van Leyden, Willem van 
Duvenvoirde ('s graven kamerling) en Mr. Jan Florisz. eene overeenkomst 
sloot met gemachtigden van den heer van Beaumont aangaande eenige 
financieele moeielijkheden, die in Zeeland tusschen den graaf en zijn 
broeder gerezen waren 3). Zoo trad Gerard Alewijnsz. dikwijls als vertegen- 
woordiger van den graaf op, o. a. in 1324 bij het vergeven der school 
te Leiden aan Nicolaas Merre. 

Wij merken op, dat Willem III hem steeds nieuwe blijken zijner gunst 
schonk door hem inkomsten in Noord-Holland toe te wijzen. In 1323 
kreeg Gerard Alewijnsz. jaarlijks reeds 15 pond uit de renten in dat 
district *) en schonk deze weder aan zijn zoon Gerard Wissen. De oudste 
zoon van Gerard Alewijnsz., Alewijn Gerardsz., kreeg in datzelfde jaar 
de toezegging van den post van „scroder" te Dordrecht; bij deze gift 
aan den zoon staat uitdrukkelijk vermeld, dat zij gedaan werd wegens 
diensten, door den vader aan den graaf bewezen ^). 

De burgerlijke afkomst van den klerk belette hem als lid op te treden 
in 's graven Raad : Enghebrecht van Voorschoten en Willem van Duiven- 
voorde waren daarentegen reeds lang in den Raad opgenomen, daar zij 
van adel waren, al was het dan ook geen hooge adel. 

In 1332 werd dit bezwaar tegen hem opgeheven. Gerard Alewijnsz had 
aangenomen om 1/16 deel van het ambacht Zwijndrecht te bedijken en 
werd voor dezen en andere diensten door Willem III beloond met de 
verheffing van hem en zijn zoon Alewijn in den adelstand, „datsi al des 
rechts ghebruken ende ghenieten ende alle rechte hantieren als edele lude 
sculdich siin te ghenieten ende te hantieren na den rechte van onsen 
lande van Zeland ende hare nacomelinghe hoir edelheden van hem hebben 
alsoe sier of gheboren siin" ^). Hij werd dus in den Zeeuwschen adel 
opgenomen, gelijk in Zwijndrecht ook Zeeuwsch recht gold ''). In dit 



1) Zie boven, blz. 61. Dit is misschien hetzelfde als dat van Gerard Heynensoen. 

2) Van Riemsdijk, 1.1. 

3) Van Mieris, II, blz. 305. 

4) Reg. E. L. I Cas C, fol. 39 (Rijksarchief) en Graf. Rek. v. Holl. I, blz. 228. 

5) Van Mieris, II, blz. 346. Schroder of meter van wijn was hij, die den wijnaccijns inde. 

6) Reg. E. L. 13 Cas C, fol. 73 (Rijksarchief). 

7) Van Mieris, II, blz. 534. 



314 

ambacht Zwijndrecht schonk de graaf hem in 1336 het recht om tot op 
zekere hoogte keuren te maken en om schepenen te benoemen ; bovendien 
vergunde hij hem er eene parochiekerk te stichten, waarvoor Gerard en 
zijne nakomelingen de presentatie van een pastoor aan den graaf zouden 
mogen doen i). Zoo oefende Gerard Alewijnsz. in een deel van het ambacht 
Zwijndrecht de rechten van ambachtsheer uit; dit deel heette Rijsoirde. 
Tusschen de jaren 1330 — 1345 vinden wij hem in het „consilium" van 
Willem III en IV genoemd, maar nog altijd als klerk 2) ; hij staat in dien 
Raad op ééne lijn met zijn neef, Gerard Heynensoen, rentmeester van 
Noordholland, en Willem Cuser, die in Amstelland dezelfde betrekking 
bekleedde. Maar hij had er langen tijd een zeer bijzondere taak, die van 
den „klerk der registers". In die functie gingen zoowel de inkomende 
als de uitgaande brieven der grafelijke kanselarij door zijne handen en 
teekende hij ze waarschijnlijk zelf in de onder zijn beheer staande registers 
op, zoodat hij als de archivaris, ja als de kanselier van Willem III kan 
beschouwd worden 3). Het is zeer waarschijnlijk, dat hij het geweest 
is, die omtreeks 13 19 de kanselarij van Willem III, ten minste voor 
zoover de registers betreft, voor het eerst geregeld georganiseerd heeft *). 
Hij droeg den titel van „clericus registri" of wel van „memorialis" en 
bleef onder Willem IV met deze belangrijke werkzaamheid belast. 

De hoogere klerken — „ghesworen clerc ende scryfichijn" was hun alge- 
meene titel — kregen paarden van den graaf tot hun gebruik, behoorden 
tot het grafelijk hofgezin en droegen 's graven hofkleedij. Zij werden van 
de mindere schrijvers onderscheiden als „overste clercken". 

Zulk een klerk stond dus in nauwe betrekking tot het grafelijk hof en 
Gerard Alewijnsz. trachtte zich in 1341 nog meer aan den graaf te ver- 
binden door alle zijne bezittingen in Rijsoirde 5) en in 1344 die te Leiden 
en in Aelbrantswaerd (bij Poortugaal op IJselmonde) aan dezen op te 
dragen en ze in leen van hem terug te ontvangen; daarvoor verbond 
Willem IV zich voor zich zelven en zijne nakomelingen om al die be- 
zittingen aan de nakomehngen van Gerard Alewijnsz., in de mannelijke 
en vrouwelijke linie, te zullen laten. Uit dit stuk ^) blijkt, dat Gerard 
behalve zijne reeds genoemde zonen Alewijn en Gerard Wissen nog twee 
dochters had : Brechte ^j en Volcwijf. 

De onlusten, die na den dood van Willem IV Holland en Zeeland 



1) Van Mieris, II, 581 en 589; Reg. Hann. blz. 263. Voor dat ambacht kreeg hij in 
1338 ook tolvrijheid, in 1339 eene weekmarkt en twee jaarmarkten; in 1340 kocht hij het 
ambacht vrij van cijns (Reg. Hann. 271). 

2) O. a. 1337. 

3) Van Riemsdijk, 1.1. blz. 597, 600, 605, 607, 609, 61 r. Vgl. blz. 69 vlg. 

4) Vgl. hierover vooral de eerstgenoemde studie van den heer Van Riemsdijk, vooral 
blz. 153, 165, 184 vlg. 

5) Reg. Hann., blz. 279. 

6) Van Mieris II, blz. 687. 

7) Lees bij Van Mieris „Brachten" voor „rechten" Gherits dochter. 



315 

teisterden, verwijderden ook den trouwen klerk der Henegouwsche graven 
eenigen tijd i) uit den Raad van Willem V, maar in de groote verwarring 
dier tijden geraakten de registers der grafelijkheid verloren, terwijl 
jonge en ongeoefende klerken de oude beproefde dienaren uit den tijd 
van Willem III hadden vervangen. Gerard Alewijnsz., die langer dan 
30 jaren met die registers had omgegaan, herstelde toen, denkelijk met 
behulp van de gegevens, die hij uit zijne langjarige werkzaamheid nog 
tot zijne beschikking had, de boeken. Philippus de Leyden laat dan ook 
niet na er op te wijzen, hoe Gerard in zijn dagen meer deed dan tien 
anderen door den geregelden voortgang van zijne werkzaamheid 2). Zoo 
kon Willem V, toen hij in 135 1 voorgoed graaf geworden was, door de 
hulp van den ervaren ambtenaar een geregeld overzicht van de inkomsten 
en uitgaven van den staat in vroegere, rustigere jaren krijgen. 

Willem V bewees den ouden trouwen dienaar zijner voorgangers dan 
ook herhaaldelijk zijne dankbaarheid door groote bewijzen zijner gunst. 
Hij schonk hem meerdere rechten voor zijne ambachtslieden in Rijs- 
oirde 3), verleende hem in 1351, telkens als hij ten hove kwam, eens in 
de maand een pot wijns en de vergunning om 10 konijnen 'sjaars in 
's graven duinen en bosschen te vangen; eindelijk schonk hij hem ieder 
jaar met Paschen een snoek uit het Haarlemmermeer en met Pinksteren 
een broed reigers uit Bindermeerbroek. Dat ook zijne medeburgers 
Gerard, die sedert den dood van Willem IV blijkbaar weder te Leiden 
woonde, achtten, blijkt uit de omstandigheid, dat hij in 135 1 raad der 
stad Leiden was. Hij werd nu ook in den Raad des vorsten als lid ge- 
noemd '*';. 

Het laatst hooren wij iets van onzen Gerard Alewijnsz. op 19 Jan. 
1356; hij was toen, hoewel „jaermeer oud ende teder", nog lid van 
's graven Raad en kwam dikwijls aan 's graven hof 5). Hij schijnt kort 
daarna gestorven te zijn en liet zijn erfgoed na aan zijn zoon, Alemjn 
van Rijsoirde, die echter in 1352 reeds als ambachtsheer van Rijsoirde 
optreedt 6). 

Wij zien aan den zoon, dat de familie zeer in aanzien was gestegen, 
daar hij gehuwd was met Beatrix, dochter van Floris van der Merwede '''), 
een aanzienlijk ZuidhoUandsch edelman. Deze Alewijn leefde nog in 
1380 S) en liet twee zonen na, heer Jacob en heer Floris van Rijsoirde. 
De tweede werd in 1396 op last van hertog Albrecht omgebracht; zijn 



1I Phil. de Leyden, blz. 301 : „pauco deducto tempore." Vgl. Van Riemsdijk, blz. 74. 

2) Phil. de Leyden, blz. 212. 

3) Rag. E. L. 25, fol. 12. 

4) Van Mieris II, blz. 801. 

5) Reg. E. L. 25, fol. 15 en Van Mieris II, blz. 816 en 826. 

6) Reg. E. L. 33, fol. 27 ". 

7) Reg. E. L. 25, fol. 68. 

8) Reg. Putten en Strijen, fol. 96 ^. 



3i6 

oudere broeder Jacob leefde nog tot in 1429; beiden lieten geen kin- 
deren na en de erfgenaam hunner bezittingen was hunne nicht, Adriana 
van den Berghe ^). 

In 1397 werden de magen van den vermoorden Floris van Rijsoirde 
verzoend met hen, die op Albrecht's bevel Floris gedood hadden; tot 
de magen van moederszijde behoorden de burggraaf van Leiden, de 
heeren van der Merwede, van Steyn en van Wassenaer; tot die van 
vaderszijde de heeren van Alkemade, van den Zijl, van der Duyn enz. 
Men ziet dus, dat de familie der moeder, Beatrix van der Merwede (die 
toen nog leefde) aanzienlijker was. Overigens komen naast die adellijke 
magen van moederszijde ook burgerlijke voor, als: Reymbout Zevers en 
Coenraet Sasse, waaruit blijkt, dat de afscheiding der standen nog niet 
zoo sterk kan geweest zijn. Aan de zijde des vaders vindt men verschei- 
dene burgerlijke familieleden : Dirk van den Werve, Dirk en Gerrit Hoech- 
straet. Poes Jansz , Jan Heynenz. enz., allen aanzienlijke burgers van 
Leiden. 

Noch Alewijn, noch zijn beide zonen hebben in het staatsbestuur 
iets te beteekenen gehad; Gerard Alewijnsz., de homo novus van het 
geslacht, was ook de meest bekende. 

De stamboom der familie moet dus als volgt aangegeven worden: 

Alewijn — Volcwi. 



Gerard Alewijnsz. f1356?, geh. met Machteld Aemoutsd. van Leyden. 



Alewijn Gerard Wissen 2). Brechte. Volcwijf. 

geh. met Beatrix van der Merwede. 



Jacob van Rijsoirde en Floris van Rijsoirde. 
t 1429. t 1396. 

De familiebetrekking tusschen raenschen van zoo hooge geboorte als 
de Wassenaers, de Merwedes, de Steynen, de Alkemades, en rijk ge- 
worden burgerlieden, als de familie der Alewijns, bracht ons ertoe een 
klein onderzoek te doen naar de verhouding tusschen die adellijke ge- 
slachten en de burgerfamiliën te Leiden. Wij bemerken dan weldra, dat 
de afstand tusschen den adel en de rijke burgerij in de 14'^^ eeuw lang 
niet zoo groot was als men zich dien wel eens voorstelt. 

Om te beginnen met de Leidsche burggraven: Dirk, de laatste uit 
het huis van Kuik, huwde met Justine van Coudekerke, de weduwe van 
Jan Scheven, een ambtenaar des graven 3); zijn opvolger, Philips van 



i) Van Mieris II, blz. 687; III, blz. 652. 

2) Een bekend Kabeljauw (Joh. a Leydis, Chron , XXXI, s) en kinderloos gestorven. 

3) Zie boven, blz. 85 vlg. 



Wassenaar, was gehuwd met Machteld, Gilles heren Janssoens dochter 
van Barendrecht, die tot oom had Tielman Jansz., kanunnik te Utrecht, 
uit het bekende Dortsche burgerlijke geslacht der Van Wijngaerdens. 
Ook de echtgenoote van Enghebrecht van Voorschoten, rentmeester van 
Noord-Holland, was eene Aleyd van Barendrecht '). Andries Rottiers, 
poorter van Leiden, was gehuwd met Cateline, dochter van heer Dirk van 
Santhorst 2). Pieter van Leyden Janssone was gehuwd met jonkvr. Baertrade, 
heer Heynrix dochter van Alkemade 3); Heynric van Alkemade IJsbrants- 
soen was de zwager van Gerard Alewijnsz. "*) ; Willem Cuser (een homo 
novus), rentmeester van Kennemerland, was gehuwd met Machteld, heer 
Reyniers dochter van Heemstede ^j; Claes van Swieten met Meyne, dochter 
van Willem Cuser ^). Philips van Santhorst huwde met Christina, dochter 
van Willem Verenbartensone, aan wie haar vader een bruidschat van 
400 pd. medegaf '^) ; haar broeder. Jan Verenbartensone, was rentmeester 
van Kennemerland. Al deze huwelijken bewijzen, dat zulke verbintenissen 
niet ongewoon waren. 

Het is derhalve duidelijk, dat de afscheiding tusschen de beide standen 
in de 14^^ eeuw niet zoo groot kon zijn en de oudere adel er niet tegen 
op zag om zich met nieuwbakken heeren, als die van Barendrecht en 
van Rijsoirde, te verbinden. Wij kunnen ons dan ook niet verwonderen, 
wanneer wij de Van Alkemades, Van Swietens en Van Boshuyzens te 
Leiden dikwijls als schepenen, een enkele maal in minder aanzienlijke 
ambten zien optreden; zij waren volstrekt niet van het stadsbestuur 
uitgesloten. 

Al deze voorbeelden zijn uit den tijd der Henegouwsche graven. 
Hetzelfde verschijnsel vindt men nog onder Albrecht: dan evenwel 
begint de hofadel blijkbaar onder den invloed van de Fransche denk- 
beelden omtrent geboorte te komen, zooals men die vooral in de dagen 
der Valois kon hooren verkondigen. 

In het begin der \^^^ eeuw begon de adel tegenover de burgerij eene 
andere houding aan te nemen : de afstammelingen van adellijke familiën, 
die zich geheel in de steden vestigden, verbonden zich daar met de rijke 
burgers en smolten weldra met hen samen, terwijl de adel, die op het platte 
land woonde, zijn jongere zonen naar het hof zond en spoedig een geheel 
afgescheiden stand vormde. Deze verandering valt in het midden der 
15*^'= eeuw, en breidt zich, onder Bourgondischen invloed, zeer uit. 



l) 


Reg. Hann. blz. 151. 


2) 


Reg. Hann. blz. 113. 


3) 


Reg. E. L. 25, fol. 40. 


4) 


Mem. Pieterskerk, fol. 3. 


5) 


Van Mieris II, blz. 625. 


6) 


E. L. 13, Cas C, fol. 88, 


7) 


Van Mieris II, blz. 178. 



3i8 

BIJLAGE VII 

(zie blz. 115). 

Dit zijn die riem in Rijnlant i). 

Zevenhoeven ende Niewenvene XVI rieme. 

Item Nuvvencoep XVI r. 

Item Arlendervene X r. 

Item Outshoerne IIII rieme. 

Item Are XII rieme. 

Item Rensaterwout ende Leydmuden IX r. 

Item Vriesencoep IIII r. 

Item Cudelsteert IIII r. 

Borgravenvene 2) ende Calslaghe XI r. 

Item Eskelickerwoudt 3) IIII r. 

Item Wermonde I riem. 

Coudekerc II r. 

Alfen II r. 

Voshol 4) XII r. 

Gravencoep gheheten Nuwebroec ^) I r. 

Sluipwijc ende Middelburg ^) 1 r. 

Bloemendael 7) II r. 

Waddijnsvene, Griensvoorde, Polien ende Zuidelwijc ^) XX r. 

Hasartswoude XX r. 

Zoeterwoude X r. 

Zoetermere ende Zegwert XIIII r. 

Hillighem, Lisse, Voerhout XX r. 

Nortigherhout VI r. 

Noertijc XIIII r. 

Catwijc ende Valkenburg VII r. 

Cleine Zassenem ^) I r. 



i) Reg. E. L. 22, Cas C (1351 — 1356) (Rijksarchief), fol. 57 vlg. 

2) Aan het Haarlemmermeer, vgl. Ramaer, Haarlemmermeer, blz. 109 en verder passim. 

3) Met Heerjacobswoude, gelegen aan het Brasemer meer. Vgl. Teg. Staat, dl. VI, blz. 
388 vlg. Woubrugge werd er later de hoofdbuurt van en gaf de heerlijkheid een anderen 
naam. Vgl. Ramaer, Haarlemmermeer, blz. 176. 

4) De heerlijkheid, waarin Zwammerdam, Langer en Korter Aar en Reewijk lagen. 
Vgl. Teg. Staat, dl. VI, blz. 337. 

5) Later Nieuw veen? 

6) Bij Boskoop en Sluipwijk. Vgl. Teg. Staat, dl. VI, blz. 318. 

7) Bij Waddingsveen. Vgl. Informacie, 1514, blz. 308. 

8) Blijkbaar buurten bij Waddingsveen. 

9) Sassenheim. Groot Sassenheim is Lisse: zie Ramaer, blz. 21. 



319 

Poelgheest ende Leyderdorp IIII r. 

Oestgheest ende Harendorp VII r. 

Heren Dierics ambocht van Zuutwijc ^) VI r. 

Voerscoten ende die met hem riemen XXVI rieme. 

Rijswijc II r. 

Wateringhe V r. 

Liere IIII r. 

Naeldewijc II r. 

Dat Zantambacht 2) H r. 

Die Haghe IIII r. 

Monster ende Poeldijc XVII r. 

Leyden XXIIII r. 

Dit zijn die rieme in Delflant. 

Heren Jans ambacht van der Wateringhe V r. 

Item Hodenpijl I r. 

Haernesse I r. 

Zoutenvene IIII r. 

Die Vrielande I r. 

Die Ketel IIII r. 

Pijnacker XV r. 

Maeslant XVI r. 

Ruven II r. 

Des abts recht 3) H r. 

Die hof van Delf XX r. 

Dit zijn die rieme in den lande van Worden. 

Oudewater VII rieme. 

Tinoudewater [?] III r. 

Hedekendorp IIII r. 

Werde ^) ende Berwoudewarde II r. 

Rietvelt II r. 

Bodengrave X r. 

Worden met Vredenvelde V r. 



i) Onder Voorschoten. Niet het bij Boskoop gelegene. Vgl. Teg. Staat, dl. VI, blz. 379. 
De „Dieric" is Dirk van Wassenaer, de burggraaf. Zie boven, blz. 88 vlg. 

2) Tusschen 's Gravenzande en Den Haag. Vgl. Teg. Staat, dl. VI, blz. 520. 

3) Ten Zuiden van Delft aan de Schie. Abtswoude lag daarin. Vgl. Teg. Staat, dl. VI, 
blz. 571. 

4) Waarder. 



320 



BIJLAGE VIII 
(Zie blz. 145). 

Ghescreven int jair ons Heren MCCC sesse ende tachtich tsManen- 
daghes na Mauricii '). 



Dit ziin die ghene, die in den 
fdie bailiu Herman Willaems. 
f Jan Heerman. 
-j-Hughe van der Hant. 
fHughe Claessoen. 
fWillaem Heynensoen. 
fOherijd Lam. 
f Dirc Poes van Leyden. 
fWillaem Vlaminc. 

Gheriid Willaemssoen. 

Heynric Willaemssoen. 
f Aernt Jacobssoen. 
fFlorijs heren Jacobssoen. 
"t-Gheriid Heerman. 
fFlorijs Ghisebrechtssoen. 
fWillaem Foykiaen. 
fHarman Willaemssoen. 
f Jan van Hilleghom. 
fClaes van den Werve. 
fClaes Bort. 

f Gheriid van der Grafte. 
fWillaem Smeder. 
f Bertelmeeus van Zwieten. 
f Jan Bairtout. 
fSyman Ghisebrechtssoen. 
fVranc Vrankensoen. 
fSymon Bort. 
fDirc Hoghestraet. 

Jan van Leyden. 
f Jan heren Symanss. 
fSymon Vrederic. 
fGielijs van Zwieten. 
fAelbairn Philipssoen, 



gherecht ziin of gheweest hebben. Eerst 
I f Jan van Alcmade. 
fDirc die Bruyne. 
f Jan Vlamincs. 

Pieter Gobburghens. 
fDirc Poes Vrankensoen. 
fBairnt Janssoen. 

Dirc van den Werve. 
f Jan Costijnssoen. 
fDirc Poes Janssoen. 
fWouter Cokensoen. 
fYsebrant Roetairts. 
fSymon Symonssoen. 
fDirc van der Gheest. 

Vranc Ysac. 
fClaes Jans Vossoen. 
f Jan Stantvast. 
f Michiel van der Heyde. 
f Jacob van der Hant Claessoen. 
fVranc Diedwarensoen. 
f Heynric Danielssoen. 

Jan Grietensoen. 
fWouter van der Brugghe. 
fPieter Hughensoen. 
fHeynric Bakel. 
f Heynric Willaem Vlamincss. 
fDammes Zegherssoen. 
f Jacob Vinkensoen. 
f Jan die Bruyne. 
fWillaem uten Campe 2). 

Andries Hughens. 
fWillaem Strevel. 

Goiswijn Claess. 



i) Stedeboek, fol. 321^. De met een kruisje geteekende namen zijn doorgeschrapt, 
blijkbaar omdat de dragers ervan gestorven waren. 
2) Tot zoover gaat de oorspronkelijke lijst van 1386, zooals blijkt uit de hand, waarmede 



321 



fClaes Rengher. 
-fWillaem Aerntss. 

Harman Bitter. 

Gheriid Rijswijc, 

Dirc van den Boske. 
f Jacob Oulant. 

Ysebrant van der Laen. 

Pieter Witte. 

Ysebrant Strevelant Jans Voss. 
-fHarman Willems. 

Pieter Butenwech Dircss. 
-j-Harman Willemsoen. 

Willem Janssoen. 

Gherijt Janssoen. 
-j-Jan Vockensoen. 

Mees IJmmensoen. 
-fHarman Janss. 

Willem Harmanss, 

Willem Symanss. 

Pieter Heerman, 
-(-pieter Dircss. 
-j-Vranc Poess. 

Gherijt Emmens. 
-j-Dirc? van der Spec. 

Ysebrant Strevelant Willems. 
-j-Hughe van Zwieten. 

Boudiin Dircss. 

Bertelmees Janss. 

Nanne van Lisse. 

Aelwiin Louwerijss. 

Jan Willem Ysebrants ss. 

Jacob Vranckens. 
-fWillem Kerstanss. 

Pieter B-atewech Gherijts. 

Dirc van Oestgheest. 

Willem Aerntsz. 

Jan Hughens van der Hant. 



Heynrijc Harmanss. 
fYsebrant Gherijts. 

Florijs van Sonwelt. 
-j-Ghisebrech Claessoen. 
f Claes van Zwieten heren Dircsoen. 
fPhilps Aerntss. 
fWillem Jans Voss. 

Pieter Josepss. 

Gheriit die Bruun. 
-f-Mathiis Heynricss ^). 

Dirc de Bruun. 

Philps Florijss. 

Dirc Foytgen. 

Jan Zoet Vrankens. 
fHeynric Willem Gherijtss. 

Dirc Willem IJsbrantss. 

IJsbrant Jans Voss, 

Jan Dankaert. 

Jan Willem Jans Vos ss. 
fWillem Willemss. 

Gherijt Jacop. 

Aelbrecht van Bosk. 
f Claes van Zwieten Pieters. 

Willem Maertijnss. 
-j-Adriaen Walichss. 

Willem Bort. 

Willem Heerman. 

Gherijt die Bruun Jacops. 

Dirc Willems Gherijtss. 
fWillem Foytgen. 

Gherijt die Griemer. 

Hughe Boudijnss. 

Aernt Jan Godens. 
fDirc van Alcmaed. 

Josep Pieters. 

Heynric Wautersz. 



zij is geschreven, die altijd dezelfde is. Nu volgen jaar voor jaar met andere hand bijgeschreven 
namen, telkens twee, drie, vier, vijf of zes met dezelfde hand. Dit zal te verklaren zijn 
uit het feit, dat sommige gerechtsleden reeds zitting hadden gehad in het gerecht en dus 
niet opnieuw in de vroedschapslijst behoefden aangeteekend te worden. Naar uit het verschil 
der handen op te maken is, loopt de lijst door tot op 1406, het jaar, waarin een nieuw 
Keurboek werd gemaakt en waarschijnlijk een nieuwe lijst is vervaardigd. De met aftrek 
der gestorvenen overblijvende geven het getal van 68 in 1406 tot de vroedschap behoorenden. 
i) Hier is eene open ruimte gelaten; waarom, weet ik niet te zeggen. 

21 



!22 



Foytgen Jansz. van Meerburch. 

Jan van der Mersk. 
-fGherijt van Oestgheest Symonss. 
■j-Jonge Heynric Harmansz. 

Gherijt van Oestgheest Willemss. 

Voppe Dirxs. 

Jan van Zijl Willemss. 



Heynric die Bruun. 
Pieter van Leyden Dirxs. 
Jacop Louwes. 
Dirc Crauwel. 
Poes Pieters. 
Andries Costijnss. 



B IJ L A G E IX 
(zie blz. 167). 

Dit sien der stede oudscut i). 



Florijs Willem Florijssoenss. 
fWillem Heynricssoen. 
fWillem Everssoen, 

Vranc Poessoen. 

Heynric Claessoen. 
j-Baernt Janssoen. 
fDirc van Werve. 

Doen Symanssoen. 

Aelwijn Louwerssoen. 

Jacop van Endegheest. 

Jan Zoet. 

Willem Syman Vrederixsoen. 

Dirc van der Gheest. 

Jacop Vrankensoen. 

Pieter Butenwech Dircssoen. 
■fWouter Bertelmeussoen. 

Jan Stantvast Ludolfss. 

Pieter Zibout. 

Pieter Butewech Gherijtss. 

Jan Vlamincssoen. 

Heyn Cammaker. 

Dirc Ghisebrechtss. 

Dammes AUaertssoen. 

Gherijt Willemss. 



Heynric Stoyt. 

Harman Janssoen. 
fHeynric Wauters. 
f Willem Heynss. 

Jan Tolnaer. 
fWillem Bort. 
f Jacop Flor ij SS. 

Claes Dircss die provisoers neve. 
•fClaes van Zwieten Pieters. 
fMeester Pieter die halsbreker. 
-j-Jan Pieterssoen. 
fWouter Harmanss. 
f Hughe Claes Jansss. 

Foytgen Jacopssoen. 

Ghise Diedaertssoen. 

Jan Dobbe. 
f Jan Grietensoen. 

Aernt die Brouwer, die witmaker. 
fReymbrant Philipss. 

Willem Mosch, die witmaker, 
f Aernt Scute. 
fKerstant Allerts. 

Jan Zeveritss, die witmaker. 

Danckaert Dirc Coenens. 



1) Stedeboek, fol. 289". Dit is waarschijnlijk de oudste schuttersHjst, opgesteld in 
denzelfden tijd als de vroedschapslijst in Bijlage VIII, dus 1386. Vgl. de bijgevoegde aan- 
teekening over de visscherij. De doorgeschrapte namen, aanwijzend de gestorvenen, «ijn 
met een kruisje geteekend . 



323 



Aernt Goutvoet. 

Syman Wouters van den Breg. 

Pieter Coppedrayer. 

Jan die Coster. 

Pieter Janss van Bosch. 

Allaert Allerts. 
fDirc van Alcmade Dircssoen. 

Jan Willem IJsbrantss. 
iTyman Allaertss. 

Heyn van Zalem. 



IJsbrant Strevelant Janss. 

Claes van Maersen. 

Jacop Claess. 

Gherijt die Bruyn Jacop Heynricss. 

Louwe uut de Enghe. 

Strevelant Willems. 
fHughe van Zwieten. 
f Dirc Janss van den Horn. 

Florijs van Zonnevelt Paedtsen- 
soen. 



Florijs van Teyling. 

AIso dese voirscreven scutte die renten hebben van der viskerye in die 

nuwe vesten, so is tgherechte overdraghen, dat si dat water in der vesten 

reyn houden sellen van kroese, van graese ende van oncrude, dat daer 

in wassen mach, ende sonderlinghe datter ghien leer in gheleyt en worde. 

Dit siin die jonghe scut. 



Gherijt Dircs Brunensoen. 
Jan Zoet Vrankenz. 
IJsbrant van den Werve. 
Costijn Bertelmeess. 
Philips Florijss. 
Heynric Harmanss. 
Willem Vlamijnc. 
Jan Willemssoen. 
Pieter Vranc. 
Coppijn Merijnc. 
Wouter van den Veen. 
Ghijsbrecht Jacopss. 
Heynric Jan Reynerss. 
Claes Hughenz. 
Willem Florijss. 
Isbrant van Alcmade. 



Jan Potterss. 

Dirc Willem IJsbrantss. 

Willem Boudijnss. 

Claes Jacopss. 

Jan Hughens. 

Jan Dirc Coenens. 

Jan Hughens. van der Hant. 

Mathijs Heynrics. 

Dirc Stien. 

Wauter Dircss. 

Kerstant Dammess. 

Ghijsbrecht Cosijn Jans Bruynen 

soen. 
Maertijn Gherijts. 
Claes Pieterss. 
Phillips Stickerss. 



BIJLAGE X 

(zie blz. 167). 



tGasthuys vierendel i). 
Florys Willem Florysss. 



f Jan Duker. 
Pieter Butewech Dircxsoen. 
Vranc Poessoen. 



i) Stedeboek, fol. 319'. Het zijn de schutters van omstreeks 1390, over de bonnen ver- 
deeld. De doorgeschrapte namen, aanwijzend de gestorvenen, zijn met een kruisje geteekend. 



324 



Willem Everssoen, 
Heynric Claessoen. 
Baernt Janssoen van Leyden. 
Dirc van den Werve. 
-f-Dirc Mauriinssoen. 
Willem Heynrixs. 

tVleyschuys vierende!. 

Willem Heynricxsoen. 

Jan Syman Ghisebrechtsss. 

Doen Symanssoen. 

Jan Jacobssoen van den Bosch. 

Ghisebrecht Claes Horstssoen. 

Aelwiin Lourijssoen. 

Syman Bort. 

Harman Janssoen. 

Int Wolhuys vierende!. 

Jan Zoet Jan heren Symonsss. 

Symon Vrederic. 

Dirc van Oestgheest. 

Willem Harmanssoen. 

Jan Heerman. 

Wouter Bertelmens Polremanss. 

Dirc van den Noerde. 

Jacob van Endegheest. 

Pieter Butewech Gheryt Lamtss. 

Heynric Cammaker. 

Ermbout Zuut. 

Dirc Ghisebrechts. 

Tilleman. 

Jan Meesterssoen. 

Aimt Beydeman. 

Gherijd Willemssoen. 

Dammes die verwer. 

Jan Poessoen van Leyden. 

Heynric Willemssoen. 

Jan Tolnair. 

Willem Bort. 

Ysebrant Gherijtsoen. 

tWanthuys vierendel. 
Syman Symanss. 



Dirc van der Gheest. 

Ysebrant Strevelant Janss. 

Claes Jans Vossoen. 

Andries van der Burch. 

Pieter Zibout. 

Jan Stantvast Ludolfssoen. 

Butterman. 

Reyner Heymimannessoen. 

Jan Pieter Wouterssss. 

Claes Calle. 

Heynric van Zalen. 

Meester Pieter Halsbreker. 

Jan Dobbe boghemaker. 

Jan die maetslair. 

Burchstrenc. 

Gheryd Emmensoen. 

Claes Harmanssoen. 

Wouter Harmanssoen. 

Jannes Coster. 

Jan van Scoten. 

Claes van Zwieten Pietersoen. 

Trude Claes Jansss vierendel. 

Hughe Claes Alidenzoen. 
Pieter Janszoen van Bosch. 
Aimt Dirc Buttermanssoen. 

Pieter Ghisebrechtss vierendel. 

Wildijc Pieterszoen. 
Pieter Copdrayer. 
Jan die drayer. 
fKerstant Hughensoen. 
Pieter Ysac. 
Jan Stantvast Janssoen. 
Kerstant Allairtszoen. 
Danckairt Dirc Coenensoen. 
In Ghisebrecht Enghebrechtss 
vierendel. 

Jan Grietenzoen. 
Reymbrant Philipssoen. 



325 



Willem Moske. 

Airnt Moske. 

Airnt Sthine. 

Ghise Diedaertssoen. 

Meynse Willemssoen van Oyen. 

Pieter die scutemaker. 

Foykiin Jacobssoen. 

In Marendorp. 

Pieter Coec. 
Syman Allaerntssoen. 
Aelwiin Dirc Lamtssoen. 
Florijs Willemssoen uten Camp. 
AUairt AUairtssoen. 



Pieter die drayer. 
Jan Willem Ysebrantsss. 
Airnt van der Hoirn. 
Heyn Hongher. 
Griemer Willemssoen. 
Jan Smit. 

Jacob Claessoen van Bodegraven. 
Dirc Copal, 
Heynric Wouterss. 
Willem Roelofssoen. 
Bertelmeus Jans Brouwerss. 
Oudelant. 
Gheryd van Zoest. 
Jacob van der Hant Florijss. 
fjan van Alcmade Heynrics. 



BIJLAGE XI 
(Zie blz. 167). 

In den jaer XCIIII worden die oudscut verset opten Beloken Pijnxster 
avont als hier na bescreven staen ^). 



fBaernt Janss. 

Mijn heer die kauwe. Jacop 
Baukens 2). 

Dirc van Werf. 

Willem Symanss. 

Floris Willem Florisss. 

Vranc Poess. 

Heynric Claess. 

Daen. 

Aelwyn Louwerss. 
fjacop van Endegheest. 

Jan Zoet. 

Dirc van der Gheest. 

Pieter Butewech Dircxs. 



I tJ^^ Stantvast Ludolfss. 

Pieter Zibout. 

Pieter Butewech Gherijtss. 
fjan Vlamijnxs. 

Heyn Cammaker. 

Dirc Ghijsbrechts, Wildijc siin 
broder. 

Dammes Allens Ysebrant Claess 

Gherijt Willems. 

Heynric Stoyt. 
fDirc van Alcmaed. 
fjan van den Bosch Hoflantss. 

Simon Reynnerss. 
fDirc Stien. 



i) Stedeboek, fol. 288'. Latere schutterslijsten zijn er uit 1396, 1407, 1422, allen in 
het Stedeboek opgenomen en met de lijst van hen, die in 1421 geld aan de stad leenden, 
zeer belangrijk voor de kennis van Leidsche geslachten en namen uit de Middeleeuwen. 
Men zal er verscheidene te Leiden nog bekende namen onder kunnen vinden. De door- 
geschrapte namen, aanwijzend de gestorvenen, zijn met een kruisje geteekend. 

2) Hierbij een teekeningetje van den vogel. Het is blijkbaar de man, die den vogel 
geschoten heeft, de schutterkoning. 



326 



f Har man Janss. 

Jan Tolnaer. 
•fClaes Dircss. 

Foytgen Jacopss. 

Ghise Diederts. 

Jan Dob. 

Aemt die Brouwer, die witmaker. 

Willem Mosch, die witmaker. 

Jan Zeverijtss. 
fDanckaert Dirc Koenens. 

Jan Dirc Koenens, 
f Aemt Goutvoet. 
fSyman Wouters. 
-j-Pieter Coppedrayer. 
-f-Johannes die Coster. 
fPieter Janss. van den Bosch. 

Allaert Allerts. 

Jan Willem IJsbrantss. 
fHeyn van Zalem. 

Florijs van Teylingen. 

Dirc Coopal. 
fDirc Mathiss. 

Claes Lutghen. 
fPhilps Simon Philpsss. 

Heyric Wouters. 

Gherijt Pieter Scolkiinss. 

Diedert die blokemaker. 

IJsbrant Strevelant Janss. 

Ysebrant Jans Voss, 

Claes van Maersen ende Florijs 
zijn soen. 
tJacop Claess. 

Dirc van Oestgheest. 

Gherijt die Bruun Jacopss. 

Heynric zijn broeder. 

Louvve uten Eng, 

IJsbrant Strevelant Willemss. 

Florijs van Zonnevelt. 

Jan Hughes van der Hant. 
fClaes Hughe Claesss. 

Coen Vranc Ysacss. 

Jan Hughens. 

Dirc Willems van Poelgheest. 



Heyn Hughe Claes Jansss. 

Jan die Smit. 
f Jan Janss. die moelnaer. 

Meyns Willemss van Oyen. 
f Pieter Vranc Katrinens van der 
Heed, 

Willem Melis. 

Aernt Dirc Buttermanss. 

Gherijt Janss. 

Jacob van Grieken. 

Gherijt Willem Aelbrantsss. 

Potter Janss, 

Jan van Scoten. 

Jan Pieter Wouterss. 

Gherijt Dircx Brunens. 

Jan Gheryt Willemsss. 

Claes Pieter Ysacss, 

Florijs Aerntss die scrienmaker. 
fWillem Boudijn IJsbrantsss. 

Hughe van Zwieten. 

Jacob van der Hant Florijss. 

Aelwijn Dirc Lamss. 

Foyken Jacob Foykenss, 

Willem Mosch die scrienmaker, 

Sim.on Jude. 
f Jacob Jacob Doedenss. 

Dirc van den Noerd, 

Philps Stickers. 

Dirc Dammes Bokel Janss. 

Adriaen Walichs. 

Pieter Gherijtss die scuytmaker. 

Dieddaert Janss. 

Jonghe Post. 

Willem Stien, 

Dirc Claes Boendijnsss. 
fLanker Roelofs, 
fWouter Hermanss. 

Ghisebrecht Florijs Claess. 
fReymbrant Philpss. 

Josep Pieterss. 

Ghisebrecht Cosiin. 

Symon van Ghaghelenbrecht. 



327 



BIJLAGE XII 
(zie blz. 242). 

Staten, dienende tot beter overzicht der stedelijke 

geldmiddelen '). 



1392. 



Inkomsten : 






Uitgaven : 




Oude renten. . 


700 pd. 






Reizen. . . . 100 pd. 




Poortgeld . . . 


58 „ 






Wijnschenkingen 140 „ 




Pondgeld . . . 


50 « 






Onkosten aan 




Zoenen en boeten 16 „ 






maaltijden, boden- 




Schot .... 


780 „ 






loonen en salaris 1 300 „ 








1600 


pd 


. Vertimmering . 25 „ 
Allerlei . . . 140 „ 


-1725 P 


1400. 












Inkomsten : 






Uitgaven : 




Oude renten. . 


1000 pd. 






Reizen. . . . 290 pd. 




Poortgeld, 








Wijnschenkingen 300 „ 




pondgeld en 








Onthalen en 




achterstallen . 


180 „ 






bodenloon . . 200 „ 




Schot .... 


7000 „ 






Salaris .... 400 „ 








8200 


pd. 


Vertimmering . 470 „ 
Soldijen . . . 5800 „ 
Krijgstocht tot ont- 
zet van Stavoren 1 500 „ 


9000 pd 


1413- 












Inkomsten : 






Uitgaven : 




Oude renten. . 


900 pd. 






Te kort op rek. 




Accijnsen . . . 


5600 „ 






1412 .... 2750 pd. 




Poortgeld, pond- 








Beden .... 5900 „ 




geld en zoenen. 


80 „ 






Lijfrenten. . . 2600 „ 




Schot .... 


1200 „ 






Reizen. . . . 170 „ 




Lijfrenten. . . 


5200 „ 






Wijnschenkingen 200 „ 








3000 


pd. 


Onthalen en 

bodenloon . . 200 „ 

Salaris .... 560 „ 

Vertimmering, 

enz 450 « 

I 


3000 pd. 



i) Uit de Stadsrekeningen opgemaakt. Het verschil der eindcijfers van de som der posten 
wordt veroorzaakt door het verwaarloozen van kleine sommen op ieder dier posten. 



328 



1426. 





Inkomsten : 


Goederen 


en 


renten . 


. . 1000 pd 


Accijnsen . 


. .11000 „ 


Lijfrenten. 


. . 1600 „ 


Schot . . 


. • 2700 „ 



Uitgaven : 
Te kort 1425: . 2300 pd. 
Burgem. voor hun 



Boeten en zoenen 100 



16000 pd. 



1427. 

Inkomsten : 
Oude renten. .1150 pd. 
Accijnsen. . .17200 ^ 
Allerlei . . . 1000 „ 

19500 pd. 



uitgaven. . . 


1000 


n 


Lijfrenten. . . 


8300 


n 


Reizen. . . . 


350 


j> 


Onthalen en bo- 






denloon . . . 


300 


» 


Salaris .... 


660 


» 


Vertimmering en 






oorlogsmaterieel 


1900 


n 


Allerlei (ook een 






krijgstucht) . . 


3000 


)j 


Beden .... 


4600 


)> 


Uitg; 


iven: 




Achterstallen . 


8500 


pd 


Lijfrenten. . . 


9400 


n 


Reizen. . . . 


1900 


n 


Wijn en onthalen 


250 


?j 


Bodenloon . . 


175 


n 


Salaris .... 


700 


5> 


Vertimmering . 


400 


)j 


Oorlogsmaterieel 


220 


» 


Krijgstochten, 






enz 


1300 


» 


Soldijen . . . 


3000 


)) 



22500 pd. 



Burgem. uitgaven 870 



27000 pd. 



1434- 

Inkomsten : 

Oude renten . 900 pd. 

Accijnsen . . 14000 „ 

Allerlei . , . 250 „ 

15000 pd. 



Uitgaven : 
Achterstallen . 4000 pd. 
Lijfrenten . . 12300 „ 



Reizen . . . 


150 


V 


Wijn en onthalen 


120 


n 


Bodenloon . . 


120 


V 


Salaris . . . 


600 


1) 


Vertirnmering . 


300 


y> 


Allerlei . . . 


1000 


11 


Beden . . . 


2000 


» 



20000 pd. 



329 

De rubriek „reizen" omvat alles, wat de overheden uitgaven op 
hunne tochten, in het belang der stad, naar den Haag of andere plaatsen 
ondernomen. Zie boven, blz. 143 en 243. 

De rubriek „wijnschenken en onthalen" wordt dikwijls groot door 
de wijnuitdeelingen aan gerecht, schutterij en geestelijkheid op de groote 
feestdagen. Zie boven, blz. 138. 

De rubriek „salaris" moet eigenlijk heeten „uitreiken van laken voor 
kleeding", want de hoogste ambtenaren ontvingen op die wijze hun 
salaris: slechts voor de mindere komt reeds spoedig een geldelijke ver- 
goeding daarvoor in de plaats. Zie boven, blz. 138. 



BIJLAGE XIII 
(zie blz. 252). 

Copie vanden lijfrenten, die die stede ghegheven heeft voert gheliende 
ghelt, dat der stede ghelient wort inden oorloghen van Arkel ende Ghelre i). 

Scout, scepene ende raede der stede van Leyden doen cond allen luden, 
dat wy by rade ende goetdeinken van der ghemeenre vroescip vander 
stede vercoft hebben ende sculdich sien A. also lange als hi leeft ende 
B. also lange als hi leeft, 7I/2 engelsche nobelen siairs, goet van goude, 
van munte ende swaer genoech van ghewichte, tot payment hare waird, 
te betaelen alle jaer tot sinte Louwerens dage in HoUant, daer die 
rechte ontfangher woenachtich wesen sal, buten sinen cost. Ende waer 
dat zake, dat die rechte ontfangher in eniger wijs woenachtich waer 
buten den palen van HoUant, so soud men dese voirsz. renten vri ende 
commerloos leveren in eenre stede gheleghen binnen X milen na den 
uutkant der palen van Hollant, daert den ontfanger best ghenoecht, buten 
sinen cost. Ende tot wat tiden A. ende B. voirsz. beide oflivich gheworden 
sien, so salmen der lesten doden erfnamen voldoen ende betalen dese 
voirsz. renten naden beloop vander tijt inden jaer als sy gheleeft hebben. 
Ende dese renten hebben wi van der stede weghen versekert, ghelooft 
ende bewijst te versien an alle goede als die stede van Leyden heeft. 
Ende gebrake daer yet an, dat soude die houder des briefs verhalen an 
een yghelic onsen poorteren of sijn goede, waer die gheleghen sien of 
bevinden mach, tsi binnen den palen van Hollant of daer buten. Ende 
worde yement van onsen poorteren hierom bescadicht, dat loven wi 
him vander steden weghen op te rechten ende te beteren, Voirt, worder 
yet versuumt inder betalinghe der rente voirsz., so sel die ontfangher der 
renten voirsz. moghen verteren op eiken nobel tot eiker weke ene comans 
groten, totter tijt toe dat dese rente ende leistijnge volcomelic wel betaelt sien. 

Ende dese geloften hebben wi ghelooft ende loven vander stede 



i) Privilegieboek A, fol. 72 v. tot 73 v. 



330 

weghen voir ons ende voir onsen nacomeliingen medepoorteren wel te 
houden ende te voldoen ende ons des niet te weren mit enighen recht 
of vertrec, tsi gheestelic of wairlic, tot wat tiden die houder des briefs 
bi des ontfanghers \ville ghenuecht arresterijnge of recht te vorderen op 
dese voirwairde voirscr., behoudelic dat die rechte ontfanger of sijn ge- 
waerde bode dese renten eerst manen sal binnen Leyden den poortmeesters 
of denghenen, dien dat ghemechticht wort vander stede weghe uut te 
reiken ; ende binnen XIII dage na die vermaninge en sal die stede ghenen 
scade liden, mer tenden den XIIII dage voirt te varen op die voir- 
waerden also voirscr. staet. Voirt so Hen wie ons vander stede wegen 
hier of voldaen ende betaelt mit 75 eng. nobelen, die sy ons ter 
rekeninge hebben gebrocht vanden gelienden ghelde. Voirt so en selmen 
dese rente niement over gheven noch vercopen in eniger wijs dan den- 
ghenen, die poorters te Leyden sien of die binnen der stede van Leyden 
woenachtich sien. Voirt sient voirwaerden, dat men vander stede wege 
voirsz., tot wat tiden men wil, dese rente vrien ende lossenen mach mit 
75 eng. nobelen iof payment hare waerd, in hooftghelde ende mit sulken 
rente als daerof verschenen sien na den loop vanden jaer ende mit 
suiker leistinge als daerop versuumt mach worden. In kennesse der 
wairhede hebben wi dese brief bezeghelt mit onser stede zeghel, die wie 
ghebruken ten zaken. Ghegheven int jaer ons Heren XCCCC ende achte 
opten eersten dach in November. 

Hierop so is ons lijfs Heer en confirmati bezeghelt mit vier brieven; 
des leit een brief bi der stede hantvesten, die ander onder den capittel 
van sinte Pancras, die derde onder Willem Brt ende die vierde onder . . . ^) 

Willaem, bider ghenaden Gods etc, doen cond allen luden, want onse 
getruwe scout, scepenen ende raede ende die ghemeen vroescip van onser 
stede van Leyden eendrachtelic overdraghen sien lijfrenten to vercopen 
in betalingh ende in bewisijnge van alsulken gh ellenden ghelde als onse 
poorteren in Leyden ghelient hebben ende in onsen reisen virtert, alze 
inden bezitte voer Gorinchem, voer Haghestein, doe Gorinchem beclom- 
men wort, ende oec mede alse onse poorters over dese tijt ghelient 
hebben toter summen toe van zeshondert eng. nobelen s jaers, so hebben 
wi om bede wille onser getrouwer voirsz. die voirwaerden, die si enen 
jegheliken daerof doen sullen, geconsenteert ende confirmeert, consenteren 
ende confirmeren mid desen brieve ende gheloven voer onsen nacome- 
lijngen dien coop te houden en te doen houden nae inhouden hore 
brieven, die si daerof hebben, bezeghelt mit onser stede zeghel voirsör. 
In oirkond desen brieve bezeghelt mit onsen zeghele. Ghegheven in den 
Haghe opten derden dach in Novembri in 't jaer ons Heren 1408. 



i) Naam uitgelaten. 



331 

BIJLAGE XIV. 

(Zie blz. 12). 

A. In den jaere duisent hondert een en de twintich des Sonnendaechs 
nae Onser Liever Vrouwen geboirte worde dese jegenwoirdighe kercke 
gewijt in de eere Goidts ende der heyligher Apostelen Sincten Pieter 
ende Pouwels, onder de E. zeere religieuse devote Heere ende 
Vader in Gode, Godebaldus, de vier ende twintichste Bisschop van 
Vuytrecht i). 

i^Zie blz. 277 . 

B. Brevis Catalogus Commendatorum Leydensium Ordinis Teutonici. 

1. Petrus praefuit a° a Christo servatore nato 1293, ab ordine Teu- 
tonico instituto 194, a templo D. Petri Leydae fundato 172, ab 
administratione tenipli a Florentio, Guilielmi Imperatoris et Hol- 
landiae Reguli filio, Hollandiam administrante Dominis Teutonicis 
demandata quinto supra vigasimum. Hunc primum fuisse Leydae 
Commendatorem ex literis pervetustis satis constat, at quo anno 
a morte M. Gerardi ^), qui ante an™ 1268 jurisdictionem decernente 
Florentio quoad vixit retinuit, dignitatem inierit, ignoratur. 

2. Andreas prefuit a° 1304. Huius tempore a° 1315 Dominica die 
ante festum Nativitatis D. Virginis dedicatum est templum Ley- 
dense augustussimo D. Pancratio sacrum *). 

3. Theodoricus Lupus praefuit a° 1325. 

4. Bernardus praefuit a° 1350. 

5. Nicolaus praefuit a° 1353. 

6. Florentius praefuit a° 1357. 

7. Jacobus praefuit a° 1366, moritur a" 1370, qui quintus creditur 
initae dignitatis. Huius tempore vel paulo ante a° 1365 Dominica 
die post festum Assumptionis D. Mariae dedicatum est Leydae 
templum diocesanum D. Virgini sacrum 5). Item anno sequenti 
Pancratianum collegium 24 sacerdotum institutura est ö). 

8. Theodoricus Rhenanus primus Jacobi successor 7). 

9. Henricus Tilanus praefuit a° 1375 verum non diu potitus rerum 
moritur Theodorico adhuc superstite. 



1) Memorieboek Pieterskerk (Leidsch archief, ms. Pieterskerk, n". i), schutblad. In 
groote gothische letter, van omstreeks 1500. 

2) Fundatieboek Pieterskerk (ib. ms. Pieterskerk, n°. 323), schutblad. 

3) Zie blE. 29, 50. 

4) Zie blz. 66. 

5) Zie blz. 69. 

6) Zie blz. 66. 

7) Van den bekenden twist (zie blz. 279) wordt hier niet gesproken. 



332 

10. Joannes Zelandus praefuit a° 1382. 

11. Guilielmus Terningius praefuit a° 1395. Mortuus Schoonhoviae 
a° quo Leyda a Joanne Bavaro obsessa tandem est dedita, 1420. 

12. Theodoricus Rhenanus secundus dignitatem acceptam, adversa ut 
creditur valetudine compulsus, in Simonem Naeltvicum contulit. 
Mortuus Ultrajecti a" quo Pontifex Ultrajectensis Fredericus III 
diem obiit, 1423. 

13. Simon Naeltvicus praefuit annos 26, discessit e vita a" 1449 
3 id. Sept. 1). 



i) De lijst gaat nog voort tot 1592. Zij is samengesteld „Auth. D. Petro Cornelio 
Bockenbergio", die haar blijkbaar omstreeks 1600 maakte uit oude overdrachtsbrie ven 
enz., die wij thans in grooter getale bezitten, zoodat het mogelijk zou zijn haar aan- 
merkelijk aan te vullen. 



REGISTER. 



A. 

St. Aagten, klooster. 287. 

Aardenburg, 236. 

Abcoude, zusterhuis, 70, 288. 

Adegeest, 76. 

Adelwinus, Alwinus, kastelein, 10, 

II. 
Aechte Albarensdochter, 288. 
Aerntkijn Burchartsz., 225. 
Aernt Joest Noytsz., 251, 
Aesopus, 295. 
St. Agnes, zusterhuis, 70, 287. Zie 

Begijnhof. 
Akersloot, 200. 
St. Andries, vicarie en kapel van, 

58, 292, 295. 
Aken, 93, 236. 

Herman van, 55. 
Alexianen, zie Cellebroeders. 
Alfen, 6, 83, 90, 92, 102, 170, 201. 
Alkemade, familie van, 145. 

Floris, heer van, 120. 

Hendrik, heer van, 279. 

Oud-, 76. 
Alkmaar, 35, 93, 122, 125, 233, 245. 
AlijtSymon Hermanssoensdochter, 

251. 
Ambachten, Vier, 275. 
Amersfoort, loi. 
Ameyden, 213. 
Amstel, Gijsbrecht, heer van, 30, 92. 



Amstelland, 79, 275. 
Amsterdam, 21, 35, 92, 115,125, 

201, 208, 251, 254. 
Antwerpen, 203, 253, 254. 
Arke, 58. 
Arkel, 96, 97, 125, 168,202,225, 

252, 256. 

Jan, heer van, 126. 
Arragon, 126. 
Assendelft, 84. 
Augustijnen, 288. 
Augustijnken van Dordt, 296. 
Avignon, 271, 297. 

B. 

Backer, De, 146. 

Baertraet Foytkensdochter, 251. 

Banjaert, Albrecht, 14, 15. 

St. Barbaraklooster of Bethanië, 

55. 288. 
Bartholomeus, 293. 
Bataven, 2, 3, 102. 
Bazel, 271. 

Beaumont, Jan, heer van, 123, 124. 
Begijnhof, St. Agnes ofGefaliede, 

55p 57, 58, 59, 284 vlg. Zie 

Pieter Symons. 
Beieren, 44, 107, 127. 
Beka, 295. 

Bekensteyn, Jan, heer van, 254. 
Bentheim, Boudewijn, graaf van, 19. 



334 



Bentheim, Willem, heer van, 30. 

Berendrecht, huis, 76. 

Bergen, 196, 265. 

Bergen op Zoom, 203, 253. 

Berkshire, 187. 

Berkenrode, Jan, heer van, 254. 

Betuwe, 275. 

Beverwijk, 35. 

Bitter, 146. 

Blijfhier, familie, 162, 259, 268, 293. 

Bologna, 294. 

Borch, Jan van der, 11 o. 

Borstelbrug, Bostelbrug, 50. 

Borsselen, iio. 

Wolfert, heer van, 122. 
Bort, familie, 145. 

Symon, 141. 
Bosch, Van den, 146. 
Boskoop, Wermbolt van, 286, 287. 
Boshuyzen, huis, 6, 76. 

familie Van, 145. 

Claes van, 135. 
Bosscher, de, 55. 
Boudijn Dirxs., 146. 
Bourgondië, 44, 106 vlg., 209. 

Philips, hertog van, 7, 44, 46, 

54, 98, loi, 104,108, 112,115, 

126, 127, 131 vlg., 149 vlg., 
168, 171 vlg., 188, 209, 2i6j 
217, 219, 238, 247 vlg., 256, 266, 

286. 

Boxhorn, 7. 

Brabant, 14, 17, 37, 47,106,112, 

127, 131, i75> 203, 204, 212, 
236, 252 vlg., 265, 274. 

Jan IV, hertog van, 98, 134, 

216. 
Brandenburg, 236. 
Breda, 95. 
Brederode, Dirk, heer van, 80, 84. 

Reinoud, heer van, 93, 100. 
Briel, Den, 107, 233. 
Breestraat, 3, 20, 49, 50, 51, 55, 

56, 58, 59 vlg., 69, 93, 200, 

260, 26-5. 297. 



I Broek op Langendijk, 35, 
Brug, Groote, 199, 284. 
Brugge, 16, 187, 196, 202, 203, 

209, 252, 253, 254. 
Bruggestraat, zie Maarsmansteeg. 
Bruine, Arend de, 55. 
Brussel, 112, 252, 254. 
Bruyn, Gerrit de, 208. 
Burch, Hughe Claessoen van der, 

268. 
Burggracht, 279. 
Burgsteeg, 66. 
Burgstreng, 82, 279. 
Butewech Dirksz., Pieter, 146, 169, 
Butkens, 19. 



Caesar, 2. 

Calais, 184, 187 vlg., 203, 204, 237. 

Caninefaten, 2, 3. 

St. Catharina, zusterhuis, 288. 

Cats, Nicolaas, heer van, 35, 37, 

St. Cecilia, zusterhuis, 70, 

Cellebroeders, 72. 

Cellebroersgracht, 72, 286. 

Christina, 18. 

Cisterciënsen, 274. 

Colijn, Claes, 92. 

Claes Dirksz , 146. 

Clawert, Hannekyn, 224. 

Coelkijn WoUecoper, 250. 

Coevorden, 13. 

Colijn Jansz., 224. 

Commengijs, heer van, 225. 

Condé, 283. 

Constanz, 271. 

Copsnel, 225. 

Cralinghen, Gilles van, 86. 

Cronesteyn, huis, 76, 

Croy, heer van, 171, 172. 

Culemborg, 293. 



Dammes Coenraetsz., 251. 



335 



Delf, Dirc van, 261. 

Delfland, 79, 158. 

Delft, 21, s3, 35, 45. 60, 83, 93, 

98, 115, 122,125,166,171,186, 

189, 201, 205, 230, 233, 253, 254. 
Denemarken, 205, 207, 208 vlg. 

Erik, koning van, 209. 
Deventer, 37, 274, 287. 
Diefsteeg, 54, 56. 
Dirk Voppenz., 282. 
Dieric Vranckensoen, 62. 
Dodinsvere, 87. 
Dodo, kastelein, 10. 
Doelen, Doelensteeg, 70, 72. 
Does, huis Ter, 76, 102. 
Domburg, 35. 
Dominikanen, 274, 275. 
Donkersteeg, 200. 
Doornik, 265. 
Dordrecht, 16, 21, 24, 33, 45» S^, 

39, 43, 45, 48, 60, 87, 93, 98, 

100, 115, iió, 122, 126, 140, 

170, 175, 177, 201, vlg., 214, 

230. 
Dorestad, zie Wijk bij Duurstede, 
Dousa, Janus, 7. 
Drente, 17. 
Drusus, 2. 
Duitschland, 36, 105, 196, 207, 

208, 239. 

Albrecht, koning van, 122. 

Frederik Barbarossa, keizer 

van, 4. 

Hendrik III, keizer van, 106. 

Karel IV, keizer van, 106, 279. 

Karel V, keizer van, 106. 

Lodewijk, keizer van, 124. 

Maximiliaan, keizer van, 106. 

Sigismund, keizer van, 106, 209. 
Duivenvoorde, 76, 87. 

Jan, heer van, 95. 

Willem, heer van, 124. 



E. 



Edam, 35. 



Eikenduinen, 87. 

Egmond, 9, lo, 15, 16, 24, 76, 

80, 84. 125, 157, 225, 226. 

Gerrit, heer van, 53, 120. 

Halewina van, 80. 

Willem, heer van, 30, 80, 81, 

171. 

Wouter, heer van, 14, 15, 30. 
Einsiedeln, 236. 
Elinand, kastelein, 11, 
Elten, 35. 

Endegeest, huis, 76. 
Eng, Splinter uten, 279. 
Engeland, ii, 14, loi, 103. 120, 

122, 125, 187 vlg., 203 vlg., 211. 

Eduard III, koning van, 126, 

187, 209. 
Engelendaal, klooster, 77, 286. 
Enkhuizen, 35, 120. 
Everstein, 168. 



Falsterbo, 207. 

Floris Radewijnsz, 274, 286. 

Foytgen, 145. 

Foytkijn, Willem, 264. 

Franciskanen, 274. 

Franken, 3, 4, 105, 157, 223. 

Frankrijk, 36, 98, 120, 188, 196, 

207, 209, 239, 264. 

Lodewijk de Heilige, koning 

van, 211, 215. 
Friesland, Friezen, 3, 96, 105 vlg., 

113, 119 vlg., 124, 146, 148, 157, 

162, 168, 186, 205, 211, 223, 

256, 254. 
Fruin, Robert, 7. 

G. 

Gaesbeek, Jan, heer van, 104. 
Galgewater, 20. 
Gallicië, 236. 
Gallië, 2. 



336 



Gansoirde, Gansoordsbrug, 62, 65. 
Gasthuis, St. Barbara, 266. 

St. Elisabeths, 70, 266. 

St. Katrijnen, 50, 69, 267, 279, 

245, 260, 261, 288. 

L. Vrouwen, 67. 
Geertruidenberg, 35, 122, 124, 126, 

127, 140, 293. 
Geertrui heren Jacob Goetsots- 

dochter, 251. 
Geertrui Pieter Heermans, 251. 
Geldenhauer (Noviomagus), 7. 
Gelre, 36, loi, 119,212,215,271. 

Otto, graaf van, 30. 
Gent, 203, 252, 253, 265. 
Gerard Alewijnsz., 61, 108, 128. 

Zie Bijlage VI. 
Gerardinen, 275. 
Germanen, 22. 
Gherijt Gheraertsz., 251. 
Gherijt Jacopsz., 146. 
Gijsbrecht van Gheesdorp, 296. 
Glocester, Humphrey, hertog van, 

188, 209. 
Giessen, 208 
Godfried de Noor, hertog, 105, 

vlg. 
Gooi, 35, 166. 
Gorkum, 98, 166, 168 vlg, 202, 

252. 
Gouda, 35, 37, 46, 92, 100, loi, 

102, 115, 122, 170, 171,172,233, 

254. 

Gou ter, 146. 

Gouwe, 170, 189, 206. 

's Gravenhage, 45, 53, 91, 95» 97, 
98, IOC, loi, 102, iio vlg,, 
125 vlg 136, 152, 164, 166, 171, 
180, 228, 252, 283, 296. 

's Gravenhof , 5 2 . 

'sGravensteen. 53, 55, 59. 

's Gravenzande, 35, 83. 

Gravinneweg. Zie Diefsteeg. 

Gregorius XI, paus, 271, 282. 

Groene Steghe, 65. 



Groenhazengracht, 72. 
Groningen, 13, 37, 175, 275. 
Groote, Geert de, 70, 272, 274, 

286, 287. 
Grote straet, zie Breestraat. 

H. 

Haag, Den, zie 's Gravenhage. 

Haagambacht, 45. 

Haarlem, 16, 21, 26, 33, 35, 45, 

60, 93, 97, 109. 112, 115, 121, 

122, 125, 186,225,230,233,253, 

254, 264, 282, 293. 

Willem van, 30. 

Simon van, 30. 
Haarlemmer hout, 4. 
Haarlemmer meer, 8, 79,86,199. 
Haarlemmerstraat, 68. 
Hadrianus, Keizer, 3. 
Haemstede, Witte van, 40, 122. 
Hagestein, 168, 252. 
Hal, 127. 
Hall, 236. 

Hannekijn die Engelsche, 224. 
Hanze, Hanzesteden, 188, 196, 

202, 205, 207, 209, 210. 
Hant, van der, familie, 145. 

Hughe van der, 141. 
Hamburg, 186, 205, 208, 209. 
Hazerswoude, 6, ^^. 
Heelu, Jan van, 81. 
Heemstede, Jan, heer van, 95. 
Heerengracht, 68. 
Heerman, 146, 251. 
Heinric uten Hove, 293. 
Heinric Danielssoen, 141. 
Hellebreker, Jan, 227. 
Henegouwen, 125, 127, 265. 
Heren thals, 254. 
's Hertogenbosch, 236, 252. 
Herwijnen, Brunstijn, heer van, 96. 
Heusden, 201. 

Heylwich Pietersdochter, 288. 
Heymans wetering, 171. 



337 



Heyn Reinsz. huis, 267. 

Heynenzoon, Gheret, 53. Zie Bij- 
lage VI. 

St. Hieronymusdal, klooster, 75, 
286. 

St. Hieronymus, zusterhuis, 70, 
288. 

Hillegom, 77, 84. 

Hoeke, Van, 146, 260. 

Hoeksche en Kabeljauwsche twis- 
ten, 41, 77, 88, govlg., 129 vlg., 
149. 

Hoghestraet, familie, 146, 260, 

Holland, i, 10, 15, 16,17,21,24, 
26, 28, 30, 31, 32, 37, 98 vlg., 
106, 108 vlg., 126, 127, 140, 
158, 169, 171, 175, 201, 244, 
277. 

Ada, gravin van, 13, 14, 121. 
Albrecht, graaf van, 34, 44, 
46, 56, 70, 72 vlg., 91, 93 
vlg., loS, 113, 116, 119, vlg., 
125 vlg., 139, 180 vlg., 202, 
218 vlg., 225, 275, 279, 292, 
294, 296. 

Arnulf, graaf van, 3. 
Dirk IV, graaf van, 106. 
Dirk VII, graaf van, 25. 
Floris III, graaf van, 4, 214, 216. 
Floris V, graaf van, 4, 19, 24, 

26, 30» 33, 37, 44, 48, 52, 58, 
60,64,69, 80, 108, 112, 113, 121, 
127, 128, 212 vlg., 279, 297. 
Jacoba, gravin van, 44, 77, 98 
vlg., 112, 120, 126, 127, 130, 
149, Ï64, 168, 171 vlg., 218, 
243, 247, vlg, 256. 
Jan I, graaf van, 80 122, 202, 

215. 

Jan II, graaf van, 41, 39, 122, 

140, 198. 

Jan van Beieren, graaf van, 44, 

98 vlg., 115, 120, 131, 134, 

144, 164 vlg., 171, 188, 209, 

216, 217, 219, 249, 285. 



Holland, Lodewijk van Loon, graaf 
van, 14, 15, 16, 17. 
Margaretha, gravin van, 26,41» 
42, 67, 70, 88, 123, 158, 201, 
287. 

Petronella, gravin van, 9. 
Willem I, graaf van, 13 vlg, 

25, 37, 121. 

Willem II, graaf van, 19, 37, 

52, 54, 106, 127, 128. 

Willem III, graaf van, 26, 39, 40, 

44, 53, 61, 81, 86, 87, 88 vlg., 

108, 113, 119, 123, 128, 130, 

145, 176, 184, 201, 213, 216, 

218, 288, 292. 

Willem IV, graaf van, 32, 34, 

41, 42, 43, 87, 88, 112, 123, 

126, 218, 246. 

Willem V, graaf van, 41, 42, 44, 

61, 67, 88, 90, 124 vlg., 133, 

294. 

Willem VI, graaf van, 43, 46, 

97 vlg., 114, 117, 120, 126, 127, 

130, 168, 201, 216, 217, 220, 

252, 292. 

Willem, voogd van, 19. 
Holwerda, 3. 

Hoochstraet, Machtelt, 260. 
Hoogeland, 20, 65, 
Hoogewoerd, 3, 70, 71, 102,172, 

276, 293. 
Hooglandsche kerk, 58, 65, 66, 

70, 116, 150,246,263,266,280, 

281, 290, 297. 
Hooglandsche Kerkgracht, 66 vlg , 

263. 
Hooigracht, 65, 66, 67, 263. 
Hoorn, 35. 
Hom, Gijsbrecht van den, 259, 

260. 
Horst, kasteel Ter, 76, 87. 
Hout, Jan van, 48. 
Houtstraat, 55, 57, 286. 
Houvveningen, 83. 
Hughe van Haarlem, 251. 

22 



338 



Hughe Ghibenen, 266. 

Huibert, St., kapel, 66. 

Huis, Duitsche, 265, 277 vlg., 291, 

294. 
Huiszittenhuis, 70, 266. 
Huil, 187. 

J. 

Jacobinessen of Witte Nonnen 

klooster, 72, 287. 
St. Jacobsgracht, 284. 
Jacobus, kastelein, 13, 17. 
St. Jago di Compostella, 137, 236 
Jan Costijnsz., 146. 
Jan Dirc Coenensoen, 264. 
Jan Gheret Florenssoen, 226. 
Jan die Gruter van Haarlem, 86. 
Jan Heermans, 251. 
Jan Jan Grietenzoon, 251. 
Jan, meester (de beul), 225. 
Jan van Haarlem, 155, 293, 294. 
Jan van Hokelem, 293. 
Jan die Vos, 67. 
Janvossensteeg, 68, 70, 288. 
Jan Vranckensoen, 62. 
Jan de WoUencoper, 250. 
St. Jeroen, 4. 
Jeruzalem, 236. 
Joden, 213. 
Johannes a Leydis, 7. 
Junius, Hadrianus, 6, 7. 

K. 

Kager meer, 8. 

Kalslagen, 83. 

Kamerijk, 265. 

Kampen, 208. 

Karel de Groote, 5, 113, 211, 215, 

234. 
Karel Martel, 13, 105. 
Kamemelksbrug, 20, 62. 
Karolingers, 105, 211. 
Katrijn Willem Teedens dochter, 

263- A 



I Katwijk, 3, 9, 77, 79, 83, 87,91, 

97. 109. 277. 
Kelten, 2, 22. 
Kennemerland, 2, 5, 9, 14, 15, 16, 

30, 84, 86, 106, 112 vlg.. 121, 

200, 223, 254, 259. 
Kent, 187. 
Kercksteghe, 50, 52, zie Pieters- 

kerkkoorsteeg. 
Kerkvierendeel, 66. 
Kerkwerve, zie Oestgeest. 
Kerstant, 65. 

Kessel, Willem, heer van, 55. 
Ketel, De, 87. 
Keubel, huis, 76. 
Keulen, 214, 236, 275 
Koepoort, 72. 
Koningsveld, 226. 
Koningsweg, 50, 52, 57. 
Korenbrugsteeg, 92. 
Koudekerk, 90, 102. 

Hugo de Gouwer van, 85. 
Kuik, Albrecht, heer van, 18. 

Dirk van, burggraaf, 80 vlg., 90 

vlg., 201. 

Hendrik van, burggraaf, 18, 30 

80 vlg., 97,99, loi, 103. 

Jan, heer van, 81. 

Ver Justine van, 85, 86, 90. 



Laen, Van der, 146. 

Lam, 146. 

Lammerbrug, 76, 

Langebrug 59. 

Lazarushuis, 74, 246, 264. 

Lee, 8. 

Lee, huis Ter, 226. 

Leeuwenhorst, 76, 226. 

Leuven, 212, 254. 

Leiden, Leithon etc. i, vlg., 19, 
33. vlg., 45» 48, 53, 63, 69, 80^ 
vlg. 87, 88, 90 vlg., loi vlg., 
115 vlg., 125, 128 vlg., 146, 
152 vlg., 163 vlg., 175 vlg.' 



J^ 



339 



i8o vlg., 195, 210, 251 vlg,, 

289, 296. 
Leiderbroek, 9, 10. 
Leiderdorp, 5, 23, 63, 64. 65, 66, 

67, 69, 77, 281, 286. 
Leidsche Vaart, zie Vliet. 
Leimuiden, 13. 
Levendaal. 71. 
Leyden, familie Van, 145. 

mgr. Gerard van, 29, 41, 108, 

128, 261. 

Jan van, 92. 

Philips van, 34, 58, 59, 88, 108, 

iio, 136, 137, 142, 163, 176, 

282, 283, 288, 289, 294, 297. 

Pieter van, ^g^ 61, 265. 

Taetsaert van, 166. 
Leyenberg, Lijsbet van, 261. 
Lips, huis Ter, 5, 76. 
Lier, 254. 
Lisse, 78. 
Loevenstein, 96. 
Lokhorst, 19. 
I^khorststraat, 52, 60. 
Lollarden, 275. 
Lombarden, 214, 248. 
Lombardsteeg, Lombardenhuis, 55, 

59, 72, 89. 
Londen, 196. 
Loosduinen, 87, 226. 
Lopsen, 5, 9, 75, 283. 286, zie St. 

Hieronymusdal. 
Lotharingen, 105. 
Lübeck, 208, 236. 
Luik, 55, 98, loi, 120, 121, 131, 

146, 271. 
Luxemburg, loi, 106. 
Lijfland, 209. 

M. 

Maarsmansteeg, 20, 49, 51, 58, 60, 

61, 198, 199, 284. 
Maas, 5, 201, 226. 
Maasland, 16, 202, 277. 
Manpad, 84. 



Mare, Marendorp, 8, 10, 14, 51 

67, 68 vlg., 74, 75, 82, 200, 263, 

282, 283, 288. 
Margriet Symonsdochter, 288, 
St. Margriet, zusterhuis, 70, 264, 

287. 
St. Maria Magdalena, zusterhuis, 

75, 288. 
Marienpoel, 286, 294, zie Podiken- 

poel. 
Marsh, 187. 

Mechelen, 127, 252, 253, 254. 
Medemblik, 21, 2x4 vlg. 
Merna, zie Mare. 
Merre, Nicolaas, 292. 
Meyne Uut den Waerd, juffer, 55. 
St. Michiel, zusterhuis, 50 287. 
Middelburg, 35, 122, 203. 
Middelweg, Middelgraft, 65.' 
Mieris, Van 7. 
Monnikendam, 35. 
Montfoort, loi. 
Montpellier, Guy de, 264. 
Mooren, 126. 
Morsch, Morschdijk, 78. 
Muiden, 35. 
Muskadelsteeg, 52. 
Mij, huis De, 76. 

N. 

Naakte Sluis, 264. 
Naaldwijk, 77. 
Naarden, 35, 233. 
Namen, -55, 236. 

Philips, graaf van, 17. 
Napels, 37. 
Nieuwkoop, 83. 
St. Nicolaasgracht, 66. 
Noordeinde, 3, 51, 52. 
Noordpoort, 57, 64, 68, 71, 281. 
^^ Noordwijk, 3, 4, 5, 8, 76. 
Noord wijkerhout, 77. 
Noordzee, 205, 207, 208. 
Noorwegen, Noren, 4, ir, 196, 

205, 211, 



340 



Normandie, ii, 105. 

Nothaft, heer van VVerdenburg, 1 00. 

Nottingham, 187. 

Novgorod, 196. 

Nijmegen, 10, 17, 37. 

O. 

Oestgeest, 3, 8, 13, 67, 69, 75, 
77, 82, 85, 87, 158, 165, 283, 
286. 

Offem, 76. 

Oostervant, Willem van, 96. 

Oostenrijk, 44. 

Oostzee, 193, 196, 199, 207, 208, 

257. 
Ordh, 18, zie Waard. 

Orlers, Jan, 48. 

Orieans, 294, 297. 

Oudelant, Jacob, 94, 95. 

Oudewater, 102, 109, 171. 

Ourthe, 55. 

Oversticht, Overijsel, loi, 175, 274. 

Oxfordshire, 187. 



Padua, 294. 

Paling, Antonijs, 214. 

St. Pancras begijnhof, 286. 

St. Pancras kerk, zie Hoogl. kerk. 

Papengracht, 57, 246. 

Paridaen, Jan, 238. 

Parijs, 236, 294, 297. 

Pepijn de Korte, 105. 

Pepijn de Lange, 105. 

Persius, 295. 

Peterkijn WoUecoper, 250. 

Picardië, 121. 

Pieters kerk, St. 12,20,39,51,52 
vlg.. 59 66, 100, 117, 128, 129, 
143 vlg., 150, 182, 246, 261 vlg., 
274, 277, 278 vlg., 291 vlg, 
294 297. 

Pieterskerkkoorsteeg, 20, 52, 59. 

Pieter Symons begijnhof, 55, 207, 
285. 



Pikarden, 171. 

Pisa, 271. 

Podikenpoel, 76, 86, 95, 99, 101, 

286, zie Marienpoel. 
Poel, Petrus van den, 286, 287. 
Poelgeest, 158. 

Aleida van, 76, 95, 129. 

Dirk, heer van, 259, 261. 

Groot- en Klein-, 5, 76, 77, 90. 

Oud-, 76, 102. 
Poes, familie, 146. 
Polanen, Gerrit, heer van, 100. 

Jan, heer van, 86. 
Polen, 196, 207. 
Pouwels, 294. 
Praemonstratensen, 274. 
Pruisen, 209. 
Pytheas van Massilia, 2. 

R. 

Raephorst, 76. 

Bartholomeus, heer van, 70. 
Rapenburg, 10, 16, 20,49,55,57, 

59, 60, 68, 72, 267,280, 287, vlg. 
Regulieren, 77, 286. 
Renesse, Jan, heer van, 122. 
Rodenburg, huis, 76. 
Roma, zusterhuis, ^88, zie St. 

Hieronymus. 
Rome, 70, 137, iSi, 184, 212, 

236, 271, 275. 
Romeinen, 2, 3, 105. 
Roomburg, 5, 9. 
Rorik, 105. 

Rosenburg, huis, 76, 87. 
Rotterdam, 98, 164, 169, 170, 171, 

189, 233, 251. 
Roukoop, huis, 76. 
Rusland, 196, 207. 
Rutger de Scomaker, 64. 
Rutgher van Kampen, 55. 
Ruysbroeck, Jan van, 274. 
Rijn, I, 5, 8, 10, 13, 15, 18, 20, 

23> 36, 49> 5I) 60, 64, 67, 69 



341 



vlg., I02, 121, 189, 200, 202, 
205, 240, 241, 280, 283. 

Rijndijk, 3, 20, 49, 71. 

Rijnland, i, 2, 4, 9, ^i, 16, 21, 
22, 23, 24, 26, 27, 31, 35, 40, 
44, 45, 53, 85, 87, 91, 95, 
loi, 105 vlg., ii7 118, 132 
vlg., 152 vlg., 187 vlg., 195, 
202, 220 vlg., 233, 237, 238, 
246, 259, 275, 298. 

Rijnsaterwoude, 13, 83. 

Rijnsburg, 3, 5, 9, 13, 18,69,76, 
83, 91? 199» 226, 296. 

Rijnsburger poort, 286, 287. 

Rollant, Aernt van, 253. 

Rengher, Claes, 263. 

Rijn, Dirk van den, konimandeur, 
279, 296. 

Rijn, Nieuwe, 382. 

Rijsoirde, heer van, 61. Zie Gerard 
Alewijnsz. 

S. 

Santhorst, 76. 

Sassenheim, 3, 78, 77, 83. 

Sceven, Jan, 85. 

Schagen, zusterhuis, 70, 288. 

Schakenburg, 15. 

Schelde, 36. 

Scheveningen, 87, 

Schiedam, 21, 46, 92, 140. 

Schieland, 79. 

Schoneveld, Eylaert, 275. 

Schoonhoven, 21, 35, 100, 104, 

170, 171. 
Schotland, 188, 205. 
Seri ver, Hugo, 254. 
Sincfal, zie Zwin. 
Skonen, 199, 207, 208, 237, 259, 

268. 
Sont, De, 207. 
Stavoren, 37, 88, 1:3, 165 vlg, 

168. 
Steen, Blauwe, 160, 230 vlg., 234. 
Steenschuur, 20, 57, 72. 



Steenvoorde, van, familie, 50, 261. 
Sticht, zie Utrecht. 
Stoke, 14, 15, 122. 
Swadenburg, zie Zwammerdam. 
Swieten, 5, 9, 76. 

Boudijn van, 255, 286. 

Claes van, 89, 93, 260. 

familie Van, 145. 
Sylt, iT. 



Tedema, zoon van Willem Jan 

Willegins, 251. 
Tertiarissen, 274, 287. 
Tetrode, Philips van, 78. 
Teylingen, 5, 24, 28, 29, 30, 76, 

84, 87, 90, 97- 

Dirk, heer van, 30. 

Willem, heer van, 14, 15. 
Texel, 14, 35, 275. 
Thomas, pastoor, 291. 
Thomas Jansz., 224. 
Thomas a Kempis, 272. 
Tiel, 37. 
Toren, Roode, 198, 199. 

U. 

Uyterste Graft, 66. 

St. Ursula, zusterhuis, 79, 287, 288. 

Utrecht, 7, 9, 13, 14, 15, xj, 19, 
35' vlg-. 78, 95> 102 106, J17, 
124, 155, 165, 175, 212, 246, 
269, 271 vlg., 274 vlg. 
Arnold van Hoorn, bisschop van, 
27, 283, 289, 294. 
Dirk van der Are, bisschop van, 
14. 

Floris van Wevelikhoven, bis- 
schop van, 271, 274. 
Frederik van Blankenheim, bis- 
schop van, loi, 271 vlg. 
Godebald, bisschop van, 12. 
Gwy van Henegouwen, bisschop 
van, 65, 271. 



342 



Utrecht Jan van Arkel, bisschop 
van, 271. 

Jan van Diest, bisschop van, 271. 
Jan van Nassau, elect van, 271. 
Jan van Vernenburg, bisschop 
van, 66, 271, 282. 
Rudolf, elect van, 238. 
Willebrord. bisschop van, 13. 

V. 

St. Valentijnsgracht, 284. 

Valkenburg. 5, 77, 83, 92, 221, 277. 

Veenhuizen, 87. 

Velsen, Albrecht, heer van, 30. 

Vennep, Vennip, De 79 86. 

Vest, Oude, 68. 

Veur, 5. 

Victaliebroeders, 205. 

Vischmarkt, 284. 

Vlaminc, 146. 

Vlamingen, Vlaanderen, 14, 16, 17, 
36, 37, 47, 48, 64, 81, 106, 108, 
112, 113, 122, 123, 175, 188 vlg., 
203 vlg., 209, 215, 236, 239, 
252 vlg., 265. 
Philips van den Elsas, graaf van, 

37. 

Robert de Fries, graaf van, 37. 

Vlaardingen, 16, 84, 87. 

Vleeschhal, 52, 199, 240 

Vliet, 71 vlg, 76, 189, 200, 276. 

Gerrit, heer van, 139. 

Vollersgracht, 49, 50, 55, 56, 57, 

58, 59, 64, 72, 288. 
Voorburg, 5. 
Voorhout, 5, 77. 
Voorne, 17. 
Voorschoten, 3, 5, 14, 15,16,76, 

87, 221, 261. 
Vos, familie, 67, 145. 
Vriezendijk, 77. 
Vries, M. de, 7. 
Vroonland, 83, 199 
Vrouwenkamp, 288. 



O. L. Vrouwenkerk, 69, 70, 75, 
150, 184, 263, 287. 

W 

Waal, 169. 

Waard, 18, 20, zie Ordh. 

kasteel Ten, 75, 93, 102, 103. 
Waerd, Uut den, 55, 267. 
Wadding, huis Ter, 76, 199. 
Wagenaar, 7. 
Walcheren, 170. 

Walenborch, Gijsbrecht van, 282. 
Wantbrugge, 62. 

Wanthuis, 60, 189 vlg., 199, 200. 
Warmond, 13, 76, 102, 286, 287. 
Warwickshire, 187. 
Wassenaer, 4, 69, 76, 84, 85, 87, 

90, 92, 99, 104. 

Dirk, heer van, 82, 87, 95, 292. 

Philips, heer van, 14, 87, 88, 

94, 95 vlg., 121, 130, 133 vlg., 

296. 

Jan, heer van, 100, 
Wateringen, 87. 

AVateringhen, Gerrit, heer van, 30. 
Waterland, 85. 
Weesp, 35, 233. 

Wenden, Wendische steden, 209. 
Wendeldijk, 4, 78, 79, 
Werdh, 18, zie Waard. 
Werve, Van der, 146 
Westkapelle, 35. 
Weversbrugge, 49, 58. 
Weversplaats, 181. 
Weversteghe, 49, 58. 
Willem Jan Willigins, 251. 
Willem van Hildegaersberch, 7, 

124, 128, 130, 144, 179, 270, 

272, 296. 
Willem Heynenzoon, 96, 146. 
Willem Jansmanszoon, 206. 
Willem, Jonghe, Jans Vermannen- 

soen, 62. 
Willemsz., Willem, 146, 
Wilsnack, 236. 



343 



Wimmenum, 84. 
Windesheim, 274, 286. 
VVitbroet, Philips, 153. 
Witte poort, 74, 102, 264. 
Woeringen, 81. 
Wolhuis, 57, 58, 240, 
Woude, Jan van den, 287. 
Woudrichem, 87, 98, 166, 168, 

170, 201, 246. 
Wijk bij Duurstede, 9, 103, zie 

Dorestad. 
Wijnghaerd, Gilles van den, 252. 

IJ. 

IJperen, 48, 49, 56. 

IJsel, 189. 

St. IJenwout, 236. 

Z. 

Zande, kasteel Ten, 76, 91, 95, 
Zie Katwijk. 



Zeeland, Zeeuwen, 14, 15, 17, 26, 
36, 37, loi, 112, 116, 122, 
124, 126, 140, 166, 170, vlg. 
189, 203, 204, 208, 211, 265, 

275- 
Zierikzee, 35, 60, 75, 122, 283. 
Zoetermeer, 87. 
Zoeterwoude, 6, 23, 70, 76. 
Zuidwijk, huis, 76. 
Zutphen, 36, 208. 
Zwammerdam, 77, 79. 
Zweden, 207. 

Zwestriones, 275. Zie Gerardinen. 
Zwin, 105. 
Zijdwinde, 79. 
Zijl, 15. 

Machteld van der, 263. 

kasteel Ten, 75, 102. 
Zijpe, 226. 



ERRATA EN ADDENDA. 



blz. II, reg. 2 V. b. : „bout", lees: „boud". 

„ 13, noot 2: „plano", lees: „pleno". 

„ 32, reg. 14 V. b.: „edeltuyg", lees: „edeltuych". 

„ 36, reg. 4 V. b. : achter „men" lees: „later". 

„ 38, noot I : „Teestye", lees : „Teesteye". 

„ 42, reg. 13 V. o.: „anslaghen", lees: „anlaghen". 

„ 52, reg. 7 en 6 V. o : lees: „uit de dagen van Fioris V". 

Er was een open ruimte, waar door baljuw en mannen onder den 

vrijen hemel werd rechtgesproken. Vgl. blz. 224 en Phil. de Leyden, p 318. 

blz, 68, reg. 9 v. b. : vgl. Gosses, Stadsbezit, blz. 8. 

„ 71, reg. 10 V. o.: „1/5 morgen", lees: „^/e morgen". 

„ 75, reg. 5 V. b.: „musiergaeten", lees: „masiergaeten". 

„ 138, reg. II V. o.: „mengel wijns", lees: „mengel wijns." 

„ 195, noot 6: „meer dan eene", lees: „meer dan". 



■PUiU 2 




// •■(>: \ 







'Dc ottde ftad . 
B "de eerCte verarootitu^ (IJOOJ- 
3 'De hveede vei'arootina (Q^lj . 
I- 1)c derde verdrootina (JQ86) ■ 
Z! t)e m^rde verarootitta (r^O^) 



Iith i'.JvfioWe.T'/Ieidetv 



PLaa^ f 




£ttk ■i.-.J^u.iSt r Zticer. 



1 



y^ 



DJ 

^^^ 

L5B5 
deel 1 



Blok, Petrus Johannes 
Geschiedenis eener 
Holland sche stad 



PLEASE DO NOT REMOVE 
CARDS OR SLIPS FROM THIS POCKET 



UNIVERSITY OF TORONTO LIBRARY